Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:721

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
18-06-2021
Datum publicatie
16-07-2021
Zaaknummer
20/02002
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1758, Gevolgd
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Caribische zaak. Verdeling nalatenschap. Reformatio in peius door gedeeltelijke bevestiging vonnis gerecht?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/02002

Zitting 18 juni 2021

CONCLUSIE

R.H. de Bock

In de zaak

1. [verzoeker 1]

2. [verzoeker 2]

3. [verzoekster 3]

4. [verzoekster 4]

5. [verzoeker 5]

6. [verzoekster 6]

7. [verzoekster 7]

8. [verzoekster 8]

verzoekers tot cassatie., elk in de hoedanigheid van erfgenaam van wijlen [erflaatster 1] , hierna: [verzoekers]
advocaat: mr. C. Reijntjes-Wendenburg

tegen

1. de erfgenamen van [erflaatster 2]

a. [erfgename 1]

b. [erfgename 2]

c. [erfgename 3]

d. [erfgename 4]

e. [erfgename 5]

f. [erfgename 6]

2. [verweerster 2]

3. [verweerster 3]

4. [verweerder 4]

5. [verweerster 5]

6. de erfgenaam van [erflater 3] ( [verweerder 6] )

7. [verweerder 7]

8. [verweerder 8]

9. [verweerder 9]

10. [verweerster 10]

verweerders in cassatie, hierna: [verweerders]
advocaat: mr. J. van Weerden

1 Inleiding

1.1

In deze Curaçaose zaak over de verdeling van een tot een nalatenschap behorend perceel grond op Sint Maarten, gaat het in cassatie uitsluitend over de vraag of het Gemeenschappelijk Hof van Justitie bevoegd was om het dictum van het in appel bestreden vonnis slechts gedeeltelijk te bevestigen. Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat het Hof daarmee in strijd heeft gehandeld met het verbod van ‘reformatio in peius’ en buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden, althans een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft gegeven.

2. Feiten en procesverloop1

2.1

In deze zaak kan van de volgende feiten worden uitgegaan, grotendeels ontleend aan rov. 3.2 van het tussenvonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het GEA) van 15 november 2010. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Hof) is in rov. 2.2 van zijn tussenvonnis van 23 november 2015, bij de beoordeling van de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging, voorshands van dezelfde feiten uitgegaan en heeft in de daarop gevolgde vonnissen de feiten niet opnieuw vastgesteld. 2

(i) Partijen zijn erfgenamen van [erflaatster 4] , overleden op 31 mei 1989, en [de grootvader] , overleden op 25 oktober 1990 (hierna: de grootvader), hierna gezamenlijk: de erflaters.

(ii) Sinds 1985 woont [verzoeker 5] (verzoeker tot cassatie sub 5, hierna: [verzoeker 5] ) op een perceel grond in Sint Maarten, plaatselijk bekend als [het perceel] (hierna: het perceel). Aanvankelijk woonde hij daar met de grootvader. Na het overlijden van de grootvader is [verzoeker 5] daar blijven wonen.

(iii) [verzoeker 5] exploiteert op het perceel een bar/restaurant onder de naam ‘ [A] ’ en hij verbouwt er groente.

2.2

Bij inleidend verzoekschrift van 1 december 2008 heeft (wijlen3) [erflaatster 2] (hierna: [erflaatster 2] ) zich gewend tot het GEA en na wijziging van eis onder meer – kort samengevat – de partiële verdeling van de nalatenschap van haar ouders (de erflaters) gevorderd, te weten de scheiding en verdeling van het perceel en toebehoren, (primair) toebedeling van het perceel aan haar waarbij aan de gedaagden een vergoeding ter grootte van hun erfdeel toekomt, de ontruiming van het perceel door [verzoeker 5] en een verklaring voor recht dat [verzoeker 5] een gebruiksvergoeding verschuldigd is aan de nalatenschap voor het gebruik van het perceel in de afgelopen 25 jaar.4

2.3

[verzoekers] hebben verweer gevoerd tegen de vorderingen. Zij hebben aan hun verweer onder meer ten grondslag gelegd dat het perceel niet in de nalatenschap valt en dat [verzoeker 5] daarvan de rechtmatige eigenaar is, omdat de grootvader het perceel in 1985 aan hem heeft geschonken althans [verzoeker 5] de rechtmatige eigenaar is geworden op grond van (verkrijgende dan wel extinctieve) verjaring. [verzoekers] hebben voorts in reconventie (primair en subsidiair) een verklaring voor recht gevorderd dat [verzoeker 5] de rechtmatige eigenaar is van het perceel op basis van schenking althans verjaring en als rechtmatige eigenaar kan worden ingeschreven bij het Kadaster en meer subsidiair gevorderd dat [erflaatster 2] wordt veroordeeld om een vergoeding te betalen aan [verzoeker 5] als compensatie voor het onderhouden en vermeerderen van de waarde van het perceel voor de duur van 25 jaren.

2.4

Bij tussenvonnis van 15 november 2010 heeft het GEA – nadat het zich bij tussenvonnis van 15 april 2010 bevoegd had verklaard om kennis te nemen van het verzoek – geoordeeld dat [verzoeker 5] niet door schenking of verjaring eigenaar is geworden van het perceel en dat het perceel in de nalatenschap valt. Het GEA heeft voorts een comparitie van partijen gelast.

2.5

Het GEA heeft bij tussenvonnis van 5 september 2011 – nadat partijen daarover ter comparitie geen overeenstemming hebben kunnen bereiken – een deskundige (Ixi Design) benoemd ter bepaling van de waarde van het perceel.

2.6

[erflaatster 2] heeft bij akte van 9 september 2013 haar eis in conventie (nogmaals) gewijzigd. [verzoekers] hebben vervolgens bij akte van 7 oktober 2013 hun vorderingen in reconventie eveneens gewijzigd, in dier voege – voor zover in cassatie belang – dat zij tevens hebben gevorderd dat [verzoeker 5] in de gelegenheid wordt gesteld om het perceel te kopen.

2.7

De deskundige heeft bij rapport van 7 juli 20145 de waarde van het perceel (inclusief de daarop gelegen gebouwen) bepaald op USD 361.500,-.

2.8

Bij eindvonnis van 21 september 2015, aangevuld bij (herstel)vonnis van 12 oktober 2015, heeft het GEA in conventie en reconventie de verdeling van de nalatenschap van de erflaters bevolen en de verkoop van het perceel gelast met verdeling van de opbrengst aan de erfgenamen conform de verklaring van erfrecht. Het GEA heeft bepaald dat voornoemde verkoop niet ten uitvoer wordt gelegd indien [verzoeker 5] aan de overige erfgenamen binnen drie maanden na betekening van het vonnis hun aandeel in de getaxeerde waarde voldoet ter verkrijging van het eigendomsrecht op het perceel. Voorts heeft het GEA [verzoeker 5] bevolen om, indien de verkoop wordt tenuitvoergelegd, binnen 120 dagen na betekening van het vonnis het perceel te verlaten, een deurwaarder benoemd als ‘onzijdig persoon’ en bepaald dat ieder van de erfgenamen toekomt het conform de verklaring van erfrecht berekende aandeel in het saldo van de huurpenningen onder de notaris gestort. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.9

[verzoekers] hebben hoger beroep ingesteld tegen het eindvonnis van 21 september 2015 en het herstelvonnis van 12 oktober 2015.

2.10

Op vordering van [verzoekers] heeft het Hof bij tussenvonnis van 23 november 2015 de tenuitvoerlegging van de bestreden vonnissen geschorst voor de duur van de procedure in hoger beroep.

2.11

[verzoekers] hebben bij memorie van grieven twee grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden vonnissen. In grief I hebben [verzoekers] aangevoerd dat [erflaatster 2] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering, omdat zij niet alle erfgenamen in de procedure heeft betrokken. Subsidiair, voor zover [erflaatster 2] wel ontvankelijk is in haar vordering, hebben [verzoekers] in grief II onder meer betoogd – aan de hand van een taxatierapport van een andere deskundige (Independant Consulting Engineers, hierna: ‘ICE’) – dat de waardebepaling van het perceel door de door het GEA benoemde deskundige onjuist (althans onvolledig) is en dat het perceel aan [verzoeker 5] dient te worden toegedeeld onder de verplichting om een achtste (1/8e) gedeelte van de in het taxatierapport van ICE genoemde executiewaarde van USD 122.893,34 aan ieder van de overige deelgenoten te betalen. Voorwaardelijk en meer subsidiair, voor zover [verweerders] ontvankelijk is en voor zover de toedeling van het perceel aan [verzoeker 5] (waarbij de vordering tot overbedeling gebaseerd wordt op de executiewaarde in het taxatierapport van ICE) niet als een geëigende wijze van verdeling kan worden aangemerkt, hebben [verzoekers] – kort gezegd – voorgesteld om het perceel te splitsen in twee gedeelten, waarbij het voorste gedeelte aan hem wordt toebedeeld en het achterste gedeelte aan de overige erfgenamen.

2.12

[erflaatster 2] heeft de grieven bestreden.

2.13

Bij tussenvonnis van 16 augustus 2016 heeft het Hof geoordeeld dat de eerste grief faalt, omdat de omstandigheid dat niet alle deelgenoten in het geding zijn opgeroepen niet eraan in de weg staat dat de rechter de wijze van verdeling gelast, zoals is gevorderd (rov. 4.3). Voorts heeft het hof overwogen dat toedeling van de onroerende zaak aan [verzoeker 5] – gelet op het feit dat hij de onroerende zaak in gebruik heeft en aldaar een restaurant exploiteert – het meest redelijk is. Het Hof heeft daarbij overwogen dat wel vereist is dat [verzoeker 5] in staat is tot vergoeding van de vergoeding van de overwaarde, uit eigen middelen of bijvoorbeeld door vestiging van een hypotheek of, indien mogelijk, door splitsing van de onroerende zaak en verkoop door hem van een gedeelte (rov. 4.4). Het Hof heeft [verzoeker 5] in de gelegenheid gesteld om zich bij akte gemotiveerd uit te laten over zijn financiële mogelijkheden tot vergoeding van de overwaarde aan de andere deelgenoten. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat [erflaatster 2] zich heeft verzet tegen verdeling in de vorm van splitsing van de zaak en [verzoeker 5] onvoldoende heeft gemotiveerd dat deze splitsing een reële mogelijkheid is en redelijk is ten opzichte van de andere deelgenoten (rov. 4.6). Verder heeft het Hof overwogen dat met betrekking tot de waarde van de onroerende zaak dient te worden uitgaan van de marktwaarde in ongebruikte staat (rov. 4.7) en dat geen ruimte is voor een gebruiksvergoeding noch voor een vergoeding van gestelde door [verzoeker 5] gedane investeringen en dat deze vorderingen door het GEA terecht tegen elkaar zijn weggestreept (rov. 4.8). Het Hof acht het wenselijk dat opnieuw een deskundigenrapport wordt uitgebracht over de waarde van het perceel op dat moment en heeft partijen toegelaten om gelijktijdig een akte te nemen over de te benoemen deskundigen. Het Hof heeft partijen in overwegingen gegeven om ter besparing van kosten en versnelling van de procedure akkoord gaan met USD 300.000, zijnde het midden tussen de taxaties door Ixi Design en ICE (rov. 4.13).

2.14

Na diverse pogingen van partijen om in onderling overleg tot overeenstemming te komen,6 heeft het Hof bij tussenvonnis van 3 juli 2018 opnieuw geoordeeld dat een nieuw deskundigenrapport moet worden uitgebracht met betrekking tot de marktwaarde van de gehele onroerende zaak op dat moment. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de te benoemen deskundige. Voorts heeft het Hof [verzoeker 5] nogmaals in de gelegenheid gesteld om zich bij akte gemotiveerd uit te laten over zijn financiële mogelijkheden tot vergoeding van de overwaarde aan de andere deelgenoten. Het Hof heeft in dat verband overwogen dat het aan de motivering van de uitlating hoge eisen zal stellen en dat [verzoeker 5] in beginsel een schriftelijke verklaring (van een bank of andere potentiële financier) dient over te leggen (rov. 2.5). Het Hof heeft aan [erflaatster 2] een termijn van zes weken gegeven voor het oproepen van de deelgenoten die nog niet deelnamen aan de appelprocedure (rov. 2.6).7

2.15

Na oproeping door [erflaatster 2] , zijn uiteindelijk8 verweerders in cassatie sub 2 t/m 10 in het geding verschenen.

2.16

Er is geen nieuw deskundigenbericht bevolen door het Hof.9

2.17

Bij eindvonnis van 7 april 202010 heeft het Hof het vonnis van het GEA van 21 september 2015, aangevuld met het vonnis van 12 oktober 2015, gedeeltelijk bevestigd, namelijk met uitzondering van de bepaling dat voornoemde verkoop niet wordt tenuitvoergelegd indien gedaagde 6 ( [verzoeker 5] ) aan de overige erfgenamen binnen drie maanden na betekening van dit vonnis hun aandeel in de getaxeerde waarde voldoet ter verkrijging van het eigendomsrecht op het perceel. Het Hof heeft voorts de proceskosten van het hoger beroep gecompenseerd zodat iedere partij de eigen kosten draagt.

2.18

[verzoekers] hebben tijdig11 cassatieberoep ingesteld tegen het eindvonnis van het Hof van 7 april 2020. [verweerders] hebben een verweerschrift ingediend, waarin zij hebben geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

3 Bespreking van het cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel stelt uitsluitend de toelaatbaarheid van de gedeeltelijke bevestiging van de vonnissen in eerste aanleg aan de orde. Het middel, dat bestaat uit één onderdeel en een toelichting, is gericht tegen het dictum en rov. 2.7 van het bestreden vonnis.

3.2

Het Hof heeft in de bestreden rov. 2.7 overwogen dat de beperkte bevestiging van het bestreden vonnis niet in strijd komt met het verbod van ‘reformatio in peius’. Rov. 2.7 en de daaraan voorafgaande relevante rechtsoverwegingen luiden als volgt:

“2.4 In het bestreden vonnis van 21 september 2015 is aan [verzoeker 5] een laatste mogelijkheid geboden tot uitkoop door te beslissen dat hij de mogelijkheid krijgt om binnen drie maanden na betekening van het vonnis de getaxeerde waarde van de onroerende zaak te voldoen. Bij tussenvonnis van 16 augustus 2016 heeft het Hof geoordeeld dat toedeling van de onroerende zaak aan [verzoeker 5] - gelet op het feit dat hij de onroerende zaak in gebruik heeft en aldaar een restaurant exploiteert- het meest redelijk is en voorts overwogen dat van [verzoeker 5] (wel) wordt verwacht dat hij bij akte zich gemotiveerd uitlaat over zijn financiële mogelijkheden tot vergoeding van de overwaarde aan de andere deelgenoten. In voornoemd vonnis van het Hof van 3 juli 2018 is [verzoeker 5] wederom een kans geboden om aan te tonen dat hij over voldoende financiële middelen beschikt om de resterende deelgenoten uit de kopen. Aan deze opdracht heeft [verzoeker 5] niet voldaan. Ook het Hof heeft in deze zich al heel lang (sedert 2008) voortslepende procedure inmiddels geen fiducie meer in [verzoeker 5] ’s mogelijkheden om [verweerders] uit te kopen. Dit betekent dat het bestreden vonnis moet worden bevestigd voor zover verdeling, verkoop en ontruiming is bevolen. Dit is ook wat [verweerders] in hun akte van 5 februari 2019 onder 14 hebben bepleit.

(…)

2.6 Het bestreden vonnis van 21 september 201[5]12, zoals aangevuld op 12 oktober 2015, zal met uitzondering van de mogelijkheid van uitkoop voor [verzoeker 5] worden bevestigd.

2.7. Voor de goede orde wordt opgemerkt dat deze uitkomst niet in strijd komt met de regel dat een appellant, wanneer geen incidenteel appel is ingesteld, niet minder mag worden van zijn hoger beroep (verbod van ‘reformatio in peius’). [verzoekers] hebben met hun appel immers in zoverre succes gehad dat [verzoeker 5] veel langer dan de in het bestreden vonnis voorziene drie maanden de gelegenheid is geboden om de andere deelgenoten uit te kopen, en dat ook tegen een waarde die aanzienlijk lager was dan de getaxeerde waarde waarvan het GEA uitging. [verzoeker 5] heeft die mogelijkheid niet benut en hij is, naar hierboven is vastgesteld, daartoe ook niet in staat gebleken. Het is dan van iedere zin ontbloot om de door het GEA aan zijn beslissing verbonden voorwaarde, die de facto al lang is uitgewerkt, door bevestiging te handhaven, wat alleen maar tot onwenselijke verdere vertraging kan leiden. Aldus bezien worden [verzoekers] van de beperkte bevestiging van het bestreden vonnis niet minder en staat de enkele omstandigheid dat [verweerders] niet (tijdig) incidenteel hebben geappelleerd daaraan niet in de weg.”

3.3

Het middel klaagt dat het Hof heeft miskend dat een in het voordeel van de appellant ( [verzoeker 5] ) gegeven dictum – namelijk: de toewijzing van de door [verzoekers] ingestelde reconventionele vordering zoals gewijzigd c.q. vermeerderd bij akte van 7 oktober 2013 om [verzoeker 5] in de gelegenheid te stellen het perceel te kopen – buiten het appel viel omdat [verweerders] geen incidenteel appel hebben ingesteld tegen deze toewijzing. Het Hof is ook buiten de rechtsstrijd van partijen getreden door een oordeel te geven over een beslissing van het GEA waartegen geen grief is gericht en waartegen evenmin incidenteel appel is ingesteld. Voorts klaagt het middel dat het in rov. 2.7 vervatte oordeel van het Hof dat het verbod van reformatio in peius niet is geschonden getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, en de daaraan ten grondslag gelegde motivering (dat [verzoeker 5] door deze beslissing niet slechter is geworden) onbegrijpelijk is. Het middel bevat ten slotte de klacht dat het vonnis van het Hof is aan te merken als een ontoelaatbare verrassingsbeslissing, omdat [verzoeker 5] bij het instellen van het appel geen rekening hoefde te houden met een gedeeltelijke bevestiging van het bestreden vonnis indien zijn grieven zouden worden verworpen.

3.4

Bij de bespreking van het middel stel ik voorop dat op grond van het Caribische appelprocesrecht het Hof bevoegd is om de in appel bestreden uitspraak ambtshalve – buiten de grieven om of zelfs bij gebreke van grieven – te vernietigen (zie art. 281a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Curaçao). Het Caribisch appelprocesrecht kent geen grievenstelsel.13 Ambtshalve vernietiging is evenwel uitgesloten voor zover het gaat om een voor de appellant gunstige beslissing. Het door de appellant zelf ingestelde hoger beroep mag namelijk niet tot een voor hem ongunstiger resultaat leiden dan hij in eerste aanleg verkreeg (verbod van ‘reformatio in peius’).14 Het in het voordeel van de appellant gegeven dictum waartegen geen incidenteel appel is ingesteld, valt buiten het appel en is derhalve niet aan het oordeel van het Hof onderworpen.15

3.5

[verzoekers] hebben in eerste aanleg in reconventie onder meer gevorderd – na aanvulling/wijziging van hun vorderingen bij akte van 7 oktober 2013 – dat [verzoeker 5] in de gelegenheid wordt gesteld om het perceel te kopen. Het GEA heeft deze reconventionele vordering toegewezen, door in het dictum van het eindvonnis op te nemen dat de verkoop van het perceel niet wordt tenuitvoergelegd indien [verzoeker 5] aan de overige erfgenamen binnen drie maanden na betekening van het vonnis hun aandeel in de getaxeerde waarde voldoet. Dit onderdeel van het dictum strekte aldus in het voordeel van appellanten (althans [verzoeker 5] ). Uit rov. 2.7 volgt dat het Hof – in cassatie onbestreden – heeft vastgesteld dat [verweerders] geen incidenteel appel hebben ingesteld tegen deze in het voordeel van appellanten gegeven beslissing. Het Hof diende derhalve deze beslissing te eerbiedigen en te bekrachtigen. Daaraan doet niet af dat – zoals is betoogd onder nrs. 29-31 van het verweerschrift in cassatie – de vraag of [verzoeker 5] financieel in staat was om de overige deelgenoten uit te kopen (in ieder geval na het tussenvonnis van 16 augustus 2016) onderwerp was (geworden) van het partijdebat in hoger beroep. Door de in appel bestreden vonnissen slechts gedeeltelijk te bevestigen heeft het Hof in strijd gehandeld met het verbod van reformatio in peius. Het in rov. 2.7 vervatte oordeel van het Hof dat deze uitkomst niet in strijd komt met het verbod van reformatio in peius getuigt aldus van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel slaagt in zoverre.

3.6

Ten overvloede merk ik op, mede naar aanleiding van nrs. 26-28, 43 van het verweerschrift in cassatie, dat het verbod van reformatio in peius ook geldt indien in hoger beroep blijkt dat een appellant geen belang heeft bij handhaving van het in zijn voordeel strekkende onderdeel van het dictum. In rov. 2.7 in verbinding met rov. 2.4 ligt besloten dat het Hof van oordeel was dat [verzoekers] geen belang hadden bij bekrachtiging van de door het GEA aan [verzoeker 5] geboden mogelijkheid tot uitkoop tegen de getaxeerde waarde, omdat tijdens de procedure in hoger beroep niet is aangetoond of gebleken dat [verzoeker 5] in staat is om de overige deelgenoten uit te kopen tegen een lager bedrag dan de (in eerste aanleg) getaxeerde waarde. Ook indien van de juistheid van dit oordeel moet worden uitgegaan, was het Hof niet bevoegd om het in appel bestreden vonnis op die grond ambtshalve vernietigen. Het ten gunste van de appellant strekkende onderdeel van het dictum was immers niet aan zijn oordeel onderworpen.

3.7

Anders dan [verweerders] in cassatie aanvoeren (zie het verweerschrift in cassatie onder nrs. 45-46), brengt de omstandigheid dat [verzoekers] geen cassatieklachten hebben gericht tegen de in rov. 2.4 en rov. 2.7 opgenomen vaststellingen dat niet is aangetoond of gebleken dat [verzoeker 5] in staat is om de andere deelgenoten uit te kopen (tegen een lager bedrag dan de getaxeerde waarde waarvan het GEA is uitgegaan) niet mee dat [verzoekers] geen belang hebben bij cassatie. Met die vaststelling staat namelijk nog niet vast dat [verzoeker 5] (thans) niet in staat is om de andere erfgenamen uit te kopen of de daarvoor benodigde financiering aan te trekken. Daarbij komt dat [verzoeker 5] gedurende het hoger beroep ervan mocht uitgaan dat, indien het Hof zijn grieven zou verwerpen, hij alsnog in de gelegenheid zou worden gesteld om het perceel binnen drie maanden na betekening van het vonnis te kopen tegen de getaxeerde waarde waarvan het GEA is uitgegaan. Nu het Hof de tenuitvoerlegging van de vonnissen waarvan appel had geschorst, kon deze termijn nog niet verstreken zijn.

3.8

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden vonnis niet in stand kan blijven. Ik denk dat de Hoge Raad de zaak zelf kan afdoen door het vonnis van het GEA van 21 september 2015, aangevuld bij vonnis van 12 oktober 2015, alsnog te bekrachtigen.

4 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot afdoening als hiervoor onder 3.8 vermeld.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Het verloop van deze langlopende procedure wordt enigszins verkort weergegeven, slechts voor zover van belang voor een goed begrip van het procesverloop tot en met het cassatieberoep. In dit verband verdient opmerking dat van het Hof ontvangen procesdossier en de door beide partijen gefourneerde procesdossiers niet compleet lijken te zijn. Op de inventarislijst behorende bij het door [verzoekers] ingediende procesdossier is opgemerkt dat diverse inspanningen om het procesdossier te completeren – waaronder inzage van het procesdossier bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie – niets hebben opgeleverd. In de begeleidende brief van de advocaat van [verweerders] is vermeld dat het procesdossier niet compleet is, omdat hij niet beschikt over de processen-verbaal van diverse mondelinge behandelingen en zijn correspondent evenmin beschikt over de ontbrekende processtukken, en dat enkele processtukken worden overgelegd die door het Hof niet zijn genoemd.

2 Zie het tussenvonnis van het Hof van 23 november 2015, onder rov. 2.2, waarin is verwezen naar rov. 3.2 van het tussenvonnis van het GEA van 15 november 2010 (beide vonnissen zijn niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).

3 In het verweerschrift in cassatie (onder nr. 2) is vermeld dat [erflaatster 2] op 29 september 2020 is overleden. Haar erfgenamen zetten de zaak voort.

4 Zie voor de door [erflaatster 2] ingestelde vorderingen rov. 2.1 van het tussenvonnis van het GEA van 15 november 2010.

5 Het uitbrengen van het deskundigenrapport was enige tijd vertraagd, omdat de kosten daarvan aanvankelijk niet waren voldaan. Zie het tussenvonnis van 28 april 2014, waarin het GEA – na een comparitie van partijen over de voortgang van het onderzoek door de deskundige – een uiterste datum heeft bepaald voor indiening van het deskundigenrapport.

6 Zie daaromtrent het tussenvonnis van het Hof van 4 april 2017.

7 Het Hof was reeds in rov. 2.4 van zijn tussenvonnis van 4 april 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:160, naar aanleiding van HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:41, teruggekomen van zijn eerdere oordeel in het tussenvonnis van 16 augustus 2016 dat de overige erfgenamen niet hoefden te worden opgeroepen.

8 Aanvankelijk waren alleen verweerders in cassatie sub 2 t/m 7 in het geding verschenen. Bij tussenvonnis van 16 april 2017 heeft het Hof [erflaatster 2] ertoe aangezet om ook de overige erfgenamen op te sporen en in het geding op te roepen.

9 Niet duidelijk is waarom dit niet is gebeurd. Appellanten hebben na het tussenvonnis van 3 juli 2018 bij akte de voorkeur gegeven aan de door het Hof gesuggereerde mogelijkheid van benoeming van een derde taxateur naast de taxateurs van Ixi Design en ICE, zodat deze samen een rapport kunnen opstellen. Vervolgens hebben partijen in de daarop gevolgde aktewisseling gedebatteerd over de te benoemen deskundige en de deskundigheid van de taxateur van ICE.

10 ECLI:NL:OGHACMB:2020:61.

11 Het cassatieverzoekschrift is op 6 juli 2020 door de griffie van de Hoge Raad ontvangen.

12 In het vonnis is abusievelijk 21 september 2019 vermeld.

13 Zie o.a. G.C.C. Lewin, Het hoger beroep en het cassatieberoep in burgerlijke zaken in de Nederlandse Antillen en Aruba (BPP nr. VII), 2009, par. 2.14; Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2018/97.

14 Zie met betrekking tot het Caribische appelprocesrecht o.a. HR 7 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2099, NJ 1996/583, rov. 3.4, met verwijzing naar HR 15 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG4978, NJ 1986/36, m.nt. W.H. Heemskerk, rov. 3.4.

15 Vgl. G.C.C. Lewin, Het hoger beroep en het cassatieberoep in burgerlijke zaken in de Nederlandse Antillen en Aruba (BPP nr. VII), 2009, par. 3.2.1; Ras/Lewin, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken in de Nederlandse Antillen en Aruba, 2008, nrs. 85-88; Hugenholtz/Heemskerk/Groefsema, Hoofdlijnen van het burgerlijk procesrecht van de Nederlandse Antillen en Aruba, 2009, nrs. 167.