Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:7

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-01-2021
Datum publicatie
13-01-2021
Zaaknummer
19/05460
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:278
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Geklaagd wordt over (i) de afwijzing van het verzoek tot het horen van gedragsdeskundigen en (ii) de motivering van de oplegging van de maatregel van TBS met dwangverpleging, mede in het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/05460

Zitting 12 januari 2021

CONCLUSIE

E.J. Hofstee

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

hierna: de verdachte.

Inleiding

  1. De verdachte is bij arrest van 20 november 2019 door het gerechtshof Amsterdam wegens 1. primair “poging tot doodslag, vergezeld en gevolgd van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken”, 2. “poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg”, 3. “afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg” en 4. “de voortgezette handeling van diefstal, voorafgegaan van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren en negen maanden, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft het hof gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld met bevel dat hij van overheidswege zal worden verpleegd. Voorts heeft het hof (i) de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling toegewezen en gelast dat het gedeelte dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling niet ten uitvoer is gelegd, te weten 550 dagen, alsnog geheel wordt ondergaan, (ii) beslissingen genomen ten aanzien van inbeslaggenomen voorwerpen en (iii) beslist op de vordering van de benadeelde partij en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr opgelegd, een en ander zoals nader in het arrest omschreven.

  2. Namens de verdachte heeft mr. P.M. Rombouts, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

De middelen

3. Het eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, “het verzoek tot het horen van de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2]” heeft afgewezen. Het tweede middel klaagt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het in afwijking van een daaromtrent namens de verdachte ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is gekomen tot oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling (hier verder tbs).

Het door de raadsman aangevoerde en de overwegingen van het hof

4. De raadsman heeft ter terechtzitting het hof verzocht af te zien van oplegging van de tbs-maatregel en heeft, in aansluiting daarop, het voorwaardelijke verzoek gedaan de onderzoekers van het Pieter Baan Centrum (verder het PBC) – te weten [betrokkene 1] (psychiater) en [betrokkene 2] (psycholoog) – te horen indien het hof zou overgaan tot oplegging van de tbs-maatregel. Het hof heeft, kort gezegd, een tbs met dwangverpleging aan de verdachte opgelegd en daaraan onder het hoofd “Oplegging van straf en maatregel” uitvoerige overwegingen ten grondslag gelegd. Halverwege deze overwegingen komt het hof tot zijn beslissing dat er geen noodzaak is [betrokkene 1] en [betrokkene 2] nader als deskundigen te horen en dat het daartoe strekkende voorwaardelijk gedane verzoek wordt afgewezen. Om noch het pleidooi van de raadsman, noch de motivering van het hof ‘uit elkaar te trekken’ of deels te herhalen, geef ik alvorens de middelen afzonderlijk te bespreken hieronder eerst achtereenvolgens het door de raadsman ter terechtzitting aangevoerde en de bedoelde overwegingen van het hof weer.

5. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 november 2019 houdt – voor zover van belang – het volgende in:

“[…]
De raadsman voert het woord tot verdediging en deelt mede:

Ik heb mijn cliënt geadviseerd hier vandaag aanwezig te zijn, zodat u een indruk van hem kunt krijgen. Voor zover hij dit kan, heeft cliënt hier vandaag inzicht geprobeerd te geven in zijn handelen. U heeft misschien gemerkt aan cliënt dat de duur van de zaak een wissel op hem heeft getrokken. Door zijn plaatsing in het PBC is cliënt gaan nadenken over een eventuele TBS- maatregel, hetgeen overigens los staat van zijn intentie zijn leven te beteren.

Ik refereer me ten aanzien van (het bewijs van) alle feiten aan het oordeel van uw hof. Mijn eerdere standpunten, zoals ik deze bij de rechtbank naar voren heb gebracht, ten aanzien van de kwalificatie van feit 1 en ten aanzien van de feiten 3 en 4 handhaaf ik niet.

Ik verzoek u af te zien van oplegging van de TBS-maatregel. Aan de voorwaarden van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht is niet voldaan. In eerste aanleg is de maatregel niet aan de orde gekomen en ook in de appelschriftuur van het openbaar ministerie is daarover niet gesproken. Vervolgens heeft toch een persoonlijkheidsonderzoek plaatsgevonden en is zonder medewerking van mijn cliënt uitgebreid gerapporteerd. Oplegging van de TBS-maatregel is niet geadviseerd. Dat hoeft ook niet, maar het moet wel geïndiceerd zijn. In het rapport wordt gesproken van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en de onderbouwing daarvan is gelegen in een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis. Er kunnen echter geen motieven voor de criminele gedragingen van mijn cliënt worden aangedragen en voor zover de persoonlijkheid van mijn cliënt daarbij een rol speelt, lijkt dit meer te zijn gelegen in het middelengebruik. Dit is iets waaraan moet worden gewerkt, maar dit kan bij de verslavingszorg. Er is ook een ander kader denkbaar, namelijk het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Cliënt zal tot een langdurige gevangenisstraf moeten worden veroordeeld, waarin een hoop kan gebeuren.

In beginsel achtte ik een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar, zoals door de rechtbank is opgelegd, passend. Inmiddels zijn echter 31 maanden verstreken sinds het vonnis en mijn cliënt verblijft nog steeds in voorlopige hechtenis. Deze overschrijding van de redelijke termijn dient tot een lagere gevangenisstraf te leiden.
Ik doe het voorwaardelijke verzoek de onderzoekers van het PBC te horen indien u overgaat tot oplegging van de TBS-maatregel. Ik wil de conclusies van de onderzoekers toetsen, nagaan waarop zij deze conclusies baseren en nagaan waarom sprake is een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bij mijn cliënt. Dit dient nader te worden onderzocht.”

6. Onder het hoofd “Oplegging van straf en maatregel” heeft het hof het navolgende overwogen (voor zover hier van belang):

Algemeen

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair, 2, 3 en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat in beginsel kan worden volstaan met een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, zoals door de rechtbank is opgelegd, maar dat daarbij wel rekening wordt gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.

Met de advocaat-generaal is de raadsman van mening dat afgezien moet worden van oplegging van de TBS-maatregel. Daartoe heeft hij aangevoerd dat oplegging van de TBS-maatregel niet is geadviseerd in het (nog nader te noemen) rapport van het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) en oplegging daarvan naar zijn eigen mening ook niet is geïndiceerd, nu de verdachte niet heeft meegewerkt aan de totstandkoming van het rapport en voor de raadsman onvoldoende duidelijk is geworden hoe de onderzoekers desondanks tot de conclusie zijn gekomen dat bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens.

Indien het hof hem daarin niet zou volgen, heeft de raadsman het voorwaardelijke verzoek gedaan de desbetreffende onderzoekers ter terechtzitting te horen en hen te bevragen over de onderbouwing van voormelde conclusie. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich in het tijdsbestek van minder dan een uur schuldig gemaakt aan een aaneenschakeling van ernstige tot zeer ernstige strafbare feiten.

De verdachte heeft op geraffineerde wijze geprobeerd een echtpaar van de dagomzet van hun kapperszaak te beroven door de koker van een geldstortmachine onbruikbaar te maken en vervolgens één van hen onder dreiging met een priem te dwingen tot afgifte van het geld. Het feit dat het slechts bij een poging is gebleven, is geenszins aan het handelen van de verdachte, maar aan het daadkrachtige optreden van deze echtgenoot te danken.

Vervolgens heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een gekwalificeerde poging tot doodslag van een ander slachtoffer in de hal van diens appartementencomplex. Wat begon als een beroving, om het slachtoffer te dwingen tot afgifte van zijn autosleutels, ontaardde in een eenzijdige en bloedige vechtpartij die volledig ontspoorde, waarbij de verdachte het slachtoffer herhaaldelijk met een zware zaklamp in het gezicht sloeg, tegen het lichaam schopte en met zijn schoen in zijn gezicht stampte om hem uiteindelijk voor dood achter te laten. Het slachtoffer heeft (zeer) ernstig letsel aan de confrontatie met de verdachte overgehouden maar het voorval gelukkig overleefd, hetgeen wederom niet te danken is aan het handelen van de verdachte. Dat het, blijkens de verklaring van de verdachte in hoger beroep, zo ver is gekomen enkel en alleen omdat het slachtoffer hem “zijn zin niet gaf”, maakt het voorgaande in de ogen van het hof des te kwalijker. De beelden van het voorval zijn zeer schokkend te noemen. En het feit dat de verdachte, toen hij de spullen van het slachtoffer al had weggenomen en naar buiten wilde lopen, weer terug liep en opnieuw op het slachtoffer “losging”, neemt het hof hem in het bijzonder ernstig kwalijk.

Daarna heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan afpersing van een jonge vrouw – zodat hij er met haar auto vandoor kon gaan – en diefstal en afpersing van (de autosleutel en de auto van) een bejaarde dame. Daarbij heeft de verdachte wederom geweld toegepast of daarmee gedreigd op het moment dat hij zijn zin niet kreeg, hetgeen een zeer intimiderende situatie voor deze slachtoffers heeft geschapen.

Met zijn handelen heeft de verdachte er blijk van gegeven geen enkel respect te hebben voor andermans eigendommen of hun lichamelijke integriteit en welzijn, maar heeft hij zijn eigen (financiële) gewin en zijn streven uit handen van de politie te blijven op de eerste plaats gezet. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke misdrijven daarvan nog lange tijd nadelige psychische gevolgen (kunnen) ondervinden. Dat daarvan in deze zaak ook concreet sprake is, blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaringen. Dit rekent het hof de verdachte ten zeerste aan.

Het hof weegt eveneens in het nadeel van de verdachte mee dat hij blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 16 oktober 2019 eerder meermalen onherroepelijk is veroordeeld, onder andere tot een langdurige gevangenisstraf, voor misdrijven, waaronder soortgelijke gewelds- en vermogensdelicten.

TBS met dwangverpleging

Bij de beantwoording van de vraag of aan de verdachte de TBS-maatregel dient te worden opgelegd, heeft het hof onder meer acht geslagen op het de verdachte betreffende PBC-rapport van 18 april 2019, opgemaakt door [betrokkene 1], psychiater, en [betrokkene 2], GZ-psycholoog, ten behoeve van de onderhavige strafzaak. Dit rapport houdt, onder meer en zakelijk weergegeven, het volgende in als bevindingen en conclusies met betrekking tot de geestvermogens van de verdachte:

Het onderzoek betreft een betrokkene die onverantwoordelijk in het leven staat, verwervings- criminele delicten pleegt alsmede zowel instrumentele als reactieve agressie laat zien. Een antisociale-persoonlijkheidsstoornis is waarschijnlijk, maar de dynamiek hierachter is thans niet onderzoekbaar. Ook affectieve gedragsmatige ontregeling in het kader van borderline-dynamiek kan aanwezig zijn en het vertrekpunt vormen van zijn agressieproblematiek. Met borderline- dynamiek wordt bedoeld het heftig oscilleren tussen uitersten op het vlak van gedrag, gedachten en gevoelens, sensation seeking (‘aanwezig zijn daar waar de actie is’), instabiliteit van vriendschappen en (familiaire en liefdes)relaties, alsmede impulsieve uitspattingen in gebruik van middelen. Borderline-dynamiek kan in belangrijke mate zijn gesuperponeerd op problemen met identiteit en hechting. Betrokkenes gedragingen reflecteren chronisch inadequaat, instabiel en antisociaal gedrag.

Het geheel van betrokkenes leven overziend, valt op dat hij ernstige gedragsproblemen heeft, dat hij herhaaldelijk overgaat tot verwervingscrimineel handelen en zowel instrumentele als reactieve agressie inzet. Hij krijgt zijn leven niet op orde in de zin van werk, woning en (vermoedelijk) relaties. Het huidig onderzoek levert weliswaar weinig zicht op betrokkenes intrapsychische dynamiek, waaronder gedachten en gevoelens, maar in samenhang met de informatie uit het dossier, concluderen ondergetekenden dat sprake is van een persoonlijkheidsstoornis bij betrokkene. Het is voor hen niet goed te bepalen of primair antisocialiteit op de voorgrond staat dan wel primaire instabiliteit op affectief-cognitief vlak zoals wel wordt gezien bij borderline-dynamiek (...). Op grond hiervan stellen ondergetekenden een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis vast. Psychopathie volgens het concept van Hare valt niet te onderbouwen, mogelijk vanwege gebrek aan collaterale informatie, wel kunnen zij de ‘lichtere’ categorie ‘kenmerken van psychopathie’ vaststellen.

Betrokkenes ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis dient te worden opgevat als een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens.

Ten tijde van de tenlastegelegde feiten was sprake van de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens..

Aangezien ondergetekenden in diagnostische zin bij betrokkene slagen om de arm moeten houden en zij zich realiseren dat zij geen onderbouwde analyse kunnen maken van zijn handelen tijdens het onder 1 tenlastegelegde, menen zij niet te kunnen overgaan tot een advies aangaande het toerekenen in dezen. Zij onthouden zich dus van een advies.

Betreffende de onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten nemen zij aan dat verminderd toerekenen niet kan worden onderbouwd; betrokkenes handelen was immers naar het zich laat aanzien bij feit 2 gericht op het verkrijgen van geld (indien bewezen) en bij feit 3 en 4 op het zich verschaffen van een vluchtgelegenheid per auto. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat betrokkene als gevolg van zijn psychopathologie in verminderde mate in staat was gedragskeuzes te maken ten aanzien van deze feiten.

Ondergetekenden overwegen dat een geïndividualiseerde risicotaxatie niet goed mogelijk is, maar stellen dat uit voorgaande items en betrokkenes strafblad kan worden afgeleid dat het risico op herhaalde ernstige geweldpleging hoog is.

Het hof neemt de diagnose van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] over en maakt deze tot de zijne. Dit brengt mee dat naar het oordeel van het hof ten tijde van de tenlastegelegde feiten bij de verdachte sprake was van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis. Voorts concludeert het hof dat de onder 2, 3 en 4 bewezenverklaarde feiten volledig aan de verdachte worden toegerekend. En bij gebreke aan toereikende aanknopingspunten voor een ander oordeel, rekent het hof ook het onder 1 primair bewezenverklaarde volledig aan de verdachte toe.

In het voorgaande ligt besloten dat het hof, anders dan de raadsman, van oordeel is dat de resultaten in het PBC-rapport helder zijn geformuleerd en deugdelijk zijn onderbouwd. Beide rapporteurs vermelden in uitgebreide overwegingen op basis van welke waarnemingen en gegevens zij - ondanks het gebrek aan medewerking aan het onderzoek door de verdachte - de conclusie hebben getrokken dat bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. Het hof ziet geen aanleiding aan de bevindingen van deze deskundigen te twijfelen. Gelet hierop ziet het hof geen noodzaak [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] nader te horen. Het daartoe strekkende voorwaardelijk gedane verzoek van de raadsman wordt dan ook afgewezen.

De omstandigheid dat de deskundigen geen advies hebben kunnen geven aangaande een eventuele behandeling in een strafrechtelijk kader, staat volgens vaste jurisprudentie niet in de weg aan het opleggen van TBS, al dan niet met dwangverpleging. Het hof heeft in de afweging of oplegging van die maatregel aan de orde is het volgende betrokken.

Vastgesteld kan worden dat - naast de geconstateerde gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens - ook overigens is voldaan aan de wettelijke voorwaarden van artikel 37a, eerste lid, Sr. De onderhavige feiten betreffen misdrijven als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, onder 1, Sr nu hierop een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Voorts eist de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, het opleggen van de maatregel van TBS. Het hof betrekt bij dit laatste de volgende omstandigheden.

De verdachte is in het verleden meermalen onherroepelijk veroordeeld voor (gewelds)misdrijven, waaronder een veroordeling tot zes jaar gevangenisstraf ter zake van poging tot doodslag en diefstal met geweld. De onderhavige misdrijven laten zien dat de verdachte geen enkele lering heeft getrokken uit eerdere berechtingen én dat de verdachte zich niets gelegen laat liggen aan het leed dat hij anderen aandoet. In het bijzonder het bij het onder 1 bewezenverklaarde feit door de verdachte gebruikte geweld toont het grenzeloze van de agressie van de verdachte die niet louter ‘functioneel’ is maar alle proporties te buiten kan gaan.

Zoals gezegd heeft de verdachte eerder ernstige geweldsdelicten gepleegd. Ook heeft de verdachte zich in penitentiaire inrichtingen waarin hij in het kader van zijn voorlopige hechtenis in de onderhavige zaak verbleef, niet onbetuigd gelaten, waaraan ook in het PBC-rapport (p. 15) wordt gerefereerd. Daarbij was onder meer sprake van brandstichting in zijn cel. De justitiële documentatie van de verdachte laat sinds 1991 een vrijwel ononderbroken reeks van strafbare feiten zien, waarin geweld vaak een rol speelt.

Het voorgaande brengt het hof, met de rapporteurs van het Pieter Baan Centrum, tot het oordeel dat het risico op herhaling van ernstige geweldsdelicten hoog is. Naar het oordeel van het hof kan het gevaar voor de veiligheid van anderen en voor de algehele veiligheid van personen slechts afdoende worden afgewend door het opleggen van de TBS-maatregel die voorziet in een dwangkader. Het is onmiskenbaar dat de verdachte ernstige gedragsproblemen heeft, waaronder genoemde persoonlijkheidsstoornis, die in causaal verband staan met het gevaar dat van de verdachte uitgaat. Het hof acht het onverantwoord dat de verdachte terugkeert in de maatschappij zonder dat hij adequaat is behandeld.

Blijkens de vele omtrent de verdachte opgemaakte reclasseringsrapporten hebben diverse instellingen jarenlang getracht de verdachte via begeleiding en behandeling van zijn criminele levensstijl af te helpen. De verdachte heeft zich steeds verzet tegen ambulante of klinische behandeling - ook indien hij daartoe gehouden was in het kader van een (deels) voorwaardelijke veroordeling -, zich op het standpunt stellend

dat er psychisch niets met hem aan de hand is. Ook ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij uitgesproken zich sterk te verzetten tegen TBS omdat hij geen behandeling nodig zou hebben. Hij is thans, naar eigen zeggen, vastbesloten geen misdrijven meer te plegen en is ervan overtuigd dat hij dat besluit waar kan maken. Naar het oordeel van het hof geeft de verdachte hiermee blijk van gebrekkig zelfinzicht, omdat hij na eerdere veroordelingen steeds opnieuw in de fout ging en volledige diagnostiek en behandeling voor zijn persoonlijkheidsstoornis tot op heden niet heeft plaatsgevonden (de verdachte heeft immers niet willen meewerken aan het PBC-onderzoek). Zijn stelling dat hij thans in detentie EMDR-therapie volgt, maakt dat niet anders.

Het hof concludeert dan ook dat de verdachte geenszins gemotiveerd is voor het ondergaan van een behandeling die het herhalingsgevaar kan doen verminderen en dat ook een behandeling in het kader van een eventuele TBS met voorwaarden tot mislukken gedoemd is. Ook de herhaalde recidive tijdens de proeftijd in het kader van de VI (waarbij twee jaar gevangenisstraf op het spel stond) acht het hof bepaald geen voorbode van de kans op succes van een traject waarvan het uitgangspunt is dat de verdachte bereid en in staat is zich aan voorwaarden te houden.

Het gevaar voor de veiligheid van anderen en voor de algehele veiligheid van personen kan dus slechts afdoende worden afgewend door het opleggen van TBS met dwangverpleging, nu slechts in dit kader voldoende stevige randvoorwaarden worden geschapen voor een noodzakelijk geachte behandeling in een langdurige, intensieve en hoog beveiligde setting en dit de meest solide basis voor behandeling en terugvalpreventie biedt.

Samenvattend is het hof van oordeel dat de verdachte, nu aan de (wettelijke) criteria daarvoor is voldaan en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ter beschikking dient te worden gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege.

Tot slot overweegt het hof dat het bij de onderhavige misdrijven gaat om misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de duur van de terbeschikkingstelling niet is gemaximeerd.”

Bespreking van het eerste middel

7. Ik stel voorop dat de Hoge Raad in zijn overzichtsarrest van HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt. Borgers tot onder meer de volgende beschouwing is gekomen:

Verzoek tot oproeping van getuigen gedaan op de terechtzitting

2.22. Ten slotte bestaat de mogelijkheid dat de verdediging pas op de terechtzitting aan de rechter vraagt gebruik te maken van diens bevoegdheid om ambtshalve getuigen op te roepen. Art. 315 Sv geeft de rechter die bevoegdheid voor het geval hem de noodzakelijkheid blijkt van het horen van getuigen die op de terechtzitting nog niet zijn gehoord. De verdediging kan op grond van art. 328 Sv gedurende het onderzoek op de terechtzitting de rechter verzoeken gebruik te maken van die bevoegdheid. Ingevolge art. 330 Sv moet op straffe van nietigheid op zo een verzoek worden beslist. Maatstaf bij de beoordeling van het verzoek is, zoals hiervoor onder 2.8-2.9 is uiteengezet, of de rechter het horen van de getuigen "noodzakelijk" oordeelt.”

In ditzelfde overzichtsarrest overweegt de Hoge Raad, voor zover hier van belang, ook het volgende:

“2.8. Het noodzakelijkheidscriterium, dat oorspronkelijk alleen in art. 315 Sv voorkwam, houdt verband met de taak en de verantwoordelijkheid van de strafrechter voor de volledigheid van het onderzoek van de zaak. Met het oog daarop is hem de bevoegdheid toegekend om ambtshalve onder meer de oproeping van getuigen te bevelen voor het geval hem de noodzakelijkheid blijkt van dat verhoor, ongeacht wat de procespartijen daarvan vinden. Vanuit deze gezichtshoek bezien is bij de beoordeling van een gemotiveerd, duidelijk en stellig verzoek van de verdediging aan de rechter om ambtshalve gebruik te maken van zijn bevoegdheid om zelf getuigen op te roepen, slechts van belang of hij het horen van die getuigen noodzakelijk acht met het oog op de volledigheid van het onderzoek. Dit betekent dat zo een verzoek kan worden afgewezen op de grond dat de rechter zich door het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht acht en hem dus de noodzakelijkheid van het gevraagde verhoor niet is gebleken. Van een aldus gemotiveerde afwijzing kan niet worden gezegd dat die ervan blijk geeft dat de rechter op ontoelaatbare wijze is vooruitgelopen op hetgeen de getuigen zouden kunnen verklaren.

2.9. Omtrent de gevallen en de mate waarin een afwijzing nader dient te worden gemotiveerd, zijn wegens de vele, uiteenlopende situaties die zich kunnen voordoen, geen algemene regels te geven, ook niet omtrent de vraag of onder bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld bij onvoorziene ontwikkelingen, eisen van een eerlijke procesvoering zich verzetten tegen een afwijzing. Wel zijn daarbij de aard van het onderwerp waarover de getuige zou kunnen verklaren van belang alsmede de indringendheid van de door de verdediging aangevoerde argumenten om hem te horen."

Voorts heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 23 januari 2018, NJ 2019/205, m.nt. Kooijmans het volgende uiteengezet (zie met name rov. 2.5.3):

“2.5.1. Of een verzoek tot het horen van getuigen naar behoren is onderbouwd alsook of het dient te worden toegewezen, zal de rechter in het licht van alle omstandigheden van het geval - en met inachtneming van het toepasselijke criterium - moeten beoordelen. De rechter dient, indien hij een verzoek afwijst, de feitelijke en/of juridische gronden waarop die afwijzing berust, in het proces-verbaal van de terechtzitting dan wel de uitspraak op te nemen. Die rechterlijke motiveringsplicht steunt mede op art. 6 EVRM. (Vgl. HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015, NJ 2017/440.)

2.5.2. Omtrent deze motiveringsverplichting zijn wegens de vele, uiteenlopende situaties die zich kunnen voordoen, geen nadere algemene regels te geven. De mate waarin een afwijzing van een verzoek tot horen van getuigen dient te worden gemotiveerd, wordt mede bepaald door de aard van het onderwerp waarover de getuige zou kunnen verklaren alsmede de aard en de indringendheid van de door de verdediging aangevoerde argumenten om hem te horen, terwijl tevens betekenis toekomt aan het procesverloop, waaronder ook het stadium waarin het verzoek is gedaan. In cassatie gaat het bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het horen van getuigen in de kern om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van - als waren het communicerende vaten - enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen. (Vgl. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441.)

2.5.3. Met betrekking tot verzoeken tot het horen van deskundigen gelden dezelfde uitgangspunten.”

8. Het middel komt, als gezegd, op tegen de afwijzende beslissing van het hof op het voorwaardelijke verzoek tot het horen van de gedragsdeskundigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Het valt op dat het middel rept van een (voorwaardelijk) verzoek tot het horen van de “getuigen” [betrokkene 1] en [betrokkene 2], de toelichting op het middel het heeft over het horen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] als getuige-deskundigen, de raadsman op ’s hofs terechtzitting in neutrale bewoordingen spreekt van de onderzoekers van het PBC en het hof [betrokkene 1] en [betrokkene 2] aanduidt als rapporteurs en deskundigen. Dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] als gedragsdeskundigen waren benoemd om het PBC-rapport over de verdachte uit te brengen lijdt geen twijfel. Zij hebben in die hoedanigheid (als psychiater respectievelijk als psycholoog) gerapporteerd. Nu de raadsman heeft aangevoerd dat hij de conclusies van de onderzoekers wil toetsen en wil nagaan waarop zij hun conclusies baseren en waarom sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bij de verdachte, mag worden aangenomen dat hij, in voorwaardelijke zin, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in ieder geval als deskundigen op de terechtzitting had willen horen naar aanleiding van het door hen uitgebrachte PBC-rapport. Daarbij heeft de raadsman aangegeven welke vragen de verdediging aan beide rapporteurs wilde stellen. In zoverre is het verzoek naar behoren onderbouwd.1

9. Hetgeen ik in het vorige randnummer heb opgemerkt, is bedoeld om een puntje op de i te zetten. De beoordeling van het middel wordt er niet door veranderd. Daarvoor verwijs ik naar de schakelbepaling in art. 299 Sv – voor zover hier van belang luidend: alle bepalingen in deze titel betreffende getuigen en hun verklaringen zijn ook van toepassing ten aanzien van deskundigen en hun verklaringen –, de schakelbepaling in art. 415 Sv voor de procedure in hoger beroep, de andere wetsartikelen waarin de deskundige wordt genoemd2 en vooral ook de hierboven aangehaalde rechtspraak van de Hoge Raad.3

10. Nu het (voorwaardelijke) verzoek tot het horen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] voor het eerst in appel op de terechtzitting is gedaan, heeft het hof bij de afwijzing van het verzoek op grond van het noodzakelijkheidscriterium de juiste maatstaf toegepast. Voor zover het middel daarover bedoelt te klagen, faalt het.

11. Volgens de steller van het middel blinkt de motivering van ‘s hofs afwijzende beslissing “niet uit in helderheid”. Die mening onderschrijf ik niet. Bij de toepassing van het noodzakelijkheidscriterium speelt de relevantie van de vraagpunten een rol. Uit de motivering van zijn afwijzende beslissing blijkt dat naar het oordeel van het hof de resultaten in het PBC-rapport helder zijn geformuleerd en deugdelijk zijn onderbouwd. Het hof heeft daarbij (niet onbegrijpelijk) vastgesteld dat de rapporteurs in uitgebreide overwegingen hebben vermeld op basis van welke waarnemingen en gegevens zij de conclusie hebben getrokken dat bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. Het hof ziet geen aanleiding aan de bevindingen van deze gedragsdeskundigen te twijfelen. Uit de overwegingen van het hof kan, tegen die achtergrond, worden afgeleid dat het hof zich door het PBC-rapport voldoende voorgelicht acht en dat het (derhalve) de vragen die de verdediging aan de beide gedragsdeskundigen wil stellen kennelijk niet relevant acht. Gezien de uitvoerige motivering ervan, is het oordeel van het hof dat het geen noodzaak ziet [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] nader als gedragsdeskundigen te horen, niet onbegrijpelijk. De afwijzing van het (voorwaardelijke) verzoek tot het horen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] is door het hof toereikend gemotiveerd.

12. Het middel faalt.

Bespreking van het tweede middel

13. In de toelichting op het tweede middel wordt allereerst opgemerkt dat de diagnose “ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis" in de kern al weinig bepaald is en de informatie waarop deze conclusie is gebaseerd uitermate beperkt, en dat dit de reden is dat de raadsman die conclusie in twijfel heeft getrokken en nader heeft willen onderzoeken. Vervolgens wordt aangevoerd (i) dat het standpunt van de verdediging dat niet kan worden gesteld dat er bij de verdachte duidelijk sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens zoals bedoeld in art. 37a Sr bezwaarlijk anders kan worden gezien dan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid, Sv en dat het hof, met miskenning van deze bepaling, van dit standpunt is afgeweken zonder dat het in het bijzonder de redenen daartoe heeft opgegeven, terwijl (ii) de vaststelling van het hof dat bij de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond ontoereikend, althans onbegrijpelijk is gemotiveerd, waarmee het bepaalde in art. 359, zevende lid, Sv niet in acht is genomen.

14. Ook dit zie ik anders dan de steller van het middel. Blijkens het citaat in het bestreden arrest hebben de beide gedragsdeskundigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2], die het onderzoek hebben gedaan en het PBC-rapport hebben opgemaakt, hun bevindingen en conclusies helder onderbouwd door uiteen te zetten hoe, en op grond waarvan, zij tot hun vaststelling “ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis” zijn gekomen.4 Ook hebben zij daarbij opgemerkt dat deze stoornis dient te worden opgevat als een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en dat daarvan ten tijde van de tenlastegelegde feiten sprake was. Het hof heeft de diagnose van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] overgenomen en tot de zijne gemaakt. Daarmee heeft het hof in de onderhavige zaak in voldoende mate voldaan aan de responsieplicht als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv, als het door de raadsman aangevoerde al als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt kan worden aangemerkt, en heeft het zijn oordeel dat ten tijde van de tenlastegelegde feiten bij de verdachte sprake was van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis toereikend gemotiveerd, ook in het licht van art. 359, zevende lid, Sv. Hoewel het middel over andere voor oplegging van de tbs met dwangverpleging geldende voorwaarden niet klaagt, merk ik overigens en ter afsluiting op dat het hof ook in dat verband het voorschrift van art. 359, zevende lid, Sv in acht heeft genomen.

15. Het middel faalt.

Slotsom

16. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

17. Beide middelen falen en kunnen met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan.

18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 14 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU2903 (rov. 2.4). Zie voor een overzicht waaraan getuigenverzoeken dienen te voldoen: G. Pesselse & J.H.B. Bemelmans, De geldigheid van getuigenverzoeken, DD 2017/61.

2 Ik noem daarnaast ook nog art. 315 Sv.

3 Vgl. ook het overzichtsarrest van HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1219, NJ 2017/441, m.nt. Kooijmans.

4 Noodzakelijke voorwaarde voor de oplegging van een tbs is dat de rechter het bestaan van een psychische stoornis (ten tijde van het delict) heeft vastgesteld. Zie HR 9 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4678, NJ 2001/112. Vgl. ook HR 6 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:45.