Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:684

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-07-2021
Datum publicatie
07-07-2021
Zaaknummer
19/02166
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1279
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde en vijfde lid, van de Opiumwet. Middelen betreffen onder meer de afwijzing van het verzoek tot het horen van rechtmatigheidsgetuigen. De advocaat-generaal is van oordeel dat het cassatieberoep in zoverre niet slaagt. Samenhang met 19/01301.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/02166

Zitting 6 juli 2021

CONCLUSIE

F.W. Bleichrodt

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,

hierna: de verdachte.

Het cassatieberoep

  1. De verdachte is bij arrest van 6 maart 2019 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, wegens “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde en vijfde lid, van de Opiumwet” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr.

  2. De zaak hangt samen met de ontnemingszaak tegen de verdachte met zaaknummer 19/01301. Ook in deze zaak zal ik vandaag concluderen.

  3. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. C.F. Korvinus, advocaat te Amsterdam, heeft vijf middelen van cassatie voorgesteld.

De middelen

4. Het eerste middel behelst een tweetal klachten. In de eerste plaats bevat het middel de klacht dat het hof de verzoeken om de verbalisant [verbalisant 1] , de officier van justitie [verbalisant 5] en de CI-officier van justitie [verbalisant 6] als getuigen te horen op onjuiste gronden heeft afgewezen, althans dat die afwijzende beslissingen onvoldoende met redenen zijn omkleed. In de tweede plaats bevat het middel de klacht dat het hof de verwerping van het door de verdediging gedane beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging wegens strijd met beginselen van een goede procesorde op onjuiste gronden heeft verworpen, althans onvoldoende met redenen heeft omkleed.

5. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 25 januari 2019 volgt dat de raadsman van de verdachte op 19 december 2018 een e-mail heeft gestuurd, waarin hij het openbaar ministerie heeft verzocht om [verbalisant 1] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] als getuigen op te roepen. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft de raadsman van de verdachte dit verzoek herhaald. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 25 januari 2019 blijkt dat de raadsman hiertoe onder meer het volgende heeft aangevoerd:

“Ik verzoek uw hof om [verbalisant 1] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] alsnog als getuigen op te roepen opdat zij op een nadere terechtzitting gehoord kunnen worden over de door hen, naar aanleiding van het door het hof gewezen tussenarrest van 24 januari 2018, opgemaakte processen-verbaal. [verbalisant 1] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] hebben de door het hof gestelde vragen, deels niet en deels onjuist beantwoord. Immers zijn bepaalde door hen gegeven antwoorden evident onjuist en/of zeer onzorgvuldig geformuleerd, gelet op hetgeen eerder geverbaliseerd is. Het kan dan ook niet anders dat [verbalisant 1] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] onderling overleg hebben gehad over de door hen op te stellen processen-verbaal. Ik had gehoopt dat ik deze getuigenverzoeken niet ter zitting had hoeven doen. Ik had daarom de advocaat-generaal tijdig verzocht om voornoemde personen als getuigen op te roepen. De advocaat-generaal heeft dat niet gedaan. Bij de beoordeling van de verzoeken heeft de advocaat-generaal een onjuist criterium gehanteerd, namelijk het noodzakelijkheidscriterium. In het onderhavige geval was het criterium van het verdedigingsbelang echter het juiste criterium. Immers zijn de door [verbalisant 1] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] opgemaakte processen-verbaal pas naar aanleiding van het door het hof gewezen tussenarrest van 24 januari 2018 opgesteld en betreft het dus nieuwe processtukken die niet eerder aan het procesdossier zijn toegevoegd.”

6. Voorts is in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 25 januari 2019 in dit verband het volgende vermeld:

“De raadsman licht de door de verdediging gedane getuigenverzoeken verder toe, overeenkomstig een aanvullende pleitnota, welke aan het hof is overgelegd en aan dit proces-verbaal is gehecht.


De raadsman legt voorts, ter onderbouwing van de getuigenverzoeken, een door de verdediging opgestelde tijdlijn aan het hof over, welke tijdlijn aan dit proces-verbaal is gehecht.


De voorzitter onderbreekt het onderzoek om de advocaat-generaal in de gelegenheid te stellen om kennis te nemen van een kopie van de door de verdediging overgelegde stukken.


De voorzitter hervat het onderzoek.


De advocaat-generaal wordt in de gelegenheid gesteld om te reageren op de door de verdediging gedane getuigenverzoeken. Hij voert aan:


Het is bijna niet te doen om nu inhoudelijk op alle door de verdediging naar voren gebrachte argumenten te reageren. De verdediging kan dit ook niet verlangen van het openbaar ministerie. Men zou zich kunnen afvragen waarom de verdediging de getuigenverzoeken niet eerder heeft gedaan. Immers waren de door [verbalisant 1] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] opgemaakte processen-verbaal al in juni 2018 naar het hof verzonden. Pas in december 2018 heeft de verdediging het openbaar ministerie verzocht om de betreffende personen als getuigen op te roepen. Deze verzoeken had de verdediging ook bij het hof kunnen doen. Dit is echter niet gebeurd. Het had veel sneller gekund. Door deze getuigenverzoeken wordt de behandeling van de zaak niet versneld.

Ik ben van oordeel dat bij de beoordeling van de getuigenverzoeken het noodzakelijkheidscriterium van toepassing is. Immers zijn de verzoeken niet binnen 14 dagen na het opmaken van de door [verbalisant 1] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] processen-verbaal gedaan. Ik verzet mij dan ook tegen het horen van de door de verdediging verzochte getuigen. De noodzaak tot het horen van deze getuigen is mij overigens ook niet gebleken. Er is geen enkele aanwijzing dat [verbalisant 1] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] onwaarheden hebben verklaard of dat [betrokkene 5] een zodanige positie heeft gehad dat hij op enigerlei wijze belang heeft gehad bij beïnvloeding van de strafzaak door het afleggen van een valse verklaring. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd betreft een grote mate van invulling. Er wordt veel gesuggereerd. Het nader horen van de getuigen zal naar mijn mening niet tot veel meer nieuwe informatie leiden. Ik acht het met het oog op de volledigheid van het onderzoek dan ook niet noodzakelijk dat [verbalisant 5] , [verbalisant 1] en [verbalisant 6] nader gehoord worden. De door het hof gestelde vragen zijn reeds beantwoord.


De voorzitter onderbreekt het onderzoek voor het houden van beraad over de door de verdediging gedane getuigenverzoeken.
De voorzitter hervat het onderzoek en deelt mee:


Het hof heeft zich beraden over het verzoek van de verdediging om [verbalisant 1] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] als getuigen te horen. Het hof zal vandaag geen beslissing nemen over deze verzoeken. Gelet op de hoeveelheid informatie die zich in het procesdossier bevindt wil het hof zich in alle rust kunnen beraden op de verzoeken. Het hof zal de zaak ter terechtzitting van heden daarom verder inhoudelijk behandelen. Tijdens de beraadslaging over deze zaken zal het hof ook acht slaan op de door de verdediging gedane getuigenverzoeken, hetgeen zal resulteren in een tussenarrest of een eindarrest.”

7. Het hof heeft in zijn eindarrest van 6 maart 2019 ten aanzien van de door de verdediging gedane getuigenverzoeken, het volgende overwogen:

“Verzoek tot het horen van getuigen


De raadsman heeft het hof ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om [verbalisant 1] (brigadier), [verbalisant 5] (officier van justitie) en [verbalisant 6] (Cl-officier van justitie) als getuigen op te roepen teneinde hen op een nadere terechtzitting te horen over de door hen, naar aanleiding van het door het hof gewezen tussenarrest van 24 januari 2018, opgemaakte processen-verbaal. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat [verbalisant 1] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] de door het hof gestelde vragen, deels niet en deels onjuist hebben beantwoord. Volgens de verdediging hebben [verbalisant 1] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] dit doelbewust gedaan zodat geen inzicht verkregen zou kunnen worden in de - door de raadsman zo genoemde - “bijzondere positie” die medeverdachte [betrokkene 5] in de onderhavige strafzaak zou hebben gehad. [betrokkene 5] zou volgens de verdediging in deze strafzaak een verboden, gestuurde, infiltrerende criminele burger informant met een vrijgeleide op zak” (het hof begrijpt: infiltrant of informant) zijn geweest.


De advocaat-generaal heeft zich verzet tegen het horen van de door de verdediging verzochte getuigen. Daartoe heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat de noodzaak tot het horen van deze getuigen niet is gebleken nu er geen enkele aanwijzing is dat de getuigen onwaarheden hebben verklaard en [betrokkene 5] een zodanige positie heeft gehad dat hij op enigerlei wijze belang heeft gehad bij beïnvloeding van de strafzaak door het afleggen van een valse verklaring.


Aan te leggen maatstaf voor de beoordeling van de gedane getuigenverzoeken


De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de beoordeling van de voornoemde getuigenverzoeken het criterium van het verdedigingsbelang toegepast moet worden omdat de door [verbalisant 1] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] opgemaakte processen-verbaal pas naar aanleiding van het door het hof gewezen tussenarrest van 24 januari 2018 zijn opgesteld en het aldus gaat om nieuwe processtukken die niet eerder aan het procesdossier zijn toegevoegd.


De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de beoordeling van de voornoemde getuigenverzoeken het noodzakelijkheidscriterium van toepassing is omdat de verzoeken niet binnen 14 dagen na het opmaken van de door [verbalisant 1] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] processen-verbaal zijn gedaan.


Het hof overweegt ter zake het volgende:


Het hof stelt voorop dat bij de beoordeling van verzoeken van de verdediging tot het horen van getuigen het noodzakelijkheidscriterium toepasselijk is indien het verzoek niet bij appelschriftuur is gedaan. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt echter dat het onderscheid tussen het noodzakelijkheidscriterium en het criterium van het verdedigingsbelang gerelativeerd moet worden, ingeval de verdediging niet tijdig kon beschikken over de voor het opstellen van de appelschriftuur relevante processtukken. De rechter dient die omstandigheid in de afweging te betrekken.

Het hof is dan ook van oordeel dat bij de beoordeling van verzoeken van de verdediging tot het horen van getuigen formeel het noodzakelijkheidscriterium toepasselijk is nu de getuigenverzoeken niet bij appelschriftuur zijn gedaan. Maar het hof zal bij de beoordeling van de verzoeken op zodanige wijze toepassing geven aan het noodzakelijkheidscriterium dat de concrete toepassing van dit criterium niet wezenlijk verschilt van een beoordeling op basis van het ruimere criterium van het verdedigingsbelang nu in dit geval de eis van een eerlijke procesvoering dit met zich brengt.


Beoordeling van de getuigenverzoeken


Het hof is van oordeel dat de raadsman het verzoek tot het horen van de getuigen [verbalisant 1] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] onvoldoende heeft onderbouwd. Het hof begrijpt de verzoeken zo dat deze ertoe strekken dat de verdediging wil aantonen door het horen van de verzochte getuigen dat [verbalisant 1] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] in de door hen opgemaakte aanvullende processen-verbaal leugenachtigheden hebben verkondigd met als kennelijk doel te verhullen dat [betrokkene 5] een informant of infiltrant zou zijn.

Het hof heeft naar aanleiding van de verweren van de raadsman op de zitting van 20 december 2017 aanvullend onderzoek laten verrichten naar de positie en de rol van verdachte [betrokkene 5] in het opsporingsonderzoek tegen verdachte en daarbij de vraag gesteld of met hem afspraken zijn gemaakt over zijn vervolging. Hiertoe hebben de getuigen [verbalisant 1] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vragen van het hof hierover schriftelijk beantwoord. Uit deze schriftelijke antwoorden - neergelegd in aanvullende processen-verbaal - zijn geen concrete aanwijzingen naar voren gekomen, waaruit blijkt dat de getuigen niet de waarheid hebben verklaard. Het hof acht die verklaringen betrouwbaar en vindt dat niet aannemelijk is geworden dat [betrokkene 5] een infiltrant of informant is geweest.


In het licht van de reeds door [verbalisant 1] en [verbalisant 5] gegeven antwoorden is door de verdediging onvoldoende concreet onderbouwd wat er nog aan de getuigen zou moeten worden gevraagd. Door deze afwijzing wordt verdachte niet in zijn verdedigingsbelang geschaad. Nu er ook overigens geen noodzaak is om [verbalisant 1] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] te horen zal het hof de verzoeken afwijzen.”

8. De steller van het middel voert in de eerste plaats aan dat het hof ten onrechte het noodzakelijkheidscriterium als toetsingsmaatstaf heeft gehanteerd in plaats van het criterium van het verdedigingsbelang. Deze klacht kan reeds daarom nergens toe leiden, omdat het hof bij de beoordeling van de verzoeken op een dusdanige wijze toepassing heeft gegeven aan het noodzakelijkheidscriterium dat de concrete toepassing van dit criterium niet wezenlijk verschilt van een beoordeling op basis van het criterium van het verdedigingsbelang.1 Het hof heeft in essentie aldus het verdedigingsbelang als maatstaf gehanteerd, terwijl in de schriftuur niet wordt toegelicht waarin het verschil zou zijn gelegen met de door de verdediging voorgestane beoordelingsmaatstaf.

9. De steller van het middel voert voorts aan dat de afwijzing van het verzoek tot het horen van de getuigen [verbalisant 1] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] , in het licht van de onderbouwing van de verzoeken, onbegrijpelijk is.

10. In zijn tussenarrest van 24 januari 2018 heeft het hof geoordeeld dat tijdens de beraadslaging in raadkamer is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest. Het hof achtte het noodzakelijk dat er aanvullend onderzoek zou worden verricht naar de positie en de rol van de in het dossier als verdachte aangemerkte [betrokkene 5] . Hiertoe diende een aanvullend proces-verbaal te worden opgemaakt waarin verslag zou worden gedaan van nader onderzoek bij zowel de politie als het openbaar ministerie - in het bijzonder ook bij de CI-officier van justitie - of er afspraken zijn gemaakt - en zo ja, welke - met [betrokkene 5] in het kader van deze strafzaak en/of er bijzondere redenen zijn waarom [betrokkene 5] (nog) niet was vervolgd voor zijn betrokkenheid bij strafbare feiten in het onderhavige opsporingsonderzoek. Het hof heeft daartoe in zijn tussenarrest acht vragen geformuleerd.

11. [verbalisant 1] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] hebben door middel van op ambtseed opgemaakte processen-verbaal van respectievelijk 11 mei 2018, 8 juni 2018 en 12 juni 2018 antwoord gegeven op de door het hof gestelde vragen. Vervolgens heeft de raadsman van de verdachte per e-mail van 19 december 2018 het openbaar ministerie verzocht om [verbalisant 1] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] als getuigen op te roepen. Dit verzoek is ter terechtzitting van 25 januari 2019 door de raadsman herhaald.

12. In de rechtspraak van het EHRM over het ondervragingsrecht wordt onderscheid gemaakt tussen prosecution witnesses en defence witnesses.2 De uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin heeft tot gevolg dat in bepaalde gevallen het belang bij het oproepen en horen van een getuige moet worden voorondersteld, zodat van de verdediging geen nadere onderbouwing van dit belang mag worden verlangd. Dat is aan de orde als het verzoek betrekking heeft op een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al – in het vooronderzoek of anderszins – een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. Het gaat dan om een verklaring die door de rechter voor het bewijs van het ten laste gelegde feit zou kunnen worden gebruikt of al is gebruikt. Een dergelijk verzoek mag niet worden afgewezen op de enkele grond dat het verzoek niet of niet naar behoren is onderbouwd.3

13. Het verzoek om [verbalisant 1] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] als getuigen te horen betreft een verzoek om het horen van zogenoemde ‘rechtmatigheidsgetuigen’. Het is de vraag hoe een verzoek tot het horen van een rechtmatigheidsgetuige in het licht van de hiervoor besproken lijn in de rechtspraak moet worden geduid. De Wilde bespreekt in dit verband het voorbeeld van een undercoveragent: wenst de verdediging een undercoveragent te ondervragen over het gedrag van de verdachte waarover hij heeft verklaard, dan zal hij als een belastende getuige moeten worden aangemerkt. Wil de verdediging hem ondervragen over de procedurele kant van de operatie om aan te tonen dat deze onrechtmatig heeft plaatsgevonden, dan zal hij volgens De Wilde als een ontlastende getuige moeten worden beschouwd.4Verklaringen van rechtmatigheidsgetuigen zijn doorgaans niet beslissend voor het oordeel van de rechter dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, maar dragen bij aan een oordeel over de rechtmatigheid van de bewijsverkrijging. In bewijsrechtelijke zin is een rechtmatigheidsgetuige inhoudelijk dan ook niet aan te merken als een getuige à charge en kan deze daarmee niet op één lijn worden gesteld.5

14. De Hoge Raad is in zijn arrest van HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, NJ 2021/173 nader ingegaan op de beoordeling van verzoeken tot het oproepen en horen van getuigen door de feitenrechter in de situatie dat een dergelijk verzoek betrekking heeft op een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al – in het vooronderzoek of anderszins – een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. Het gaat dan om een verklaring die door de rechter voor het bewijs van het ten laste gelegde feit zou kunnen worden gebruikt of reeds is gebruikt.6 De formuleringen in het arrest van 20 april 2021 duiden er niet op dat een rechtmatigheidsgetuige in het kader van de beoordeling van getuigenverzoeken moet worden gelijkgeschakeld met een belastende getuige. Hetzelfde geldt voor de rechtspraak van het EHRM. Van “witnesses against the accused” oftewel “prosecution witnesses” is volgens het EHRM immers sprake indien het gaat om ”persons whose deposition may serve to a material degree as the basis for a conviction and which thus constitutes evidence for the prosecution”.7In die zin kan een rechtmatigheidsgetuige niet op één lijn worden gesteld met een getuige die een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking.8

15. Het voorafgaande betekent dat de omstandigheid dat het hof de verzoeken heeft afgewezen met als overweging dat het de verzoeken onvoldoende onderbouwd acht er nog niet toe leidt dat de seinen op rood springen. Aan de onderbouwing van een verzoek om een rechtmatigheidsgetuige te horen mogen eisen worden gesteld.9 Ter terechtzitting van 25 januari 2019 heeft de verdediging de getuigenverzoeken geplaatst in de sleutel van het door de verdediging gevoerde “niet-ontvankelijkheidsverweer ex art. 359a Sv”. Van de verdediging mag in een dergelijk geval worden verlangd dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de in art. 359a Sv genoemde factoren wordt aangegeven tot welk in deze bepaling omschreven rechtsgevolg het verzuim dient te leiden en waarom daartoe getuigen dienen te worden gehoord. Daarbij kan worden aangetekend dat in de regel het verdedigingsbelang zal ontbreken indien het onrechtmatig optreden waarover de opgegeven getuigen zouden kunnen verklaren, niet kan leiden tot het door de verdediging beoogde rechtsgevolg. Het rechtsgevolg van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie komt slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking.10

16. Of een verzoek tot het horen van getuigen naar behoren is onderbouwd alsook of het dient te worden toegewezen, zal de rechter in het licht van alle omstandigheden van het geval – en met inachtneming van het toepasselijke criterium – moeten beoordelen. Indien hij het verzoek afwijst, moet hij de feitelijke en/of juridische gronden waarop die afwijzing berust in het proces-verbaal van de zitting of in de uitspraak opnemen. Deze rechterlijke motiveringsplicht steunt mede op art. 6 EVRM.11 De mate waarin een afwijzing van een verzoek tot het horen van getuigen dient te worden gemotiveerd, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval en wordt mede bepaald door de aard van het onderwerp waarover de getuige zou kunnen verklaren alsmede de aard en de indringendheid van de door de verdediging aangevoerde argumenten om de getuige te horen. In dat verband komt voorts betekenis toe aan het procesverloop, waaronder ook het stadium waarin het verzoek is gedaan. In cassatie gaat het bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het horen van getuigen in de kern om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen.12 In cassatie kan de begrijpelijkheid in verband met de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval slechts in beperkte mate worden getoetst.13

17. Het hof heeft de verzoeken tot het horen van [verbalisant 1] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] aldus kunnen begrijpen, dat deze ertoe strekken dat de verdediging door het horen van deze getuigen wil aantonen dat zij in de door hen opgemaakte aanvullende processen-verbaal leugenachtigheden hebben verkondigd met als kennelijk doel te verhullen dat [betrokkene 5] een informant of infiltrant zou zijn. Er zou zijn getracht het hof te misleiden. Het horen van de getuigen zou moeten leiden tot de onderbouwing van een beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, waarbij de verdediging dit beroep in de sleutel van art. 359a Sv heeft gezet.

18. De afwijzing van de getuigenverzoeken acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij moet worden bedacht dat de getuige [verbalisant 1] reeds eerder ten overstaan van de rechter-commissaris, in het bijzijn van de raadsman van de verdachte, is gehoord. Verder roep ik in herinnering dat de Hoge Raad de lat voor het aanvaarden van een beroep op niet-ontvankelijkheid in dit verband buitengewoon hoog legt.14 Tegen die achtergrond mag van de verdediging worden verlangd dat in de onderbouwing van het getuigenverzoek concreet tot uitdrukking komt dat het horen van de rechtmatigheidsgetuige kan bijdragen aan het standpunt dat het onderzoek onrechtmatig heeft plaatsgevonden én dat zulks tot het verstrekkende rechtsgevolg van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zou kunnen leiden. De onderbouwing van de verzoeken bevatten in dit opzicht onvoldoende aanknopingspunten. Tegen deze achtergrond, heeft het hof kunnen oordelen dat de getuigenverzoeken onvoldoende zijn onderbouwd. Die grond kan de afwijzing van de getuigenverzoeken zelfstandig dragen.

19. De afwijzing van de getuigenverzoeken is in het licht van enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering.

20. In zoverre faalt het middel.

21. Het middel behelst voorts de klacht dat het hof het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie heeft verworpen op onjuiste gronden, althans dat het hof de verwerping onvoldoende met redenen heeft omkleed.

22. Het hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en in reactie daarop het volgende overwogen:

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie


De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is geweest van een onherstelbaar vormverzuim omdat de door verbalisant [verbalisant 1] opgemaakte processen-verbaal van verhoor van de medeverdachte [betrokkene 5] en het door [verbalisant 1] opgemaakte aanvullend proces-verbaal d.d. 11 mei 2018, leugenachtigheden zouden bevatten. De politie en het openbaar ministerie zouden getracht hebben het gerechtshof te misleiden. Door deze leugenachtigheden is het beginsel dat de rechter en de verdediging uit moeten kunnen gaan van de juistheid van een ambtsedig proces-verbaal geschonden. Volgens de verdediging ligt het geschonden belang in de omstandigheid dat er tussen [betrokkene 5] , [verbalisant 1] en het openbaar ministerie afspraken zijn gemaakt over het afleggen van een voor verdachte belastende verklaring door [betrokkene 5] in ruil voor vrijwaring van vervolging. Hetgeen de raadsman ter nadere adstructie van het verweer heeft aangevoerd, is vermeld in de door hem overgelegde pleitnotitie welke in kopie aan dit arrest is gehecht en waarvan de inhoud in zoverre als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd.


De advocaat-generaal heeft gerekwireerd dat er geen enkele aanwijzing bestaat dat getuige [betrokkene 5] een zodanige positie heeft gehad dat hij op enigerlei wijze belang heeft gehad bij het afleggen van een valse verklaring. Uit het dossier is voorts niet gebleken of aannemelijk geworden dat er bijzondere afspraken tussen de politie en/of het openbaar ministerie met [betrokkene 5] zijn gemaakt. De aanvullende processen-verbaal van [verbalisant 1] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] bevestigen deze conclusie. Hetgeen de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht doet niets af aan het voorgaande, aldus de advocaat-generaal.


Het hof overweegt ter zake als volgt:
In de pleitnotitie suggereert de raadsman van alles, waaruit zou blijken dat verbalisant [verbalisant 1] en/of officier van justitie [verbalisant 5] opzettelijk onwaarheden in hun processen-verbaal hebben gezet. Hetgeen de raadsman daarover aanvoert, betreft echter niet meer dan speculaties en conclusies die geen steun vinden in de feiten en waarvoor in het dossier geen concrete aanwijzingen zijn. Zoals hierboven al is overwogen is het hof van oordeel dat het niet aannemelijk is geworden, mede gelet op de inhoud van de aanvullende processen-verbaal van [verbalisant 1] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] , dat [betrokkene 5] optrad als informant of infiltrant.


Dat in de processen-verbaal van verhoor van [betrokkene 5] , opgemaakt door de verbalisant [verbalisant 1] enkele onjuistheden voorkomen, zoals de rechtbank ook overwoog, over de plaats en het tijdstip van de verhoren, kan daaraan niet afdoen. Het gaat daarbij om onjuistheden die van ondergeschikt belang zijn en het hof is het met de rechtbank eens dat die vaststelling niet de conclusie rechtvaardigt dat door of namens het openbaar ministerie op zodanige wijze is gehandeld dat daarmee doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan zijn recht op een eerlijk proces tekort is gedaan.


(…).”

23. Bij de beoordeling van deze deelklacht moet het volgende worden vooropgesteld. Indien een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM, vindt niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging plaats. Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat “the proceedings as a whole were not fair”.15

24. Indien het verweer wordt gevoerd dat zich een vormverzuim heeft voorgedaan en dat dit moet leiden tot één van de in art. 359a, eerste lid, Sv genoemde rechtsgevolgen, moet de rechter beoordelen of de aan dat verweer ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden. Bij dat onderzoek naar de feitelijke grondslag kan de rechter zich beperken tot die vaststellingen die in verband met de beslissing over het in het verweer genoemde rechtsgevolg noodzakelijk zijn.

25. Het hof is uitgebreid ingegaan op het door de verdediging ter terechtzitting gevoerde verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging. In de toelichting op het middel komt uitsluitend het eerste onderdeel van het verweer en de verwerping daarvan aan bod, te weten ten aanzien van de beweerde positie van [betrokkene 5] en de processen-verbaal van de verbalisant [verbalisant 1] ter zake. Het hof heeft in dat verband overwogen dat hetgeen de raadsman aanvoert ten aanzien van de bijzondere positie van [betrokkene 5] speculaties en conclusies betreft die geen steun vinden in de feiten en waarvoor in het dossier geen concrete aanwijzingen zijn. Het hof acht niet aannemelijk geworden dat [betrokkene 5] optrad als informant of infiltrant. Het hof heeft daarmee tot uitdrukking gebracht dat de feiten en omstandigheden die aan het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ten grondslag zijn gelegd niet aannemelijk zijn geworden. Voor zover sprake is geweest van enkele onjuistheden in processen-verbaal, zijn deze van ondergeschikt belang en doen deze niet af aan het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak.

26. De toelichting op het middel maakt niet inzichtelijk waarom het oordeel van het hof onbegrijpelijk zou zijn. Daarin wordt in essentie volstaan met citaten uit de pleitnota van de raadsman in hoger beroep. Mede in aanmerking genomen de beperkte toetsing in cassatie en het ontbreken van aanknopingspunten in de schriftuur in verband met die toetsing, meen ik dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk is. Dat oordeel behoefde geen nadere motivering.

27. De klacht treft geen doel.

28. Het middel faalt.

29. Het tweede middel behelst de klacht dat het hof de bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde ten aanzien van [c-straat 2] te [plaats] onvoldoende met redenen heeft omkleed.

30. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezen verklaard dat:

“hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2013 tot en met 24 november 2015 op meerdere locaties in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke personen, welke organisatie werd gevormd door verdachte en medeverdachten waaronder [betrokkene 3] en [betrokkene 2] welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in de artikelen 11, derde en vijfde lid, van de Opiumwet, namelijk het meermalen in genoemde periode in een pand aan de
- [d-straat (1-2)] te [plaats] en

- [a-straat 1] te [plaats] en

- [c-straat 2] te [plaats] en

- [e-straat 1] te [plaats] en

- [b-straat 1] te [plaats]

- in de uitoefening van een beroep of bedrijf

- telkens opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of vervoeren en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of aanwezig hebben van één of meerdere kilogram(men) hennep en/of hennepstekken en/of een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II”

31. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“Overweging met betrekking tot het bewijs

De raadsman heeft bepleit dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het hem onder 1 ten laste gelegde. Volgens de raadsman kan uit de bewijsmiddelen niet worden afgeleid dat er sprake is geweest van een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht noch dat verdachte deel heeft genomen aan een dergelijke organisatie. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat uit het dossier niet volgt dat er sprake is geweest van een duurzaam samenwerkingsverband gericht op het telen van hennep. Ook is niet gebleken van een beroepsmatige teelt van hennep waarbij verdachte betrokken zou zijn geweest. Volgens de verdediging deed iedereen maar ad hoc wat en kon eigenlijk niemand er wat van.


De advocaat-generaal heeft gerekwireerd dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem onder 1 primair tenlastegelegde feit.
Het hof overweegt ter zake het volgende:
Onder een organisatie als bedoeld in artikel 11a (oud) van de Opiumwet wordt verstaan een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat een persoon om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. Van deelname aan een dergelijke organisatie is sprake indien een betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van bedoeld oogmerk.


Het hof is van oordeel dat het door de verdediging gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 1 primair tenlastegelegde feit wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Uit deze bewijsmiddelen blijkt dat sprake is geweest van een samenwerkingsverband als hiervoor bedoeld en dat dit samenwerkingsverband zich gedurende een ruime periode heeft beziggehouden met het op verschillende plaatsen oprichten en exploiteren van hennepkwekerijen en de handel in hennep. Verdachte heeft aan deze organisatie, die gedurende de periode van 1 januari 2013 tot 24 november 2015 heeft bestaan, opzettelijk deelgenomen door specifiek aan hem toe te schrijven activiteiten te verrichten, zoals het opdracht geven tot het bouwen van hennepkwekerijen en het regelen van de financiën, het (laten) opbouwen van de verschillende kweekruimten, het regelen van stekken, het aangeven wanneer er geknipt of geplant moest worden, het meenemen van de oogst, zijnde activiteiten die de doelstelling van deze criminele organisatie hebben ondersteund. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen te twijfelen. De stelling van de verdediging dat de verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] onbetrouwbaar zouden zijn omdat zij medeverdachten in de onderhavige strafzaak zijn en daarom een mogelijk motief hebben om verdachte de schuld in de schoenen te schuiven en daarmee hun eigen rol te minimaliseren, acht het hof niet aannemelijk geworden. De stelling van de verdediging dat de verklaringen van [betrokkene 5] van het bewijs moeten worden uitgesloten omdat deze, volgens de raadsman, op dubieuze wijze tot stand zijn gekomen is niet aannemelijk geworden, zoals hiervoor reeds door het hof is overwogen. Het hof is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan.”

32. De door het hof gebezigde bewijsmiddelen houden ten aanzien van het pand aan [c-straat] te [plaats] onder meer het volgende in:

“17. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aantreffen (ontmantelde) hennepkwekerij d.d. 16 januari 2016 (als bijlage van het (stam)proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2015009372-2) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] :


Pagina 1572
Op 14 januari 2015 omstreeks 10.00 uur was ik, [verbalisant 4] , belast met de taak assistentie bij gerechtelijke ontruiming. Het adres waar de ontruiming plaatsvond betrof [c-straat 1] te [plaats] . De ontruiming was gericht tegen [betrokkene 5] , geboren op [geboortedatum] 1958 te [geboorteplaats] . Op voornoemd tijdstip werd er tegen de wil van de bewoner het pand binnengetreden.
Ik, [verbalisant 4] , zag dat er in de woning restanten lagen van een vermoedelijke hennepkwekerij. In de inpandige garage zag ik dat er een grote hoeveelheid potten met potgrond en koolstoffilters lagen. In de woonkamer zag ik dat er twee armaturen lagen waar per armatuur vier lampen aan bevestigd waren. Op de eerste verdieping zag ik dat in vermoedelijk drie ruimtes een kwekerij heeft gezeten. Men was al in ver gevorderd stadium om de ruimtes naar oorspronkelijke staat te herstellen. Ik zag namelijk dat er diverse gaten in de muren zaten en dat er restanten zand/potgrond op de vloeren lagen.
Ik, [verbalisant 3] , zag dat er in de inpandige garage voornoemde attributen lagen ten behoeve van hennepkweek. Ik merk op dat er in de woning geen sprake meer was van een opstelling, maar dat er in diverse ruimtes losse gebruikte goederen lagen ten behoeve van hennepkweek.
18. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor d.d. 29 december 2015 (als bijlage van het (stam)proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2015288431-235) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van medeverdachte [betrokkene 5] :


V = vraag verbalisant(en)

A = antwoord gehoorde

O = opmerking verbalisant(en)
Pagina 660
[c-straat]
O: Je hebt eerder verklaard dat je betrokken bent geweest bij een hennepkwekerij aan [c-straat] te [plaats] . Je hebt samenvattend verklaard dat je daar een woning had gehuurd om er met je vrouw te gaan wonen. Je hebt verklaard dat [verdachte] en [betrokkene 3] toen aan je hebben voorgesteld om daar een hennepkwekerij te beginnen, waarmee je hebt ingestemd.
V: Klopt dat?
A: Ja, dat klopt.
V: Wie regelde de stekken?
A: [verdachte] volgens mij.
V: Want?
A: [verdachte] kwam aan met de stekken. Het was op een avond. Ik ben daar (het hof begrijpt: [c-straat 1] te [plaats] ) zelf naartoe gegaan.

Pagina 661
[verdachte] kwam daar aan met de auto. Hij zat alleen in de auto. Hij had een paar dozen bij zich en daar zaten van die blokjes in waar de plantjes in stonden. Volgens mij was het twee en een halve doos.

V: Wie waren daar nog meer bij?
A: [betrokkene 3] en [betrokkene 2] waren daar ook bij. Die kwamen later.
V: En toen?
A: Toen zijn ze de grond in gegaan. Dat deden [betrokkene 3] , [betrokkene 2] en ik.
V: Hoe wisten jullie wat jullie moesten doen?
A: [betrokkene 2] en [betrokkene 3] wisten al wat ze moesten doen. Ze vertelden mij namelijk wat ik moest doen.

O: Je bent een zakenman en je wilt waarschijnlijk weten met wie je in zee gaat. Als je instapt bij een hennepkwekerij wil je weten of men kennis heeft van zaken.
V: Wist je dat en hoe wist je dat?

A: [verdachte] had me verteld dat hij als kwajongen planten had laten groeien. Hij stelde dat hij die kennis had.

V: En [betrokkene 2] en [betrokkene 3] ?

A: [betrokkene 2] heb ik pas leren kennen toen [c-straat] was gebouwd. [betrokkene 3] kende ik kort daarvoor. Ik had wel de indruk dat hij dat wel eens eerder had gedaan door de manier waarop hij daarover sprak.

V: Hoe verliep de eerste keer dat er werd geoogst aan [c-straat] ?
A: Terwijl ik in de woonkamer zat en ze boven aan het knippen waren hoorde ik ineens een bonk op de deur. Ik dacht meteen dat er politie voor de deur stond. Toen ik uit het raam keek zag ik inderdaad een man en een vrouw in politie-uniform aan de deur staan. Die liepen daarna weg. We hebben toen een minuut of vijf gewacht. Daarna zijn we met zijn drieën naar buiten gegaan. [verdachte] en [betrokkene 3] hebben ons toen opgewacht bij de apotheek daar vlakbij. We hebben toen twee dagen later de rest van de planten opgehaald.
V: Hoe wisten [verdachte] en [betrokkene 3] wat er aan de hand was?
A: Omdat [betrokkene 2] ze had bericht.
V: Hoe wist jij dat er geknipt moest worden?
A: Dat zei [verdachte] tegen mij. Daarna regelde [betrokkene 3] dat er geknipt werd.
V: Wat regelde [betrokkene 3] dan?
A: Meestal één vrouw en soms twee vrouwen. Soms was [betrokkene 2] erbij en soms niet.
V: Waar ging de oogst de eerste keer naartoe?
A: [verdachte] nam het mee maar ik weet niet waarheen.
V: Hoe weet je dat [verdachte] de oogst mee nam?

A: Het zat in zijn plastic zak. Die werd dichtgestreken. Dan ging het bij [verdachte] in zijn auto en dan ging het weg.
Pagina 662
V: En hoe verliep de tweede keer?
A: Het was een probleem om stekken te krijgen. Ik weet niet meer of ik dat van [verdachte] of [betrokkene 2] had gehoord. Ik kreeg toen een berichtje van [verdachte] dat het er wel was.
V: Hoe liet hij jou dat weten?
A: Iets van ‘vanavond 21 uur’ en niet meer dan dat. Ik sprak hem natuurlijk ook fysiek en wist dat het er aan zat te komen.
V: En toen?
A: Hetzelfde als de eerste keer. Ook [betrokkene 2] en [betrokkene 3] waren erbij en daarna kwam [verdachte] de stekken brengen. Die hebben we er toen met zijn drieën ingezet.
V: Welke drie?
A: [betrokkene 3] , [betrokkene 2] en ik. [verdachte] kwam alleen de stekken brengen.
V: En daarna?
A: Hetzelfde verhaal. Soms kwam [verdachte] kijken en soms [betrokkene 3] . [verdachte] bepaalde dat er geoogst kon worden.
V: Hoe verliep dat oogsten?
A: De vrouwen hebben geknipt. Nadat [betrokkene 3] in de kweekruimte had gekeken kwam hij bij mij beneden. Hij zei: ‘ [verdachte] komt over 10 minuten!’ [betrokkene 3] heeft mij toen de zakken aangegeven. Ik bedoel daarmee de dichtgestreken zakken. Op het moment dat [verdachte] voor het huis op de oprit stond gaf ik [verdachte] de zakken aan. [verdachte] deed de zakken in de achterbak van zijn Volvo.

Pagina 663

V: En derde keer?
A: Alles ging toen exact hetzelfde.
V: En de andere keren?
A: Volgens mij was dit het wel.


19. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor d.d. 20 november 2015 (als bijlage van het (stam)proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2015288431-185) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van medeverdachte [betrokkene 2] :


V = vraag verbalisant(en)

A = antwoord gehoorde

O = opmerking verbalisant(en)
Pagina 848
[c-straat]
V: Wat kun je verklaren over de hennepkwekerij, of de resten ervan, die op [c-straat] zijn aangetroffen?
A: Ik heb daar inderdaad een keer geknipt.
V: Heb je daar alleen geknipt of heb je er ook meer gedaan?
A: Ik heb daar ook gesaust. Ik heb er parket gelegd. Ik heb er samen met [betrokkene 5] de spullen naar boven gebracht om te kweken. Ik ben inderdaad door [betrokkene 5] gevraagd om de boel af te breken.
V: Wat heeft [betrokkene 3] gedaan in die kwekerij?
A: [betrokkene 5] gaf de planten water. [betrokkene 3] keek de planten na of alles wel goed was.”

33. Voor zover het middel berust op de stelling dat uit de inhoud van de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de bewezen verklaarde gedragingen zich uitstrekken tot een pand aan [c-straat 2] te [plaats] , merk ik het volgende op. Uit de hiervoor weergegeven inhoud van de bewijsmiddelen heeft het hof kunnen afleiden dat zich op het adres [c-straat 1] te [plaats] een hennepkwekerij heeft bevonden en dat de verdachte daarbij betrokkenheid heeft gehad. Over het adres [c-straat 2] te [plaats] bevatten de bewijsmiddelen niets. Aangenomen moet dan ook worden dat de bewezenverklaring een kennelijke verschrijving bevat, in die zin dat waar [c-straat 2] staat vermeld daarvoor in de plaats moet worden gelezen [c-straat 1] . De Hoge Raad kan de bewezenverklaring in de genoemde zin verbeterd lezen.

34. De steller van het middel klaagt in de toelichting op het middel onder meer dat het hof in zijn bewijsmiddelenoverzicht ten onrechte overweegt dat het proces-verbaal door verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] in de wettelijke vorm is opgemaakt (bewijsmiddel 17). Dit proces-verbaal is volgens de steller van het middel immers niet op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en niet door een opsporingsambtenaar ondertekend. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 25 januari 2019 blijkt dat de raadsman op dit punt overeenkomstig zijn overgelegde pleitnota verweer heeft gevoerd. De steller van het middel klaagt voorts dat het hof is afgeweken van het desbetreffende uitdrukkelijk onderbouwde standpunt zonder in het bijzonder de redenen op te geven die tot die afwijking hebben geleid.

35. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 25 januari 2019 blijkt dat de raadsman, overeenkomstig zijn overgelegde pleitnota, ter zake van het onder 1 ten laste gelegde onder meer het volgende heeft aangevoerd:

“[…]
Dit proces verbaal dient uitgesloten te worden als bewijs. Het is een jaar en twee dagen na ontmantelen van de kwekerij opgemaakt en waarschijnlijk bewust niet ondertekend omdat het in strijd met de verbaliseringsplicht is om na een jaar het PV op te maken. Het is immers niet ten spoedigste opgemaakt en niet ondertekend. Geconcludeerd moet worden dat dit PV slechts een nadere bewerking is van het eerdere mutatierapportje van een jaar daarvoor op Blz. 1571. De hoge raad heeft geoordeeld dat het PV dan ook niet als ander geschrift voor het bewijs gebruikt mag worden. ECLI:NL:PHR:2007:AZ2481. Indien er blijkbaar bewust een PV niet getekend wordt met de intentie om het dan maar als ander geschrift te laten dienen voor het bewijs en als grondslag voor de ontneming mag dit niet beloond worden door de rechter. Uitsluiting van proces verbaal voor bewijs.
Naast dit pv dat dus niet mee mag wegen voor het bewijs is er geen ondersteunend bewijs buiten de verklaringen voor het überhaupt hebben bestaan van een kwekerij op [c-straat] in [plaats] .
Bewijsoverweging 15. verhoor [betrokkene 5] ,

Voor de kwekerij aan [c-straat 1] in [plaats] bracht [verdachte] telkens de stekken mee. Toen er politie voor de deur stond heeft [betrokkene 2] [betrokkene 3] en [verdachte] bericht. [verdachte] heeft de eerste oogst meegenomen in zijn auto. De tweede keer is hetzelfde gegaan als de eerste keer. [betrokkene 2] en [betrokkene 3] waren erbij en [verdachte] bracht de stekken. Ook die oogst heeft [verdachte] meegenomen.

Voor de kwekerij aan [c-straat 1] in [plaats] bracht [verdachte] telkens de stekken mee. [betrokkene 2] en [betrokkene 3] waren erbij en [verdachte] bracht de stekken.

[betrokkene 3] verklaarde op zitting in eerste aanleg anders namelijk dat [betrokkene 5] de stekken regelde.
In werkelijkheid worden de stekken door [betrokkene 3] geleverd. Blz. 601 wordt [betrokkene 3] in de periode dat [c-straat] in bedrijf is, in mei 2014 aangehouden bij een stekkenkwekerij in [plaats] . In hetzelfde dorp, bij dezelfde [A] waar hij op bladzij 761 over heeft verklaard de wietopbrengst van zijn kwekerij in [plaats] te hebben verkocht. [betrokkene 3] regelt de stekken in [plaats] en verkoopt daar de wiet weer als er geoogst is. [betrokkene 5] verklaart ook over de oogsten van [c-straat] : Blz. 637 “[betrokkene 3] zei dat het altijd tegen viel.” [verdachte] heeft geen stekken geregeld en geen oogsten verkocht.
Toen er politie voor de deur stond heeft [betrokkene 2] [betrokkene 3] en [verdachte] bericht.
[betrokkene 3] verklaart blz. 769 anders namelijk dat hij is gebeld door zijn destijds minderjarige dochter die hij op [c-straat] liet knippen. Waarom zou [betrokkene 3] hierover liegen als hij daarmee onnodig zijn eigen dochter belast? [verdachte] is niet gebeld. [betrokkene 3] is gebeld.
[betrokkene 5] : [verdachte] heeft de eerste en de tweede oogst meegenomen in zijn auto.

[betrokkene 5] blz. 637: [betrokkene 3] nam het knippen en verkopen op zich

[betrokkene 3] daarover Blz. 769: [betrokkene 5] heeft een dag later de planten opgehaald. Dat hoorde ik van [betrokkene 5] . [betrokkene 3] bij de RH-C: “Het klopt dat ik van [betrokkene 5] heb vernomen dat hij een dag later de planten heeft opgehaald. Hij woonde daar met zijn zieke vrouw. Er hebben wietplanten gestaan. Die waren van [betrokkene 5] .
[…]
Conclusie: Er is geen ander bewijs tegen [verdachte] naast de verklaring van [betrokkene 5] nu zelfs het proces verbaal van aantreffen restanten kwekerij niet gebruik mag worden als bewijs. Ook niet als anders geschrift zegt de Hoge Raad.


De OVJ zegt Requisitoir Blz. 22 van 13 dec 2016 “ [betrokkene 5] had aan [c-straat] wel een kwekerij, maar zijn bijdrage acht ik onvoldoende om te kunnen bewijzen dat hij deelnemer was aan een samenwerkingsverband.” Dat klopt ook. Het was een huis, tuin en keuken kwekerijtje van [betrokkene 5] waar mogelijk wat hand en spandiensten zijn verricht door anderen zoals bij elke kwekerij in Nederland. Maar als volgens de OvJ niet bewezen kan worden dat [betrokkene 5] de kwekerij in zijn eigen huis in een samenwerking geëxploiteerd heeft dan kan dat zeker ook niet bewezen worden voor [verdachte] .


De investering in [c-straat] is door [betrokkene 3] gedaan verklaart [betrokkene 5] Blz. 637
Er is vanaf het begin bij verhoren bij de politie tot aan einde verhoren RH-C consistent verklaard door [verdachte] , [betrokkene 3] en [betrokkene 2] dat [betrokkene 5] daar woonde en dat de kwekerij van [betrokkene 5] was. Ook de rechter in eerste aanleg (ontnemingsvonnis blz. 4) noemt [betrokkene 5] , de bewoner van dit adres. [betrokkene 5] verklaart ook tot bij de R-C dat de kwekerij gewoon van hemzelf was. Er is geen bewijs tegen [verdachte] en [betrokkene 5] neemt ook gewoon de verantwoording voor de kwekerij. Hij was van [betrokkene 5] . [verdachte] moet vrijgesproken worden van [c-straat] .”

36. Het volgende kan worden vooropgesteld. Art. 153 Sv houdt onder meer in dat een proces-verbaal door een opsporingsambtenaar persoonlijk en op ambtseed of ambtsbelofte dient te worden opgemaakt en dient te worden gedagtekend en ondertekend. Een door een opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal dat niet op ambtseed of ambtsbelofte is opgemaakt, of niet is ondertekend, is niet in de wettelijk voorgeschreven vorm opgemaakt en kan slechts als geschrift in de zin van art. 344, eerste lid aanhef en onder 5º, Sv tot het bewijs meewerken.16

37. Het door verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] opgemaakte proces-verbaal van bevindingen is, zoals door de steller van het middel aangevoerd, inderdaad niet ondertekend en is daarmee niet in de wettelijk voorgeschreven vorm opgemaakt. Anders dan door de verdediging ter terechtzitting op 25 januari 2019 is aangevoerd, brengt dit echter niet mee dat het proces-verbaal dient te worden uitgesloten van het bewijs. Het proces-verbaal kan immers worden aangemerkt als een ander geschrift in de zin van art. 344, eerste lid aanhef en onder 5º, Sv en daarmee voor het bewijs meewerken. Hiervoor is vereist dat een dergelijk geschrift in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen wordt gebruikt. Het hof heeft de bewezenverklaring eveneens doen steunen op de verklaringen van de medeverdachten [betrokkene 5] en [betrokkene 2] , waaruit het hof heeft kunnen afleiden dat zich een hennepkwekerij bevond op het adres [c-straat 1] te [plaats] en dat de verdachte daarbij betrokkenheid heeft gehad. Het niet-ondertekende proces-verbaal kan aldus in verband met de inhoud van deze bewijsmiddelen tot het bewijs meewerken.

38. De verdediging heeft ter terechtzitting aangevoerd dat het proces-verbaal dient te worden uitgesloten als bewijsmiddel, omdat het proces-verbaal – waarschijnlijk bewust – niet is ondertekend en een jaar en twee dagen na het ontdekken van de hennepkwekerij is opgemaakt. De steller van het middel klaagt dat het hof in strijd met art. 359a, tweede lid, Sv heeft verzuimd te reageren op dit verweer.

39. Het hof heeft het verweer niet gehonoreerd door het desbetreffende proces-verbaal toch als bewijsmiddel op te nemen. Dat oordeel is niet nader gemotiveerd. Daartoe was het hof ook niet gehouden. De raadsman heeft in dit verband slechts aangevoerd dat het proces-verbaal “waarschijnlijk bewust” niet is ondertekend. Het hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de verdediging daarmee heeft verzuimd duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de in art. 359a, tweede lid, Sv genoemde factoren aan te geven dat sprake is van een verzuim en waarom dit verzuim dient te leiden tot bewijsuitsluiting.

40. Ook overigens is de bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit ten aanzien van de hennepkwekerij aan [c-straat 1] te [plaats] en de betrokkenheid daarbij in het kader van zijn deelname aan de criminele organisatie naar de eis van de wet voldoende met redenen omkleed. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt immers dat de verbalisant [verbalisant 4] na binnentreding in het pand aan [c-straat 1] te [plaats] zag dat er in de woning restanten lagen van een vermoedelijke hennepkwekerij. Hij zag dat in de inpandige garage grote hoeveelheid potten met potgrond en koolstoffilters lagen, dat in de woonkamer twee armaturen lagen waaraan per armatuur vier lampen waren bevestigd en dat op de eerste verdieping drie ruimtes waren waar vermoedelijk een kwekerij had gezeten. De medeverdachte [betrokkene 2] heeft eveneens verklaard over een hennepkwekerij aan [c-straat] (bewijsmiddel 19). De medeverdachte [betrokkene 5] heeft onder meer verklaard dat de verdachte de stekken meenam, dat hij bepaalde dat er kon worden geoogst en dat hij de oogst meenam (bewijsmiddel 18). De bewezenverklaring is aldus ook in zoverre toereikend gemotiveerd.

41. Het middel faalt.

42. Het derde middel behelst de klacht dat het hof de bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde ten aanzien van de [d-straat (1-2)] te [plaats] onvoldoende met redenen heeft omkleed.

43. De door het hof gebezigde bewijsmiddelen ten aanzien van de bewezenverklaring van de deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in art. 11, derde en vijfde lid, Opiumwet in een pand aan de [d-straat (1-2)] te [plaats] , houden onder meer het volgende in:

“1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij aan de [d-straat] te [plaats] d.d. 18 december 2013 (als bijlage van het (stam)proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2013106695) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant [verbalisant 7] :


Pagina 1518

Op woensdag 18 december 2013 constateerde ik het volgende:
Naar aanleiding van een melding die de noodhulpeenheid van team Noord had gekregen, zijn collega’s ter plaatse gegaan op het adres [d-straat 1] te [plaats] . Op dat adres zou mogelijk een inbraak hebben plaatsgevonden in een bedrijfspand, want een melder had de roldeur open zien staan. De noodhulpeenheid is ter plaatse gekomen en zag dat er achter de roldeur van het bedrijfspand afval lag wat zou wijzen op een hennepkwekerij.

Pagina 1519
De collega’s zagen onder andere een afgetimmerde ruimte, afvoerslangen en elektriciteitskabels. Hierop zijn de collega’s verder het pand ingegaan en troffen in een afgetimmerde ruimte de resten van een hennepkwekerij. Hierop hebben de collega’s ons gebeld met het verzoek het onderzoek over te nemen.

Ik ben ter plaatse gegaan naar het bedrijfspand samen met collega [verbalisant 8] . Het bleek dat het bedrijfspand ligt aan de [d-straat (1-2)] te [plaats] . De loods bevindt zich in een pand waar 22 van deze bedrijfsunits zijn gevestigd. De loods heeft naast de ruimte op de begane grond ook nog ruimte op de eerste verdieping. Door de opening van de roldeur zag ik afval liggen in een ruimte (ruimte 1). Tussen het afval heb ik 217 zwarte plantenbakjes, 45 stekkers, 1 afzuiginstallatie en 1 koolstoffilter aangetroffen. In de muur zat een deur. Deze deur leidde naar een ruimte (ruimte 2) waar een aantal spullen lagen. Hier zag ik onder andere een fles groeimiddel die ik vaker heb aangetroffen in hennepkwekerijen. Verder heb ik een aantal sporendragers aangetroffen en veilig gesteld voor onderzoek. Zo heb ik lege blikjes Heineken, een leeg blikje Amstel, een lege colafles en twee lege flessen van het merk Crystal Clear Veilig gesteld.

Ruimte 2 leidt naar ruimte 3 . ln ruimte 3 heeft vermoedelijk de hennepkwekerij gevestigd gezeten: Ik zag op de grond aarde liggen. Ook lag er een vuilniszak met daarin hennepresten. Ik herkende de resten als resten van een hennepplant. Ook zag ik bij binnenkomst rechts een balk hangen waarbij één kant aan een ketting hing en de andere zijde op de grond lag. Aan deze balk zat een verlichtingsarmatuur bevestigd die ik vaker heb gezien in een hennepkwekerij.

In ruimte 3 zijn verschillende sigarettenpeuken door mij veiliggesteld. Deze peuken lagen op de grond. Sommige peuken waren uitgetrapt, maar sommige waren nog rond van vorm.

In ruimte 4, de ruimte vanaf de voordeur en waarin de trap naar de eerste verdieping staat, zagen wij aan de zijkant allemaal dozen staan. In een van de dozen heb ik een leeg bierflesje aangetroffen. Dit flesje heb ik veilig gesteld voor onderzoek. In ruimte 4 bevindt zich ook een meterkast. Uit onderzoek door een fraudemedewerker van Enexis is gebleken dat de elektriciteitsmeter is vernield.

Pagina 1527

In ruimte 2 en 3 waren knipschaartjes aangetroffen. Op deze knipschaartjes bevonden zich hennepresten.
2. Het schriftelijk bescheid, te weten een huurovereenkomst tussen [B] B.V. en [betrokkene 7] m.i.v. 1 januari 2013 (als bijlage van het (stam)proces-verbaal), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
Pagina 1541
HUUROVEREENKOMST KANTOORRUIMTE
en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW
ONDERGETEKENDEN

[B] B.V.
(…)
hierna te noemen ‘verhuurder’,


EN


[betrokkene 7]
(…)
hierna
te noemen ‘huurder’
ZIJN OVEREENGEKOMEN
Het gehuurde, bestemming
1.1 Verhuurder verhuurt aan huurder en huurder huurt van verhuurder de bedrijfsruimte, het appartementsrecht omvattende het uitsluitend gebruik van de bedrijfsruimte gelegen op de begane grond en eerste verdieping van het gebouw, met twee bijbehorende parkeerplaatsen op de begane grond, gelegen aan de [d-straat 1] te [postcode] [plaats] .
1.2 Het gehuurde zal door of vanwege huurder uitsluitend worden bestemd om te worden gebruikt als bedrijfsruimte/opslag. Montagebedrijf in systeemplafonds en scheidingswanden.
Duur, verlenging en opzegging
3 .1 Deze overeenkomst is aangegaan voor de duur van 1 jaar, ingaande op 1 januari 2013 en lopende tot en met 31 december 2013.

3.2

3 .2 Na het verstrijken van de in 3 .1 genoemde periode wordt deze overeenkomst voortgezet voor een aansluitende periode van 2 jaar, derhalve tot en met 31 december 2015.
3 . Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor d.d. 26 november 2015 (als bijlage van het (stam)proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2015288431-178) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van medeverdachte [betrokkene 3] :


V = vraag (verbalisant(en)

A = antwoord gehoorde
O = opmerking verbalisant(en)


Pagina 730
O: Wij gaan nu een aantal kwekerijen behandelen waar er verdenkingen in jouw richting zijn dat jij ermee te maken hebt.
V: Op het adres [d-straat (1-2)] te [plaats] werden er restanten van een hennepkwekerij aangetroffen en ook resten van hennepplanten. Daar is DNA van jou en [betrokkene 2] aangetroffen. Hoe zit dat nu?
A: Ik heb daar weleens plafonds gemaakt met [betrokkene 2] . Dat is begin 2013 geweest.
V: In wiens opdracht was jij daar?
A: Voor [betrokkene 7] . Die ken ik van vroeger. Ik heb daar 200 euro voor gekregen. [betrokkene 2] heb ik 50 euro gegeven. Het geld heb ik contant gekregen.
V: De rolverdeling: [betrokkene 5] en [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte [verdachte]) zijn de opdrachtgevers. [betrokkene 2] heeft jou geholpen en planten geknipt. [betrokkene 4] deed de verzorging. Klopt dat?
Pagina 731
A: Ja.


4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor d.d. 4 december 2015 (als bijlage van het (stam)proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2015288431-208) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van medeverdachte [betrokkene 3] :


V = vraag verbalisant(en)

A = antwoord gehoorde
O = opmerking (verbalisant(en)
Pagina 761
O: Je hebt eerder verklaard over de hennepkwekerij die in [plaats] is aangetroffen. Je hebt toen uiteindelijk verklaard dat je betrokken bent geweest bij de aanleg van die kwekerij en dat je dat samen met [betrokkene 2] hebt gedaan voor [betrokkene 7] .
V: Klopt dat?
A: Ja.
O: Volgens ons was er ook nog iemand anders betrokken bij de kwekerij in [plaats] .
V: Ga je daar uit jezelf over verklaren?
Pagina 762
A: Ja, [verdachte] .
V: Wat kun je over [verdachte] vertellen in [plaats] ?
A: [betrokkene 7] kwam in die tijd veel bij mij. Dat was in 2013. Ik wist wel dat [betrokkene 7] ook een pandje zocht om te kweken. We zijn toen een week later naar dat pandje gegaan. Het was [d-straat] in [plaats] , volgens mij huisnummer [001] of [002] . [betrokkene 7] vroeg of ik hem wilde helpen met bouwen. Omdat het een kale ruimte was moest er een wand in. Ik had nog wat spullen over van de bouw. Dat waren groene platen en die konden we mooi gebruiken om die wanden te maken. Ik heb toen samen met [betrokkene 7] die groene platen naar [d-straat] gebracht om de wanden erin te zetten. Een dag erop ging ik naar de [d-straat] en nam ik [betrokkene 2] mee om die wand te zetten voor het kweekhok. [betrokkene 7] was er al toen wij aankwamen. Ik zag dat [verdachte] er toen ook al was. We hebben toen samen daar gebouwd.
V: Wat heb jij gedaan op het adres [d-straat] in [plaats] ?
A: Ik heb geholpen met het zetten van de wanden. Dat deed ik met [betrokkene 7] , [betrokkene 2] en [verdachte] . Ik heb daarna nog een afzuigertje opgehangen, twee stuks.
V: Wat had [verdachte] gedaan?
A: Met die wanden plaatsen heeft [verdachte] die wanden gestuukt.
6. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor d.d. 26 november 2015 (als bijlage van het (stam)proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2015288431-185) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van medeverdachte [betrokkene 2] :
V = vraag verbalisant(en)

A = antwoord gehoorde

O = opmerking verbalisant(en)


Pagina 847
V: Wat kun je verklaren over [plaats] ?
A: Ik ben daar inderdaad geweest in de hennepkwekerij. Die kwekerij die daar gezeten heeft is eigendom van [betrokkene 7] . Ik ben door [betrokkene 7] gevraagd om daar te knippen. Ik heb dat een keer gedaan, wat ik me kan herinneren. Ik heb toen daar alles geknipt. [betrokkene 7] hielp met knippen.

V: Hoeveel planten stonden er?
A: Twee- of driehonderd.
V: Hoe vaak ben je in die kwekerij geweest?

A: In ieder geval twee keer. Eén keer twee à drie dagen om de kwekerij op te bouwen en één keer om te knippen. Het opbouwen was met [betrokkene 7] en [betrokkene 3] .
7. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor d.d. 3 december 2015 (als bijlage van het (stam)proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2015288431-242) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven – als verklaring van medeverdachte [betrokkene 2] :

V = vraag verbalisant(en)
A = antwoord gehoorde
O = opmerking verbalisant(en)

Pagina 881
V: Is [verdachte] betrokken bij de kwekerij in [plaats] ?
(verdachte is stil, gaat voorovergebogen zitten en zucht)
V: Is het lastig voor je om hierover te verklaren?
A: Ja, als ik straks buiten ben krijg ik hier gezeik mee.
V: Is [verdachte] betrokken bij de kwekerij in [plaats] ?
A: Ja.
V: Wat is de rol van [verdachte] in [plaats] ?
A: Hij is één of twee keer mee geweest toen de kwekerij werd gebouwd. We waren daar met zijn vieren.
V: Wat heeft [verdachte] gedaan in [plaats] ?

A: Volgens mij heeft hij een muur dichtgesmeerd van het hok dat gebouwd werd.”

44. De steller van het middel voert in de toelichting op het middel in het bijzonder aan dat uit de bewijsvoering hoogstens volgt dat de verdachte betrokken zou zijn geweest bij het dichtsmeren van een muur in het pand [d-straat (1-2)] te [plaats] toen daar nog geen hennepkwekerij was ingericht en dat verdachte voor het overige in het geheel niet betrokken is geweest bij de aldaar in december 2013 aangetroffen hennepkwekerij.

45. Ik stel voorop dat de bewezenverklaring niet behelst dat de verdachte zich als (mede)pleger heeft schuldig gemaakt aan hennepteelt. Bewezen verklaard is zijn deelname aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in de artikelen 11, derde en vijfde lid, van de Opiumwet, in welk verband ook de hennepkwekerij in een pand aan de [d-straat (1-2)] te [plaats] in de bewezenverklaring wordt genoemd. Uit de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden kon het hof afleiden dat sprake was van een samenwerkingsverband en dat dit samenwerkingsverband zich gedurende een ruime periode heeft beziggehouden met het op verschillende plaatsen oprichten en exploiteren van hennepkwekerijen en de handel in hennep. Over dit oordeel wordt in cassatie niet geklaagd. De verdachte heeft volgens het hof aan deze organisatie opzettelijk deelgenomen door specifiek aan hem toe te schrijven activiteiten te verrichten, zoals het opdracht geven tot het bouwen van hennepkwekerijen en het regelen van de financiën, het (laten) opbouwen van de verschillende kweekruimten, het regelen van stekken, het aangeven wanneer er geknipt of geplant moest worden en het meenemen van de oogst. Daarbij gaat het om activiteiten die de doelstelling van deze criminele organisatie hebben ondersteund.

46. De door het hof opgenomen bewijsmiddelen in de aanvulling op zijn verkort arrest van 6 maart 2019, waarnaar door de steller van het middel wordt verwezen, moeten worden bezien in het licht van dit samenwerkingsverband. Uit deze bewijsmiddelen volgt ten aanzien van het pand aan de [d-straat (1-2)] te [plaats] onder meer dat aldaar een hennepkwekerij was gevestigd. De medeverdachte [betrokkene 3] heeft verklaard dat de verdachte betrokken was bij de kwekerij in [plaats] en dat hij samen met anderen heeft “gebouwd” (bewijsmiddel 4). Ook heeft [betrokkene 3] desgevraagd bevestigd dat de verdachte een van de twee opdrachtgevers daartoe was (bewijsmiddel 3 ). De medeverdachte [betrokkene 2] heeft eveneens verklaard dat de verdachte betrokken was bij de hennepkwekerij in [plaats] en een muur heeft “dichtgesmeerd” van het hok dat werd gebouwd (bewijsmiddel 7).

47. Voor zover het middel berust op de veronderstelling dat het hof slechts heeft vastgesteld dat de verdachte betrokken is geweest bij het dichtsmeren van een muur in het pand [d-straat (1-2)] te [plaats] toen daar nog geen hennepkwekerij was ingericht, faalt het omdat het in zoverre berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest.

48. Het hof heeft uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in art. 11, derde en vijfde lid, Opiumwet in een pand aan de [d-straat (1-2)] te [plaats] . Daarbij neem ik mede in aanmerking dat uit de bewijsvoering volgt dat de verdachte een van de twee opdrachtgevers voor de bouw van de hennepkwekerij is geweest en hij ook daadwerkelijk samen met anderen “heeft gebouwd”. In zoverre is de bewezenverklaring naar de eis van de wet voldoende met redenen omkleed.

49. Het derde middel faalt.

50. Het vierde middel behelst de klacht dat dat het hof de bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde ten aanzien van de [e-straat 1] te [plaats] onvoldoende met redenen heeft omkleed.

51. De door het hof gebezigde bewijsmiddelen ten aanzien van de bewezenverklaring van de deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in art. 11, derde en vijfde lid, Opiumwet in een pand aan de [e-straat 1] te [plaats] , houden onder meer het volgende in:

“20. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij aan de [e-straat 1] te [plaats] d.d. 2 oktober 2015 (als bijlage van het (stam)proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2015288431-1) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :


Pagina 198
Aanleiding onderzoek

Op vrijdag 26 juni 2015 omstreeks 12:40 uur stelde ik een onderzoek in op het adres [e-straat 1] , [postcode] [plaats] , vanwege een verdenking van overtreding van de Opiumwet.
Binnentreden perceel

In voornoemd perceel werd op vrijdag 26 juni 2015, omstreeks 12:40 uur, ter opsporing en inbeslagneming binnengetreden.
Pagina 199

Aangetroffen situatie

Na het binnentreden zag ik in de ruimte om de begane grond alleen wat verpakkingsmaterialen.

Ik zag op de eerste etage twee zwarte kweektenten staan. Ik zag vanuit de kweektenten dat er afzuigslangen waren aangesloten aan een pijp op het dak. Ik zag dat in één van de kweektenten (hierna te noemen ruimte A) 91 hennepplanten stonden onder assimilatielampen. Ik zag dat aan ruimte A een ruimte was gekoppeld (hierna te noemen ruimte B). Ik zag in ruimte B op de grond delen van hennepplanten, een tafeltje met acht schaartjes met groene aanslag, enkele vuilniszakken met hennepbladeren, drie flessen met plantenvoeding en een krukje liggen. Ik zag in de tweede kweektent (hierna te noemen ruimte C) drie stellingen staan met schappen. Ik zag op vier schappen 360 hennepstekken staan onder TL-verlichting. Ik zag in ruimte C twee vuilniszakken staan met 612 hennepstekken.


Pagina 200
Vaststelling hennep

Ik constateerde op grond van mijn kennis en ervaring, opgedaan bij eerdere ontmantelingen van hennepkwekerijen, dat het hennepstekken waren. Ik constateerde, gezien de waargenomen uiterlijke kenmerken, kleur en vorm, en daarnaast de herkenbare geur, dat de aangetroffen planten hennepstekken betroffen.
Met hennep wordt bedoeld elk deel van de plant van het geslacht Cannabis (hennep), waaraan de hars niet is onttrokken, met uitzondering van de zaden. De bovenstaande hennep is vermeld op lijst II behorende bij de Opiumwet en verboden in artikel 3 en strafbaar gesteld in artikel 11 van de Opiumwet.
Stroomvoorziening
De stroomvoorziening van de hennepkwekerij is onderzocht door [betrokkene 8] , fraude-inspecteur bij de netwerkbeheerder Liander, in aanwezigheid van mij. Hierbij werd geconstateerd dat de stroomvoorziening ten behoeve van de hennepkwekerij illegaal werd afgenomen.


21. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor d.d. 16 december 2015 (als bijlage van het (stam)proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2015288431-223) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van medeverdachte [betrokkene 4] :


V = vraag verbalisant(en)

A = antwoord gehoorde

O = opmerking verbalisant(en)
Pagina 930

O: Uit het onderzoek zijn feiten en omstandigheden naar voren gekomen waaruit de verdenking is ontstaan van hennepteelt op de [e-straat 1] te [plaats] .

V: Wat kun je daarover verklaren?

A: Daar heb ik alleen water gegeven.
O: Je bent nu opnieuw aangehouden om daarover te worden gehoord. We willen weten hoe het nu zit en dat je ook gaat uitleggen hoe je erbij bent gekomen.

A: [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) ken ik al een tijdje. Hij heeft mij op een gegeven moment gevraagd om hem te helpen.
V: Hoe heet [verdachte] verder?

A: Ik ken hem alleen als [verdachte] . Ik hoorde tijdens mijn vorige aanhouding dat het over [verdachte] gaat. Hij woont ergens achter bij […] in [plaats] .

V: Wat heeft hij aan jou gevraagd?

Pagina 931
A: Of ik de plantjes water wilde geven.

V: Hoe wist je om wat voor plantjes het ging?

A: Hij vroeg gewoon aan me: ‘Kun je wietplantjes voor me water geven?’

V: Hoe kom je bij de [e-straat 1] te [plaats] ?

A: Ik heb gewoon de sleutel gekregen van degene die dat gehuurd heeft.

V: En wie is dat?

A: Die [verdachte] . Hij heeft me de sleutel gegeven en hij gaf me het adres.

V: En toen?

A: Toen ben ik water gaan geven aan die plantjes.

Pagina 932

V: Hoe zag het eruit toen jij de eerste keer op de [e-straat 1] te [plaats] kwam?

A: Toen zat die kwekerij er al. Er stond een tent boven. Het was een zwarte tent. Als je de rits open deed dan moest je daarna nog een rits opendoen. Daar stonden dan die plantjes.

V: Wat is de rol van [betrokkene 3] in die kwekerij?

A: Hij is de bouwer en legt alles aan.
V: Heeft hij dat alleen gedaan?

A: Nee, met [betrokkene 2] .

V: Hoe weet je dat [betrokkene 3] en [betrokkene 2] die kwekerij hebben aangelegd?

A: Dat zei die [betrokkene 3] .

V: Wie is die [betrokkene 3] ?

A: [betrokkene 3] .

V: Heb je [betrokkene 3] weleens gezien in de hennepkwekerij aan de [e-straat ] ?

A: Ja.

V: Wat deed hij daar toen?

A: De stroomkabel moest er nog op. Hij heeft de elektriciteit aangesloten.

Pagina 933
V: Wat was er afgesproken over de opbrengst van de stekken?

A: Dat weet ik niet. Ik hoefde alleen maar water te geven.

V: Wat was er met jou dan afgesproken?

A: Ik zou geld krijgen.

Pagina 934
V: Met wie maakte je daar afspraken over?

A: Ook [verdachte] .


22. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor d.d. 6 januari 2016 (als bijlage van het (stam)proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2015288431-242) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van medeverdachte [betrokkene 2] :


V = vraag verbalisant(en)

A = antwoord gehoorde

O = opmerking verbalisant(en)


Pagina 884
[e-straat 1] te [plaats]

O: Je hebt verklaard dat je niet betrokken bent bij de hennepstekkenkwekerij die werd aangetroffen op de [e-straat 1] te [plaats] op 26 juni 2015. Je hebt eerder in een verklaring aangegeven dat je er wel wat hebt gedaan.

V: Wat kun je daarover verklaren?

A: Ik ben er een paar keer geweest. Volgens mij was dat met [betrokkene 9] en volgens mij ook nog een keer met [betrokkene 3] . Ik ben daar ook een keer geweest om wat spullen aan te geven. Ik heb ook een keer geprobeerd om daar te stekken.

V: Heb je nog meer gedaan dan helpen met de bouw en één keer met de stekken?

A: Nee.

V: Wat heeft [betrokkene 5] met die kwekerij te maken?

A: Wat ik van horen zeggen heb is dat [betrokkene 5] de huurder was.

23. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor d.d. 8 januari 2016 (als bijlage van het (stam)proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2015288431-248) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van medeverdachte [betrokkene 3] :


V = vraag verbalisant(en)

A = antwoord gehoorde

O = opmerking verbalisant(en)

Pagina 784
[e-straat 1] [plaats]
O: Je hebt al meerdere keren verklaard over de hennepkwekerij die is aangetroffen op 26 juni 2015 op de [e-straat 1] te [plaats] . Je hebt daarbij samengevat verklaard dat [verdachte] het pand heeft bezichtigd en dat hij tegen jou heeft gezegd dat het pand goed was om daar te kweken. Vervolgens werd de huur door [betrokkene 5] afgesloten en heb jij samen met [betrokkene 9] en [betrokkene 4] de kwekerij gebouwd. Jij hebt daar ook de elektra aangesloten.

V: Klopt dit?

A: Ja.

A: Ik heb toen een schakelbordje en een afzuigertje opgehangen en toen was ik er wel klaar.

Pagina 785

O: [betrokkene 5] verklaart dat jij hem hebt voorgesteld om de huur van een pand op naam van [C] te laten zetten en dat jij hem toen het pand aan de [e-straat ] hebt aangedragen en dat jij [betrokkene 5] hebt aangestuurd over hoeveel huur moest worden betaald.

V: Wat kun je daarover verklaren?

A: Vanaf het begin in januari 2015 was er al contact tussen [verdachte] en [betrokkene 5] . [verdachte] zei tegen mij dat we dat pand aan de [e-straat ] moesten nemen in [plaats] . Ik heb dat toen doorgegeven aan [betrokkene 5] en ik heb doorgegeven hoeveel huur hij moest betalen. Dat kreeg ik weer door van [verdachte] .

O: Er is een factuur aangetroffen in je woning van ‘ [D] ’ te [plaats] .

V: Ken je dat?

A: Ja, dat is een growshop waar ik altijd mijn spullen haalde.

V: Hoe lang kom je daar al?

A: Een jaar of twee.

O: De aangetroffen factuur heeft een factuurdatum van 28 april 2015 voor de aanschaf van verschillende goederen.
V: Wat kun je daarover verklaren?

A: Dat heb ik gehaald en dat is naar de [e-straat ] gegaan.”

52. De steller van het middel klaagt in het bijzonder over de verwerping van het door de verdediging ter terechtzitting van 25 januari 2019 gevoerde verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dan wel tot uitsluiting van de resultaten van het onderzoek door verbalisant [verbalisant 1] van het bewijs. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 25 januari 2019 blijkt dat de raadsman van de verdachte in dit verband overeenkomstig zijn overgelegde pleitnota het volgende heeft aangevoerd:

“BETREDEN BESLOTEN PLAATS [e-straat ] EN VERRICHTEN ONDERZOEKSHANDELINGEN

In het p-v van bevindingen van [verbalisant 1] vermeldt hij op 18 juni 2015 dat hij besloten plaats heeft betreden zonder bevel van de OvJ. Het betreft hier het erf en het dak van het perceel aan de [e-straat 1] te [plaats] . Verbalisant [verbalisant 1] betreedt het perceel en plaatst een ladder om op het platte dak van het perceel te komen. Vervolgens maakt hij gebruik van een warmtecamera teneinde een pijp op het dak te gaan onderzoeken. Hij voelt aan de pijp en constateert dat de lucht uit deze pijp 'naar hennep rook'. Daarvoor moest verbalisant [verbalisant 1] eerst de besloten plaats betreden.
Volgens de Memorie van toelichting op het wetsvoorstel Wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de regeling van enige bijzondere bevoegdheden tot opsporing (Tweede Kamer 1996-1997 nummer 25403, nummer 3 ), volgt dat onder een besloten plaats niet zijnde een woning dient te worden verstaan 'een niet voor iedereen toegankelijke plaats zoals een erf of een loods'. Hierbij dient nog vermeld te worden dat de handelingen van [verbalisant 1] verder gaan dan 'zoekend rondkijken'. Hij betreedt immers de plaats d.m.v. een trap, gaat naar het dak en gaat daar staan ruiken en voelen aan een pijp. Dit zijn onderzoekshandelingen. Dit optreden dient te worden aangemerkt als een onrechtmatige doorzoeking. Het gevolg daarvan is geweest het aantreffen van een kwekerij en op grond van dit handelen, dient ten minste bewijsuitsluiting te volgen van de resultaten van het onderzoek op de [e-straat 1] . In het vonnis in eerste aanleg wordt gesteld dat gelet op het bepaalde in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet en artikel 3 van de Politiewet, niet valt in te zien waarom [verbalisant 1] het perceel [e-straat 1] in [plaats] niet mocht betreden.


Artikel 9 Opiumwet en art. 3 politiewet is niet voldoende. Er is geen redelijk vermoeden op het moment van betreden en onderzoeken. Er is op dat moment één tip. Dat geeft niet de bevoegdheid tot doorzoeking, Het geeft niet de bevoegdheid tot een gericht onderzoek zoals wel verricht door [verbalisant 1] . Dat onderzoek dient zoals gezegd te worden aangemerkt als een onrechtmatige doorzoeking. Het redelijk vermoeden ontstaat pas na beklimmen en onderzoek van en aan het pand. Nu het hele onderzoek […] een vrucht is van dit vormverzuim moet dit leiden tot niet ontvankelijk verklaren van het OM. Bewijsuitsluiting.”

53. Het bestreden arrest houdt ten aanzien van dit door de verdediging gevoerde verweer het volgende in:

“De raadsman heeft aangevoerd - kort samengevat en zakelijk weergegeven - dat een opsporingsambtenaar op 18 juni 2015 het perceel [e-straat 1] te [plaats] heeft betreden doordat hij met behulp van een ladder het dak is opgeklommen en daar onderzoek heeft gedaan door aan de mond van een ventilatiepijp te ruiken. Volgens de raadsman had de opsporingsambtenaar niet de bevoegdheid tot het doen van dergelijk gericht onderzoek aangezien er op dat moment nog geen sprake was van enig redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit. Het onderzoek aan de ventilatiepijp dient derhalve aangemerkt te worden als een onrechtmatige doorzoeking en als onherstelbaar vormverzuim. Aangezien het gehele onderzoek ‘ […] ’ een vrucht is van dit vormverzuim moet dit leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en tot bewijsuitsluiting, aldus de raadsman.


Het hof is, met de rechtbank, van oordeel dat, gelet op de uit het dossier naar voren komende redenen om daar een onderzoek in te stellen en gelet op het bepaalde in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet en artikel 3 van de Politiewet, niet valt in te zien waarom de opsporingsambtenaar het perceel [e-straat 1] in [plaats] niet mocht betreden of op het dak van de daar gelegen bedrijfshal geen waarnemingen mocht doen bij de mond van een ventilatiepijp. Er bestaat dus ook ten aanzien van dit punt geen grond voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging dan wel voor bewijsuitsluiting.”

54. Art. 9, eerste lid aanhef en onder b, van de Opiumwet houdt in:

1. De opsporingsambtenaren hebben, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is, toegang:
(…)

b. tot de plaatsen, waar een overtreding van deze wet gepleegd wordt of waar redelijkerwijze vermoed kan worden, dat zodanige overtreding gepleegd wordt.

Art. 3 van de Politiewet houdt in:

De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven.

55. De steller van het middel betoogt dat op het moment van het betreden van het perceel [e-straat 1] te [plaats] er geen enkele aanwijzing was voor betrokkenheid van een van de verdachten bij het pand.

56. Het volgende kan worden vooropgesteld. Het oordeel of sprake is van een verdenking van een overtreding van de Opiumwet en of deze verdenking toereikend is voor de toepassing van art. 9, eerste lid aanhef en onder b, Opiumwet, is in belangrijke mate afhankelijk van een aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval. Het oordeel van de feitenrechter kan in cassatie daarom slechts in beperkte mate worden getoetst.17 Het gaat bij art. 9, eerste lid aanhef en onder b, Opiumwet niet om een ‘redelijk vermoeden van schuld’ van een persoon, maar of ‘redelijkerwijs vermoed kan worden’ dat op de desbetreffende plaats een overtreding van de Opiumwet is begaan.18

57. In de bestreden uitspraak ligt als het oordeel van het hof besloten dat het perceel [e-straat 1] in [plaats] kon worden aangemerkt als een plaats waar redelijkerwijs vermoed kon worden dat een overtreding van de Opiumwet plaatsvond.

58. Voor zover het middel steunt op de veronderstelling dat daarnaast als voorwaarde geldt dat aanwijzingen moeten bestaan “dat een van de betrokkenen in verband staat met het pand” faalt het omdat het daarmee een eis stelt die het recht niet kent.

59. Ook overigens kan het middel nergens toe leiden. Ik volsta in dit verband met de constatering dat de verdediging heeft verzuimd duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de in art. 359a, tweede lid, Sv genoemde factoren aan te geven waarom het verzuim dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dan wel tot bewijsuitsluiting. De schriftuur bevat daarvoor evenmin een aanknopingspunt. In dit verband verdient opmerking dat het belang van de verdachte dat het gepleegde feit niet wordt ontdekt niet kan worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang. Een eventuele schending van dit belang als gevolg van een vormverzuim levert dus niet een nadeel op als bedoeld in art. 359a, tweede lid, Sv.19

60. Het middel faalt.

61. Het vijfde middel behelst de klacht dat de inzendtermijn in cassatie is geschonden.

62. Namens de uit hoofde van de onderhavige zaak gedetineerde verdachte is op 11 maart 2019 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 22 mei 2020 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van zes maanden is overschreden. Dit dient te leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf.

63. Het middel is terecht voorgesteld.

64. Ambtshalve merk ik op dat namens de verdachte cassatie is ingesteld op 11 maart 2019. Ook in dat opzicht is de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM overschreden.20

Slotsom

65. Het eerste, tweede, derde en vierde middel falen. In elk geval het tweede, derde en vierde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Het vijfde middel slaagt.

66. Ambtshalve heb ik geen andere gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

67. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat de duur van de opgelegde gevangenisstraf betreft, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie in dit verband HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1702, NJ 2007/626, m.nt. Mevis en HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt. Borgers.

2 Zie EHRM 19 januari 2021, nr. 2205/16 (Keskin tegen Nederland), par. 40.

3 HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, NJ 2021/173, m.nt. Reijntjes, rov. 2.9.2 en rov. 2.9.5.

4 B. de Wilde, Stille getuigen, Het recht belastende getuigen in strafzaken te ondervragen (artikel 6 lid 3 sub d EVRM) (diss. VU), Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 46-47.

5 Zie ook Y. Buruma, ‘De rechtmatigheidsgetuige’, DD 2000, afl. 9, p. 859-874.

6 HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, NJ 2021/173, m.nt. Reijntjes, rov. 2.9.2.

7 Zie o.a. EHRM 19 januari 2021, nr. 2205/16 (Keskin tegen Nederland), par 40.

8 Vgl. in dit verband ook EHRM 10 december 2009, appl.nr. 18002/02 (Gorgievski tegen de voormalige republiek Macedonië), par. 47.

9 HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt. Borgers.

10 HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021/169, m.nt. Jörg.

11 Zie o.a. HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015, NJ 2017/440, m.nt. Kooijmans.

12 Zie onder meer HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt. Borgers; HR 4 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2246 en HR 3 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1880, NJ 2020/28.

13 Zie HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt. Borgers en HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015, NJ 2017/440, m.nt. Kooijmans.

14 HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021/169, m.nt. Jörg.

15 Zie HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021/169, m.nt. Jörg.

16 Vgl. HR 16 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ2481, NJ 2007/67 en HR 22 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9954, NJ 2008/265.

17 Vgl. HR 5 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3201.

18 Zie ook T. Blom in Tekst en Commentaar Strafrecht, commentaar op art. 9 Opiumwet (online bijgewerkt tot 1 februari 2021).

19 Vgl. o.a. HR 4 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM6673, NJ 2012/145, m.nt. Borgers; HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7438, NJ 2013/175, m.nt. Bleichrodt; HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321, NJ 2013/308, m.nt. Keulen; HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:36, NJ 2014/105, m.nt. Borgers en HR 25 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:746, NJ 2021/213.

20 HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. Mevis.