Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:663

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-06-2021
Datum publicatie
29-06-2021
Zaaknummer
19/05316
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1403
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Ontucht met minderjarigen. Het tweede middel betreft een door het hof in het kader van een voorwaardelijk strafdeel gestelde bijzondere voorwaarde: toestemming verlenen tot het inwinnen van inlichtingen bij relevante referenten. Nu de voorwaarde onvoldoende beperkt en bepaald is, is dit in strijd met art. 14c, tweede lid onder 14, Sr. Verhouding tussen deze bepaling en de bijzondere voorwaarden van rechtswege in het kader van het toezicht (art. 14c, derde lid onder b, Sr). De Hoge Raad kan volstaan met vernietiging van de bijzondere voorwaarde (en bepalen dat deze voorwaarde komt te vervallen). Voor zover vervangende hechtenis bij het opleggen van de schadegoedingsmaatregelen is toegepast (derde middel) kan de Hoge Raad bepalen dat in plaats daarvan gijzeling van gelijke duur zal worden toegepast. Het beroep kan naar het oordeel van de AG (ook) voor het overige (bewijsmotiveringsklacht in middel 1) worden verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/05316

Zitting 29 juni 2021(bij vervroeging)

CONCLUSIE

P.C. Vegter

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1949,

hierna: de verdachte.

1. De verdachte is bij arrest van 12 november 2019 door het Gerechtshof Den Haag vrijgesproken van het bij dagvaarding II primair tenlastegelegde en wegens het bij dagvaarding I en dagvaarding II subsidiair: “met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot 360 dagen gevangenisstraf, waarvan 333 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaren. Er zijn bijzondere voorwaarden verbonden aan het voorwaardelijke gedeelte van de gevangenisstraf, zoals nader opgenomen in het arrest, die dadelijk uitvoerbaar zijn verklaard. Voorts heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, waarbij de vervangende hechtenis is bepaald op telkens 25 dagen.

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mrs. R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, hebben drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt over de verwerping van het verweer inzake de betrouwbaarheid van tot het bewijs gebezigde verklaringen.

4. Ten laste van de verdachte is bij dagvaarding I en II bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 1 januari 2016 tot en met 18 januari 2017 te [plaats] meermalen telkens met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum] 2006) en/of [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum] 2006), buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, namelijk het

- betasten van en/of strelen over en/of knijpen in de borsten van die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2]

- wrijven over de vagina van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ”

“hij in de periode van 1 september 2015 tot en met 12 maart 2017 te [plaats] met iemand beneden de leeftijd, van zestien jaren, te weten [slachtoffer 3] (geboren op [geboortedatum] 2007), buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, namelijk het meermalen

- wrijven over de vagina van die [slachtoffer 3] en

- laten betasten van zijn, verdachtes, penis door die [slachtoffer 3] .”

5. Deze bewezenverklaringen steunen op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een proces-verbaal van studioverhoor [slachtoffer 2] d.d. 7 maart 2017 van de politie, Team Zeden (RT) met nr. 2017021556. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 45 van zaaksdossier zaak [slachtoffer 2] ): als relaas van opsporingsambtenaar [verbalisant] :

Op 21 februari 2017 werd gehoord:

Naam: [slachtoffer 2]

Voornamen: [slachtoffer 2]

Geboortedatum: [geboortedatum] 2006

Dit verhoor werd audiovisueel geregistreerd. De registratie werd verbatim uitgewerkt. Het verbatim uitgewerkte stuk zal als bijlage bij dit proces-verbaal worden gevoegd.

2. Een geschrift, zijnde het verbatim uitgewerkte verhoor van [slachtoffer 2] , als bijlage gevoegd bij het hiervoor onder 1 vermelde proces-verbaal, inhoudende - zakelijk weergegeven - (blz. 47 e.v. van zaaksdossier zaak [slachtoffer 2] ): als de op 21 februari 2017 afgelegde verklaring van [slachtoffer 2] :

Verhoorder: Wat kom je vertellen vandaag?

[slachtoffer 2] : Over een man die woont bij de speeltuin. Vroeger ging ik daar altijd snoep halen, want hij biedt kinderen snoep aan. [slachtoffer 1] en ik gingen naar binnen. Het snoep zit in een soort kast. Ik mocht wat snoep pakken. Ik pakte dat en hij sloeg zijn arm een beetje achter mij om me heen en hij wilde aan mijn tieten zitten. Hij wilde ook een keer aan mijn plasmuis zitten.

Verhoorder: Een keer mocht jij snoep pakken en toen ging hij aan je tieten zitten?

[slachtoffer 2] : Ja.

Verhoorder: En je zegt: hij heeft aan mijn plasmuis gezeten. Vertel daar eens alles over.

[slachtoffer 2] : Ik kwam binnen en het snoep zit in een soort kast. Ik stond zo met mijn handen en hij deed zijn armen om mijn zij.

Verhoorder: Toen deed hij zijn handen bij je zij, en toen?

[slachtoffer 2] : Toen deed zijn hand eerst mijn shirt een beetje omhoog en toen deed die zijn hand in mijn broek en onderbroek.

Verhoorder: Hoe heet die man?

[slachtoffer 2] : [verdachte] .

Verhoorder: Jij zegt dat hij twee keer aan jou heeft gezeten.

[slachtoffer 2] : Ja.

Verhoorder: Wat deed hij de tweede keer? Wat deed hij de eerste keer?

[slachtoffer 2] : Hij zat aan mijn tieten. En de tweede keer aan mijn plasmuis.

Verhoorder: Waar was jij toen hij aan jouw tieten zat?

[slachtoffer 2] : In zijn huis. Volgens mij ergens in de gang, want hij heeft daar een soort snoepkast.

Verhoorder: Wanneer, was het dat het gebeurde, dat hij aan jouw tieten zat?

[slachtoffer 2] : Vorig jaar. 2016. Rond maart.

Verhoorder : En je zegt: een keer aan mijn plasmuis. Wat is een plasmuis?

[slachtoffer 2] : Dat is wat er beneden tussen je benen zit. Hierzo [wijst haar vagina aan].

Verhoorder : Wat kun je met je plasmuis?

[slachtoffer 2] : Plassen.

Verhoorder: Waar was jij toen hij aan jouw plasmuis zat?

[slachtoffer 2] : Dezelfde plek als toen hij aan mijn tieten zat. In de gang.

Verhoorder: Wanneer was dat dat hij aan jouw plasmuis zat?

[slachtoffer 2] : Ook rond maart. Toen hij aan mijn tieten zat, toen een paar dagen later gebeurde dit.

Verhoorder: Vertel me alles over die keer dat hij aan jouw plasmuis zat.

[slachtoffer 2] : Ik kwam binnen. Ik voelde me veiliger omdat [slachtoffer 1] erbij was. Ik pakte wat snoep. Toen begon hij zijn armen om mijn zij heen te slaan, ging hij mijn broek en onderbroek in en zat hij aan mijn plasmuis. Ik had mijn armen omhoog en ik pakte wat snoep. En hij stond achter mij en hield zijn armen om mijn zij heen en zat toen aan mijn plasmuis.

Verhoorder: Dus jij mocht snoep pakken uit de kast?

[slachtoffer 2] : Ja.

Verhoorder: Dus je had je armen omhoog?

[slachtoffer 2] : Ja. Toen deed hij zijn armen om mij heen en, zat hij aan mijn plasmuis.

Verhoorder: En jij had je armen uitgestrekt?

[slachtoffer 2] : [doet voor: strekt haar armen omhoog en naar voren].

Verhoorder: Waar was hij toen je bij de kast stond?

[slachtoffer 2] : Achter me. Hij stond. Ik stond ook.

Verhoorder: Hij zat aan jouw plasmuis?

[slachtoffer 2] : Ja.

Verhoorder: Wat voelde je bij je plasmuis?

[slachtoffer 2] : Een vinger.

Verhoorder: En waar waren zijn vingers bij jouw plasmuis?

[slachtoffer 2] : Nog een beetje in het begin. Beetje hier [wijst haar vagina aan]

Verhoorder: Was het op je blote plasmuis of over je onderbroek? Of over je broek?

[slachtoffer 2] : Blote.

Verhoorder: Vertel eens alles over die keer dat hij aan jouw tieten zat.

[slachtoffer 2] : [slachtoffer 1] en ik stonden bij de kast. Hij zat aan mijn tieten. Ik stond weer zo [doet voor, armen omhoog en naar voren] en toen deed hij zijn armen om me heen, maar dan boven en hij zat aan mijn tieten. Ik voelde hem erin knijpen.

Verhoorder: Waarmee kneep hij?

[slachtoffer 2] : Gewoon met zijn handen.

Verhoorder: Want jij stond daar?

[slachtoffer 2] : Ik stond. [verdachte] stond ook.

Verhoorder: Vertel me eens alles over die kelder. Hoe vaak ben je in die kelder geweest?

[slachtoffer 2] : Eén keer.

Verhoorder: Waar was die kelder?

[slachtoffer 2] : In [verdachte] zijn huis. Bij de kast waar het snoep in lag, kon je zo de trap naar beneden komen. [slachtoffer 1] en ik stonden hier, omdat we dachten dat er snoep lag.

[slachtoffer 2] : Ik was er een keer bij toen hij aan [slachtoffer 1] heeft gezeten. Toen zat hij ook aan haar tieten. Dat zag ik.

Verhoorder: Met wie ging jij naar [verdachte] toe?

[slachtoffer 2] : Met [slachtoffer 1] .

Verhoorder: Ben je ook wel eens alleen geweest?

[slachtoffer 2] : Nee.

3. Een proces-verbaal van studioverhoor [slachtoffer 1] d.d. 7 maart 2017 van de politie, Team Zeden (RT) met nr. 2017022333. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 31 e.v. van zaaksdossier zaak [slachtoffer 1] ): als relaas van opsporingsambtenaar [verbalisant] :

Op 21 februari 2017 werd gehoord:

Naam: [slachtoffer 1]

Voornamen: [slachtoffer 1]

Geboortedatum: [geboortedatum] 2006

Dit verhoor werd audiovisueel geregistreerd. De registratie werd verbatim uitgewerkt. Het verbatim uitgewerkte stuk zal als bijlage bij dit proces-verbaal worden gevoegd.

4. Een geschrift, zijnde het verbatim uitgewerkte verhoor van [slachtoffer 1] , als bijlage gevoegd bij het hiervoor onder 3 vermelde proces-verbaal, inhoudende - zakelijk weergegeven - (blz. 33 e.v. van zaaksdossier zaak [slachtoffer 1] ): als de op 21 februari 2017 afgelegde verklaring van [slachtoffer 1] :

[slachtoffer 1] : Mijn vriendin [slachtoffer 2] zei tegen mij dat ze iemand kende die snoep gaf. Dus ik dacht ik ga wel met haar mee. In het begin was die man aardig, maar daarna ging hij aan ons zitten. Hij ging op rare plekken zitten.

Verbalisant: Waar was jij toen hij op rare plekken zat?

[slachtoffer 1] : Toen waren we binnen. Hij heeft een trap naar beneden. Bij die trap is de kelder en daar is een snoepkast. Ik had mijn stuiterbal naar beneden laten vallen en die wilde ik weer pakken. [slachtoffer 2] liep mee. Hij liep ook mee.

Verbalisant: En wanneer is het gebeurd dat hij op rare plekken zat?

[slachtoffer 1] : ik denk voor de kerst.

Verbalisant: Welk jaar was het toen?

[slachtoffer 1] : 2016.

Verbalisant: We gaan het hebben over die keer dat hij aan rare plekken zat bij de kelder. Wat zijn rare plekken?

[slachtoffer 1] : Privéplekken.

Verbalisant: Over welke plekken heb je het dan?

[slachtoffer 1] : Waar je mee plast. En dit hier zo (wijst naar haar borst).

Verbalisant: Hoe heet dat waar je mee plast?

[slachtoffer 1] : Spleetje.

Verbalisant: En je wees hier naar, hoe noem je dat?

[slachtoffer 1] : Tieten.

Verbalisant: Vertel eens alles over hoe hij bij jouw spleetje zat.

[slachtoffer 1] : Hij hing een beetje met zijn armen over onze schouders. Daarna ging hij aan die plek zitten. Hij stond dicht bij mij. Erachter of ernaast.

Verbalisant: Hoe deed hij dat dan?

[slachtoffer 1] : Hij deed zijn armen over mijn schouders en dan hing hij met zijn armen over mijn schouders heen en dan ging hij opeens aan me zitten.

Verbalisant: Waarmee zat hij dan bij jouw spleetje?

[slachtoffer 1] : Met zijn handen.

Verbalisant: Was het met een hand? Was dat met twee handen?

[slachtoffer 1] : Eén.

Verbalisant: Deed zijn hand nog wat bij jouw spleetje?

[slachtoffer 1] : Ja, hij bewoog zijn hand en ging eraan zitten.

Verbalisant : Waar zat zijn hand precies in je broek?

[slachtoffer 1] : Een keer ook in mijn onderbroek.

Verbalisant: Die keer in de kelder zat hij aan jouw speetje, in jouw onderbroek. Heeft hij verder nog ergens aan gezeten die keer?

[slachtoffer 1] : Bij dit gedeelte wilde hij ook.

Verbalisant: Hoe noemde je dat ook alweer?

[slachtoffer 1] : Tieten.

Verbalisant: Hoe zat hij aan jouw tieten? Zat hij aan je boven je kleren? Onder je kleren, een beetje onder je kleren of anders?

[slachtoffer 1] : Bij mijn spleetje zat hij wel onder mijn kleren, maar bij mijn tieten eerst boven, daarna probeerde hij wel onder.

Verbalisant: Hoe ging dat?

[slachtoffer 1] : Hij deed zijn hand gewoon in mijn shirt.

Verbalisant: Waar deed hij zijn hand onder je shirt?

[slachtoffer 1] : Onder mijn shirt. Hij deed gewoon zijn hand erin.

Verbalisant: Hoe was je houding toen hij aan je spleetje zat?

[slachtoffer 1] : Ik stond gewoon normaal.

Verbalisant: Dus jij stond, en die man?

[slachtoffer 1] : Hij stond.

Verbalisant: Begreep ik goed dat hij achter je stond?

[slachtoffer 1] : Ja.

Verbalisant: Wat voelde je toen hij met zijn hand bij jouw spleetje zat?

[slachtoffer 1] : Ik voelde gewoon dat hij mijn spleetje aanraakte. Ik voelde dat hij een soort van heen en weer ging bewegen met twee vingers.

Verbalisant: Oké, en waar bij jouw spleetje?

[slachtoffer 1] : In het midden denk ik.

Verbalisant: Hoe vaak heeft hij dat gedaan? Op jouw spleetje gewreven?

[slachtoffer 1] : 4 of 5 keer heen en weer denk ik.

Verbalisant: Op hoeveel momenten heeft hij aan jouw blote spleetje gezeten?

[slachtoffer 1] : Die keer bij die kelder.

Verbalisant: Die keer bij de kelder, en verder?

[slachtoffer 1] : één keer, maar toen zat hij niet in mijn broek.

Verbalisant: Was dat voor of na die keer dat jullie bij de kelder waren?

[slachtoffer 1] : Voor.

Verbalisant: Waar was je toen?

[slachtoffer 1] : In de gang. Bij hem thuis.

Verbalisant: Waar was jij in die gang toen hij aan jouw plasser zat?

[slachtoffer 1] : Een beetje hier denk ik. Of bij de snoepkast.

Verbalisant: Waar stond hij toen hij aan jouw plasser zat?

[slachtoffer 1] : Achter mij denk ik.

Verbalisant: Waarmee raakte hij je aan bij je spleetje?

[slachtoffer 1] : Hand.

Verbalisant: En wat deed hij dan met zijn hand bij jouw spleetje?

[slachtoffer 1] : Hij raakte het aan. Hij kwam met zijn vingers net tegen mijn spleetje aan.

Verbalisant: Wat heb jij gezien wat [verdachte] deed bij [slachtoffer 2] ?

[slachtoffer 1] : Dat [verdachte] ook aan [slachtoffer 2] zat.

Verbalisant: Waar zat hij bij [slachtoffer 2] aan?

[slachtoffer 1] : Ook bij haar spleetje. En haar tieten.

Verbalisant: En was dat op haar kleren? Onder haar kleren of anders?

[slachtoffer 1] : Onder. Ik zag wel dat hij zijn hand in haar broek had.

5. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 oktober 2017 van de politie Eenheid Rotterdam, met nr. PL1700-2017276925-5. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 28 e.v. van zaaksdossier [slachtoffer 3] ): als relaas van opsporingsambtenaar [verbalisant] :

Op 10 oktober 2017 vond het studioverhoor plaats van [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum] 2007.

6. Een proces-verbaal verbatim uitwerking studioverhoor [slachtoffer 3] d.d. 13 november 2017 van de politie, Team Zeden (RT) met nr. 201727 6-925. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 58 van zaaksdossier zaak [slachtoffer 3] ): als de op 10 oktober 2017 afgelegde verklaring van [slachtoffer 3] :

Verhoorder: Jij bent gekomen om mij iets te vertellen vandaag. Wat is dat?

[slachtoffer 3] : Dat mijn overbuurman mij een soort van mishandeld heeft. Eigenlijk ging ik daar vaak naar toe om snoep te halen. Dan ging ik altijd naar binnen. Als ik daar dan eenmaal binnen was en ik ging daar snoep uitzoeken, ging hij in een keer heel raar doen tegen mij.

Verhoorder: Ging hij heel raar doen tegen jou?

[slachtoffer 3] : Ja.

[slachtoffer 3] schrijft wat op een blaadje en geeft dat aan de verhoorder.

Verhoorder: Ik ga het voorlezen: dan ging hij in mijn broek en dan ging die het doen.

Verhoorder: Hoe heet die overbuurman?

[slachtoffer 3] : [verdachte] .

Verhoorder: En de straat?

[slachtoffer 3] : [a-straat] .

Verhoorder: Waar was het dat hij in jouw broek ging en dat hij het ging doen?

[slachtoffer 3] : In zijn huis.

Verhoorder: Waar was het in zijn huis dat hij in jouw broek het ging doen?

[slachtoffer 3] : Hij deed het elke keer bij die kast. Er staat een kast in de gang en dan heeft hij hier ook nog een kelder.

Verhoorder: En wat is er in die kast?

[slachtoffer 3] : Daar staat het snoep vaak. Als ik gewoon bij de kast stond en een snoepje wilde uitkiezen, dan ging hij achter mij staan. Dan zei ik van: die wil ik en die wil ik. En als ik dat dan aanwees, dan deed hij dat.

Verhoorder: Want nu zit jij in welke groep?

[slachtoffer 3] : 6.

Verhoorder: Wanneer was de eerste keer dat het gebeurde?

[slachtoffer 3] : Volgens mij in groep 3, toen ik 7 was.

Verhoorder: Dus dat [verdachte] de eerste keer dit deed in jouw broek, dat was in groep?

[slachtoffer 3] : 3.

Verhoorder: En hoeveel jaar was je toen?

[slachtoffer 3] : Zeven, acht.

Verhoorder: Je bent nu?

[slachtoffer 3] : Tien.

Verhoorder: Toen jij in groep 3 zat, hoeveel keer is het daarna nog gebeurd totdat het stopte?

[slachtoffer 3] : Na begin groep 5 toen deed hij het nog, maar toen midden groep 5 deed hij het niet meer.

Verhoorder: Hoeveel keer is het dan gebeurd dat [verdachte] met zijn hand dat bij jou deed in je broek?

[slachtoffer 3] : Twee keer per week kwam ik wel bij hem langs. Hij deed het één keer per week.

Verhoorder: Met wat ging hij in jouw broek?

[slachtoffer 3] : Met zijn hand.

Verhoorder: Hoe ging dat dan precies?

[slachtoffer 3] : Hij ging dan achter mij staan.

Verhoorder: En dan ging hij met zijn hand in jouw broek?

[slachtoffer 3] : Ja.

Verhoorder: Aan welke kant van jouw broek?

[slachtoffer 3] : De voorkant.

Verhoorder: Wat deed hij dan met die handen?

[slachtoffer 3] : Voelen.

Verhoorder: Waar voelt hij dan aan?

[slachtoffer 3] : [Onverstaanbaar].

Verhoorder: Je plasser. Dus hij ging met zijn hand voelen aan jouw plasser?

[slachtoffer 3] : Ja.

Verhoorder: Hoe voelde dat?

[slachtoffer 3] : Wrijven eigenlijk een beetje.

Verhoorder: Hoe ging die hand dan als hij achter jou stond?

[slachtoffer 3] : Hij ging gewoon zo om mij heen [doet voor: haar beide handen voor haar lichaam voor haar vagina].

Verhoorder: Om jou heen.

[slachtoffer 3] : Ja.

Verhoorder: Hoe was het met jouw handen?

[slachtoffer 3] : Ik zat gewoon zo snoepjes te pakken [doet voor: heeft haar beide handen voor haar].

Verhoorder: Wat heb jij aan onder je gewone broek?

[slachtoffer 3] : Een onderbroek.

Verhoorder: Hoe kon hij bij jouw plasser komen?

[slachtoffer 3] : Om in m'n onderbroek te gaan. Hij ging eigenlijk in mijn onderbroek.

Verhoorder: Je vertelde dat [verdachte] aan jouw plasser zat. Waar was dat precies bij jouw plasser?

[slachtoffer 3] : Eigenlijk daar, [wijst haar vagina aan]. Hij zat er eigenlijk echt op.

7. Een proces-verbaal verbatim uitwerking 2e studioverhoor [slachtoffer 3] d.d. 19 januari 2018 van de politie, Team Zeden (RT) met nr. 20172769.25. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 103 e.v. van zaaksdossier zaak [slachtoffer 3] ): als de op 3 januari 2018 afgelegde verklaring van [slachtoffer 3] :

Verhoorder: [slachtoffer 3] , jij kwam mij iets vertellen, vandaag. Iets over de buurman.

[slachtoffer 3] : Hij heeft me eigenlijk gedwongen om aan een lichaamsdeel te zitten.

Verhoorder: Aan wiens lichaamsdeel?

[slachtoffer 3] : Aan zijn lichaamsdeel. Ik noem het een pielewiep. Heeft hij mij gedwongen om aan te zitten. Volgens mij is het twee keer gebeurd.

Verhoorder: Heeft die tegenover buurman een naam?

[slachtoffer 3] : [verdachte] .

Verhoorder : Jij zegt dat hij heeft gedwongen om aan zijn lichaamsdeel te zitten.

[slachtoffer 3] : Ja, want hij had mijn arm vast en deed hem naar achter.

Verhoorder : Hoe noemt mama een pielewiep?

[slachtoffer 3] : Piemel.

Verhoorder: Wanneer was het dat gebeurde dat hij jou ging dwingen om aan zijn pielewiep te zitten?

[slachtoffer 3] : Als ik daar was en ik snoepjes uit de kast ging kiezen.

Verhoorder: In welke groep zat jij toen dat gebeurde met die pielewiep?

[slachtoffer 3] : Groep 4.

Verhoorder: En als dat gebeurde met dat dwingen van jou aan die pielewiep, waar was dat dan?

[slachtoffer 3] : Je had hier de kast. En dan stond hij achter mij.

Verhoorder: Van wie is dan die kast?

[slachtoffer 3] : Daar stonden allemaal snoepjes. En hier had je dan zijn kelder, dus dat ging naar beneden.

Verhoorder: Waar was je dan bij die kast?

[slachtoffer 3] : In [verdachte] 's huis.

Verhoorder: Hoe kwam die hand van jou in die broek?

[slachtoffer 3] : Mijn hand ging altijd zo naar achter [doet voor, doet haar rechterarm op haar rug].

Verhoorder: En als we het hebben over dwingen en zitten aan de pielewiep, dan gebeurde het waar?

[slachtoffer 3] : [wijst naar tekening]

Verhoorder: Bij die kast. En daar stonden die snoepjes.

Verhoorder: En wat doet de buurman? Want die staat dan achter jou.

[slachtoffer 3] : Die pakte me als eerste altijd zo vast [doet voor: doet haar handen op elkaar op haar vagina]. Dan pakte hij mijn hand vast en deed hij hem weer haar achter.

Verhoorder: En waar ging die arm dan naartoe?

[slachtoffer 3] : Omlaag. Ik keek een keer naar achteren en ik zag dat mijn hand in die broek zat.

Verhoorder: Was die broek open? Of was die gewoon aan?

[slachtoffer 3] : Aan. Die gulp stond open.

Verhoorder: Maar toen jij zag dat die broek open was, waar was jouw hand toen precies?

[slachtoffer 3] : In die broek. Hij had mijn hand vast en beweegde die eigenlijk op en neer. Ik voelde zijn vel.

Verhoorder: Zijn vel van zijn?

[slachtoffer 3] : Pielewiep.

Verhoorder: En hoe voelde dat vel?

[slachtoffer 3] : Behaard en op sommige delen glad.

Verhoorder: En dat is hoeveel keertjes dat het gebeurde?

[slachtoffer 3] : Twee keer.

Verhoorder: Hoe komt het dat je zegt dat hij jouw gedwongen heeft?

[slachtoffer 3] : Hij trekt gewoon je arm naar achteren. En één keer, de eerste keer, dat ik echt krak hoorde in mijn arm, dat het echt pijn ging doen. Toen heb ik wel echt een paar dagen flinke spierpijn gekregen.

8. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 14 maart 2017 van de politie, Team Zeden (RT), documentcode 1703141510. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 43 e.v. van het persoonsdossier): als verklaring van de verdachte :

De kinderen noemen mij [verdachte] .

9. De verklaring van de verdachte. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 4 oktober 2018 verklaard - zakelijk weergegeven -

Ik woon in de [a-straat] in [plaats] . Ik heb snoep uitgedeeld aan kinderen. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] ) kwamen in mijn woning voor snoep. Het snoep stond op een plank boven het trapgat naar het souterrain, aan het einde van de gang. De kinderen mochten zelf het snoep uitzoeken. Ik hield de doos met snoep vast. De kinderen stonden voor mij en pakten vervolgens snoep. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] wilden de kelder een keer zien. Ik ging met de kinderen mee naar beneden en ik heb hen in het souterrain de plaats laten zien waar ik sliep. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] kwamen altijd samen langs.

[slachtoffer 3] (het hof begrijpt: [slachtoffer 3] ) woont aan de overkant. [slachtoffer 3] is in mijn woning geweest om snoep uit te kiezen.”

6. Voorts heeft het hof het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

“Standpunt verdediging

Ter terechtzitting in hoger' beroep heeft de raadsman van de verdachte zich op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van het bij dagvaarding I en dagvaarding II ten laste gelegde, wegens het gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs.

Met betrekking tot het bij dagvaarding I tenlastegelegde heeft de raadsman aangevoerd dat de manier van totstandkoming van de - ten tijde van de studioverhoren afgelegde - verklaringen van zowel [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) als [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) maakt dat deze verklaringen onvoldoende betrouwbaar zijn om tot het bewijs te worden gebezigd. Niet alleen zijn tijdens het studioverhoor allerlei suggestieve, vragen gesteld, ook zijn beide meisjes daaraan voorafgaand beïnvloed door de vier op school gevoerde voorgesprekken en het gesprek dat bij de politie heeft plaatsgevonden, bij welk gesprek, zowel zij als hun moeders aanwezig waren. Dit laatste is bovendien ook in strijd met de Aanwijzing Opsporing en Vervolging inzake Seksueel Misbruik, aldus de raadsman.

Met betrekking tot het bij dagvaarding II tenlastegelegde heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van [slachtoffer 3] (hierna : [slachtoffer 3] ) pas tot stand zijn gekomen nadat het slachtoffer met haar ouders heeft gesproken, dat er in de verhoren gesloten vragen zijn gesteld en dat door het slachtoffer geen "kind-eigen" bewoordingen zijn gebruikt en dat het bovendien onwaarschijnlijk is dat [slachtoffer 3] de andere twee slachtoffers niet kent.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Betrouwbaarheid van de verklaringen

Ondanks dat de door de verdediging aangehaalde Aanwijzing per 1 januari 2015 is komen te vervallen, dient het hof te beoordelen of de wijze waarop de verklaringen van [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] tot stand zijn gekomen voldoende zorgvuldig is geweest.

Het hof is met de verdediging van oordeel dat de omstandigheid dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , voorafgaand aan de bij hen afgenomen studioverhoren, hebben deelgenomen aan een gezamenlijk gesprek op het politiebureau, waarbij zowel hun moeders als [betrokkene 1] en haar moeder aanwezig waren, zeer ongelukkig is geweest. Ook is voorafgaande beïnvloeding door de op school gevoerde gesprekken niet uit te sluiten, maar een en ander brengt naar het oordeel van het hof nog niet met zich dat de waarheidsvinding en daarmee de betrouwbaarheid van de verklaringen onherstelbaar is aangetast. Het hof neemt daarbij niet alleen het voortraject in aanmerking, maar de gehele gang van zaken.

[slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zijn, na het eerste gezamenlijke gesprek op het politiebureau, afzonderlijk verhoord in een studio door daarvoor speciaal opgeleide opsporingsambtenaren.

Zij hebben tijdens dit verhoor verklaard over ontuchtige handelingen door verdachte. Het hof is van oordeel dat de beide verklaringen niet alleen authentiek en uitvoerig, maar ook zeer gedetailleerd en consistent zijn. Zij hebben beide, ieder in hun eigen bewoordingen, verklaard en die verklaringen komen niet (exact) overeen qua inhoud. Verder, is van belang dat zij kennelijk, schroom voelden om de gebeurtenissen te benoemen.

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat de verdachte met zijn vinger aan haar "plasmuis" zat en dat hij in haar "tieten" kneep in de gang bij de "snoepkast". Dit was bij de trap naar beneden, toen zij snoep uitkoos en toen zij haar armen omhoog hield. De verdachte, ging achter haar staan, deed zijn handen in haar zij en ging vervolgens met zijn hand onder haar shirt en in haar broek.

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat de verdachte aan haar "spleetje" en "tieten" zat in de kelder. De verdachte stond achter haar, ging met zijn handen over haar schouder, deed zijn hand in haar broek, ging onder haar shirt en wreef meermalen over haar spleetje.

Daarnaast hebben [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , ieder afzonderlijk, verklaard dat zij, toen zij samen in de woning van de verdachte waren, hebben gezien dat de verdachte ontuchtige handelingen bij de ander heeft gepleegd. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat de verdachte de tieten van [slachtoffer 1] aanraakte en [slachtoffer 1] heeft verklaard dat de verdachte zijn hand in de broek van [slachtoffer 2] had en aan haar tieten zat.

Het hof is - anders dan de verdediging - van oordeel dat de tijdens de studioverhoren afgelegde verklaringen van zowel [slachtoffer 2] als [slachtoffer 1] het resultaat zijn van open gestelde vragen, waarna herhaaldelijk is doorgevraagd naar aanleiding van de gegeven antwoorden. [slachtoffer 2] heeft

desgevraagd meermalen verklaard dat de verdachte aan haar tieten en aan haar plasmuis zat. Dat [slachtoffer 2] in het studioverhoor een enkele keer het woord "proberen" heeft gebruikt doet daar niet aan af. [slachtoffer 1] heeft als eerste tegen de verbalisant gezegd dat de verdachte aan haar ging zitten op rare plekken. De verbalisant heeft [slachtoffer 1] vervolgens gevraagd om hierover meer te vertellen en heeft gevraagd naar de frequentie.

Het hof heeft - gelet op het bovenstaande - geen redenen om te twijfelen aan de inhoud van de door [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] afgelegde verklaringen. Het hof acht de beide verklaringen geloofwaardig en betrouwbaar, zodat deze tot het bewijs zullen worden gebezigd.

Voorts is het hof van oordeel dat ook [slachtoffer 3] concreet en in haar eigen (kinder)bewoordingen heeft verklaard over de ontuchtige handelingen. [slachtoffer 3] heeft in het eerste verhoor verklaard dat de verdachte, toen zij snoep "bij de snoepkast" uitkoos, achter haar ging staan, dat hij zijn hand in haar broek deed en dat hij aan haar "plasser" zat. Verder heeft zij in het tweede studioverhoor verklaard dat zij tijdens het uitkiezen van snoep bij de "snoepkast" de "pielewiep" van de verdachte moest betasten. De verdachte stond achter haar, pakte haar hand vast, trok die naar achteren en bracht die door de open gulp in zijn broek. [slachtoffer 3] voelde behaarde en gladde delen. Zij kon zich goed herinneren dat de verdachte haar arm naar achteren trok omdat de verdachte dit zo hard deed dat zij enkele dagen last had van haar rechterarm.

Het hof acht deze gegeven omschrijving, en de daarbij gebruikte bewoordingen, authentiek en heeft geen redenen om te twijfelen aan de geloofwaardigheid van die verklaringen. Het hof bezigt de beide verklaringen dan ook tot het bewijs.

Uit het dossier zijn overigens geen feiten en omstandigheden naar voren gekomen die wijzen op voorafgaande afstemming en beïnvloeding tussen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] enerzijds en [slachtoffer 3] anderzijds. De enkele stelling van de verdachte dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] een keer samen met anderen bij hem aan de deur zijn geweest om snoep te halen, is - als dit al zou zijn gebeurd - onvoldoende om aan te nemen dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] enerzijds en [slachtoffer 3] anderzijds, met elkaar hebben gesproken over het gebeurde en elkaar op die wijze zouden hebben beïnvloed.

Steunbewijs

Zoals hiervoor al overwogen, acht het hof de verklaringen van de slachtoffers [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] betrouwbaar. Het hof ziet zich voorts voor de vraag gesteld of de betrouwbaar geachte verklaringen van [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] - welke verklaringen lijnrecht tegenover de ontkennende verklaringen van de verdachte staan - voldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal en of aldus is voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).

Het hof overweegt als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is het toegelaten om aan andere soortgelijke feiten ten grondslag liggende bewijsmiddelen als steunbewijs (in de vorm van schakelbewijs) te gebruiken. Daarbij moet het gaan om bewijsmateriaal ten aanzien van die andere feiten dat op essentiële punten belangrijke overeenkomsten of kenmerkende gelijkenissen vertoont met het bewijsmateriaal van het te bewijzen feit en dat duidt op een herkenbaar en gelijksoortig patroon in de handelingen van de verdachte.

In het onderhavig geval gaat het om de tenlastelegging van twee zedendelicten, waarbij drie slachtoffers betrokken zijn. Naar het oordeel van het hof vertonen de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , zijnde het bewijsmateriaal van het bij dagvaarding I tenlastegelegde zedendelict, op essentiële onderdelen belangrijke overeenkomsten met de verklaringen van [slachtoffer 3] , zijnde het bewijsmateriaal van het bij dagvaarding II subsidiair tenlastegelegde zedendelict. Uit die verklaringen is naar het oordeel van het hof een herkenbaar en gelijksoortig patroon, oftewel een modus operandi, in het handelen van de verdachte af te leiden. Die modus operandi van de verdachte kenmerkt zich hierin dat hij de kinderen in zijn woning tijdens het uitkiezen van snoep bij de "snoepkast" (het hof begrijpt: het trapgat naar de kelder/het souterrain) van achteren benaderde, zijn armen om hen heen sloeg, met zijn hand onder hun shirt ging, zijn hand in hun broek deed en vervolgens hun borsten respectievelijk vagina betastte. Het hof is - gelet op deze belangrijke overeenkomsten in de verklaringen - van oordeel, dat de verklaringen van de meisjes over en weer - middels een schakelbewijsconstructie - als steunbewijs kunnen worden gebruikt voor de feiten zoals onder dagvaarding I en II bewezenverklaard.

Nu middels een schakelbewijsconstructie is voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, en het hof ook de overtuiging heeft bekomen dat hetgeen bij dagvaarding I en dagvaarding II subsidiair is tenlastegelegd zich heeft voortgedaan komt het hof, met verwerping van het gevoerde verweer, tot een bewezenverklaring.”

7. Ik begrijp (de toelichting op) het middel (onder 1.9 en 1.10) aldus dat het middel twee klachten over de motivering van de bewezenverklaring bevat. De eerste betreft de verwerping van het betrouwbaarheidsverweer. De motivering schiet tekort (is ontoereikend en onbegrijpelijk), omdat de deelname van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] aan een aan hun studioverhoren voorafgaand gesprek op het politiebureau waarbij ook hun moeders en [betrokkene 1] en haar moeder aanwezig waren (in de woorden van de in de schriftuur opgenomen toelichting) “niet zonder meer gerepareerd kan worden door de nadien gevolgde gang van zaken.” De tweede klacht betreft een tegenstrijdigheid in de bewijsvoering nu het hof overweegt dat de drie slachtoffers met een snoepdoos voor verdachte stonden, terwijl de verklaringen van die kinderen inhouden dat verdachte naast of achter hen stond.

8. Het hof heeft de deelname van de slachtoffers aan het bedoelde voorgesprek als zeer ongelukkig gekwalificeerd. De opvatting dat de latere studioverhoren wegens het gebrek in de voorfase niet voor het bewijs mogen worden gebruikt heeft het hof niet gevolgd. Waarom een gang van zaken als in dit geval dwingend moet leiden tot uitsluiting van al het daarna geproduceerde bewijs wordt in de schriftuur niet nader toegelicht. Een daartoe strekkende rechtsregel wordt in de schriftuur niet vermeld en is mij ook onbekend. Op zich behoeft een zeer ongelukkige gang van zaken in de voorfase niet mee te brengen dat al het nadien geproduceerde bewijs uitsluitend als onbruikbaar heeft te gelden. Het is in de kern een kwestie van waardering van het nadien geproduceerde bewijs in het licht van het gebrek. Het hof geeft redenen waarom die waardering anders uitvalt dan het niet op een rechtsregel gebaseerde categorisch imperatief van de stellers van het middel. Dat de door het hof genoemde redenen geen betekenis voor de waardering van het bewijs kunnen hebben, wordt in de schriftuur terecht niet beoogd. De eerste klacht faalt omdat de verwerping van het verweer niet ontoereikend of onbegrijpelijk is.

9. De tweede klacht miskent dat het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk niet heeft uitgesloten dat verdachte zowel voor de slachtoffers stond (bij het aanbieden van snoep) als achter hen (bij de ontuchtige handelingen). De klacht is kansloos.

10Het eerste middelfaalt.

11 Het tweede middelklaagt over één van de gestelde bijzondere voorwaarden.

12. Het hof heeft zes bijzondere voorwaarden gesteld. Het middel richt zich tegen de volgende voorwaarde: “dat de veroordeelde (…) toestemming zal geven relevante referenten te raadplegen.” Voorts heeft het hof opdracht aan de reclassering gegeven tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. Alle bijzondere voorwaarden zijn dadelijk uitvoerbaar verklaard.

13. De klacht is dat door het stellen van deze bijzondere gedragsvoorwaarde “een niet voldoende precies gedragsvoorschrift is geformuleerd, nu immers niet blijkt wie en waarom als ‘relevante referent’ kan worden aangemerkt. Voorts is niet helder welk goed levensgedrag door de naleving van de voorwaarde wordt bevorderd.”

14. Naar valt aan te nemen heeft het hof de bijzondere voorwaarde willen stoelen op art. 14c, tweede lid onder 14, Sr dat de basis geeft voor ‘andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende’.

15. De volgende zin in de strafmotivering is voor het opleggen van de bijzondere voorwaarde van belang:

“Het hof zal aan het voorwaardelijk op te leggen strafdeel de door reclassering geadviseerde en door de rechtbank opgelegde bijzondere voorwaarden, verbinden, nu het hof continuering van die voorwaarden - gelet op de omstandigheid dat de verdachte woonachtig is in de nabijheid van de drie slachtoffers - nog geboden acht.”

16. De zogenaamde gedragsvoorwaarde als bedoeld in art. 14c, tweede lid onder 14, Sr omgrenst de Hoge Raad1 als volgt:

“Een bijzondere voorwaarde als bedoeld in art. 14c, tweede lid onder 5º, (oud) Sr (thans art. 14c, tweede lid onder 14°, Sr) dient het gedrag van de veroordeelde te betreffen. Als zodanig kunnen worden aangemerkt voorwaarden die strekken ter bevordering van een goed levensgedrag van de veroordeelde of die een gedraging betreffen waartoe hij uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden moet worden geacht (vgl. HR 26 november 1968, ECLI:NL:HR:1968: AB6079, NJ 1970/123).”

Daaraan wordt wel toegevoegd2:

“Zo’n voorwaarde dient voldoende precies het daarin vervatte gedragsvoorschrift te formuleren. Zij kan niet geacht worden gedrag van de verdachte te omvatten dat in feite overeenkomt met het meewerken aan door de politie uit te oefenen veelomvattende en ingrijpende dwangmiddelen (vgl. HR 23 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:302).”

17. Uit de onder randnummer 15 geciteerde zin uit de strafmotivering komt de reden voor of het doel van het geven van toestemming relevante referenten te raadplegen niet uitdrukkelijk naar voren. De stellers van het middel hebben in zoverre dus al een punt. Waartoe deze bijzondere voorwaarde strekt, is niet zonder meer duidelijk en evenmin nader geëxpliciteerd. Uiteindelijk zal het er om gaan ontucht met minderjarigen te voorkomen, maar niet zonder meer duidelijk is of bijvoorbeeld eveneens het aanbieden van snoep er onder valt. Legitimeert de voorwaarde er toe dat aan ouders van jonge kinderen in de omgeving van de veroordeelde wordt gevraagd of hij snoep aan hun kinderen aanbiedt? Bovendien zijn met de woorden ‘relevante referenten’ de personen aan wie inlichtingen kunnen worden gevraagd onvoldoende bepaald en beperkt. Daarop wordt in de toelichting op het middel terecht gewezen: vallen beroepsgeheimhouder zoals een advocaat en een huisarts er eveneens onder?3 Daarmee is het gedragsvoorschrift niet precies geformuleerd. Immers gaat het om inlichtingen bij ouders, bij behandelaars of bij zowel bij ouders als bij behandelaars? Wie referent is, is niet bepaald en of de referent relevant is evenmin.4 De voorwaarde voldoet in het licht van het geciteerde onder randnummer 16 niet aan de eisen die de Hoge Raad stelt. Ik wijs er ook nog op dat bij de formulering van de voorwaarde nadere regels ontbreken over de toepassingsfrequentie en de wijze van het inwinnen van de inlichtingen. Enige waarborg dat de persoonlijke levenssfeer niet verder wordt beperkt dan nodig ontbreekt.5

18. Ik vraag hier ook nog aandacht voor het derde lid aanhef en onder b van art. 14c Sr. Van rechtswege geldt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde “medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in het zesde lid, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht”.6 Kan het geven van toestemming relevante referenten te raadplegen worden aangemerkt als te zijn begrepen onder het medewerken aan het reclasseringstoezicht, hoewel dit niet uitdrukkelijk is genoemd?

19. De medewerking aan reclasseringstoezicht waaronder huisbezoek is indertijd bij de herziening van de regeling van de voorwaardelijke veroordeling en de voorwaardelijke invrijheidstelling bij tweede Nota van wijziging7 ingevoegd. De wijziging is als volgt toegelicht:

“De veroordeelde is gehouden medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht. Dat is inherent aan de opdracht van de rechter bij de voorwaardelijke veroordeling (of van het openbaar ministerie bij de voorwaardelijke invrijheidstelling) aan de reclassering om op de naleving van de bijzondere voorwaarden door de veroordeelde toe te zien. Het reclasseringstoezicht brengt mee dat de reclassering aangekondigd en onaangekondigd een bezoek kan brengen aan het woonhuis van de veroordeelde. Dat staat ook in de afspraken die de reclassering en de veroordeelde over het toezicht maken. In de praktijk van het reclasseringstoezicht blijken veroordeelden niet altijd bereid te zijn de reclassering tot hun woning toe te laten en ontstaat er discussie of dit meebrengt dat overgegaan moet worden tot het vorderen van de tenuitvoerlegging van de straf. Om buiten twijfel te stellen dat in een dergelijk geval sprake is van een schending van de voorwaarden, wordt voorgesteld om in de wet de voorwaarde op te nemen dat de veroordeelde verplicht is medewerking te verlenen aan reclasseringstoezicht, waaronder de medewerking aan huisbezoeken. In de wet is al opgenomen dat de veroordeelde medewerking moet verlenen aan het vaststellen van zijn identiteit in het kader van het toezicht op de naleving van voorwaarden. De verplichting medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht wordt daaraan toegevoegd.

Een in de wet gespecificeerde verplichting om medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht kan eveneens van betekenis zijn in gevallen waarin de veroordeelde weigert informatie te verschaffen over het verloop van een als bijzondere voorwaarde opgelegde behandeling. Ik verwijs hiervoor naar de nota naar aanleiding van het verslag.

Het opleggen van de verplichting om medewerking te verlenen aan de reclassering in het kader van het toezicht past tevens bij de ontwikkelingen binnen de EU. In het kaderbesluit 2008/947/JBZ van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning op vonnissen en proeftijdbeslissingen met het oog op het toezicht op proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen (PbEU L 337) is een soortgelijke verplichting opgenomen (artikel 4, eerste lid, onder j).

De verplichting om medewerking te verlenen aan huisbezoeken in het kader van het reclasseringstoezicht betekent overigens niet dat daarmee de reclassering bevoegd wordt om de woning van de veroordeelde te betreden zonder dat deze daarmee heeft ingestemd. Een dergelijke bevoegdheid is voorbehouden aan politie en justitie binnen de daarvoor gestelde wettelijke kaders.”

20. De wettelijke regeling die dient om te bevorderen dat bijzondere voorwaarden ook daadwerkelijk worden nageleefd is in de loop van de laatste vijftig jaar sterk van karakter veranderd. Aan het begin van de bedoelde periode verleende de reclassering de veroordeelde hulp en steun bij de naleving van voorwaarden, terwijl het geenszins voor zich sprak dat schending van de voorwaarden door de reclassering aan het openbaar ministerie werd gemeld.8 Hulp en steun zijn niet alleen vervangen door toezicht, maar er is tegenwoordig zelfs een wettelijke verplichting mee te werken aan het toezicht. Ten behoeve daarvan gelden in het geval bijzondere voorwaarden worden gesteld enkele bijzondere voorwaarden van rechtswege. Dat roept de vraag op naar de verhouding tussen de in het tweede en derde lid van art. 14c Sr geregelde voorwaarden. Die vraag rijst omdat niet alle voorwaarden scherp zijn afgebakend. In dat opzicht zijn hier van belang de ruime gedragsvoorwaarde onder punt 14 van het tweede lid van art. 14c Sr en de van rechtswege geldende voorwaarde tot medewerking aan reclasseringstoezicht in art. 14c, derde lid onder b, Sr (toezichtvoorwaarde). De scheiding tussen toezicht en inhoud van voorwaarden is vervaagd. Bijzondere voorwaarden worden gesteld om toezicht te realiseren.

21. De toezichtvoorwaarde van art. 14c, derde lid onder b, Sr omvat volgens de wetstekst in ieder geval huisbezoek en meldplicht. De toelichting op de Nota van wijziging voegt daar de plicht tot het geven van inlichtingen over het verloop van de behandeling aan toe, al is ook na lezing van de Nota naar aanleiding van het verslag niet glashelder wat daarmee is bedoeld. Wordt bedoeld dat de veroordeelde zelf die informatie geeft of dat hij verplicht is toe te stemmen dat die informatie wordt opgevraagd en verstrekt door de behandelaar? Dat laatste gaat ver en zou gaan in een richting die ook in deze zaak aan de orde is. Gelet op de bewoordingen van art. 14c, derde lid, Sr is de plicht tot medewerking niet beperkt tot deze drie situaties (huisbezoek, melden bij de reclassering en verstrekken van inlichtingen over de behandeling), maar is er meer. Deze regelgeving wijst op een behoefte (bij de reclassering) om de verplichtingen van de veroordeelde gedetailleerd te regelen, zodat daar bij de uitvoering geen discussie over mogelijk is. De catalogus van bijzondere voorwaarden in een vonnis of arrest dijt steeds verder uit. Enige terughoudendheid van de straf opleggende rechter lijkt hier op de plaats.

22. Gelet op de structuur van de wetgeving lijkt het mij weinig voor de hand te liggen dat het aan de rechter is om met toepassing van art. 14c, derde lid, Sr verplichtingen als bijzondere voorwaarde te stellen, zelfs niet als ze naadloos vallen binnen het verlenen van medewerking aan het toezicht. Het door de rechter niet stellen van voorwaarden op grond van art. 14c, derde lid, Sr sluit overigens niet uit dat de rechter in voorkomend geval de inhoud van de genoemde bepaling in zijn vonnis of arrest verduidelijkt. Het vormt echter geen basis voor het stellen van voorwaarden. Te stellen voorwaarden moeten derhalve steeds binnen het bereik van art. 14c, tweede lid, Sr vallen.

23. De conclusie luidt nu dat het geven van toestemming relevante referenten te raadplegen niet een voorwaarde is die op basis van art. 14c, derde lid, Sr door de rechter kan worden gesteld. En dat kan ook niet op basis van het tweede lid (onder 14) van de genoemde bepaling. Een dergelijke voorwaarde voldoet, zoals al opgemerkt, niet aan de omschrijving van de Hoge Raad, zoals geciteerd onder randnummer 16. Het middel slaagt derhalve.

24. Om redenen van doelmatigheid is er wel wat voor te zeggen dat de Hoge Raad voor wat betreft dit gegronde tweede middel zal volstaan met vernietiging van de betreffende voorwaarde (al dan niet met de bepaling dat de bestreden voorwaarde komt te vervallen). Een daartoe strekkend voorstel deed ook mijn ambtgenoot Spronken onlangs in een enigszins vergelijkbaar geval.9 De Hoge Raad ging toen niet met haar mee.10 Hier ligt het anders, omdat van rechtswege geldt dat de veroordeelde moet meewerken aan het toezicht. Dat kan, indien de veroordeelde daarover door de reclassering wordt geïnformeerd en het met mate geschiedt, een basis bieden voor het (incidenteel) inwinnen van inlichtingen over het gedrag van de veroordeelde bij getuigen van dat gedrag. Hetgeen met de voorwaarde door het hof werd beoogd, kan op die wijze, voor zover het rechtens is toegelaten, worden gerealiseerd zonder alsnog een nieuwe voorwaarde te formuleren.

25 Het tweede middelslaagt.

26. Het derde middel klaagt over de opgelegde vervangende hechtenis bij de schadevergoedingsmaatregelen.

27. Dit derde middel is gelet op HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914, NJ 2020/409 m.nt. Ten Voorde terecht voorgesteld.

28. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met behulp van de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Zowel het tweede als het derde middel slaagt. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft:

- de bijzondere voorwaarde dat “dat de veroordeelde toestemming zal geven relevante referenten te raadplegen”. De Hoge Raad kan bepalen dat deze voorwaarde komt te vervallen,

- de schadevergoedingsmaatregelen doch uitsluitend voor zover vervangende hechtenis is toegepast. De Hoge Raad kan bepalen dat in plaats daarvan gijzeling van gelijke duur zal worden toegepast

en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 23 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:302: meewerken aan politiële controles van zijn computer(s) en andere apparatuur waarop afbeeldingen (kunnen) zijn opgeslagen. De Hoge Raad nam mede in aanmerking dat het hof weliswaar kennelijk het oog had op gedrag dat met kinderporno verband houdt, maar daartoe niet een voldoende precies gedragsvoorschrift heeft geformuleerd, alsmede dat het toezicht op de naleving van voorwaarden separaat is geregeld en een bijzondere voorwaarde in de zin van art. 14c, tweede lid onder 14º, Sr, niet geacht kan worden gedrag te omvatten dat in feite overeen komt met het meewerken aan door de politie uit te oefenen dwangmiddelen op de veelomvattende en ingrijpende wijze zoals in de onderhavige voorwaarde is geformuleerd. Voor de algemene formulering bijvoorbeeld ook HR 22 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:87, NJ 2019/123. Zie voor de normering van bijzondere voorwaarden F.W. Bleichrodt, Onder voorwaarde, Gouda Quint Arnhem 1996, hoofdstuk 4.

2 HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1215, NJ 2020/410 m.nt. Jörg.

3 De toestemming van de veroordeelde is overigens niet zonder meer toereikend om de geheimhoudingsplicht te doorbreken.

4 Zie ook HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2392, NJ 2017/319: gedurende de proeftijd van drie jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [betrokkene 1] en [betrokkene 2], dan wel relaties van voornoemde personen. Voor zover het relaties van voornoemde personen betreft kon deze voorwaarde niet door de beugel.

5 Vgl. ook HR 9 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:248.

6 Het citaat geeft de tekst weer zoals deze sinds 1 januari 2020 luidt (Stb. 2019/507). Ten tijde van de veroordeling door het hof gold onder meer van rechtswege de voorwaarde tot het verlenen van medewerking aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in art.14d, tweede lid, Sr de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen. Voor de beoordeling van het middel is de wijziging niet relevant.

7 Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 32 319, nr. 8.

8 Zie daarover al J.W. Fokkens, Reclassering en strafrechtspleging, Gouda Quint Arnhem 1981.

9 Conclusie van 16 februari 2021, ECLI:NL:PHR:2021:136.

10 HR 6 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:498. Het louter vernietigen van een onderdeel van een bijzonder voorwaarde geschiedde wel in HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2392, NJ 2017/319.