Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:710

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
01-06-2021
Datum publicatie
14-07-2021
Zaaknummer
20/02486
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHARL:2020:6208
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1051
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplegen woninginbraak, art. 311.1 Sr. 1. Bewijsklacht medeplegen. Is aantreffen van (mogelijk) deel van buit (fles rum) en aanwezigheid in de buurt van woninginbraak voldoende? 2. Verbeurdverklaring auto. Is auto een voorwerp met behulp waarvan feit is begaan of voorbereid a.b.i. art. 33a.1.c Sr?

HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/02486

Zitting 1 juni 2021

CONCLUSIE

A.E. Harteveld

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 6 augustus 2020 door het gerechtshof Arnhem- Leeuwarden , zittingsplaats Leeuwarden , niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3, 4, 5, 6 en 7 tenlastgelegde, en wegens 1 primair. “poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak” en 2. “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden. Daarnaast heeft het hof een in beslag genomen personenauto verbeurd verklaard en de teruggave gelast van een in beslag genomen geldbedrag. Ook heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander als nader in het arrest omschreven.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. M. Berndsen, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel klaagt over de begrijpelijkheid van het onder 2 bewezenverklaarde en valt uiteen in twee onderdelen. Het eerste onderdeel klaagt over de begrijpelijkheid van het bewezenverklaarde daderschap van de verdachte, het tweede doet hetzelfde maar dan over het bewezenverklaarde “tezamen en in vereniging met een ander”.

3.1.

Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 2 bewezenverklaard dat:


“hij in de periode van 23 juli 2019 tot en met 24 juli 2019 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, twee gouden schakelkettingen en een gouden ketting met gouden tientje en een zilveren speld in de vorm van een tulp en een Gucci horloge en een zilveren armband en een iPhone 5 SE en een fles Bacardi en een Philips afstandsbediening voor een platenspeler en twee gouden trouwringen, toebehorende aan [benadeelde] , heeft weggenomen in/uit een woning ( [a-straat 1] , aldaar) met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft door middel van braak.”

3.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen, die zijn opgenomen in de aanvulling op het verkort arrest:


“met betrekking tot het onder 2 bewezen verklaarde feit:


4. Een proces-verbaal aangifte, nr. PL0100-2019193372-1, d.d. 25 juli 2019 op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 1] , inspecteur van politie Eenheid Noord-Nederland, met daaraan gehecht een bijlage gestolen goederen (dossierpagina’s 302 t/m 307 van het hiervoor onder 1. genoemde dossier), in onderling verband en samenhang beschouwd - zakelijk weergegeven - inhoudende:


als verklaring van de aangever [benadeelde] . afgelegd op 24 juli 2019 (in het arrest is op bladzijde 3, tweede alinea van onderen, abusievelijk vermeld dat [benadeelde] op 25 juli 2019 aangifte heeft gedaan. Het hof leest die datum verbeterd in 24 juli 2019, zijnde hier sprake van een kennelijke misslag door verbeterde lezing waarvan verdachte niet in zijn belangen wordt geschaad) :

Ik doe aangifte van inbraak in mijn woning aan de [a-straat 1] te [plaats] , gepleegd tussen 23 juli 2019 om 19:00 uur en 24 juli 2019 om 08:15 uur.


Op 18 juli 2019 heb ik samen met mijn partner genoemde woning verlaten om op vakantie te gaan. Alle deuren en ramen heb ik afgesloten. Op 24 juli 2019 omstreeks 08:45 uur werd ik gebeld door mijn zwager. Hij vertelde dat er in mijn woning was ingebroken en dat hij was gebeld door onze buurvrouw [betrokkene 1] van nummer [a-straat 2] , die de inbraak vanmorgen had ontdekt. Zij had de sleutel van mijn woning. Wij zijn naar huis gereden. Ondertussen was er al contact geweest met de politie.

Bij de woning aangekomen zijn wij eerst naar buurvrouw [betrokkene 1] gegaan. Hier hebben wij even met haar gesproken. In de woning van [betrokkene 1] hebben wij gewacht omdat er nog een sporenonderzoek in onze woning werd gedaan. Toen de politie mij belde dat we de woning in konden zijn wij de woning in gegaan. In de woning zag ik dat het een chaos was. Alle kastjes en lades waren opengetrokken. Veel van onze spullen lagen op de grond. Zowel op de benedenverdieping als op de bovenverdieping was dit gedaan.


Ik zag dat aan de achterzijde van de woning het raam/kozijn was opengebroken en dat dit open stond. De dievenklemmen waren verbogen en de raamuitzetter was afgebroken. Aan de zijkant van het kozijn/houtwerk/raam zag ik schade. Ook zag ik dat er schade was aan de terrasdeuren. De afdekplaat van het slot was hiervan verbogen en het cilinderslot was kapot.

Weggenomen zijn twee gouden schakelkettingen, een gouden ketting met gouden tientje, een zilveren speld in de vorm van een tulp, een Gucci horloge, een zilveren armband, een Iphone 5se, een fles Bacardi, een Philips afstandsbediening voor een platenspeler en twee gouden trouwringen. Ik ben eigenaar van deze weggenomen goederen.

Aan niemand is het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.


5. Een proces-verbaal van bevindingen, nr. PL0100-2019193372-20, d.d. 25 juni 2020 op ambtsbelofte opgemaakt door onder meer [verbalisant 1] , inspecteur van politie Politiedienstencentrum (los stuk), - zakelijk weergegeven - inhoudende:


als verklaring van verbalisant [verbalisant 1] :

Tijdens het opnemen van de aangifte van [benadeelde] heeft hij op mijn vraag of de uit zijn woning weggenomen fles Bacardi rum een nieuwe (onaangebroken) fles betrof tegen mij gezegd dat de fles aangebroken was en dat er beetje uit de fles was gedronken.


6. Een proces-verbaal van verhoor getuige, nr. PL0100-2019193372-3, d.d. 24 juli 2019 op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 2] , agent van politie Eenheid Noord-Nederland (dossierpagina’s 317 en 318 van het hiervoor onder 1. genoemde dossier), - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van de getuige [betrokkene 1] , afgelegd op 24 juli 2019:

Ik woon aan de [a-straat 2] te [plaats] . Ik pas op de kat van mijn buren van nummer [a-straat 1] . Ik heb gisteravond om 19:00 uur de kat nog eten gegeven. Ik heb een sleutel van de garagedeur waar ik naar binnen ben gegaan. Vanaf de garage loop je de woning in. Toen ik de kat eten had gegeven zag ik dat de deuren van de woning dicht zaten. Ik heb via de garage de woning verlaten en heb de garagedeur op slot gedaan. De rest van de woning was volledig afgesloten en er stonden geen ramen open.

Vanmorgen om 08:15 uur ben ik weer naar nummer [a-straat 1] gegaan. Ik heb via de garage de woning betreden. Ik zag dat de deuren naar de keuken en woonkamer open stonden. Ik ben de woning verder ingelopen en zag dat alle kastjes open stonden en dat er spullen uit de kastjes op de grond lagen. Ik ben naar de hal gelopen en zag dat de werkkamer een rommel was, dat er overal spullen op de grond lagen en dat kasten en lades open waren. Ik heb verder nergens aangezeten en ik ben niet boven geweest. Ik ben hierop naar mijn eigen woning gegaan en heb daar de politie gebeld.

7. Een proces-verbaal, d.d. 27 december 2019 op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 3] , hoofdagent van politie eenheid Noord-Nederland (dossierpagina ’s 2, 8, 11, 12 en 40 van het hiervoor onder 1. genoemde dossier), - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van verbalisant:

Verdachte [verdachte] staat sinds 14 februari 2019 ingeschreven op de [b-straat 1] te [plaats] .

[...]

Verdachte [verdachte] is meermalen gecontroleerd in een voertuig, een Mitsubishi Colt, kenteken [kenteken] . Dit voertuig staat op naam van de moeder van verdachte [verdachte] . Omdat verdachte [verdachte] ook in de nachtelijke uren in het voertuig werd gecontroleerd bestaat het vermoeden dat het voertuig ook betrokken is bij de woninginbraken. Om naar een heterdaad situatie toe te werken is er besloten om een baken onder dit voertuig te plaatsen. Op 21 juli 2019 is dit voertuig voorzien van een baken.

8. Een proces-verbaal van bevindingen, nr. PL0100-2019175241-14, d.d. 22 oktober 2019 op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 4] , brigadier, en [verbalisant 5] , hoofdagent, beiden van politie Eenheid Noord-Nederland (dossierpagina’s 230 en 231 van het hiervoor onder 1. genoemde dossier), - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van verbalisanten:

Op 23 juli 2019 omstreeks 22 :30 uur zagen wij dat de personenauto met het kenteken [kenteken] zich verplaatste vanuit [plaats] en in de richting van [plaats] reed. Wij zagen dat deze personenauto in [plaats] door meerdere straten reed, waaronder de [a-straat ] . Vervolgens zagen wij dat de personenauto een ronde maakte door meerdere straten in de “ […] ”-buurt en via [plaats] terug reed naar [plaats] .


Op 24 juli 2019 omstreeks 01:00 uur zagen wij dat genoemde personenauto vanuit [plaats] weer richting [plaats] reed. Wij zagen dat de personenauto parkeerde op de [c-straat ] (naar het hof begrijpt: de [c-straat ] te [plaats] ). Aldaar heeft de personenauto tot ongeveer 03:30 uur gestaan. Daarna is de personenauto in de richting van [plaats] gereden. De personenauto is vervolgens door de politie in [plaats] staande gehouden. Van deze staandehouding is door collega’s afzonderlijk proces-verbaal met volgnummer 12 (het hof begrijpt: het hierna onder 10. vermelde proces-verbaal) opgemaakt.


Op 24 juli 2019 omstreeks 22 :30 uur zagen wij dat genoemde personenauto wederom vanuit [plaats] reed in de richting van [plaats] . Wij zagen dat deze personenauto nagenoeg dezelfde route reed als eerder hiervoor omschreven. Direct hierop reed de personenauto weer naar [plaats] .


9. Het hiervoor onder 7. genoemde proces-verbaal (dossierpagina ’s 8, 14 en 40 van het hiervoor onder 1. genoemde dossier), - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van verbalisant:

Uit de baken gegevens was te zien dat het voertuig met kenteken [kenteken] op 24 juli 2019 van 01:00 uur tot 03:30 uur stil stond op de [c-straat ] te [plaats] . Er is ingebroken op de [a-straat 1] te [plaats] . Deze locaties liggen op ongeveer 350 meter daadwerkelijke loopafstand bij elkaar vandaan.

10. Een proces-verbaal van bevindingen, nr. PL0100-2019175241-12, d.d. 24 juli 2019 op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 6] en [verbalisant 7] , beiden hoofdagent van politie Eenheid Noord-Nederland (dossierpagina 's 299 t/m 301 van het hiervoor onder I. genoemde dossier), - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van verbalisanten dan wel een van hen:

Op 24 juli 2019 in de vroege ochtenduren bevonden wij ons te [plaats] . Wij waren belast met het uitvoeren van de regionale noodhulp/incidenten afhandeling voor ons wachtgebied. Wij maakten daarbij gebruik van een opvallend politiesurveillance voertuig en waren gekleed in het opvallende politie-uniform.

Het was ons bekend dat collega’s een onderzoek hadden ingesteld naar een persoon genaamd [verdachte] , die woonachtig zou zijn in [plaats] en zich mogelijk schuldig zou maken aan inbraak en diefstal. Wij hadden eerder op de avond gehoord dat collega’s een voertuig, in gebruik bij deze [verdachte] , onder verdachte omstandigheden hadden aangetroffen in [plaats] . Wij wisten dat dit voertuig was voorzien van een plaatsbepalend instrument en dat de locatie en de reisbeweging op afstand konden worden gemonitord. Het voertuig betrof een Mitsubishi Colt, voorzien van het kenteken [kenteken] .


Omstreeks 03:40 uur ontvingen wij het bericht van collega’s dat het verdachte voertuig reed in de richting van [plaats] . Wij kregen het verzoek om het voertuig staande te houden en de inzittenden en het voertuig te onderwerpen aan een standaard voertuig- en/of verkeerscontrole.


Omstreeks 03:42 uur zagen wij genoemd voertuig aan komen rijden. Wij hebben ons dienstvoertuig snel gekeerd. Wij zagen daarop dat het voertuig met een behoorlijke snelheid, ogenschijnlijk harder dan de toegestane 30 km. per uur, door de bebouwde kom van [plaats] reed. Ter hoogte van een kruising lukte het ons om het voertuig een stopteken te geven. Wij zagen dat de bestuurder van dat voertuig daaraan voldeed.


Wij zagen in het voertuig twee personen zitten. Na identificatie bleek de bestuurder te zijn genaamd [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985 (naar het hof begrijpt: de verdachte), en de bijrijder [betrokkene 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993 (naar het hof begrijpt: de medeverdachte). Met de verkregen informatie heb ik, verbalisant [verbalisant 6] , een zoekslag gemaakt in de MEOS bevragingsapp. Ik zag dat [betrokkene 2] en [verdachte] ambtshalve bekend waren bij de politie en dat zij eerder waren vastgelegd op een zogenaamde SKDB-foto. Ik zag dat de man die opgaf te zijn genaamd [betrokkene 2] dezelfde persoon was die eerder werd vastgelegd op de foto onder dezelfde opgegeven identiteit.


Ik, verbalisant [verbalisant 6] , vroeg aan [verdachte] en [betrokkene 2] waar zij zojuist vandaan kwamen. Ik hoorde [verdachte] zeggen dat zij uit [plaats] kwamen en daar bij een vriend thuis waren geweest en dat ze daarvoor in [plaats] waren geweest. Wij zagen dat [verdachte] kennelijk zeer gespannen en/of nerveus was. Wij zagen dat hij druk was, een aantal keren met zijn handen door zijn haar ging, veel sprak en af en toe met een haperende stem sprak.

Wat ons verder direct opviel was dat [betrokkene 2] een grote fles witte Bacardi rum vast had. Ik, verbalisant [verbalisant 6] , zag dat de fles voor meer dan driekwart gevuld was met een transparante vloeistof.

Ik, verbalisant [verbalisant 6] , deelde de beide inzittenden mee dat zij beiden wel eerder met de politie in aanraking waren geweest onder meer voor vermogensdelicten en dat ik daarom wel extra nieuwsgierig was naar wat hen nu op dit tijdstip hier bracht. Terwijl ik, verbalisant [verbalisant 6] , hierover met [betrokkene 2] sprak wekte hij de indruk nerveus te zijn. Ik zag en hoorde dat hij sprak met een sterk haperend stemgeluid.


Verder vroeg ik, verbalisant [verbalisant 6] , aan [verdachte] nog een keer naar de vriend waar zij zojuist in [plaats] waren geweest. Ik hoorde [verdachte] zeggen dat deze vriend [betrokkene 3] of [betrokkene 3] heette, diens achternaam niet kende en woonachtig was aan de [d-straat] .


11. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, nr. PL0100-2019193372-9, d.d. 2 december 2019 op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 8] en [verbalisant 9] , beiden hoofdagent van politie Eenheid Noord-Nederland (dossierpagina’s 502 t/m 507 van het hiervoor onder 1. genoemde dossier), - zakelijk weergegeven - inhoudende:


als verklaring van de medeverdachte [betrokkene 2] , afgelegd op 2 december 2019:

Ik ken [verdachte] al jaren.

Nadat wij door de politie waren gecontroleerd denk ik dat wij terug zijn gereden naar het huis van [verdachte] in [plaats] . Ik kan me nog herinneren dat deze politiecontrole een tijdje geleden in een nacht, u houdt mij voor op 24 juli 2019 omstreeks 03:40 uur, heeft plaatsgevonden. We moesten toen onze namen geven en zo. [verdachte] en ik zijn die avond (het hof begrijpt: de avond van 23 juli 2019 tot en met 24 juli 2019 omstreeks 03:42 uur) continu samen geweest.


12. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, nr. PL0100-2019175241-23, d.d. 7 november 2019 op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 10] en [verbalisant 11] , beiden hoofdagent van politie Eenheid Noord-Nederland (dossierpagina’s 456 t/m 463 van het hiervoor onder 1. genoemde dossier), - zakelijk weergegeven - inhoudende:
als verklaring van de verdachte, afgelegd op 7 november 2019:

Ik woon vanaf begin dit jaar op het adres [b-straat 1] te [plaats] . Ik heb de sleutels in januari/februari gekregen.


Ik maak wel gebruik van de auto van mijn moeder. Dat is een Mitsubishi Colt, kenteken

[kenteken] .


Het klopt dat ik als bestuurder van genoemde auto een keer, u houdt mij voor op 24 juli 2019 omstreeks 03:40 uur, door de politie ben gecontroleerd. Het klopt ook dat [betrokkene 2] toen bij mij in de auto zat.


14. De verklaring van de verdachte afgelegd ter zitting van het hof d.d. 23 juli 2020 - zakelijk weergegeven - inhoudende:

U houdt mij de onderzoeksgegevens van het peilbaken voor. Ik leen de auto wel eens uit. Op 23 en 24 juli 2019 had ik de auto van mijn moeder zelf in gebruik.”

3.3.

Verder bevat het bestreden arrest de volgende bewijsoverwegingen:


“Feit 2:

Verdachte heeft zowel in eerste aanleg als ter zitting in hoger beroep ontkend dat hij heeft ingebroken in de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] . Ten aanzien van dit feit is in hoger beroep dan ook vrijspraak bepleit. Volgens de raadsman kan op grond van het dossier onvoldoende worden vastgesteld dat verdachte bij deze inbraak betrokken is geweest. Er zijn weliswaar bakengegevens waaruit blijkt dat de auto waar verdachte in reed, in de nachten van 23 op 24 juli en van 24 op 25 juli 2019 in [plaats] is geweest, maar er kan niet worden vastgesteld dat dat ook op het moment van de inbraak het geval was. Bovendien heeft verdachte een verklaring voor zijn aanwezigheid in [plaats] gegeven. Dat de fles Bacardi die verdachtes passagier bij de staandehouding op 24 juli 2019 vast hield, dezelfde fles is als die bij de inbraak is weggenomen kan niet worden bewezen. Daarvoor is een dergelijke fles onvoldoende specifiek.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat overeenkomstig het vonnis tot een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit kan worden gekomen.


Feiten en omstandigheden

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.


Op 25 juli 2019 is door [benadeelde] aangifte gedaan van een inbraak in zijn woning aan de [a-straat 1] te [plaats] . Uit de verklaring van de buurvrouw [betrokkene 1] , blijkt dat zij op 23 juli 2019 om 19:00 nog in de woning van aangever is geweest om de kat eten te geven en dat zij de woning in goede staat heeft verlaten. Toen zij op 24 juli 2019 om 08:15 uur weer in de woning kwam, ontdekte zij dat er was ingebroken. Op grond hiervan kan worden vastgesteld dat de inbraak tussen 23 juli 2019 om 19:00 uur en 24 juli 2019 om 08:15 uur is gepleegd.


De woning is bij de inbraak volledig doorzocht. Naast verschillende sieraden, bleek er een telefoon, afstandsbediening en een aangebroken fles Bacardi rum te zijn gestolen. Over die fles rum heeft aangever [benadeelde] ten tijde van de aangifte gezegd dat uit de fles een beetje was gedronken.
Uit het dossier blijkt dat de auto waarvan verdachte destijds gebruik maakte, was voorzien van een peilbaken in verband met een onderzoek naar de betrokkenheid van verdachte bij inbraken in de regio. Bij het uitlezen van de meetresultaten van het baken heeft de politie een terugkerend patroon in het rijgedrag gesignaleerd in de avond/nacht van 23 juli 2019 en 24 juli 2019. Uit de gegevens blijkt dat de auto zich in de avond van 23 juli 2019 heeft verplaatst vanuit [plaats] - de woonplaats van verdachte - in de richting van [plaats] . De auto heeft zich vervolgens door meerdere straten in [plaats] verplaatst, waaronder de [a-straat ] , waar aangever woonachtig is. Vervolgens is de auto weer teruggegaan naar [plaats] . Op 24 juli 2019 omstreeks 01:00 uur is de auto opnieuw vanuit [plaats] naar [plaats] gegaan, waar hij geparkeerd werd op de [c-straat ] . Uit het dossier blijkt dat deze locatie in de directe omgeving en op loopafstand (+/- 350 meter) van de woning van aangever is gelegen. Het voertuig heeft tot ongeveer 03:30 uur in de [c-straat ] geparkeerd gestaan, waarna de auto [plaats] weer heeft verlaten.


Kort daarna, te weten om omstreeks 03:42 uur is de auto van verdachte in [plaats] door de politie gecontroleerd. Er bleken twee passagiers in de auto te zitten: verdachte als bestuurder en [betrokkene 2] als passagier. Verbalisanten hebben op dat moment vastgesteld dat [betrokkene 2] een aangebroken fles Bacardi rum vasthield. Voorts oogden beide inzittenden aldus beschreven gedrag van de controlerende politie, nerveus. Desgevraagd deelde verdachte aan de politie mede dat ze net uit [plaats] kwamen en dat ze daarvoor in [plaats] waren geweest.


In de avond van diezelfde dag, 24 juli 2019 omstreeks 22 :30 uur, is de auto van verdachte opnieuw (dus voor de derde keer) naar [plaats] is gereden en heeft daarbij nagenoeg dezelfde route is gereden als in de avond van 23 juli 2019.


Verklaring verdachte

Anders dan bij zijn staandehouding op 24 juli 2019 heeft verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij in de nacht van 24 juli 2019 bij de vriendin van ene [betrokkene 4] was geweest. Deze vriendin zou woonachtig zijn in de [c-straat ] in [plaats] . Omdat verdachte ter plaatse niet bekend was, is hij een paar keer verkeerd gereden. Dit verklaart het rijgedrag zoals dat blijkt uit de gegevens van het peilbaken. In hoger beroep is verdachte bij deze verklaring gebleven. Hij heeft verklaard dat hij die dag zowel bij [betrokkene 4] zelf is geweest, die woonachtig is in [plaats] , als bij diens vriendin in [plaats] . Verdachte is door het hof meermalen gevraagd om de naam van deze vriendin te noemen, maar heeft dat telkens geweigerd.


Oordeel hof

Het hof acht de hierboven vastgestelde feiten en omstandigheden redengevend voor het bewijs van de ten laste gelegde woninginbraak. Het hof kent betekenis toe aan bovenstaande peilbaakgegevens en leidt daaruit af dat de auto waarin verdachte die nacht werd aangetroffen tot tweemaal toe in de directe omgeving van de locatie van de woninginbraak is geweest. Het beschreven rijgedrag past bij de wijze waarop locaties van woninginbraken vaak door daders worden afgelegd. Bovendien blijkt uit de gegevens dat de auto de tweede keer gedurende langere tijd nabij de locatie van de woninginbraak heeft stilgestaan, welk moment valt in de periode waarbinnen de inbraak is gepleegd. Voorts is verdachte zeer kort nadat de auto voornoemde omgeving heeft verlaten, gecontroleerd en is op dat moment door de politie gezien dat de passagier een aangebroken fles Bacardi rum vasthield, terwijl aangever later heeft meegedeeld een dergelijke fles rum te missen.


Het hof stelt vast dat de vermissing van de fles Bacardi rum zoals de aangever heeft vermeld, aansluit bij de waarneming van de fles Bacardi door de verbalisanten bij de staandehouding zoals hiervoor beschreven. In reactie op het verweer van de raadsman overweegt het hof dat de omstandigheid dat uit nader onderzoek blijkt dat aangever niet heeft gezegd dat de vermiste fles Bacardi voor drie kwart vol zat (zoals aanvankelijk in de aangifte is vermeld), maar in plaats daarvan heeft gezegd dat “er een beetje uit de fles was gedronken”, niet maakt dat aan voornoemde waarneming geen betekenis meer kan worden toegekend. De beschreven gang van zaken tast de kern - er is een aangebroken fles Bacardi gestolen en bij de verdachten wordt een aangebroken fles Bacardi aangetroffen - niet aan. Anders dan de raadsman acht het hof dit feit zo specifiek dat op basis hiervan een link met de inbraak is vast te stellen.


Voorgaande, belastende feiten en omstandigheden vragen naar het oordeel van het hof om uitleg van verdachte. In plaats van een redelijke, voornoemde redengevendheid ontzenuwende verklaring, heeft hij echter een wisselende, en aantoonbaar onjuiste verklaring gegeven voor zijn gedrag die nacht. Immers: verdachte gaf in eerste instantie aan uit [plaats] te komen en en daarvoor uit [plaats] , wat niet strookt met de peilbakengegevens. Pas later in de procedure - nadat hij kennis heeft kunnen nemen van het dossier - heeft verdachte erkend in [plaats] te zijn geweest, maar heeft daarbij geen naam of volledig adres willen noemen. Deze verklaring kan daarom niet geverifieerd worden. Bovendien heeft verdachte geen verklaring gegeven voor het feit waarom hij in de avond en nacht van 23 op 24 juli 2019 twee keer naar [plaats] is gereden en is zijn verklaring ook niet te rijmen met het feit dat hij in de avond van 24 juli 2019 omstreeks 22 :30 uur, opnieuw (dus voor de derde keer) naar [plaats] is gereden en daarbij nagenoeg dezelfde route is gereden als in de avond van 23 juli 2019. Ten slotte ontbreekt ook een plausibele verklaring voor het nerveuze gedrag dat door de politie bij de staandehouding is waargenomen.


Het hof stelt gezien het voorgaande vast dat verdachte noch ter zitting van de rechtbank noch die van het hof een verifieerbare, controleerbare en concrete verklaring heeft afgelegd. De verklaring van verdachte over wat hij die bewuste avond en nacht heeft gedaan, verdient naar het oordeel van het hof dan ook geen geloof.


Op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig dat verdachte de onder 2 ten laste gelegde inbraak heeft gepleegd. Dat de politie bij de staandehouding op 24 juli 2019 - met uitzondering van de fles Bacardi - niets van de buit heeft waargenomen, komt het hof niet vreemd voor, nu de bij de inbraak weggenomen goederen zich gezien hun formaat gemakkelijk lenen voor het verbergen of bewaren in bijvoorbeeld een jas- of broekzak.


Het hof komt eveneens tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde medeplegen. De hiervoor vastgestelde handelingen van verdachte en [betrokkene 2] , in het bijzonder dat verdachte en [betrokkene 2] zich in de periode waarbinnen de inbraak is gepleegd, in de omgeving van de inbraak gezamenlijk hebben verplaatst in een auto, dat [betrokkene 2] in die auto een deel van de buit vasthield, toen zij die nacht werden gecontroleerd, en zij zich allebei nerveus gedroegen, wijzen op een gezamenlijke uitvoering. Mede nu een concrete, geloofwaardige, andersluidende verklaring is uitgebleven, leidt het hof hieruit af dat verdachte en medeverdachte [betrokkene 2] ten behoeve van de inbraak nauw en bewust hebben samengewerkt.


De verweren strekkende tot vrijspraak van verdachte worden verworpen.”

3.4.

Het eerste onderdeel van het eerste middel is, als hierboven reeds aangegeven, gericht tegen de begrijpelijkheid van de bewezenverklaring voor wat betreft het daderschap van de verdachte. De steller van het middel voert hiertoe met name aan dat “flessen Bacardi bepaald geen zeldzaamheid vormen” en dat niet “voldoende specifieke kenmerken van de vermiste en aangetroffen fles [zijn] gerelateerd.”

3.5.

Anders dan waar de steller van het middel vanuit lijkt te gaan, hangt de bewijswaarde van een fles Bacardi – en in het voetspoor daarvan: de begrijpelijkheid van de bewezenverklaring – niet slechts af van de mate waarin flessen Bacardi in het algemeen een zeldzaamheid vormen. Waar het hier om gaat, is dat het hof heeft vastgesteld dat verdachte [verdachte] en medeverdachte [betrokkene 2] ’s nachts hebben rondgereden in [plaats] , daarna eerst richting de woonplaats van verdachte zijn gereden en even later zijn teruggekeerd in [plaats] , aldaar hun auto hebben geparkeerd in de buurt van het huis aan de [a-straat 1] , alwaar de ochtend daarop bleek te zijn ingebroken, terwijl zij ergens na 3:40 ’s nachts zijn onderworpen aan een verkeerscontrole en zij juist toen een aangebroken fles Bacardi in hun bezit hadden, terwijl uit de woning waar was ingebroken nu net – en onder meer – een aangebroken fles Bacardi was weggenomen. Onder die omstandigheden kan ik goed volgen dat het hof aan het aantreffen van zo’n fles betekenis heeft toegekend. Ik acht het oordeel van het hof over het daderschap van de verdachte – ook overigens – niet onbegrijpelijk.

3.6.

Voor het tweede onderdeel van het eerste middel wordt aangevoerd dat het bewezenverklaarde “tezamen en in vereniging” niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, in het bijzonder omdat het hof “in het geheel geen vaststellingen over de uitvoering van het strafbare feit [heeft] kunnen doen.” Hetgeen het hof wel heeft vastgesteld is volgens de steller van het middel onvoldoende om van een (intellectuele en/of materiële) bijdrage van voldoende gewicht te kunnen spreken.

3.7.

Vooropgesteld moet worden dat voor het bewezen verklaren van het in art. 311, eerste lid onder 4o Sr verwoorde “diefstal door twee of meer verenigde personen”, geen gezamenlijke uitvoering vereist is. De voor het aannemen van een “nauwe en bewuste samenwerking” vereiste (intellectuele en/of materiële) bijdrage kan ook gelegen zijn in – bijvoorbeeld – intensieve samenwerking in de voorbereiding of afhandeling van het delict. Daarbij kan ook – althans enige – betekenis toekomen aan het niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. 1

3.8.

In deze zaak heeft het hof vastgesteld dat verdachte [verdachte] en medeverdachte [betrokkene 2] de gehele periode waarbinnen de inbraak is gepleegd “zich gezamenlijk hebben verplaatst in een auto”. Zij zijn dus eerst samen van [plaats] naar [plaats] gereden, om daar enige tijd rond te rijden, daarna teruggekeerd naar [plaats] , om vervolgens weer terug te keren naar [plaats] , alwaar de inbraak is gepleegd op loopafstand van waar de auto is geparkeerd, om daarna weer samen naar [plaats] te rijden. Dit duidt op een gezamenlijk plan en een (grotendeels) gezamenlijke uitvoering, terwijl zich bovendien tal van geëigende momenten hebben voorgedaan waarop verdachte zich had kunnen terugtrekken. Hier komt bij dat de auto feitelijk in gebruik was bij [verdachte] , terwijl [betrokkene 2] tijdens de verkeerscontrole een deel van de buit – de fles Bacardi – vasthield. Daarnaast merk ik nog op dat het hof kennelijk ook betekenis heeft toegekend aan de verklaring van [betrokkene 2] (bewijsmiddel 11), inhoudende dat hij en verdachte [verdachte] “die avond continu samen geweest” zijn, door deze verklaring voor het bewijs te bezigen. Gelet op dit alles is het oordeel van het hof dat sprake was van een diefstal “door twee of meer verenigde personen” niet onbegrijpelijk en ook toereikend gemotiveerd. Het eerste middel faalt in beide onderdelen.

4. Het tweede middel klaagt erover dat het hof een te ruime uitleg heeft gegeven aan art. 33a, eerste lid onder c Sr, althans ontoereikend heeft gemotiveerd op grond waarvan het de personenauto die aan de verdachte toebehoorde heeft verbeurd verklaard.

4.1.

Met betrekking tot de beslissing tot het verbeurd verklaren van deze personenauto houdt het arrest het volgende in:


“Beslag

Evenals de rechtbank acht het hof de inbeslaggenomen personenauto, een blauwe Mitsubishi Colt ( [kenteken] ) vatbaar voor verbeurdverklaring nu het een goed betreft waarmee het onder 2 bewezenverklaarde feit is begaan. Ondanks dat de auto op naam van de moeder van verdachte staat, blijkt uit het dossier dat de auto feitelijk aan hem toebehoort. De auto zal daarom worden verbeurdverklaard. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de leeftijd van de auto en draagkracht van verdachte.

(…)

Beslissing:

(…)

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- personenauto (Mitsubishi Colt, blauw, [kenteken] ).”

4.2.

Art. 33a, eerste lid, Sr, luidt voor zover relevant als volgt:


“Artikel 33a
1.Vatbaar voor verbeurdverklaring zijn:
(…)
c. voorwerpen met behulp van welke het feit is begaan of voorbereid;
(…)”

4.3.

In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat – kort gezegd – de auto in een te ver verwijderd verband staat tot de uiteindelijke inbraak om als instrumentum delicti te kunnen worden aangemerkt als bedoeld in art. 33a, eerste lid onder c Sr. Enerzijds omdat – zo begrijp ik althans het middel –“anders dan bijvoorbeeld het geval zou kunnen zijn bij een ramkraak” de auto niet daadwerkelijk is gebruikt bij de inbraak zelf, anderzijds omdat een dergelijke “extensieve interpretatie” ertoe zou kunnen leiden dat “niet alleen zaken als auto’s, maar ook gedragen kleding, schoenen en wat dies meer zij in aanmerking zou komen voor verbeurdverklaring.”

4.4.

Kennelijk heeft het hof, met zijn overweging dat de auto “een goed betreft waarmee het onder 2 bewezenverklaarde feit is begaan” tot uitdrukking willen brengen dat de auto een voorwerp is met behulp waarvan het feit is begaan of is voorbereid als bedoeld in art. 33a, eerste lid onder c Sr. De steller van het middel gaat er vervolgens aan voorbij dat deze wettelijke grond voor verbeurdverklaring slechts vergt dat het voorwerp dat wordt verbeurdverklaard behulpzaam is geweest bij het begaan of voorbereiden van het feit. Dat een auto niet is gebruikt tijdens het begaan is dus niet fataal, mits hij in de voorbereidingsfase wel behulpzaam is geweest. Voorts miskent de steller van het middel dat de eis dat het voorwerp “behulpzaam” moet zijn geweest, eraan in de weg staat dat zomaar alles dat iemand tijdens het feit droeg of voorhanden had, verbeurd kan worden verklaard.

4.5.

Nu de auto een wezenlijke rol heeft gespeeld in het vervoer naar en het verkennen van de plek waar is ingebroken, alsmede bij het verlaten van deze plaats, staat wat mij betreft buiten kijf dat het hof kon oordelen dat het feit is begaan of is voorbereid met behulp van de deze auto. Ook het tweede middel faalt.

4.6.

Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, m.nt. Mevis.