Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:643

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
25-06-2021
Datum publicatie
21-07-2021
Zaaknummer
20/02642
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Abstracte toetsing ex art. 6:240 BW van verzekeringsvoorwaarde waarin verzekeraar kwaliteitseisen stelt aan door consument-verzekerde in te schakelen contra-expert. Is beding in strijd met art. 7:959 lid 1 jo. 7:963 lid 6 BW en daarom in het kader van art. 6:240 BW onredelijk bezwarend?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/02642

Zitting 25 juni 2021

CONCLUSIE

T. Hartlief

In de zaak

Achmea Schadeverzekeringen N.V. (hierna: ‘Achmea’)

tegen

Stichting Ombudsman Schadeverzekeringen Nederland (hierna: ‘OSN’)

Deze zaak gaat over de rechtsgeldigheid van een door Achmea gebruikt beding met betrekking tot de vergoeding van kosten van door verzekerden (consumenten) ingeschakelde contra-experts. Achmea gebruikt het betreffende beding in de algemene voorwaarden van diverse schadeverzekeringen van haarzelf en door haar gevoerde merken. Het beding bepaalt, kort samengevat, dat de redelijke kosten van de door de verzekerde ingeschakelde contra-expert alleen voor vergoeding door Achmea in aanmerking komen indien de contra-expert is ingeschreven (i) in het register van het Nederlands Instituut Van Register Experts (hierna: ‘NIVRE’) of (ii) bij een vergelijkbare beroepsorganisatie, die (a) zich aan de Gedragscode schade-expertiseorganisaties van het Verbond van Verzekeraars houdt (hierna: ‘de Gedragscode’) en (b) in haar statuten en reglementen een duidelijke klacht- en tuchtprocedure en eisen voor permanente opleiding van experts heeft opgenomen. Volgens Achmea gaat het om kwaliteitseisen die (ook) in het belang van haar verzekerden zijn.

Volgens OSN, een stichting opgericht door een contra-expert, is het desbetreffende beding in strijd met art. 7:959 lid 1 in samenhang met art. 7:963 lid 6 BW. OSN betoogt dat een verzekeraar op grond van de wet uitsluitend mag weigeren de kosten van een contra-expert te vergoeden, indien die kosten niet redelijk zijn. Achmea stelt met het beding onterecht verdergaande eisen aan (de persoon van) de contra-expert. OSN heeft daarom een collectieve actie op de voet van art. 6:240 BW aanhangig gemaakt bij het hof Den Haag. OSN heeft daarbij onder meer een verklaring voor recht gevorderd dat het beding onredelijk bezwarend is jegens verzekerden/verzekeringnemers die consument zijn en een verbod aan Achmea om het beding jegens die verzekerden/verzekeringnemers te gebruiken. Het hof heeft deze vorderingen grotendeels toegewezen.

In cassatie voert Achmea allereerst aan dat art. 7:959 lid 1 BW niet voorziet in een recht van de consument-verzekerde om de redelijke kosten van zijn contra-expert door de verzekeraar vergoed te krijgen. Reeds daarom zou Achmea de vrijheid toekomen om kwaliteitseisen aan de contra-expert te stellen. Verder voert Achmea aan dat de door haar gestelde kwaliteitseisen niet in strijd zijn met art. 7:959 lid 1 in samenhang met art. 7:963 lid 6 BW. Het gaat volgens Achmea om minimumeisen waaraan een contra-expert moet voldoen om naar objectieve maatstaven redelijkerwijs in staat te kunnen worden geacht een deskundig advies uit te brengen. Achmea betoogt tot slot dat de door haar gestelde eisen geen afwijking van art. 7:959 lid 1 BW in het nadeel van de consument-verzekerde betreffen.

1 Feiten en procesverloop

1.1

OSN is een stichting die tot doel heeft het behartigen en beschermen van de belangen van natuurlijke en rechtspersonen, die een overeenkomst van schadeverzekering zijn aangegaan.1 OSN is opgericht en wordt bestuurd door [betrokkene 1] , een contra-expert werkzaam bij [A] , een bedrijf dat is gericht op het leveren van contra-expertises. OSN is géén door de overheid of belangenorganisaties aangewezen ombudsman.2 De titel ‘ombudsman’ is niet wettelijk beschermd3 waardoor iedereen zichzelf ombudsman mag noemen.

1.2

Op 25 januari 2019 heeft OSN Achmea op grond van art. 6:240 jo. art. 6:241 lid 1 BW gedagvaard voor het hof Den Haag.4

1.3

De vordering van OSN ziet op bepaalde door Achmea in haar algemene voorwaarden bij verzekeringen gebruikte bedingen inzake de vergoeding van de kosten van een door een verzekerde ingeschakelde contra-expert (hierna, net als door het hof met een hoofdletter geschreven: ‘Bedingen’). Het hof heeft het volgende overwogen met betrekking tot de Bedingen waartegen OSN zich keert:

“2.4 De vordering van OSN ziet op de door Achmea gebruikte bedingen inzake de vergoeding van de kosten van een door een verzekerde ingeschakelde contra-expert. Dergelijke bedingen komen voor in diverse schadeverzekeringen van Achmea en ook in diverse schadeverzekeringen van door Achmea gevoerde merken. ONS heeft in productie 3 bij inleidende dagvaarding een overzicht gegeven van de verzekeringen waar het om gaat:

2.4 1. Recreatie schadeverzekeringen voor consumenten:

a. De Caravanverzekering van (i) Centraal Beheer, (ii) Interpolis, (iii) FBTO, (iv) Avero en (v) Inshared;

b. De Bootverzekering van (i) Centraal Beheer, (ii) Interpolis, (iii) FBTO en (iv) Avero.

2. Wonen schadeverzekeringen voor consumenten:

a. (Opstal) Woonhuisverzekering van (i) Centraal Beheer, (ii) Interpolis, (iii) FBTO, (iv) Avero en (v) Inshared;

b. Inboedelverzekering van (i) Centraal Beheer, (ii) Interpolis, (iii) FBTO, (iv) Avero en (v) Inshared.

De bedingen waarop de vordering van OSN betrekking heeft, worden hieronder aangeduid als de Bedingen.

2.5 De Bedingen zijn verschillend geredigeerd, maar komen, voor zover relevant voor de beoordeling van de vordering, inhoudelijk op hetzelfde neer. Het hof geeft hier bij wijze van voorbeeld de tekst weer van het omstreden beding uit de Centraal Beheer Caravan-verzekering (CRV-RV-01-181):

Artikel 8. Welke extra kosten zijn naast de schade verzekerd?

Let op: we betalen deze kosten alleen als deze noodzakelijk zijn door een schade die verzekerd is.

(…)

Kosten van experts

Alleen voor het vaststellen van de hoogte van de schade.

De kosten van onze expert.

De kosten van de expert van verzekerde tot en met de kosten van onze expert.

- Rekent de expert van verzekerde meer? Dan beoordelen wij of die extra kosten redelijk zijn.

- Extra kosten die niet redelijk zijn, blijven voor rekening van verzekerde.

De kosten van de 3de expert.

Alle experts zijn ingeschreven in het register van het Nederlands Instituut Van Register Experts (NIVRE)

- Of bij een vergelijkbare beroepsorganisatie.

- Deze organisatie houdt zich aan de "Gedragscode schade-expertise-organisaties van het Verbond van Verzekeraars”.

- En in de statuten en reglementen van deze organisatie:

o Staat een duidelijk[e] klacht- en tuchtprocedure.

o Zijn de eisen beschreven voor permanente opleiding van experts.

Voldoet de expert niet aan deze eisen? Dan zijn de kosten niet verzekerd.’”

1.4

OSN heeft gevorderd, voor zover in cassatie van belang, (i) een verklaring voor recht dat de Bedingen onredelijk bezwarend zijn in de zin van art. 6:240 lid 1 BW jegens de verzekerde/verzekeringnemer die een natuurlijk persoon is en die de verzekering niet in de uitoefening van een bedrijf of beroep heeft gesloten en (ii) een verbod aan Achmea om de Bedingen jegens een dergelijke verzekerde/verzekeringnemer te gebruiken.5

1.5

OSN heeft aan deze vorderingen, voor zover in cassatie nog van belang, het volgende ten grondslag gelegd:6

- de Bedingen zijn in strijd met art. 7:959 lid 1 jo. art. 7:963 lid 6 BW. Daarin is bepaald dat de redelijke kosten tot het vaststellen van de schade ten laste van de verzekeraar komen en dat van die regel niet ten nadele van consumenten kan worden afgeweken, voor zover die kosten niet het bedrag overschrijden dat gelijk is aan de verzekerde som;

- de Bedingen zijn, alle omstandigheden in aanmerking genomen, onredelijk bezwarend (art. 6:233, aanhef en sub a, BW).

1.6

Het hof heeft de hiervoor genoemde vorderingen van OSN grotendeels toegewezen.

1.7

Het hof is zijn beoordeling van de vorderingen van OSN aangevangen met een overweging over art. 7:959 lid 1 en art. 7:963 lid 6 BW, waarmee de Bedingen volgens OSN in strijd zijn:

“3.2 De hoofdregel is dat de verzekerde die een claim bij zijn verzekeraar indient, zal moeten stellen dat hij een onder de verzekering gedekte schade heeft. Als de verzekeraar dat gemotiveerd betwist zal de verzekerde dat ook moeten bewijzen. Indien vaststaat dat voor de schade dekking onder de polis bestaat, dient de omvang van de schade te worden vastgesteld, zodat de uitkeringsverplichting van de verzekeraar kan worden bepaald. Art. 7:959 lid 1 BW bepaalt dat de redelijke kosten voor het vaststellen van de schade ten laste van de verzekeraar komen. Van deze bepaling kan ingevolge art. 7:963 lid 6 BW niet ten nadele van de verzekeringnemer of de verzekerde worden afgeweken voor zover de in lid 1 van art. 7:959 BW bedoelde kosten niet het bedrag overschrijden dat gelijk is aan de verzekerde som en de verzekeringnemer een natuurlijk persoon is die de verzekering anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf is aangegaan (hierna aan te duiden als “consumenten”). (…).”

1.8

Het hof heeft de beoordeling toegespitst op verzekeringsovereenkomsten die Achmea met consumenten sluit:

“3.2 (…) De (…) polissen, waarop de vorderingen betrekking hebben, zijn alle polissen van consumentenverzekeringen. Het hof zal de beoordeling van de Bedingen dus toespitsen op verzekeringsovereenkomsten die Achmea met consumenten sluit.”

1.9

Het hof heeft vervolgens de stellingen van OSN samengevat:

“3.3 OSN heeft aangevoerd dat de Bedingen – voor zover die voorkomen in door consumenten gesloten verzekeringsovereenkomsten – in strijd zijn met art. 7:959 lid 1 BW. De Bedingen verdragen zich niet met art. 7:959 lid 1 BW omdat een verzekeraar op grond van de wet uitsluitend mag weigeren de (contra-)expert-kosten niet te vergoeden, indien die kosten niet redelijk zijn. De Bedingen stellen echter vooraf verdergaande eisen aan de persoon van de contra-expert. Immers, een expert moet zijn ingeschreven in het register van het NIVRE of bij een vergelijkbare beroepsorganisatie. Dit maakt inbreuk op het recht van een verzekerde om zijn eigen expert te kiezen. De eis dat sprake is van een beroepsorganisatie die de Gedragscode schade-expertiseorganisaties van het Verbond van Verzekeraars onderschrijft, draagt volgens OSN niet werkelijk bij aan de integriteit van de schadeafhandeling en -vaststelling. Daarvoor zijn die regels veel te vaag geformuleerd. Kortom, Achmea kan met een beroep op de Bedingen ten onrechte weigeren om de kosten van een door een verzekerde ingeschakelde contra-expert te vergoeden wanneer deze niet aan de door Achmea geformuleerde eisen voldoet. Evenmin mag Achmea de kosten van de contra-expert maximeren tot het bedrag dat haar eigen expert in rekening heeft gebracht; alle kosten – voor zover redelijk – moeten vergoed worden, aldus OSN.”

1.10

Het verweer van Achmea is door het hof als volgt weergegeven:

“3.4 Achmea heeft aangevoerd dat art. 7:959 lid 1 BW enkel bepaalt dat een verzekeraar de redelijke kosten van de vaststelling van de schade vergoedt. De bepaling regelt niet wanneer er sprake is van een expert, noch verbiedt de wet dat een verzekeraar eisen aan een expert stelt. Achmea heeft het begrip expert ingevuld door duidelijk te omschrijven aan welke kwaliteitseisen een expert moet voldoen. Het stellen van dergelijke eisen is (ook) in het belang van consumenten. Uit art. 7:959 BW vloeit volgens haar niet voort dat (a) een verzekerde recht heeft om op kosten van een verzekeraar een contra-expert in te schakelen. Verder heeft Achmea aangevoerd dat (b) zij vooraf kwaliteitseisen mag stellen aan de door een verzekerde ingeschakelde contra-expert en dat (c) de in de Bedingen neergelegde regeling over de omvang van de kosten van de contra-expert niet is strijd is met de wet.”

1.11

Naar het oordeel van het hof komen, anders dan Achmea heeft betoogd, óók de kosten voor een contra-expert voor vergoeding door de verzekeraar in aanmerking, mits voldaan is aan de dubbele redelijkheidstoets, naar analogie van art. 6:96 BW:

“3.5 Wat betreft de vraag of uit art. 7:959 lid 1 BW volgt dat een verzekerde het recht heeft om op kosten van de verzekeraar een contra-expert in te schakelen, geldt het volgende. Art. 7:959 lid 1 BW bepaalt dat een verzekeraar de redelijke kosten voor het vaststellen van de schade dient te vergoeden. Of in een concreet geval de kosten van een expert voor vergoeding in aanmerking komen, en zo ja, tot welk bedrag wordt in alle gevallen bepaald op basis van een dubbele redelijkheidstoets, naar analogie van art. 6:96 BW. Dat houdt in dat zowel het inschakelen van de expert redelijk moet zijn, als de kosten van de expert.

3.6 Uit het vorenstaande vloeit voort dat óók de kosten voor een contra-expert voor vergoeding door de verzekeraar in aanmerking komen, mits voldaan is aan de dubbele redelijkheidstoets. Of daaraan is voldaan hangt van de concrete omstandigheden van het geval af. Het inschakelen van een contra-expert zal echter dikwijls redelijk zijn. Immers, tussen verzekeraar en verzekerde bestaat een belangentegenstelling: verzekeraar zal het schadebedrag uit bedrijfseconomische redenen zo laag mogelijk willen houden, terwijl verzekerde belang heeft bij een zo hoog mogelijk schadebedrag. Expertisebureaus werken dikwijls voor dezelfde verzekeraars en kunnen daarmee organisatorisch verbonden zijn. Dat alles brengt mee dat een verzekerde in het algemeen een redelijk belang heeft bij het inschakelen van een eigen expert en dat de kosten van die expert ingevolge art. 7:959 lid 1 BW voor rekening van de verzekeraar komen, mits de omvang van de kosten redelijk is. Het verweer van Achmea dat de kosten van een contra-expert niet onder art. 7:959 lid 1 BW kunnen vallen, faalt dan ook.”

1.12

Vervolgens heeft het hof zich gebogen over de vraag of Achmea kwaliteitseisen heeft mogen stellen aan de door een verzekerde ingeschakelde contra-expert. In dit kader heeft het hof eerst een overweging gewijd aan de kwaliteitseisen die Achmea in haar algemene voorwaarden stelt:

“3.7 Wat betreft de vraag of een verzekeraar vooraf kwaliteitseisen mag stellen aan de door een verzekerde ingeschakelde contra-expert, geldt het volgende. Achmea heeft in de polisvoorwaarden voorgeschreven dat de contra-expert aan bepaalde voorwaarden voldoet. Hij of zij moet zijn ingeschreven in het register van het Nederlands Instituut Van Register Experts (NIVRE) of bij een vergelijkbare beroepsorganisatie. Als de contra-expert is ingeschreven bij een andere beroepsorganisatie dan NIVRE dan dient deze organisatie zich te houden aan de “Gedragscode schade-expertiseorganisaties van het Verbond van Verzekeraars”. Bovendien moet in de statuten en reglementen van deze organisatie staan dat er een duidelijke klacht- en tuchtprocedure is en moeten daarin de eisen zijn beschreven voor permanente opleiding van experts. Achmea heeft aangevoerd dat deze kwaliteitseisen in het belang van verzekerden zijn en dat daarom het stellen van die eisen gerechtvaardigd is. Het hof begrijpt de gedachtegang van Achmea aldus dat kosten die zijn gemaakt voor contra-experts die niet aan de (kwaliteits)eisen voldoen, geen redelijke kosten zijn in de zin van art. 7:959 lid 1 BW.”

1.13

Het hof is – met Achmea – van oordeel dat het in het belang van een verzekerde is dat een ingeschakelde contra-expert aan minimum kwaliteitseisen voldoet:

“3.8 Het hof is – met Achmea – van oordeel dat het in het belang van een verzekerde is dat een ingeschakelde contra-expert aan minimum kwaliteitseisen voldoet. De in de polisvoorwaarden omschreven eisen zouden daaraan kunnen bijdragen. Zo is het zonder meer in het belang van een verzekerde als een expert aan permanente educatie doet. Dat geldt ook voor het bestaan van een tuchtrechtelijke procedure, waaraan een expert zich onderwerpt. (…).”

1.14

Volgens het hof kan echter niet worden uitgesloten dat een contra-expert die niet aan de door Achmea gestelde voorwaarden voldoet, toch in staat is een kwalitatief goede contra-expertise uit te voeren:

3.8 (…) Echter, het is niet uitgesloten dat een contra-expert die niet aan de door Achmea gestelde voorwaarden voldoet, toch in staat is een kwalitatief goede contra-expertise uit te voeren. In dat verband wijst het hof erop dat de eisen die het NIVRE stelt om als NIVRE Register-Expert te kunnen worden ingeschreven en geregistreerd vrij stringent zijn. Zo moet een NIVRE Register-Expert ten minste drie jaar hoofdzakelijk (70% van de werkbare tijd) werkzaam zijn als schade-expert in de branche waarvoor een aanvraag wordt ingediend. Het is aannemelijk dat er deskundigen zijn die niet aan deze eis voldoen, maar toch over voldoende expertise beschikken om in een verzekeringszaak een contra-expertise te kunnen uitvoeren. Dat er met NIVRE vergelijkbare beroepsorganisaties bestaan waarbij dergelijke deskundigen zich zouden kunnen aansluiten, heeft Achmea onvoldoende toegelicht.”

1.15

Dit heeft het hof tot het oordeel gebracht dat de Bedingen in strijd zijn met art. 7:959 lid 1 BW:

“3.9 Een consument heeft in beginsel dan ook de vrijheid zijn eigen deskundige te kiezen, mits die persoon naar objectieve maatstaven redelijkerwijs in staat moet worden geacht een deskundig advies uit te brengen. De redelijke kosten die een dergelijke expert in rekening brengt voor het vaststellen van de schade, behoren op de voet van art. 7:959 lid 1 BW door Achmea te worden vergoed, ook als de expert niet voldoet aan de eisen die in de Bedingen worden gesteld. De Bedingen zijn dan ook in strijd met art. 7:959 lid 1 BW voor zover daarin is bepaald dat enkel kosten die zijn gemaakt voor contra-experts die aan de (kwaliteits)eisen uit de polisvoorwaarden voldoen, voor vergoeding in aanmerking komen.”

1.16

Hieraan heeft het hof toegevoegd dat het de stelling van Achmea verwerpt, dat zij in de Bedingen niet ten nadele van consumenten (als bedoeld in art. 7:963 lid 6 BW) is afgeweken van art. 7:959 lid 1 BW:

“3.10 Achmea heeft ook nog aangevoerd dat zij in de Bedingen niet ten nadele van consumenten (als bedoeld in art. 7:963 lid 6 BW) is afgeweken van art. 7:959 lid 1 BW. Volgens Achmea is het stellen van kwaliteitseisen aan een contra-expert in het belang van de consument. Dit argument snijdt in zoverre hout dat juist is dat de kwaliteitseisen in het belang van consumenten kunnen zijn. Wanneer consumenten een expert inschakelen die voldoet aan de in de polisvoorwaarden gestelde eisen, vormt dat tot op zekere hoogte een waarborg dat de expert ook daadwerkelijk deskundig is. Maar zekerheid geven de eisen uit de polisvoorwaarden niet. Bovendien beperken de eisen, als gezegd, de keuzevrijheid van consumenten door niet de kosten te vergoeden van een deskundige contra-expert die niet aan de eisen uit de polisvoorwaarden voldoet. In zoverre wordt in de Bedingen dus ten nadele van consumenten afgeweken van art. 7:959 lid 1 BW.”

1.17

Naar het oordeel van het hof is de in de Bedingen neergelegde regeling over de omvang van de kosten van de contra-expert echter niet in strijd met art. 7:959 lid 1 BW:

“3.11 Wat betreft de vraag of de Bedingen op het punt van de omvang van de kosten van de contra-expert in strijd zijn met art. 7:959 BW, geldt het volgende. De Bedingen bepalen dat de kosten van de expert van de verzekerde worden vergoed tot en met de kosten van de expert van de verzekeraar en dat hogere kosten alleen voor vergoeding in aanmerking komen indien Achmea van oordeel is dat de kosten redelijk zijn. Anders dan OSN lijkt aan te voeren, is er geen sprake van kostenmaximering. Zolang de kosten van de contra-expert de kosten van de expert van Achmea niet overschrijden, kunnen de Bedingen gunstig uitpakken voor een consument. Immers, Achmea ziet in zoverre af van het uitvoeren van de redelijkheidstoets met betrekking tot de omvang van de kosten. Voor zover de kosten van de contra-expert hoger zijn dan de kosten van de eigen expert van de verzekeraar, volgt uit een redelijke uitleg van de Bedingen dat Achmea de hogere kosten van de contra-expert ook zal vergoeden wanneer die kosten redelijk zijn. Op het punt van de omvang van de kostenvergoeding zijn de bedingen dus niet in strijd met art. 7:959 lid 1 BW, dat immers bepaalt dat de redelijke kosten moeten worden vergoed.”

1.18

Dit heeft het hof tot de volgende conclusie gebracht:

“3.12 De conclusie is dat de Bedingen in strijd zijn met art. 7:959 BW en daarmee – in het kader van art. 6:240 BW – ook onredelijk bezwarend, voor zover in de Bedingen is bepaald dat:

- slechts de kosten worden vergoed van experts die zijn ingeschreven in het register van het Nederlands Instituut Van Register Experts (NIVRE) of bij een vergelijkbare beroepsorganisatie;

- [dat] een “vergelijkbare beroepsorganisatie” zich moet houden aan de “Gedragscode schade-expertiseorganisaties van het Verbond van Verzekeraars”;

- en dat de statuten en reglementen van een “vergelijkbare beroepsorganisatie” een duidelijke klacht- en tuchtprocedure moeten bevatten, alsmede eisen voor permanente opleiding van experts.

(…)”

1.19

Deze conclusie geldt, zo heeft het hof duidelijkheidshalve herhaald, voor verzekeringsovereenkomsten die Achmea sluit met consumenten (rov. 3.12, tweede alinea).7 Het hof is niet toegekomen aan het geven van het door OSN gewenste oordeel over het gebruik van de Bedingen door Achmea in verzekeringsovereenkomsten met niet-consumenten (rov. 3.14). In cassatie speelt dit laatste ook geen rol.

1.20

Het hof heeft voor recht verklaard dat de Bedingen in strijd zijn met art. 7:959 BW en daarom onredelijk bezwarend in de zin van art. 6:240 lid 1 BW, voor zover de Bedingen voorkomen in verzekeringsovereenkomsten waarbij de verzekerde/verzekeringnemer een natuurlijke persoon is die de verzekering niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf heeft gesloten.8 Ook heeft het hof Achmea verboden de Bedingen te gebruiken jegens een verzekerde/verzekeringnemer die een natuurlijke persoon is die de verzekering niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf heeft gesloten.

1.21

Achmea heeft bij procesinleiding van 31 augustus 2020, derhalve tijdig, cassatieberoep ingesteld tegen het bestreden arrest. Daarna heeft zij haar standpunten ook nog schriftelijk toegelicht. Aan OSN is verstek verleend.

2 Art. 7:959 lid 1 BW: vergoeding van (contra-)expertisekosten en kwaliteitseisen

2.1

Om fundament te geven aan de beoordeling van de klachten in het cassatiemiddel van Achmea, besteed ik nu eerst, met de nadruk op de door Achmea aan de orde gestelde thema’s, aandacht aan de in art. 7:959 lid 1 BW bedoelde vergoeding van (contra)expertisekosten. Daarbij begin ik met de vraag of art. 7:959 lid 1 BW voorziet in een recht van de verzekerde op vergoeding door de verzekeraar van de kosten van zijn contra-expert (randnummers 2.3 tot en met 2.15). Vervolgens ga ik in op de vraag of een verzekeraar bij consumentenverzekeringen in de verzekeringsvoorwaarden kwaliteitseisen mag stellen waaraan de (contra-)expert van de verzekerde moet voldoen (randnummers 2.16 tot en met 2.40). Daarbij komt ook art. 7:963 lid 6 BW aan de orde, waarin is bepaald in hoeverre art. 7:959 lid 1 BW van dwingend recht is.

2.2

Voor het gemak geef ik hier de tekst van de relevante wetsbepalingen weer:

Art. 7:959 lid 1 BW

De in artikel 957 bedoelde vergoeding en de redelijke kosten tot het vaststellen van de schade gemaakt, komen ten laste van de verzekeraar, ook al zou daardoor, tezamen met de vergoeding van de schade, de verzekerde som worden overschreden.

Art. 7:963 lid 6 BW

Van artikel 959 lid 1 kan niet ten nadele van de verzekeringnemer of de verzekerde worden afgeweken voor zover de in dit lid bedoelde kosten niet het bedrag overschrijden dat gelijk is aan de verzekerde som en de verzekeringnemer een natuurlijk persoon is die de verzekering anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf heeft gesloten.

Art. 7:959 lid 1 BW en de kosten van de (contra)expert

2.3

De figuur van de (schade-)expert komt in beeld wanneer zich een schadeveroorzakende gebeurtenis heeft voorgedaan die de verzekeraar niet kan afwikkelen op basis van de door de verzekerde aangeleverde stukken. In zo’n geval schakelt de verzekeraar, als de oorzaak van de schade is gedekt onder de verzekering, een expert in, die tot taak heeft de hoogte van de schade vast te stellen.9 De voorwaarden van consumentenverzekeringen houden doorgaans in dat (i) door de verzekeraar een expert wordt benoemd, (ii) de verzekerde recht heeft op een contra-expert10 en (iii) eventueel een derde expert kan worden benoemd, voor het geval de expert van de verzekeraar en de contra-expert van de verzekerde het niet eens kunnen worden over de hoogte van de schade.11

2.4

In art. 7:959 lid 1 BW is bepaald dat de in art. 7:957 BW bedoelde vergoeding (de vergoeding voor de door de verzekerde gemaakte bereddingskosten) en de redelijke kosten tot het vaststellen van de schade, ten laste van de verzekeraar komen, ook al zou daardoor, tezamen met de vergoeding van de schade, de verzekerde som worden overschreden. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat die kosten voor vergoeding door de verzekeraar in aanmerking komen, omdat zij tot de te vergoeden schade moeten worden gerekend.12 De verzekerde wordt hiermee volledig schadeloos gesteld: niet alleen zijn schade, maar ook de kosten die hij heeft gemaakt om de hoogte daarvan vast te stellen worden vergoed. Dit zou aansluiten bij “de tegenwoordig vrij algemeen gehuldigde opvatting dat de verzekerde zo volledig mogelijk schadeloos moet worden gesteld”.13

2.5

De regeling van art. 7:959 lid 1 BW ziet, de vergoeding van de bereddingskosten daargelaten, slechts op expertisekosten die worden gemaakt met het oog op het vaststellen van de omvang van de schade. Alleen deze kosten vallen onder de reikwijdte van art. 7:959 lid 1 BW. Kosten gemaakt om de oorzaak van de schade vast te stellen – en daarmee de vraag te beantwoorden of sprake is van een gedekt evenement – zijn niet via deze wetsbepaling voor rekening van de verzekeraar te brengen.14

2.6

Art. 7:959 lid 1 BW voorziet dus in een uitbreiding van de verzekeringsdekking van rechtswege, waarmee de wetgever heeft willen aansluiten bij de praktijk: niet alleen de schade, maar ook de redelijke kosten die de verzekerde moet maken om de hoogte van de schade vast te stellen, komen voor vergoeding in aanmerking. Daarmee doet art. 7:959 lid 1 BW voor het verzekeringsrecht wat art. 6:96 lid 2, aanhef en onder a en b, BW doet voor het schadevergoedingsrecht; aldaar is bepaald dat als vermogensschade mede voor vergoeding in aanmerking komen redelijke kosten ter voorkoming of beperking van schade en redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid.15

2.7

In de wetsgeschiedenis van art. 7:959 lid 1 is, waar het de hier bedoelde expertisekosten betreft, dan ook nadrukkelijk aansluiting gezocht bij art. 6:96 lid 2, aanhef en onder b, BW. De expertisekosten worden in het regime van art. 7:959 lid 1 BW niet onbeperkt vergoed, maar zijn naar analogie van art. 6:96 lid 2 BW onderworpen aan een dubbele redelijkheidstoets.16 Zowel het maken van de kosten als zodanig als de omvang van de gemaakte kosten moet redelijk zijn.17 Of en in hoeverre aan deze eisen is voldaan, hangt af van de omstandigheden van het geval.18 Dit impliceert dat de verzekerde, binnen de marges van de redelijkheid, vrijheid toekomt bij het kiezen van zijn (contra-)expert.

2.8

Art. 7:963 lid 6 BW bepaalt dat niet ten nadele van de consument-verzekeringnemer en de consument-verzekerde mag worden afgeweken van art. 7:959 lid 1 BW, voor zover de in dat artikellid genoemde kosten (waaronder dus de hiervoor besproken expertisekosten) niet het bedrag overschrijden dat gelijk is aan de verzekerde som.19 In zoverre is dus sprake van dwingend recht. Wijkt de verzekeraar in zijn algemene voorwaarden in het nadeel van de consument-verzekeringnemer of de consument-verzekerde af van art. 7:959 lid 1 BW, dan is die afwijking alleen toepasbaar op het gedeelte dat de gemaakte bereddingskosten en/of expertisekosten het bedrag gelijk aan de verzekerde som20 overstijgen. Indien en voor zover die kosten niet het bedrag gelijk aan de verzekerde som overstijgen, is die afwijking niet toegestaan. Dan is sprake van vernietigbaarheid van de desbetreffende verzekeringsvoorwaarde (art. 7:959 lid 1 in samenhang met art. 7:963 lid 6 en art. 3:40 lid 2 BW). Op de vraag welke ruimte de wetgever voor afwijken van art. 7:959 lid 1 BW heeft gelaten, kom ik hierna nog terug in randnummers 2.23 en verder.

2.9

Art. 7:959 lid 1 BW voorziet ook in een recht van de verzekerde op vergoeding door de verzekeraar van de (redelijke) kosten van zijn contra-expert.21 Uit de wetsgeschiedenis valt af te leiden dat de wetgever de verzekerde het recht op een kostenvergoeding van de verzekeraar heeft toegekend, vanuit de gedachte dat de verzekerde degene is die expertisekosten moet maken om (de hoogte van) zijn schade aan de verzekeraar aan te tonen.22 De verzekerde moet “zo volledig mogelijk schadeloos” worden gesteld.23 De verzekeraar pleegt de door de verzekerde gemaakte expertisekosten te “vergoeden”.24 Hierbij past niet de stelling van Achmea dat uit art. 7:959 lid 1 BW geen recht volgt op vergoeding van de kosten van de contra-expert van de verzekerde. Immers, ook als de door de verzekerde ingeschakelde expert een contra-expert betreft (omdat de expert van de verzekeraar is voorgegaan in het vaststellen van de hoogte van de schade), kan het zijn dat de verzekerde kosten moet maken om de hoogte van de schade te laten vaststellen, bijvoorbeeld omdat hij het oneens is met de bevindingen van de expert van de verzekeraar. Die kosten, die de verzekerde dan dus moet maken (de bewijslast met betrekking tot de omvang van de schade rust dan ook nog altijd op hem), moeten door de verzekeraar worden vergoed.

2.10

Dat art. 7:959 lid 1 BW voorziet in een recht van de verzekerde op vergoeding door de verzekeraar van de kosten van zijn contra-expert, valt bovendien af te leiden uit de tekst van die bepaling. Daarin staat immers dat de redelijke kosten, gemaakt tot het vaststellen van de schade, ten laste van de verzekeraar komen. Het woord ‘redelijke’ duidt erop dat het alleen gaat om kosten die door de verzekerde zijn gemaakt en niet ook om kosten gemaakt door de verzekeraar. Waarom zou de wetgever de verzekeraar immers voorschrijven dat alleen de door hem gemaakte ‘redelijke’ kosten voor zijn rekening komen? Dat zou niet logisch zijn: de verzekeraar beslist zelf hoeveel geld hij besteedt aan een door hem in te schakelen expert. Het gaat bij art. 7:959 lid 1 BW dus om de verzekerde die zijn redelijke kosten vergoed moet krijgen. Daarbij maakt art. 7:959 lid 1 BW geen onderscheid tussen kosten gemaakt door de verzekerde in de situatie waarin nog niet een onderzoek is verricht door een door de verzekeraar ingeschakelde expert en de situatie waarin wel al zo’n onderzoek is verricht en de expert van de verzekerde als ‘contra’-expert moet worden aangemerkt.

2.11

Dat de verzekerde op grond van art. 7:959 lid 1 BW het recht heeft om de kosten van zijn contra-expert ten laste van de verzekeraar te brengen, ligt ook voor de hand, zoals het hof in rov. 3.6 van het bestreden arrest heeft overwogen. Het alternatief zou namelijk zijn dat de verzekerde, die schade heeft geleden en mogelijk niet ook nog eens een schade-expert kan betalen, genoegen zou moeten nemen met de bevindingen van de door de verzekeraar ingeschakelde en gefinancierde expert. De verzekerde hoeft niet zonder meer op die bevindingen te vertrouwen, nu die expert niet alleen geneigd zou kunnen zijn om met het oog op de bedrijfseconomische belangen van zijn opdrachtgever de schade zo laag als redelijkerwijs mogelijk in te schatten maar mogelijk ook organisatorisch verbonden is aan de verzekeraar. De verzekerde heeft er dus dikwijls25 belang bij dat hij een eigen expert kan inschakelen en dat de kosten van die expert ingevolge art. 7:959 lid 1 BW voor rekening van de verzekeraar komen.

2.12

Dat in een procedure als deze de spreekwoordelijke messen worden geslepen, is niet onbegrijpelijk, maar het thans door Achmea ingenomen standpunt verrast in die zin dat ook het Verbond van Verzekeraars ervan uitgaat dat de kosten van de contra-expert, mits ‘dubbel redelijk’, door de verzekeraar moeten worden vergoed.26

Tussenbalans

2.13

Art. 7:959 lid 1 BW voorziet in een recht van de verzekerde op vergoeding van de expertisekosten door de verzekeraar. Ook de kosten van de contra-expert die door de verzekerde is ingeschakeld, komen op die grondslag voor vergoeding in aanmerking. Hierbij geldt dat alleen expertisekosten die aan de dubbele redelijkheidstoets voldoen voor vergoeding in aanmerking komen. Of de kosten (dubbel) redelijk zijn, hangt af van de omstandigheden van het geval en is uiteindelijk ter beoordeling van de rechter.

2.14

Dat ook de kosten van de contra-expert voor vergoeding in aanmerking komen, impliceert dat de verzekerde, binnen de marges van de redelijkheid, vrijheid toekomt bij het kiezen van zijn (contra-)expert. In randnummer 2.35 e.v. kom ik hierop terug.

2.15

Gelet op art. 7:963 lid 6 BW is het de verzekeraar niet toegestaan om in de verzekeringsvoorwaarden bij een consumentenverzekering ten nadele van de verzekeringnemer of de verzekerde af te wijken van art. 7:959 lid 1 BW. Afwijken mag alleen voor zover de door verzekerde gemaakte bereddingskosten en/of expertisekosten het bedrag gelijk aan de verzekerde som overschrijden.

Mag een verzekeraar kwaliteitseisen stellen?

2.16

Met dat laatste is een brug geslagen naar de vraag waar het uiteindelijk om draait: is het een verzekeraar binnen het kader van art. 7:959 lid 1 in samenhang met art. 7:963 lid 6 BW toegestaan om in de relatie tot een consument-verzekerde in de verzekeringsvoorwaarden kwaliteitseisen te stellen waaraan de door de verzekerde gekozen (contra-)expert moet voldoen?27, 28

2.17

Voordat we aan deze vragen toekomen (randnummers 2.23 e.v. hierna), lijkt het mij goed om iets meer zicht te krijgen op het NIVRE en daarmee vergelijkbare organisaties. Het NIVRE is een stichting die volgens haar website29 in december 1991 werd opgericht met als doel het beroep expert te beschermen en waar mogelijk kwalitatief te verbeteren. Het NIVRE is opgericht, omdat er behoefte was aan kwalificatie van schade-experts en om de belangen van die beroepsgroep te behartigen. Op de website van het NIVRE staat het volgende:

“Het NIVRE is een stichting met als doel de bevordering en instandhouding van de deskundigheid en overige kwaliteiten van de beroepsuitoefening van deskundigen op het terrein van schadevaststelling en verwante deskundigheden. Daarnaast is het een platform en aanspreekpunt voor overleg tussen expertise-, inspectie- en taxatiebureaus en alle voor hen relevante partijen;

De ingeschrevenen mogen afhankelijk van het vakgebied, de beschermde titel(s) NIVRE-re’ NIVRE-rr, NIVRE-rd, of ‘rcf’ voeren. (…) In het Register staan experts met verschillende achtergronden, zoals experts die in loondienst zijn bij een verzekeringsmaatschappij, zelfstandige experts of experts die verbonden zijn aan een expertisebureau, maar ook zogeheten contra-experts en belangenbehartigers.
Het NIVRE kent 9 verschillende branches, waarvan er enkele in verband met efficiency bestuurlijk zijn samengevoegd. Eveneens kent het NIVRE gelieerde registers waarin deskundigen zijn ingeschreven die andere werkzaamheden verrichten dan schade-experts.”30

2.18

Het NIVRE doet aan permanente educatie: register-experts moeten PE-punten halen.31 Verder gelden er gedragsregels (niet te verwarren met de Gedragscode schade-expertise-organisaties van het Verbond van Verzekeraars)32 en kent het NIVRE een tuchtcollege.33

2.19

Er zijn verschillende soorten experts bij het NIVRE ingeschreven: experts die in loondienst zijn bij een verzekeraar, zelfstandig opererende experts, experts die zijn verbonden aan een expertisebureau, maar ook contra-experts en belangenbehartigers. Met ‘contra-experts’ is hier bedoeld: experts die uitsluitend contra-expertise-onderzoeken verrichten. Bij het NIVRE zijn ook experts te vinden die zowel schade-expertises als contra-schade-expertises verrichten.34

2.20

In een bericht op AMweb35 staat dat er zo’n 1.800 schade-experts staan ingeschreven in het register van NIVRE.36 Hoeveel daarvan zo nauw verbonden zijn met verzekeraars dat zij niet door verzekerden kunnen worden ingeschakeld, is mij echter niet bekend.

2.21

In een ander bericht op AMweb valt te lezen dat de stichting Verenigd Register van Taxateurs volgens een woordvoerder van Achmea is aan te merken als een “vergelijkbare beroepsorganisatie” in de zin van de Bedingen.37 In cassatie is echter van belang dat het hof in rov. 3.8 van het bestreden arrest heeft overwogen dat Achmea onvoldoende heeft toegelicht dat er met NIVRE vergelijkbare beroepsorganisaties bestaan. Nu Achmea in cassatie geen klacht tegen deze overweging heeft gericht, moet worden uitgegaan van een ontbreken van “vergelijkbare beroepsorganisaties”.

2.22

Om tot een antwoord op deze vraag te komen, bespreek ik hierna eerst kort de tekst en de wetsgeschiedenis van art. 7:959 lid 1 en art. 7:963 lid 6 BW, voor zover relevant, alsmede de rechtspraak. Daarna bespreek ik de literatuur. Die is, net als de rechtspraak overigens, (zeer) beperkt. Bij mijn weten heeft slechts een drietal auteurs zich meer of minder duidelijk over de hier centraal gestelde vraag uitgelaten: De Vries (en in haar kielzog een viertal advocaten van Nationale Nederlanden: Van Gerner & Vos en Schuurs & Riyazi), Van Driel, als jurist verbonden aan verzekeraar Allianz, en Hendrikse. Dat het aantal auteurs beperkt is, is in zoverre te verklaren dat het stellen van kwaliteitseisen aan de (contra)expert in de verzekeringsvoorwaarden een betrekkelijk nieuw fenomeen is. Deze rondgang vormt de basis voor mijn eigen antwoord op de hier centraal gestelde vraag.

Wettekst, wetsgeschiedenis en rechtspraak

2.23

De tekst en de wetsgeschiedenis van art. 7:959 lid 1 en art. 7:963 lid 6 BW geven geen uitdrukkelijk antwoord op de vraag of kwaliteitseisen als door Achmea in haar verzekeringsvoorwaarden gesteld zijn toegelaten. Ook over de rechtspraak kan ik kort zijn. Er is, afgezien van het bestreden arrest,38 geen rechtspraak waarin antwoord wordt gegeven op de vraag of voorwaarden als die van Achmea al dan niet in strijd zijn met art. 7:959 lid 1 in samenhang met art. 7:963 lid 6 BW.39

2.24

Ook in de literatuur is er als gezegd maar beperkte aandacht voor de vraag of de verzekeraar in de voorwaarden met betrekking tot consumentenverzekering kwaliteitseisen mag stellen. De schrijvers die zich hebben uitgelaten zijn bovendien verdeeld. Waar De Vries ruimte voor de verzekeraar ziet om kwaliteitseisen te stellen, lijkt Van Driel te twijfelen, terwijl Hendrikse van oordeel is dat de regeling van art. 7:959 lid 1 in samenhang met art. 7:963 lid 6 BW aan het stellen van kwaliteitseisen in de weg staat.

De Vries: art. 7:963 lid 6 BW biedt ruimte voor het stellen van kwaliteitseisen

2.25

De Vries is van opvatting dat art. 7:959 lid 1 BW kwaliteitseisen als door Achmea gesteld in beginsel niet toelaat, maar dat een redelijke uitleg van art. 7:963 lid 6 BW meebrengt dat niet ten nadele van de consument wordt afgeweken wanneer de verzekeraar kwaliteitseisen stelt.40 Daarom is volgens De Vries het stellen van kwaliteitseisen niet in strijd met de wet.

2.26

Met betrekking tot art. 7:959 lid 1 BW wijst zij erop dat voor het inhouden of verminderen van de uitkering voor expertisekosten op deze grondslag is vereist dat ofwel het inschakelen van de expert onredelijk was, ofwel dat de gerekende kosten niet redelijk zijn (de dubbele redelijkheidstoets, zie randnummer 2.7 hiervoor). Daarbij gaat het slechts om omstandigheden in relatie tot de schade: had de verzekerde redelijkerwijs bijstand nodig bij het vaststellen van de hoogte van de schade en zijn de kosten die daarmee gepaard zijn gegaan binnen redelijke proporties? Daarbinnen past niet, zo betoogt De Vries, dat de verzekeraar kwaliteitseisen stelt waaraan de contra-expert moet voldoen.41

2.27

Volgens De Vries brengt een redelijke uitleg van art. 7:963 lid 6 BW, als gezegd, echter mee dat niet ten nadele van de consument van art. 7:959 lid 1 BW wordt afgeweken wanneer de verzekeraar kwaliteitseisen stelt.42 Wanneer in de polisvoorwaarden wordt bepaald dat experts ingeschreven moeten zijn bij het NIVRE of een vergelijkbaar instituut, wordt volgens haar namelijk geen afbreuk gedaan aan hetgeen in art. 7:959 lid 1 BW is bepaald. Er is geen sprake van een algemene beperking van het recht van de verzekerde om de redelijke kosten ter vaststelling van de schade op de verzekeraar te verhalen. Kwaliteitseisen in een polisvoorwaarde kunnen daarentegen juist in het belang van de consumentverzekerde zijn. In die zin sluit de voorwaarde aan bij de meer algemene gedachte, ook in het verzekeringsrecht, dat de consument bescherming verdient. Verder valt volgens De Vries op dat in de wetsgeschiedenis van art. 7:963 lid 6 BW de nadruk wordt gelegd op het gegeven dat de verzekeraar de dekking voor de bereddingskosten niet mag beperken tot een bedrag dat lager is dan de verzekerde som. Aan de redelijke kosten ter vaststelling van de schade – de expertisekosten dus – wordt in de toelichting op art. 7:963 lid 6 BW nagenoeg geen aandacht besteed.43Daarmee lijkt er op dit punt wat speling te zijn”, aldus De Vries.

2.28

Volgens De Vries is een beding, waarin is opgenomen dat de expert ingeschreven moet zijn bij het NIVRE of een vergelijkbaar instituut, dus mede in het belang van de verzekerde. Eenieder kan zich in beginsel expert noemen, maar juist het stellen van deze voorwaarde van inschrijving maakt het mogelijk te controleren of de betrokken expert met recht claimt deskundig te zijn. Naar het oordeel van De Vries wordt met een dergelijke polisvoorwaarde dus niet ten nadele van de consumentverzekerde van art. 7:963 lid 6 BW afgeweken, zodat zij is toegestaan.44

2.29

Het standpunt van De Vries heeft steun gekregen van Van Gerner & Vos en Schuurs & Riyazi, die ook naar haar standpunt verwijzen. Van Gerner & Vos achten het denkbaar “dat polisvoorwaarden aan vergoeding van expertisekosten de voorwaarde verbinden, dat de expert aan bepaalde eisen voldoet”.45 Schuurs & Riyazi zijn van mening dat het stellen van een kwaliteitseis ten aanzien van de te benoemen deskundige geen inbreuk maakt op het recht van de verzekeringnemer op een contra-expertise, omdat een dergelijke kwaliteitseis niet leidt tot enige relevante beperking van het recht van de verzekeringnemer; de verzekeringnemer kan nog steeds de redelijke kosten ter vaststelling van de schade op de verzekeraar verhalen.46

Van Driel zet in op door de rechtspraak te verschaffen duidelijkheid

2.30

Van Driel lijkt gecharmeerd te zijn van het stellen van kwaliteitseisen, maar neemt geen definitief standpunt in en meent dat de rechtspraak de gewenste duidelijkheid zou moeten verschaffen.47

2.31

Wat Van Driel betreft mag van de verzekerde tenminste worden verwacht dat hij een contra-expert inschakelt die deskundig is. De kosten van een niet-deskundige contra-expert zullen immers niet voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets, nu inschakeling van een dergelijke expert geen zekerheid over het juiste schadebedrag geeft en daarom weinig of geen toegevoegde waarde heeft. Een inschrijving bij het NIVRE of een vergelijkbaar instituut is volgens Van Driel in ieder geval een objectieve indicator voor de deskundigheid. Daar stelt Van Driel echter tegenover dat het ontbreken van zo’n inschrijving niet noodzakelijkerwijs betekent dat de ingeschakelde expert niet deskundig is.

2.32

Net als De Vries wijst Van Driel erop dat art. 7:963 lid 6 BW zich enkel verzet tegen afwijken van art. 7:959 lid 1 BW ‘ten nadele’ van de consument-verzekerde. Het is volgens hem zeer de vraag of het vereisen van inschrijving bij het NIVRE of een vergelijkbaar instituut nadelig is voor de verzekerde. Een dergelijk vereiste beperkt in ieder geval niet de omvang van de kostenvergoeding. Evenmin valt aan te nemen dat de verzekerde geen redelijke selectie van experts meer ter beschikking zou staan, nu een groot aantal experts over de benodigde inschrijving beschikt. Betoogd kan zelfs worden dat een dergelijk vereiste in het belang van de verzekerde is, omdat het kan voorkomen dat hij in zee gaat met een mogelijk niet deskundige partij. Van Driel neigt daarmee meer naar de opvatting van De Vries dan naar de hierna te bespreken opvatting van Hendrikse. Ik herhaal echter dat Van Driel geen definitief standpunt inneemt en ontwikkelingen in de rechtspraak afwacht.

Hendrikse zit op een ander spoor dan De Vries (en haar medestanders)

2.33

Hendrikse komt tot een ander oordeel dan De Vries.48 Indien in de verzekeringsvoorwaarden van een consumentenverzekering wordt bepaald dat (volledige) vergoeding van de kosten van de contra-expert alleen aan de orde is als die expert is aangesloten bij het NIVRE of een vergelijkbaar instituut, is dat volgens hem in strijd met art. 7:959 lid 1 jo. art. 7:963 lid 6 BW. Hij is het met De Vries eens dat bij de vraag of er sprake is van redelijke kosten in de zin van art. 7:959 lid 1 BW alleen omstandigheden met betrekking tot de schade van belang zijn: had de verzekerde redelijkerwijs hulp nodig bij de afwikkeling van de schade en zijn de gemaakte kosten binnen redelijke grenzen gebleven? Een oordeel over de vraag of de expert over de vereiste kwalificaties beschikt, past daar niet bij. Art. 7:959 lid 1 BW laat dus geen ruimte voor voorwaarden gesteld aan de expert.

2.34

Anders dan De Vries ziet Hendrikse echter geen speling door hetgeen in art. 7:963 lid 6 BW is bepaald. Hij ziet niet waaruit volgt dat art. 7:963 lid 6 BW de nadruk legt op bereddingskosten. Volgens hem is de beschermingsgedachte van deze bepaling een andere dan die waarvan De Vries uitgaat:49 de verzekerde mag ervan uitgaan dat zijn expertisekosten vergoed worden voor zover het om redelijke kosten gaat. Een beperking tot contra-experts die zijn aangesloten bij het NIVRE of een vergelijkbaar instituut, blijft, ook al is geen sprake van een algemene beperking van het recht van de verzekerde de kosten van zijn contra-expert door de verzekeraar vergoed te krijgen, een beperking van de vrijheid die de verzekerde ingevolge art. 7:959 lid 1 BW toekomt. Art. 7:963 lid 6 BW verzet zich daartegen. De verzekeraar kan de consument-verzekerde, zo stelt Hendrikse, in een individueel geval alleen tegenwerpen dat het niet gaat om redelijke kosten.50 Ik begrijp dat aldus dat algemene kwaliteitseisen, zoals door Achmea in haar algemene voorwaarden gesteld, volgens Hendrikse in strijd zijn met art. 7:959 lid 1 jo. art. 7:963 lid 6 BW.

Eigen opvatting

2.35

Rechtspraak en literatuur geven dus geen duidelijk beeld. Uit de wetsgeschiedenis en uit (een redelijke uitleg van de) wet volgt echter dat art. 7:959 lid 1 BW de verzekerde recht geeft op een (contra-)expert op kosten van de verzekeraar (randnummers 2.9, 2.10 en 2.11 hiervoor). Ook is duidelijk dat de wet één enkele voorwaarde verbindt aan het recht op kostenvergoeding: de kosten moeten redelijk zijn op een zelfde manier als bij art. 6:96 BW. Ook hier geldt dus een dubbele redelijkheidstoets.51 Of aan deze maatstaf is voldaan, hangt af van de omstandigheden van het geval. Binnen deze marges komt de verzekerde keuzevrijheid toe tegenover de verzekeraar en kan hij dus zelf bepalen wie hij als (contra-)expert inschakelt.

2.36

Naar mijn idee krijgt het belang van de vrijheid van verzekerde om een ‘eigen’ expert in het schakelen, te weinig aandacht in de literatuur. Dat belang van de verzekerde is groot: hij staat bij het vaststellen van de schade tegenover de verzekeraar, die zich in dat traject (inschakelen expert, voorstel aan verzekerde etc.) uiteraard door bedrijfseconomische afwegingen laat leiden. De nadruk ligt wat mij betreft teveel op het gegeven dat kwaliteitseisen geen afbreuk doen aan het recht op kostenvergoeding als zodanig en evenmin aan de omvang van de kostenvergoeding waarop verzekerde recht heeft. Het belang bij een eigen expert en de vrijheid om die zelf te kiezen, sneeuwt zo onder. De regeling van art. 7:959 lid 1 BW en de in dat verband geldende dubbele redelijkheidstoets legt echter niet alleen een recht op (volledige) kostenvergoeding vast, maar waarborgt ook dat de verzekerde binnen de marges van deze toets keuzevrijheid heeft tegenover de verzekeraar en dus zelf kan bepalen wie hij als (contra-)expert inschakelt. Daarmee is in strijd dat de verzekeraar categorische kwaliteitseisen aan de contra-expert stelt, die een vergaande abstracte invulling van de redelijkheid inhouden en daarmee niet alleen de keuzevrijheid van de verzekerde beperken, maar ook de beoordeling van de redelijkheid voor een deel onttrekken aan de (in uiterste instantie rechterlijke) beoordeling van keuzes van de verzekerde in de omstandigheden van het geval.

2.37

Het staat de verzekeraar uiteraard, conform de wet, vrij om in een concreet geval aan te voeren dat de kosten van de door de verzekerde ingeschakelde (contra-)expert niet redelijk zijn, omdat deze niet aan bepaalde kwaliteitseisen voldoet of gewoonweg niet deskundig is, zodat de daarmee gemoeide kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen.52 Theoretisch is denkbaar dat de rechter de verzekeraar in het gelijk stelt, omdat de verzekerde Beun de Haas als contra-expert heeft ingeschakeld, wiens ‘kosten’, nu zij met deskundige bijstand niets te maken hebben, uiteraard niet voor rekening van de verzekeraar behoren te komen.

2.38

Hier gebeurt echter iets anders. In plaats van het achteraf bestrijden van een individuele beslissing van een verzekerde in het concrete geval, wordt hier vooraf op een abstracte manier invulling gegeven aan (een deel) van voornoemde wettelijke voorwaarde (de dubbele redelijkheidstoets). Daaraan kleven bezwaren: eerst en vooral de reeds door mij genoemde beperking van de keuzevrijheid die op grond van art. 7:959 lid 1 BW toekomt aan de verzekerde ten opzichte van zijn verzekeraar. Dit bezwaar verdient nadruk, omdat ten eerste niet aannemelijk is dat deskundige bijstand buiten de door de kwaliteitseisen gestelde kaders niet mogelijk is en we ten tweede niet zonder meer ervan kunnen uitgaan dat een eventuele nu bestaande keuzeruimte voor verzekerden (binnen het NIVRE of bij andere met het NIVRE vergelijkbare organisaties) ook in de toekomst gewaarborgd zal zijn.

2.39

Daar komt bij dat zo’n categorische invulling van de dubbele redelijkheidstoets verder gaat dan nodig is. Ik heb er al op gewezen dat binnen die toets rekening kan worden gehouden met het eventuele gebrek aan deskundigheid van de door de verzekerde ingeschakelde expert. Zo kan de verzekeraar de noodzaak om die expert in te schakelen betwisten, of de redelijkheid van de door die expert gemaakte kosten. Bovendien zijn minder vergaande oplossingen dan harde kwaliteitseisen ook denkbaar. Zo kan men zich voorstellen dat de verzekeraar in de polis, bijvoorbeeld in de toelichting bij bepaalde polisvoorwaarden, ter voorkoming van onderlinge discussie achteraf aandringt op het inschakelen door verzekerde van een deskundige verbonden aan NIVRE of een vergelijkbaar instituut als contra-expert. De verzekeraar kan daarbij ook uitleggen waarom (opleiding, ervaring, permanente educatie, gedragsregels, tuchtrecht) en kan daar nadrukkelijk bij zeggen: “Dat is ook in Uw belang!” Hoe beter dat verhaal, des te effectiever zal het zijn. Tegelijkertijd blijft er dan ruimte voor een verzekerde om zijn eigen keuze te maken, met alle voor- en nadelen (zoals eventuele discussie met de verzekeraar achteraf) van dien.

2.40

Net zo min als Hendrikse zie ik dus dat art. 7:959 lid 1 jo. 7:963 lid 6 BW ruimte zou laten voor het stellen van categorische kwaliteitseisen door verzekeraar in de relatie tot een consument-verzekerde. Anders dan De Vries ben ik van oordeel dat dergelijke eisen wel degelijk ten nadele van de consument-verzekerde afwijken van art. 7:959 lid 1 BW, namelijk op het punt van de aldaar neergelegde keuzevrijheid voor verzekerde. Dat in de parlementaire geschiedenis eigenlijk alleen aandacht is besteed aan (beperking van het) recht op vergoeding van de bereddingskosten kan niet alsnog ruimte creëren die tekst en systeem van art. 7:959 lid 1 en art. 7:963 lid 6 BW niet geven.

Slotsom

2.41

De slotsom luidt dat, anders dan Achmea betoogt, art. 7:959 lid 1 BW voorziet in een recht van de verzekerde op vergoeding door de verzekeraar van de (redelijke) kosten van zijn contra-expert. Daarbij zijn, als de verzekering een consumentenverzekering betreft, kwaliteitseisen zoals die door Achmea worden gesteld – waaronder de eis dat de contra-expert moet zijn ingeschreven bij het NIVRE – in strijd met dwingend recht (art. 7:959 lid 1 in samenhang met art. 7:963 lid 6 BW) en daarmee vernietigbaar (art. 3:40 lid 2 BW).

3 Bespreking van het cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel van Achmea bestaat uit vier onderdelen:

- het eerste onderdeel is gericht tegen rov. 3.5 en 3.6 van het bestreden arrest, waarin het hof tot het oordeel is gekomen dat óók de kosten voor een contra-expert voor vergoeding door de verzekeraar in aanmerking komen, mits voldaan is aan de dubbele redelijkheidstoets;

- het tweede onderdeel ziet op de overweging van het hof in rov. 3.8 dat de eisen die het NIVRE stelt om als NIVRE Register-Expert te kunnen worden ingeschreven en geregistreerd vrij stringent zijn;

- het derde onderdeel keert zich tegen het oordeel van het hof in rov. 3.9 dat de Bedingen in strijd zijn met art. 7:959 lid 1 BW voor zover daarin is bepaald dat enkel kosten die zijn gemaakt voor contra-experts die aan de (kwaliteits)eisen uit de polisvoorwaarden voldoen, voor vergoeding in aanmerking komen;

- het vierde en tevens laatste onderdeel richt klachten tegen het oordeel van het hof in rov. 3.10 dat de door Achmea gestelde kwaliteitseisen in het belang van consumenten kunnen zijn, maar daarvoor geen zekerheid bieden en bovendien de keuzevrijheid van consumenten beperken.

Onderdeel 1 – Kosten contra-expert vallen niet onder art. 7:959 lid 1 BW

3.2

Volgens Achmea heeft het hof in rov. 3.5-3.6 miskend dat de kosten van een door de verzekerde ingeschakelde contra-expert niet voor vergoeding door de verzekeraar in aanmerking komen op grond van art. 7:959 lid 1 BW. Zij voert aan dat contra-expertisekosten slechts dan voor vergoeding in aanmerking komen als de verzekeraar bij een gedekt evenement de schade te laag vaststelt en de verzekerde een contra-expert inschakelt, waarna (al dan niet in rechte) een hogere uitkering wordt vastgesteld. In een dergelijk geval pleegt de verzekeraar met zijn te lage vaststelling wanprestatie, waardoor de verzekeraar jegens de verzekerde vergoeding van de contra-expertisekosten is verschuldigd op grond van art. 6:96 lid 2 sub b BW. Achmea geeft aan dat zij deze rechtsvraag omwille van de rechtszekerheid aan Uw Raad voorlegt.53 Zij benadrukt dat in haar verzekeringsvoorwaarden is opgenomen dat contra-expertisekosten worden vergoed. In haar visie wijkt zij daarmee positief af van de wet. Uitgaande van deze visie, zou zij wel eisen mogen stellen aan de contra-expert.54

3.3

De klacht faalt. De kosten van een door de verzekerde ingeschakelde contra-expert komen, voor zover aan de dubbele redelijkheidstoets is voldaan, wel degelijk op grond van art. 7:959 lid 1 BW voor vergoeding door de verzekeraar in aanmerking (randnummers 2.7, randnummers 2.13 tot en met 2.15, randnummer 2.35 en randnummer 2.41 hiervoor).

3.4

Voor de in het onderdeel naar voren gebrachte opvatting van Achmea dat de kostenvergoeding is beperkt tot het geval van wanprestatie door de verzekeraar bij de schadevaststelling en in dat geval is gebaseerd op rechtstreekse toepassing van (art. 6:74 jo.) art. 6:96 lid 2, aanhef en onder b, BW, is geen steun te vinden in de tekst van art. 7:959 lid 1 BW en evenmin in de wetsgeschiedenis (randnummers 2.7 en 2.9 hiervoor). Ook in de literatuur wordt deze opvatting bij mijn weten niet verdedigd.55

Onderdeel 2 – Oordeel dat eisen inschrijving NIVRE vrij stringent zijn, is onbegrijpelijk

3.5

Dit onderdeel is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 3.8 dat de eisen die het NIVRE stelt om als NIVRE Register-Expert te kunnen worden ingeschreven en geregistreerd vrij stringent zijn en het door het hof in dit verband gegeven voorbeeld dat een NIVRE Register-Expert ten minste drie jaar hoofdzakelijk (70% van de werkbare tijd) werkzaam moet zijn als schade-expert in de branche waarvoor een aanvraag wordt ingediend.

3.6

Achmea voert aan dat dit oordeel van het hof onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd in het licht van de stellingen van partijen. OSN noch Achmea heeft immers gesteld dat de eisen om als NIVRE Register-Expert te kunnen worden ingeschreven en geregistreerd vrij stringent zijn, omdat een NIVRE Register-Expert (onder meer) ten minste drie jaar hoofdzakelijk (70% van de werkbare tijd) werkzaam zijn als schade-expert in de branche waarvoor een aanvraag wordt ingediend. Integendeel: OSN heeft juist (in randnummer 5. van haar conclusie van repliek) gesteld dat de eisen die aan een NIVRE-expert worden gesteld bescheiden zijn, waarbij OSN onder meer expliciet heeft verwezen naar de door het hof aangehaalde eis dat een NIVRE Register-Expert ten minste drie jaar hoofdzakelijk (70% van de werkbare tijd) werkzaam is als schade-expert in de branche waarvoor een aanvraag wordt ingediend.

3.7

De klacht faalt. In randnummer 5. van de conclusie van repliek van OSN staat het volgende:

“Ombudsman [OSN, A-G] merkt op dat het in beginsel onjuist is om een lidmaatschap van enige vereniging synoniem te achten aan kwaliteit, deskundigheid of integriteit. Ook dient de term “register-expert” in het licht gezien te worden van het feit dat het niveau op Middelbaar Beroeps Onderwijs is te stellen. De eisen die aan een NIVRE-expert worden gesteld, zijn bescheiden (…):

Onmiddellijk voorafgaand aan de inschrijving/registratie als NIVRE Register-Expert dient de aanvrager aansluitend aan de datum van aanvraag:

ten minste drie jaren hoofdzakelijk (70% van de werkbare tijd) werkzaam te zijn als schade-expert in de branche waarvoor een aanvraag wordt ingediend;

alle vereiste opleidingen aantoonbaar met goed gevolg te hebben afgerond;

een natuurlijk persoon te zijn;

van onbesproken gedrag te zijn;

aantoonbaar verzekerd te zijn voor Beroepsaansprakelijkheid;

een Verklaring Omtrent het Gedrag. (…)

Een schade-expert die alle basisopleidingen aantoonbaar met goed gevolg heeft afgerond kan, mits wordt voldaan aan de overige inschrijving/registratie-eisen, een aanvraag indienen om te worden ingeschreven als Kandidaat Nivre Register-Expert, voor een éénmalige periode van maximaal vier jaar.”

3.8

OSN heeft met haar stelling dat de eisen die aan (de opleiding van) NIVRE-experts worden gesteld, bescheiden zijn, bedoeld dat een expert die aan die vereisten voldoet niet noodzakelijk ook werk van kwaliteit aflevert, deskundig is en integer is (zie immers de eerste twee zinnen van het citaat en ook randnummer 6. van de conclusie van repliek waarin OSN aanvoert dat ook de interne tuchtrechtspraak van het NIVRE geen garantie op het voorkomen van uitwassen biedt). Daarbij legt OSN, anders dan Achmea suggereert,56 niet de nadruk op een of meer specifieke eisen van het NIVRE. Dat doet het hof wel, maar daarbij legt het hof juist een ander accent dan OSN. De eis van het NIVRE, dat een NIVRE Register-Expert ten minste drie jaar hoofdzakelijk (70% van de werkbare tijd) werkzaam moet zijn als schade-expert in de branche waarvoor een aanvraag wordt ingediend, mag in de opvatting van OSN dan geen garantie voor kwaliteit opleveren, volgens het hof in rov. 3.8 is die eis van het NIVRE wel vrij stringent. Het is duidelijk dat het hof daarbij doelt op de barrière die deze eis kan vormen voor degenen die NIVRE Register-Expert willen worden. Met andere woorden: volgens het hof kan deze eis streng uitpakken. Deze overweging is niet onbegrijpelijk. Niet iedere aanvrager immers zal ten tijde van de aanvraag al drie jaar lang 70% van de werkbare tijd als expert werkzaam zijn, dit dan kennelijk buiten het NIVRE om. Zo bekeken staat de overweging van het hof niet haaks op de stelling van OSN.

Onderdeel 3 – De objectieve maatstaven waaraan een contra-expert moet voldoen

3.9

Dit onderdeel valt uiteen in twee subonderdelen, waarbij onderdeel 3.2 op haar beurt weer uiteenvalt in drie sub-subonderdelen. Het onderdeel keert zich tegen (i) het oordeel van het hof in rov. 3.9 dat de Bedingen in strijd zijn met art. 7:959 lid 1 BW voor zover daarin is bepaald dat enkel kosten die zijn gemaakt voor contra-experts die aan de (kwaliteits)eisen uit de polisvoorwaarden voldoen, voor vergoeding in aanmerking komen; en (ii) de conclusie van het hof in rov. 3.12 dat de Bedingen in strijd zijn met art. 7:959 BW en daarmee – in het kader van art. 6:240 BW – ook onredelijk bezwarend.

3.10

De in subonderdeel 3.1 en subonderdeel 3.2 naar voren gebrachte rechtsklachten falen. Ik licht dat toe.

3.11

Volgens Achmea heeft het hof miskend bij zijn oordeel in rov. 3.9 (hierop ziet subonderdeel 3.1) en bij zijn oordeel in rov. 3.12 (hierop ziet subonderdeel 3.2, uitgewerkt in sub-subonderdelen 3.2.1 tot en met 3.2.3) dat de Bedingen enkel waarborgen dat de deskundige voldoet aan de kwaliteitseisen waaraan een deskundige minimaal moet voldoen om naar objectieve maatstaven redelijkerwijs in staat te kunnen worden geacht een deskundig advies uit te brengen. De Bedingen kunnen volgens haar (dan ook) niet anders worden begrepen dan als een uitdrukking van het in art. 7:959 lid 1 BW gebruikte begrip ‘redelijk’. Deze rechtsklachten falen, nu zij alle uitgaan van dezelfde onjuiste rechtsopvatting. De door Achmea gestelde, categorische kwaliteitseisen zijn in strijd met art. 7:959 lid 1 jo. art. 7:963 lid 6 BW (zie randnummers 2.35 tot en met 2.41 hiervoor). Het hof heeft het in rov. 3.9 en rov. 3.12 bij het rechte eind gehad.

3.12

Duidelijkheidshalve merk ik hier op dat dus niet alleen in subonderdeel 3.1, maar ook in subonderdeel 3.2 en de uitwerking daarvan in sub-subonderdelen 3.2.1 tot en met 3.2.3 rechtsklachten worden aangevoerd:

- in subonderdeel 3.2 (“Het hof heeft de in subonderdeel 3.1 verdedigde rechtsopvatting miskend (…)” (p. 5 procesinleiding);

- in sub-subonderdeel 3.2.1 (“Dit maakt dat 's hofs oordeel onjuist is (…)” (p. 6 procesinleiding);

- in sub-subonderdeel 3.2.2 (“Door desondanks te oordelen dat Beding sub b in strijd is met artikel 7:959 lid 1 BW, heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting (…)”) (p. 7 procesinleiding);

- in sub-subonderdeel 3.2.3 (“Het hof heeft met vernoemd oordeel dan ook blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting” (p. 8 procesinleiding).

Nu al deze rechtsklachten falen (randnummer 3.11 hiervoor), zal ik hierop verder niet meer ingaan in mijn bespreking van subonderdeel 3.2. Ik zal alleen nog ingaan op de in subonderdeel 3.2 aangevoerde motiveringsklachten.

3.13

In subonderdeel 3.2 voert Achmea een aantal motiveringsklachten aan, die zij heeft uitgewerkt in sub-subonderdelen 3.2.1 tot en met 3.2.3. Volgens Achmea heeft het hof zijn oordeel in rov. 3.12, dat de Bedingen in strijd zijn met art. 7:959 BW en daarmee – in het kader van art. 6:240 BW – ook onredelijk bezwarend, onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.

3.14

Deze motiveringsklachten zijn vergeefs voorgesteld.

3.15

Sub-subonderdeel 3.2.1 ziet op het onderdeel van de Bedingen inhoudende dat slechts de kosten worden vergoed van experts die zijn ingeschreven in het register van het NIVRE of bij een vergelijkbare beroepsorganisatie. Het hof heeft in rov. 3.8 geoordeeld dat (i) niet is uitgesloten dat een contra-expert die niet aan de door Achmea gestelde voorwaarden voldoet toch in staat is een kwalitatief goede contra-expertise uit te voeren en (ii) aannemelijk is dat er deskundigen zijn die niet voldoen aan de voor inschrijving bij het NIVRE benodigde vereisten maar toch over voldoende expertise beschikken om een contra-expertise te kunnen uitvoeren. Volgens Achmea heeft het hof niet voldoende (begrijpelijk) gemotiveerd waarom de eis dat een expert moet zijn ingeschreven bij het NIVRE of een vergelijkbare beroepsorganisatie geen minimumeis zou zijn waaraan een deskundige moet voldoen om naar objectieve maatstaven voldoende deskundig te worden geacht. Deze vraag heeft het hof niet beantwoord met zijn overweging dat er mogelijk deskundigen zijn die niet voldoen aan de voor inschrijving bij het NIVRE benodigde vereisten maar toch over voldoende expertise beschikken om een contraexpertise te kunnen uitvoeren.

3.16

Deze motiveringsklacht faalt. De overwegingen van het hof in rov. 3.8 en 3.9 zijn voldoende begrijpelijk. Volgens het hof kan niet worden uitgesloten dat een contra-expert die niet aan de door Achmea gestelde kwaliteitseisen voldoet, waaronder dus de eis van inschrijving bij het NIVRE, toch in staat is om een kwalitatief goed expertiserapport te vervaardigen (rov. 3.8, vijfde zin). Deze overweging, die inhoudt dat de genoemde eis niet als minimumeis kan gelden, is niet onbegrijpelijk. De eis van inschrijving als door Achmea gesteld kan zeker bijdragen aan deskundigheid en kwaliteit, maar kan deskundigheid en kwaliteit niet (a) monopoliseren en, zoals het hof ook heeft overwogen (rov. 3.10, vijfde zin) ook niet (b) garanderen. Deskundigheid en kwaliteit zijn zeer wel denkbaar, ook zonder dat aan deze voorwaarde is voldaan. Goed voorstelbaar is bijvoorbeeld dat een contra-expert die zijn vak al jaren uitoefent en verbonden is aan een expertisebureau dat al jaren bestaat, in staat is een adequaat expertiserapport te vervaardigen, ook al is hij of zij niet bij het NIVRE ingeschreven.

3.17

Achmea klaagt vervolgens dat de motivering van het oordeel van het hof temeer onvoldoende is in het licht van haar betoog dat de kosten van een expert die niet voldoet aan kwaliteitseisen die door een beroepsorganisatie worden opgesteld en gecontroleerd niet voor vergoeding ex art. 7:959 lid 1 BW in aanmerking komen. Achmea citeert daarbij uit het Handboek Schaderegeling Motorrijtuigen.57

3.18

Ook deze klacht faalt. In rov. 3.8 en 3.9 heeft het hof dit betoog van Achmea op begrijpelijke wijze verworpen (randnummer 3.16 hiervoor). Specifiek met betrekking tot de kwaliteitseis van Achmea dat de expert moet zijn ingeschreven bij het NIVRE of bij een vergelijkbare beroepsorganisatie merk ik op dat het hof aan het slot van rov. 3.8 heeft overwogen dat Achmea onvoldoende heeft toegelicht dat zulke beroepsorganisaties bestaan.

3.19

Van Driel is in het Handboek Schaderegeling Motorrijtuigen overigens minder uitgesproken dan Achmea hier doet voorstellen. Hij heeft inderdaad opgemerkt dat een inschrijving bij het NIVRE of een vergelijkbaar instituut in ieder geval een objectieve indicator voor de deskundigheid van de expert is. Daar stelt hij echter tegenover dat het ontbreken van zo’n inschrijving niet noodzakelijkerwijs betekent dat de ingeschakelde expert niet deskundig is (randnummer 2.31 hiervoor). Van Driel heeft zelf ook geen definitief standpunt ingenomen met betrekking tot de juridische houdbaarheid van de door Achmea gestelde kwaliteitseisen. Volgens hem zal de rechtspraak duidelijkheid moeten verschaffen (randnummer 2.32 hiervoor).

3.20

Sub-subonderdeel 3.2.2 ziet op het onderdeel van de Bedingen dat een “vergelijkbare beroepsorganisatie” zich moet houden aan de Gedragscode. Volgens Achmea is het oordeel van het hof dat dit beding in strijd is met art. 7:959 lid 1 BW onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd in het licht van haar betoog dat in de Gedragscode (i) de basisnormen betrouwbaarheid, professionaliteit, kennis en kunde, helderheid, communicatie en efficiency, integriteit en objectiviteit voor experts zijn uitgewerkt en (ii) is voorzien in een met afdoende waarborgen omklede rechtsgang om klachten over de naleving van de Gedragscode aan een onafhankelijke deskundige geschillenbeslechter voor te leggen. Volgens Achmea heeft het hof onvoldoende (kenbaar) gerespondeerd op dit betoog.

3.21

De klacht faalt, nu de motivering van het hof door de beugel kan. Het laat zich immers heel goed voorstellen dat een contra-expert, die niet aan de Gedragscode van het Verbond van Verzekeraars is gebonden en die niet het oordeel van een onafhankelijke deskundige geschillenbeslechter hoeft te vrezen, toch in staat is een kwalitatief goede contra-expertise te verrichten.58 Zo’n contra-expert moet, gelet op de keuzevrijheid die de verzekerde op grond van art. 7:959 lid 1 BW toekomt, door de verzekerde gekozen kunnen worden en diens kosten behoren op die grond ook voor vergoeding in aanmerking te komen.

3.22

Sub-subonderdeel 3.2.3 ziet op het onderdeel van de Bedingen dat de statuten en reglementen van een “vergelijkbare beroepsorganisatie” een duidelijke klacht- en tuchtprocedure moeten bevatten, alsmede eisen voor permanente opleiding van experts. Achmea klaagt dat het oordeel van het hof dat dit beding in strijd is met art. 7:959 lid 1 BW onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Achmea wijst er in dit verband op dat het hof in rov. 3.8 heeft geoordeeld dat (i) het in het belang van een verzekerde is dat een ingeschakelde contra-expert aan minimum kwaliteitseisen voldoet, (ii) de in de polisvoorwaarden omschreven eisen daaraan zouden kunnen bijdragen en (iii) het zonder meer in het belang van een verzekerde is dat een expert aan permanente educatie doet en er een tuchtrechtelijke procedure bestaat waaraan de expert zich onderwerpt. Volgens Achmea valt zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet in te zien dat de onder (iii) genoemde eisen geen kwaliteitseisen zouden betreffen waaraan een deskundige minimaal moet voldoen om naar objectieve maatstaven redelijkerwijs in staat te kunnen worden geacht een deskundig advies uit te brengen. Bovendien pleiten de onder (i)-(iii) weergegeven overwegingen voor haar standpunt59 dat van de verzekerde mag worden verwacht dat hij een contra-expert inschakelt die deskundig is, zodat niet (zonder nadere motivering) valt in te zien hoe het hof in weerwil van deze overwegingen tot de conclusie heeft kunnen komen dat het beding in strijd is met art. 7:959 lid 1 BW. Achmea voert aan dat het beding (zeker in het licht van haar stellingen en de vaststellingen van het hof) een waarborg is dat de deskundige voldoet aan minimum-kwaliteitseisen waaraan een deskundige moet voldoen om naar objectieve maatstaven redelijkerwijs in staat te kunnen worden geacht een deskundig advies uit te brengen.

3.23

Ook deze klacht faalt. De klacht levert niets dan een herhaling van zetten op. Ik verwijs dan ook naar mijn bespreking van de motiveringsklachten uit de sub-subonderdelen 3.2.1 en 3.2.2 (randnummers 3.18, 3.19 en 3.21 hiervoor). Ik merk hier wel nog op dat, anders dan Achmea aanvoert, het hof het standpunt van Achmea dat van de verzekerde mag worden verwacht dat hij een contra-expert inschakelt die deskundig is, niet heeft miskend. Het hof is in rov. 3.9 enkel tot het oordeel gekomen dat niet per se hoeft te zijn voldaan aan de door Achmea gestelde kwaliteitseisen: denkbaar is immers dat een contra-expert die niet aan die kwaliteitseisen voldoet, toch in staat is een goede contra-expertise te verrichten. Zoals ik in mijn bespreking van de motiveringsklachten uit de sub-subonderdelen 3.2.1 en 3.2.2 heb uitgelegd, is dit oordeel van het hof niet onbegrijpelijk.

Onderdeel 4 – De gestelde kwaliteitseisen zijn in het belang van de verzekerden

3.24

Onderdeel 4 valt uiteen in drie subonderdelen. Het onderdeel is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 3.10 dat de door Achmea gestelde kwaliteitseisen in het belang van consumenten kunnen zijn, maar daarvoor geen zekerheid bieden en bovendien de keuzevrijheid van consumenten beperken. Het onderdeel keert zich ook tegen de gevolgtrekking die het hof maakt in rov. 3.12.

3.25

Achmea voert in subonderdeel 4.1 aan dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van art. 7:959 lid 1 BW is uitgegaan, voor zover het hof in rov. 3.10 (in samenhang met rov. 3.12) heeft geoordeeld dat de omstandigheden dat (i) de door Achmea in de polisvoorwaarden gestelde kwaliteitseisen geen (absolute) zekerheid geven dat de expert ook daadwerkelijk deskundig is en (ii) de keuzevrijheid van de verzekerde wordt beperkt, (zonder meer) meebrengen dat ten nadele van de verzekerde wordt afgeweken van art. 7:959 lid 1 BW. Het hof heeft in dat geval miskend dat de vraag of sprake is van afwijking ten nadele van de verzekerde, zoals bedoeld in art. 7:963 lid 6 BW, afhangt van een weging van alle gevolgen van de afwijking, en niet van geïsoleerde (nadelige) aspecten daarvan.

3.26

De klacht faalt. Het hof is tot de slotsom gekomen dat de door Achmea gestelde kwaliteitseisen in het nadeel van verzekerden afwijken van de keuzevrijheid die verzekerden op grond van art. 7:959 lid 1 BW toekomt (rov. 3.9, rov. 3.10 en rov. 3.12). Anders dan het subonderdeel naar voren brengt, kon het hof tot deze slotsom komen, zonder een verdere “weging van alle gevolgen van de afwijking” te hoeven maken. Met name hoefde het hof de geconstateerde nadelige afwijking van de keuzevrijheid die art. 7:959 lid 1 BW biedt niet af te wegen tegen de mogelijke positieve effecten van de door Achmea gestelde kwaliteitseisen, die het hof overigens wel heeft onderkend (rov. 3.8, eerste en tweede zin en rov. 3.10, derde en vierde zin). Die positieve effecten kunnen immers de geconstateerde afwijking ten nadele niet helen. Met andere woorden: ook met inachtneming van deze positieve effecten van de kwaliteitseisen van Achmea blijft sprake van een op grond van art. 7:963 lid 6 BW niet-toegestane afwijking van art. 7:959 lid 1 BW. Een individuele verzekerde die de inschakeling van een bepaalde deskundige contra-expert op het oog heeft, kan niet worden tegengeworpen dat de redelijke kosten van die deskundige niet zullen worden vergoed, omdat er kwaliteitseisen gelden die verzekerden op meer algemeen niveau beogen te beschermen.

3.27

Achmea klaagt in subonderdeel 4.2 dat het hof zijn oordeel onvoldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd, voor zover het in rov. 3.10 (in samenhang met rov. 3.12) heeft geoordeeld dat de nadelen van de afwijking van art. 7:959 lid 1 BW zwaarder wegen dan de voordelen daarvan. Het hof heeft immers niet (voldoende) gemotiveerd waarom het nadeel (beperking keuzevrijheid) dat kleeft aan de door Achmea gestelde kwaliteitseisen zwaarder zou moeten wegen dan het voordeel ((tot op zekere hoogte) deskundigheid waarborgen).

3.28

Deze klacht mist feitelijke grondslag. Het hof heeft in rov. 3.10 geen afweging gemaakt tussen de voordelen en nadelen van de door Achmea geïntroduceerde afwijking van art. 7:959 lid 1 BW. Het hof heeft met zijn overwegingen in rov. 3.10 enkel inhoudelijk gereageerd op de stelling van Achmea dat de kwaliteitseisen geen nadelige afwijking van art. 7:959 lid 1 BW opleveren omdat die verzekerden beschermen tegen minder geschikte contra-experts. Tot het maken van zo’n afweging was het hof ook niet gehouden (randnummer 3.26 hiervoor).

3.29

Volgens Achmea is het oordeel van het hof bovendien onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd in het licht van de door Achmea ingenomen stellingen, die het hof niet (voldoende) kenbaar bij zijn beoordeling heeft betrokken. Het gaat om de door Achmea aangehaalde standpunten van Van Tiggele van der Velde60 en De Vries61 en de stellingen dat een inschrijving bij het NIVRE of een vergelijkbaar instituut in ieder geval een objectieve indicator van de deskundigheid is en garanties biedt dat een expert aan bepaalde kwaliteitseisen voldoet,62 dat een verzekerde meer dan voldoende keuze heeft,63 en dat zeer veel schade-experts in Nederland zijn ingeschreven in het register van het NIVRE en hiervan een aanzienlijk deel uitsluitend als contra-expert (dus alleen voor verzekerden) optreedt.64 Hieruit volgt volgens Achmea dat het vereisen van inschrijving bij het NIVRE of een vergelijkbaar instituut onderaan de streep niet nadelig uitpakt voor de verzekerde.

3.30

Deze motiveringsklacht faalt in het spoor van (het falen van) subonderdeel 4.1. Het hof mocht volstaan met het oordeel dat de kwaliteitseisen van Achmea een afwijking ten nadele opleveren van de keuzevrijheid die verzekerden op grond van art. 7:959 lid 1 BW toekomt en hoefde dus niet de voordelen en de nadelen van deze kwaliteitseisen tegen elkaar af te wegen (randnummers 3.26 en 3.28 hiervoor).

3.31

Ik merk hier nog wel op dat het oordeel van het hof, dat de kwaliteitseisen een afwijking ten nadele opleveren van de keuzevrijheid die verzekerden op grond van art. 7:959 lid 1 BW, niet onbegrijpelijk is in het licht van de stelling van Achmea dat een verzekerde wiens keuzevrijheid beperkt is tot NIVRE-experts nog steeds veel te kiezen heeft. Ook dan immers is sprake van een afwijking ten nadele: een verzekerde die ook uit andere, niet bij het NIVRE ingeschreven experts kan kiezen, heeft nóg meer te kiezen.

3.32

Ten slotte richt Achmea met subonderdeel 4.3 haar pijlen op de woorden “tot op zekere hoogte” in rov. 3.10. Volgens Achmea kan uit deze woorden worden afgeleid dat het hof van oordeel is dat een inschrijving bij het NIVRE of een vergelijkbaar instituut (i) niet zonder meer een objectieve indicator van deskundigheid is en (ii) onvoldoende garanties biedt dat een expert aan bepaalde kwaliteitseisen voldoet. Dat oordeel is volgens Achmea onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd in het licht van de in subonderdeel 4.2 sub c weergegeven stelling van Achmea

3.33

Ook deze laatste klacht faalt. Met de woorden “tot op zekere hoogte” in rov. 3.10 heeft het hof slechts een slag om de arm willen houden. Het hof is het met Achmea eens dat de kwaliteitseisen deskundigheid kunnen waarborgen. Absolute zekerheid bieden zij echter niet. Dit lijkt mij een juiste overweging van het hof. In dit verband wijs ik erop dat het NIVRE een tuchtcollege kent.65 Op de website van het NIVRE staan uitspraken van dit tuchtcollege gepubliceerd.66 In een aantal van die uitspraken heeft het de klacht tegen de NIVRE-expert (gedeeltelijk) gegrond bevonden. Dat toont aan dat ook schade-experts die bij het NIVRE zijn aangesloten niet altijd voldoende deskundigheid bezitten of hun deskundigheid niet altijd op de gewenste wijze inzetten.67

Slotsom

3.34

Geen van de door Achmea in cassatie aangevoerde klachten slaagt, zodat haar cassatieberoep moet worden verworpen.

4 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Rov. 2.2 van het bestreden arrest (hof Den Haag 2 juni 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:940). In rov. 2.2 en 2.3 van het bestreden arrest heeft het hof overwogen dat OSN voldaan heeft aan de voorwaarden die lid 1 tot en met 4 van art. 6:240 BW stellen.

2 De oprichtingsakte en de statuten van OSN zijn als productie 1 opgenomen bij de inleidende dagvaarding.

3 In de publieke sector is het gebruik van het begrip ombudsman wel wettelijk geregeld. Zie art. 9:17 Awb en de toelichting op deze bepaling in Kamerstukken II 2002-2003, 28747, nr. 3, p. 26.

4 Rov. 1.1 van het bestreden arrest. Op grond van art. 6:240 lid 1 eerste zin BW kan een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, die de behartiging van belangen (van personen die een beroep of bedrijf uitoefenen of) van eindgebruikers van niet voor een beroep of bedrijf bestemde goederen of diensten ten doel heeft (in de onderhavige procedure gaat het om consumentverzekerden van Achmea), vorderen dat bepaalde bedingen in bepaalde algemene voorwaarden onredelijk bezwarend worden verklaard. Lid 1 tweede zin bepaalt vervolgens dat art. 6:233, aanhef en onder a, art. 6:236 en art. 6:237 BW van overeenkomstige toepassing zijn en dat voor de toepassing van de eerste zin van lid 1 een beding in algemene voorwaarden dat in strijd is met een dwingende wetsbepaling, als onredelijk bezwarend wordt aangemerkt. Ingevolge art. 6:241 lid 1 BW is het hof Den Haag bij uitsluiting bevoegd tot kennisneming van een vordering op grond van art. 6:240 BW. Art. 6:240 BW voorziet in een abstracte toetsing van algemene voorwaarden en betreft dus niet een toetsing in het kader van een specifieke tussen een gebruiker en een wederpartij gesloten overeenkomst zoals eigenlijk het model is bij de inhoudstoetsing van art. 6:233, aanhef en onder a, BW. Zie bijvoorbeeld Asser Verbintenissenrecht/C.H. Sieburgh, Deel 6-III. Algemeen overeenkomstenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, nrs. 504 e.v., Rechtshandeling en Overeenkomst, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nrs. 256-257 (Jac. Hijma), Jac. Hijma, Algemene voorwaarden (Mon. BW B55), Deventer: Wolters Kluwer 2016, nrs. 53 e.v. en M.B.M. Loos, Algemene voorwaarden, Den Haag: Boom juridisch 2018, p. 367 e.v. (nr. 472 ziet op de abstracte toetsing).

5 Zie rov. 2.6 van het bestreden arrest.

6 Zie rov. 3.1 van het bestreden arrest.

7 Het hof heeft in rov. 3.12 nog de volgende nuancering gemaakt op zijn oordeel dat de Bedingen in strijd zijn met art. 7:959 BW en daarmee – in het kader van art. 6:240 BW – ook onredelijk bezwarend: “(…) met dien verstande dat de Bedingen niet in strijd zijn met art. 7:959 BW indien de kosten tot het vaststellen van de schade het bedrag overschrijden dat gelijk is aan de verzekerde som. De wetgever heeft immers het dwingende karakter van art. 7:959 BW beperkt tot de situatie dat de kosten tot het vaststellen van de schade lager zijn dan de verzekerde som. [bedoeld zal zijn: lager zijn dan een bedrag gelijk aan de verzekerde som, A-G] Dat volgt uit artikel 7:963 lid 6 BW.” Deze nuancering ziet dus op gevallen waarin de kosten tot het vaststellen van de schade het bedrag overschrijden dat gelijk is aan de verzekerde som. Het is verzekeraars in zoverre op grond van art. 7:963 lid 6 BW namelijk toegestaan om, ook indien de verzekeringnemer een consument is, van art. 7:959 lid 1 BW af te wijken. In zoverre, zo heeft het hof hier dan ook overwogen, zijn de Bedingen dus niet in strijd met art. 7:959 lid 1 BW. Zie voor een nadere uitleg van art. 7:963 lid 6 BW ook randnummer 2.8 van deze conclusie.

8 Ook hier dus met de in voetnoot 7 genoemde nuancering.

9 Is het schadebedrag laag (en heeft de verzekerde niet eerder of niet vaak een schadeclaim ingediend), dan wil de verzekeraar de verzekerde in de praktijk ook nog wel eens op zijn of haar woord geloven en het verzochte bedrag uitkeren.

10 Daar gaat ook de Consumentenbond vanuit. Zie https://www.consumentenbond.nl/autoverzekering/eigen-schade-expert-inschakelen.

11 L. Schuurs en T. Riyazi, ‘Hoofdstuk 19 Schadevaststelling en schaderegeling’, in W.M.A. Kalkman, W.G.A. van Gerner & K.J.L. Verschoor (red.), Compendium Verzekeringsrecht, Den Haag: Sdu Uitgevers 2019, nr. 19.2.3. Zie over de schadevaststelling bij beursverzekering A.Ch.H. Franken en S.Y.Th. Meijer, ‘Hoofdstuk XII. De schaderegeling’, in N. van Tiggele-van der Velde, J.H. Wansink, P. Soeteman en C.R. Pontvuijst (red.), Verzekering ter beurze. Coassurantie in theorie en praktijk, Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 343-375. Op p. 364 merken Franken en Meijer op dat beurspolissen vaak een regeling bevatten krachtens welke de schade door experts bindend wordt vastgesteld. Zij verwijzen hierbij naar artikel 7.2.1 van de Nederlandse Beursvoorwaarden voor Brandverzekering (NBB 2006), waarin staat dat als uitsluitend bewijs van de grootte van de schade de taxatie geldt die is gemaakt door een gezamenlijk te benoemen expert of door twee experts, waarvan verzekerde en verzekeraars er ieder een benoemen, en dat in het laatste geval beide experts vóór de aanvang van hun werkzaamheden samen een derde expert benoemen. Zie over de praktijk van schadevaststelling bij beursverzekering ook P.J.M. Drion, ‘Hoofdstuk 14 – Schadevaststelling bij de objectverzekering’, in C.J.M. Klaassen, N. van Tiggele-van der Velde, P.E. Ernste en A.Ch.H. Franken (red.), Verzekering en ADR, Deventer: Kluwer 2014, p. 289-290.

12 Ontwerp voor een Nieuw Burgerlijk Wetboek van Meijers (Toelichting, vierde gedeelte, Boek 7), opgesteld onder leiding van F.J. de Jong, ’s-Gravenhage: Staatsdrukkerij- en Uitgeversbedrijf 1972, p. 1182 (toelichting op art. 7.17.2.22 (de voorloper van art. 7:959 BW). Zie ook F.H.J. Mijnssen & K. Engel, Verzekering (Mon. BW B88), Deventer: Wolters Kluwer 2021, nr. 27.6. In een wat ouder werk (T.J. Dorhout Mees, Schadeverzekeringsrecht, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1967, nr. 486) wordt opgemerkt dat de praktijk de expertisekosten steeds ten laste van de verzekeraars brengt, vermoedelijk omdat zij een gevolg zijn van dezelfde oorzaak waaruit de schade voortvloeide: “Zo vaak de schade zelf ten laste van verzekeraars komt, behoren zij de expertise ook te bekostigen. De wet zegt het nergens uitdrukkelijk, blijkbaar in de mening dat het vanzelf spreekt (…).

13 Ontwerp voor een Nieuw Burgerlijk Wetboek van Meijers (Toelichting, vierde gedeelte, Boek 7), opgesteld onder leiding van F.J. de Jong, ’s-Gravenhage: Staatsdrukkerij- en Uitgeversbedrijf 1972, p. 1182 (toelichting op art. 7.17.2.22).

14 F. Baron van der Feltz, Beschouwingen over Titel 17 van Boek 7 van het Ontwerp voor een nieuw Burgerlijk Wetboek, Den Haag: Martinus Nijhoff (precieze jaartal onbekend maar rond 1975), p. 274: “Niet vallen daaronder kosten gemaakt om de oorzaak van de schade vast te stellen. Deze behoren in principe te komen ten laste van degene, die deze heeft gemaakt.” Zo ook bijvoorbeeld Geschillencommissie Financiële Dienstverlening (Kifid) 24 februari 2021, nr. 0181, rov. 3.20. Ik wijs hier ten slotte op het Jaarverslag 2002 van de Ombudsman Verzekeringen, p. 38: “De vergoeding van de kosten van de contra-expert zijn immers beperkt tot het vaststellen van de omvang van de schade. Het vaststellen van de oorzaak hoort daar niet toe.

15 Zie ook F.H.J. Mijnssen & K. Engel, Verzekering (Mon. BW B88), Deventer: Wolters Kluwer 2021, nr. 27.6.

16 Kamerstukken II 1985-1986, 19529, nr. 3, p. 31.

17 Bepalend is dus of het maken van de kosten redelijk was en of de kosten naar hun omvang redelijk zijn te beoordelen naar het moment waarop de kosten werden gemaakt. Zie in het kader van art. 6:96 BW onder meer S.D. Lindenbergh, Schadevergoeding: algemeen, deel 1 (Mon. BW B34), Deventer: Wolters Kluwer 2020, nr. 41A en bijvoorbeeld HR 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:586, NJ 2015/145 (Mark Four Enterprises/Apotex Nederland), rov. 3.5 waarin Uw Raad heeft overwogen dat volgens vaste rechtspraak voor vergoeding van kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als bedoeld in art. 6:96 lid 2, aanhef en onder b, BW is vereist dat (a) condicio sine qua non-verband bestaat tussen de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis en de kosten, (b) de kosten in zodanig verband staan met die gebeurtenis dat zij, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, aan de aansprakelijke persoon kunnen worden toegerekend, (c) het redelijk was om in verband met een onderzoek naar de mogelijke gevolgen van die gebeurtenis deskundige bijstand in te roepen en (d) de daartoe gemaakte kosten redelijk zijn.

18 Zie ook Aanhangsel van de Handelingen II 2015-2016, nr. 620, p. 2, L. Schuurs en T. Riyazi, ‘Hoofdstuk 19 Schadevaststelling en schaderegeling’, in W.M.A. Kalkman, W.G.A. van Gerner & K.J.L. Verschoor (red.), Compendium Verzekeringsrecht, Den Haag: Sdu Uitgevers 2019, nr. 19.4 en Rb. Gelderland (ktr.) 10 september 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:5921, rov. 3.2: “(…) Of er sprake is van redelijke kosten zal dan ook steeds per geval moeten worden bekeken (…)

19 Dit betekent dat de verzekeraar in het voor hem ongunstigste geval verplicht kan zijn een bedrag gelijk aan twee maal de verzekerde som uit te keren: eenmaal in verband met de (bereddingskosten en/of de) expertisekosten en eenmaal in verband met de verzekerde schade. Zie Kamerstukken II 1999-2000, 19529, nr. 5, p. 43 en ook Aanhangsel van de Handelingen II 2015-2016, nr. 620, p. 2.

20 De verzekerde som is “het hoogste bedrag van de schadevergoeding tot uitkering waarvan de verzekeraar als gevolg van eenzelfde voorval kan worden verplicht, behoudens het bij artikel 959 bepaalde”. Zie art. 7:955 lid 1 BW en mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2019:1153) voor HR 6 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:387, RvdW 2020/331, randnummers 3.9 e.v.

21 Daar gaat ook de Tuchtraad Financiële Dienstverlening (Assurantiën) vanuit. Zie Tuchtraad Financiële Dienstverlening (Assurantiën) 16 mei 2017, nr. 17008, rov. 7.11. In dezelfde lijn W.J. van Driel in N. van Tiggele-van der Velde (red.), Handboek Schaderegeling Motorrijtuigen, Deventer: Wolters Kluwer, nr. 420.5.4 (actueel tot en met 1 november 2018) alsmede M. de Vries, ‘Andermaal over de kosten van consumentverzekerde voor schade-expertise’, AV&S 2017/37, p. 196. Zie ook Rb. Gelderland (ktr.) 10 september 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:5921, rov. 3.2: “(…) Het verweer van Interpolis dat artikel 7:959 lid [1] BW slechts de expertisekosten van de eigen expert van de verzekeraar betreft, moet dan ook als onjuist worden verworpen. Dat zou immers betekenen dat een verzekerde bij onenigheid met zijn verzekeraar over de toedracht en/of hoogte van de schade ernstig beperkt zou kunnen worden in zijn mogelijkheden tot vaststelling van de schade. (…)”. Ik wijs hier ook op het Jaarverslag 2002 van de Ombudsman Verzekeringen, p. 37: “Met name bij brandverzekeringen en verzekeringen die daaraan verwant zijn, heeft de verzekerde het recht op een contra-expertise op kosten van de verzekeraar.”

22 Het is in beginsel aan de verzekerde die uitkering verlangt, om de hoogte van zijn schade aan te tonen. Zie Asser Bijzondere overeenkomsten/J.H. Wansink, N. van Tiggele-van der Velde & F.R. Salomons, Deel 7-IX. Verzekering, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 304 en ook al T.J. Dorhout Mees, Schadeverzekeringsrecht, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1967, nr. 443.

23 Ontwerp voor een Nieuw Burgerlijk Wetboek van E.M. Meijers (Toelichting, vierde gedeelte, Boek 7), opgesteld onder leiding van F.J. de Jong, ’s-Gravenhage: Staatsdrukkerij- en Uitgeversbedrijf 1972, p. 1182 (toelichting op art. 7.17.2.22): “Dat ook de kosten tot het vaststellen van de schade eventueel boven de verzekerde som door de verzekeraar worden gedragen, is in overeenstemming met paragraaf 16 van de beursbrandpolis en met de tegenwoordig vrij algemeen gehuldigde opvatting dat de verzekerde zo volledig mogelijk schadeloos moet worden gesteld.

24 Ontwerp voor een Nieuw Burgerlijk Wetboek van E.M. Meijers (Toelichting, vierde gedeelte, Boek 7), opgesteld onder leiding van F.J. de Jong, ’s-Gravenhage: Staatsdrukkerij- en Uitgeversbedrijf 1972, p. 1182 (toelichting op art. 7.17.2.22): “Veelvuldig vergoeden verzekeraars deze kosten dan ook boven de verzekerde som, ook indien dit niet was overeengekomen.

25 Uiteraard kunnen zich gevallen voordoen waarin de verzekerde eigenlijk geen belang heeft bij de inschakeling van een contra-expert, bijvoorbeeld omdat het om een relatief geringe schade gaat of omdat de verzekeraar laat blijken bereid te zijn de verzekerde tegemoet te komen in diens commentaar op de bevindingen van de door de verzekeraar ingeschakelde expert. Dikwijls is ‘vaak’ maar dus niet ‘altijd’.

26 Zie het bericht “Vijf vragen over contra-expertise” op de website van het Verbond van Verzekeraars: https://www.verzekeraars.nl/publicaties/actueel/vijf-vragen-over-contra-expertise. Onder het kopje “Nog even over de vergoeding van de contra-expert. Hoe zit dat?” staat het volgende: “Consumenten kunnen een contra-expert inschakelen als zij dat willen. De kosten daarvan komen niet altijd voor vergoeding in aanmerking op basis van een afgesloten verzekering. Ten eerste moet het redelijk zijn dat de contra-expert is ingeschakeld. Ten tweede moet de omvang van de kosten redelijk zijn. Van geval tot geval moet worden beoordeeld of aan deze dubbele redelijkheidstoets is voldaan. Dat kan tot discussie leiden. Wat is wel/niet redelijk in een bepaalde situatie? Daarom raden wij consumenten aan altijd eerst in overleg te treden met hun verzekeraar alvorens een expert in te schakelen.

27 In een bericht van 26 juni 2018 op AMweb.nl met de titel “Achmea gaat strengere eisen stellen aan contra-experts” staat dat Avéro, Centraal Beheer, FBTO en Interpolis vanaf 1 juli 2018 strengere voorwaarden (zullen) stellen aan de contra-experts en derde experts die als arbiter worden benoemd. ‘Voortaan’ moeten alle schade-experts die betrokken zijn bij de vaststelling van schade bij Achmea-klanten lid zijn van NIVRE of een vergelijkbare onafhankelijke branchevereniging. Achmea zou het volgende hebben geschreven in een brief aan contra-experts die nog niet aan de strengere voorwaarden voldeden: “Achmea vindt het belangrijk dat haar klanten worden geholpen door schade-experts die goed opgeleid, deskundig, betrouwbaar en integer zijn. Dat geldt niet alleen voor de schade-experts die in dienst zijn van de eigen expertisedienst van Achmea, maar ook voor de contra-experts en de 3e experts die als arbiter worden benoemd.” Het ligt voor de hand dat Achmea dit niet pas sinds medio 2018 maar ook voordien reeds belangrijk vond. Het bericht maakt niet duidelijk waarom dit nu per 1 juli 2018 opeens vertaald zou moeten worden in strengere voorwaarden. In randnummer 1.3. van de schriftelijke toelichting voert Achmea aan dat zij kwaliteitseisen is gaan stellen, omdat zich bij 'ongebonden' experts (experts die niet zijn aangesloten bij het NIVRE of bij een vergelijkbare beroepsorganisatie) ernstige incidenten voordoen op het gebied van integriteit en kwaliteit en het ronduit moeilijk of zinloos is hen hierop aan te spreken. Het direct aanspreken van de betrokken experts leidt volgens Achmea tot niets, terwijl haar verzekerden (financieel) gedupeerd raken en de schadevaststelling problematisch verloopt. In randnummer 1.4. van de schriftelijke toelichting geeft Achmea één voorbeeld. Zij is geconfronteerd met een contra-expert die strafrechtelijk is veroordeeld voor valsheid in geschrifte. Schade werd door deze contra-expert verzonnen en er werden herstelwerkzaamheden gefactureerd die nooit waren uitgevoerd. Achmea verwijst hierbij naar randnummer 44. en voetnoot 22 van haar conclusie van antwoord, waarin zij hetzelfde heeft gesteld. Ik wijs hier ook op randnummer 3. van de conclusie van antwoord en op voetnoot 3 en randnummer 8. van de conclusie van dupliek, waarin Achmea de naam noemt van een contra-expert die gefraudeerd zou hebben en die strafrechtelijk veroordeeld zou zijn. Het vonnis waarmee de desbetreffende contra-expert strafrechtelijk veroordeeld is, betreft vermoedelijk: Rb. Overijssel 18 april 2017, ECLI:NL:RBOVE:2017:5288.

28 Als ik het goed heb, is de vraag of een verzekeraar kwaliteitseisen mag stellen waaraan een (contra-)expert moet voldoen voor het eerst aan de orde gekomen in een procedure tussen OSN en een aantal verzekeraars voor de Tuchtraad Financiële Dienstverlening (Assurantiën). Zie Tuchtraad Financiële Dienstverlening (Assurantiën) 16 mei 2017, nr. 17008, rov. 5.9 en 7.11. De Tuchtraad heeft hier een vraagteken geplaatst bij de eis dat de contra-expert is ingeschreven bij het NIVRE of een vergelijkbaar instituut. De Tuchtraad is echter niet toegekomen aan het geven van een inhoudelijk antwoord op de door hemzelf opgeworpen vraag.

29 Zie https://www.nivre.nl/. Voor het laatst door mij geraadpleegd op 23 juni 2021.

30 Zie ook de uitgave De Register Expert van het NIVRE uit 2014. Zie https://www.nivre.nl/media/1142/special-2014.pdf. Op p. 8 van deze uitgave wordt toegelicht hoe het tot de oprichting van het NIVRE is gekomen.

31 Zie het Reglement permanente educatie op de website van het NIVRE. Alle ingeschrevenen in het Register dienen binnen een bepaalde periode een aantal opleidingspunten te behalen. Deze PE-punten kunnen worden verkregen door op het betreffende vakgebied seminars, lezingen, opleidingen, congressen, beurzen, etc. te volgen of door deelname aan vakgerichte commissies of besturen.

32 Zie het Reglement houdende gedragsregels op de website van het NIVRE.

33 Zie https://www.nivre.nl/klachten-tuchtrecht/.

34 Op de website van het NIVRE staat immers het volgende: “Zoekt u een NIVRE-expert omdat u schade hebt door water, storm, inbraak of brand, klik hier. Hier vindt u NIVRE-experts die uitsluitend contra-werkzaamheden verrichten. U kunt ook een contra-expert vinden die tevens contra-werkzaamheden doen. Om die te vinden klik hier.

35 Een online platform voor personen werkzaam in de financiële dienstverlening.

36 Zie het bericht “Tientallen schade-experts misbruiken naam Nivre” van 15 november 2019 op https://www.amweb.nl/. Dit bericht gaat over de waarschuwing van het NIVRE aan de branche dat steeds meer schade-experts ten onrechte de naam en het logo van zijn keurmerk dragen. Het gaat om enkele tientallen experts die hun titel niet willen loslaten nadat ze geschrapt zijn uit het register en om mensen die nooit geregistreerd zijn geweest. In dit bericht staat ook dat er op dat moment zo’n 1.800 schade-experts staan ingeschreven in het NIVRE-register. Zie ook W.J. van Driel in N. van Tiggele-van der Velde (red.), Handboek Schaderegeling Motorrijtuigen, Deventer: Wolters Kluwer, nr. 420.5.4 (actueel tot en met 1 november 2018) die stelt dat “een groot aantal experts over de benodigde inschrijving beschikt”.

37 Zie het bericht “Hof: Achmea moet eisen aan contra-expert laten varen” van 4 juni 2020 op https://www.amweb.nl/. Een zoektocht op het internet naar een mogelijke “vergelijkbare beroepsorganisatie” leverde de Stichting Nationaal Instituut voor Register Contra Experts en Schaderegelaars als resultaat op, maar op haar website (http://www.contra-experts.nl/Contra-experts.html) staat onder de knop “Wie zijn wij?” rechtsboven het logo van Nassau Poort Taxatie en Expertise B.V. vermeld. De stichting verzet zich tegen het NIVRE: “Experts die alleen voor verzekeraar[s] werken of voor zowel verzekeraar als verzekerde, zijn uitgesloten van lidmaatschap van deze stichting. Dit zijn de zogenaamde RE-experts welke zijn aangesloten bij het NIVRE. De RE-experts hebben geen onderscheidend vermogen, waardoor de titel RE (register-expert) geen enkele toegevoegde waarde heeft. Zij voeren enkel de taak uit volgens het principe: Wie betaalt, bepaalt!!”. Onduidelijk is hoeveel contra-experts bij deze stichting zijn aangesloten. Op de website wordt naar vier bedrijven verwezen.

38 Hof Den Haag 2 juni 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:940.

39 Wel heeft zich in 2018 een procedure voorgedaan tussen een verzekerde, bijgestaan door [betrokkene 1] (de persoon achter OSN, randnummer 1.1 hiervoor), en Achmea. De verzekerde vorderde vergoeding van zijn expertisekosten door Achmea. Achmea weigerde die expertisekosten te vergoeden, omdat de door de verzekerde gekozen expert – vermoedelijk eveneens [betrokkene 1] – zich niet hield aan de Gedragscode schade-expertiseorganisaties zoals in de voorwaarden was voorgeschreven. Achmea voerde aan dat zij op grond van de voorwaarden niet was gehouden deze kosten te vergoeden. Tot een antwoord op de vraag of Achmea een dergelijke kwaliteitseis mocht stellen in de verzekeringsvoorwaarden kwam het helaas niet. De rechtbank overwoog dat de voorwaarden van Achmea inhouden dat de expert aangesloten dient te zijn bij het NIVRE of bij een vergelijkbare brancheorganisatie én dat deze organisatie zich dient te houden aan de Gedragscode. De voorwaarden stellen niet als eis dat de expert zich houdt aan de Gedragscode, maar alleen dat deze is aangesloten bij een organisatie als bedoeld in de voorwaarden. Dat was de expert van de verzekerde niet, maar Achmea had daarop geen beroep gedaan. Zie Rb. Gelderland 28 november 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:5799, rov. 4.3. Ik wijs hier ook op een vonnis van de rechtbank Noord-Nederland in een procedure tussen [A] , de onderneming waaraan [betrokkene 1] is verbonden (randnummer 1.1 hiervoor), en verzekeraar Unigarant. Zie Rb. Noord-Nederland 16 februari 2021, ECLI:NL:RBNNE:2021:756. [A] voerde in deze procedure aan dat de eisen die Unigarant in haar algemene voorwaarden stelt aan het vergoeden van de kosten van een door haar verzekerde in te schakelen contra-expert onrechtmatig zijn. [A] deed daarbij een beroep op het bestreden arrest van het hof Den Haag. De rechtbank verwierp dit betoog, omdat de voorwaarden van Unigarant, anders dan de voorwaarden van Achmea, ruimte laten om ook contra-experts te accepteren die niet zijn ingeschreven bij het NIVRE of een vergelijkbare beroepsorganisatie. Volgens de rechtbank staat het Unigarant vrij om daarbij redelijke kwaliteitseisen te stellen en Unigarant had toegelicht waarom zij van mening is dat Krantz niet aan zulke redelijke kwaliteitseisen voldoet. Krantz had naar het oordeel van de rechtbank echter niet (voldoende) onderbouwd waarom Unigarant zich in redelijkheid niet op dat standpunt zou kunnen stellen.

40 M. de Vries, ‘Andermaal over de kosten van consumentverzekerde voor schade-expertise’, AV&S 2017/37, p. 200. Zij hanteert het woord ‘andermaal’ vermoedelijk omdat in 2015 al discussie ontstond over de vergoeding van expertisekosten door verzekeraars. In twee uitzendingen van het televisieprogramma Radar op 5 en 19 oktober van dat jaar kwam aan de orde dat in de verzekeringsvoorwaarden van een aantal verzekeraars de vergoeding van de kosten van de contra-expert beperkt is tot de kosten van de eigen expert van de verzekeraar. Deze uitzendingen leidden tot Kamervragen over de toelaatbaarheid hiervan aan de toenmalige minister van Veiligheid en Justitie: Aanhangsel van de Handelingen II 2015-2016, nr. 620, p. 1. Het antwoord van de minister luidde, kort samengevat, dat het in algemene zin maximeren van de redelijke kosten tot een lager bedrag dan de verzekerde som niet verenigbaar is met art. 7:959 lid 1 jo. art. 7:963 lid 6 BW. De minister verwees hierbij naar Rb. Gelderland (ktr.) 10 september 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:5921, rov. 3.2. Het Verbond van Verzekeraar bracht een statement uit naar aanleiding van de uitzending van Radar van 5 oktober 2015: www.verzekeraars.nl/publicaties/actueel/statement-verbond-nav-uitzending-tros-radar-over-contra-expertise. In die periode werden verder twee bijdragen gepubliceerd, waarin deze problematiek is besproken. Zie E. van Niekerk, ‘Het recht op contra-expertise bekeken vanuit juridisch perspectief’, Schade Magazine 2015, afl. 6, p. 2-7 en I. van Velzen, ‘De kosten van de contra’, De Beursbengel 2015, nr. 850, p. 8-10. De strekking van de bijdrage van Van Niekerk is dat het eigenlijk niet zo ingewikkeld is: “Om te bepalen of kosten tot het vaststellen van schade redelijk zijn geldt de dubbele redelijkheidstoets.” (p. 3). Of daaraan voldaan is, hangt af van de omstandigheden van het geval. Wordt in de verzekeringsvoorwaarden bij een consumentenverzekering de hoogte van de vergoeding van de kosten van de contra-expert van de verzekerde beperkt tot de hoogte van de vergoeding van de kosten van de expert van de verzekeraar, dan is dat volgens Van Niekerk in strijd met art. 7:959 lid 1 jo. art. 7:963 lid 6 BW. Bij bedrijfsverzekeringen ligt dat volgens hem genuanceerder. Dan is een dergelijke beperking van de kostenvergoeding wel toegestaan, maar kan een beroep hierop door de verzekeraar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Van Velzen is van opvatting dat een beperking in de verzekeringsvoorwaarden tot de kosten van de expert van de verzekeraar niet op voorhand onredelijk is, maar dat wel kan zijn. Het uitgangspunt voor de kostenvergoeding aan de verzekerde hoort volgens hem te zijn: de kosten die de verzekeraar zou hebben gemaakt aan een (externe) expert waarmee niet vooraf tariefafspraken zouden zijn gemaakt. Tot dat bedrag horen de kosten van de expert van de verzekerde te worden vergoed. Hij pleit ervoor dat verzekeraars tot dat bedrag aan hun verzekerden het recht toekennen een eigen expert te benoemen, voor het geval dat de verzekerde het niet eens is met de schadevaststelling door de expert van de verzekeraar (p. 10).

41 M. de Vries, ‘Andermaal over de kosten van consumentverzekerde voor schade-expertise’, AV&S 2017/37, p. 200.

42 M. de Vries, ‘Andermaal over de kosten van consumentverzekerde voor schade-expertise’, AV&S 2017/37, p. 200.

43 Daarop wijzen ook F.H.J. Mijnssen & K. Engel, Verzekering (Mon. BW B88), Deventer: Wolters Kluwer 2021, nr. 27.6.

44 M. de Vries, ‘Andermaal over de kosten van consumentverzekerde voor schade-expertise’, AV&S 2017/37, p. 201. Naar aanleiding van het in voetnoot 39 hiervoor genoemde vonnis van de rechtbank Gelderland (Rb. Gelderland 28 november 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:5799)) is De Vries opnieuw in de pen geklommen. Zie M. de Vries, ‘Over de weigering expertisekosten te vergoeden van niet-ingeschreven experts’, AV&S 2019/5, p. 27 e.v. Tot andere inzichten is zij daarbij niet gekomen. Ook in deze tweede bijdrage benadrukt zij het belang van de gedachte van consumentenbescherming die ook aan art. 7:959 lid 1 BW ten grondslag ligt en herhaalt zij dat een ieder zich ‘schade-expert’ kan noemen. Van een beschermde titel is geen sprake. Polisvoorwaarden die bepalen dat de expert aan bepaalde eisen moet voldoen, worden niet ten nadele van de consument-verzekerde overeengekomen, maar zijn juist mede in diens belang. Zij zijn daarom wat De Vries betreft in overeenstemming met de ratio van art. 7:959 jo. art.7:963 lid 6 BW.

45 W.G.A. van Gerner en H.Th Vos, ‘Hoofdstuk 17. Verzekerde som’, in W.M.A. Kalkman, W.G.A. van Gerner & K.J.L. Verschoor (red.), Compendium Verzekeringsrecht, Den Haag: Sdu Uitgevers 2019, nr. 17.3.2.1 (p. 387-388).

46 L. Schuurs en T. Riyazi, ‘Hoofdstuk 19 Schadevaststelling en schaderegeling’, in W.M.A. Kalkman, W.G.A. van Gerner & K.J.L. Verschoor (red.), Compendium Verzekeringsrecht, Den Haag: Sdu Uitgevers 2019, nr. 19.4 (p. 421).

47 Zie W.J. van Driel in N. van Tiggele-van der Velde (red.), Handboek Schaderegeling Motorrijtuigen, Deventer: Wolters Kluwer, nr. 420.5.4 (actueel tot en met 1 november 2018).

48 M.L. Hendrikse, ‘Hoofdstuk 18 Bereddingsplicht en bereddingskosten’, in M.L. Hendrikse, Ph.H.J.G. van Huizen & J.G.J. Rinkes (red.), Verzekeringsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 669-670.

49 Begrijp ik het goed, dan gaat Hendrikse ervan uit dat volgens De Vries de beschermingsgedachte achter art. 7:963 lid 6 BW (mede) is dat de verzekerde beschermd moet worden tegen minder geschikte (contra-)experts.

50 M.L. Hendrikse, ‘Hoofdstuk 18 Bereddingsplicht en bereddingskosten’, in M.L. Hendrikse, Ph.H.J.G. van Huizen & J.G.J. Rinkes (red.), Verzekeringsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 670.

51 Zie Kamerstukken II 1985-1986, 19529, nr. 3, p. 31.

52 Hiervoor is al gewezen op het betoog van Van Driel dat van de verzekerde in ieder geval verwacht mag worden dat hij een contra-expert inschakelt die deskundig is. De kosten van een niet deskundige contra-expert zullen niet voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets, nu inschakeling van een dergelijke expert geen zekerheid over het juiste schadebedrag geeft en daarom weinig of geen toegevoegde waarde heeft. Zie W.J. van Driel in N. van Tiggele-van der Velde (red.), Handboek Schaderegeling Motorrijtuigen, Deventer: Wolters Kluwer, nr. 420.5.4 (actueel tot en met 1 november 2018).

53 Schriftelijke toelichting, randnummer 2.2., p. 5.

54 Schriftelijke toelichting, randnummer 2.5., p. 6.

55 Dat ligt anders voor kosten gemaakt om de oorzaak vast te stellen en daarmee de gehoudenheid tot betaling van de verzekeraar. Deze kosten zijn als gezegd (randnummer 2.5 hiervoor) niet via art. 7:959 lid 1 BW voor rekening van de verzekeraar te brengen. Deze kosten zouden alleen voor vergoeding door de verzekeraar in aanmerking komen, indien is komen vast te staan dat de verzekeraar wanprestatie heeft gepleegd door onterecht dekking te weigeren en de verzekerde om dit aan te tonen onderhavige expertisekosten heeft moeten maken. Zie in dit verband M.L. Hendrikse, ‘Hoofdstuk 18 Bereddingsplicht en bereddingskosten’, in M.L. Hendrikse, Ph.H.J.G. van Huizen & J.G.J. Rinkes (red.), Verzekeringsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 671 met verwijzing naar M. de Vries, ‘Andermaal over de kosten van consumentverzekerde voor schade-expertise’, AV&S 2017/37, p. 198.

56 Op p. 4 van haar procesinleiding.

57 Het gaat om een citaat uit een hiervoor (randnummers 2.30 e.v.) al besproken tekst van W.J. van Driel dat als volgt luidt: “Van de verzekerde mag mijns inziens in ieder geval verwacht worden dat hij een contra-expert inschakelt die deskundig is. De kosten van een niet deskundige contra-expert zullen immers niet voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets, nu inschakeling van een dergelijke expert geen zekerheid over het juiste schadebedrag geeft en daarom weinig of geen toegevoegde waarde heeft. Een inschrijving bij het NIVRE of een vergelijkbaar instituut is in ieder geval een objectieve indicator van de deskundigheid, en biedt garanties dat een expert aan bepaalde kwaliteitseisen voldoet.” Deze tekst is weliswaar te vinden in N. van Tiggele-van der Velde (red.), Handboek Schaderegeling Motorrijtuigen, Deventer: Wolters Kluwer (digitale versie), nr. 420.5.4 (Actueel t/m 01-11-2018), maar is dus, anders dan Achmea in randnummer 3.2.1. van de procesinleiding suggereert, niet van Van Tiggele-van der Velde.

58 Er zijn redenen genoeg om ook zonder de druk van tuchtrecht kwalitatief goed werk af te leveren. Ik wijs hier overigens nog op het betoog van De Vries, op wier opvattingen Achmea herhaaldelijk een beroep heeft gedaan in deze procedure tegen OSN (ook in cassatie, zie p. 10 van de procesinleiding en p. 9 en p. 13 van de schriftelijke toelichting), met betrekking tot de kwaliteitseis dat de desbetreffende “vergelijkbare beroepsorganisatie” gebonden moet zijn aan de Gedragscode schade-expertiseorganisaties van het Verbond van Verzekeraars. De Vries is van oordeel dat, ook al mogen (volgens haar) verzekeraars als voorwaarde voor vergoeding van de kosten voor expertise de eis stellen dat de expert is ingeschreven bij het NIVRE of een vergelijkbare brancheorganisatie, de voorwaarde dat een eventuele vergelijkbare brancheorganisatie zich moet houden aan de Gedragscode schade-expertiseorganisaties wel zou moeten worden geschrapt. Zij motiveert dit als volgt: “Deze code is namelijk alleen bindend voor de leden van het Verbond van Verzekeraars die gebruikmaken van de diensten van expertiseorganisaties en/of eigen expertisediensten. Een andere brancheorganisatie kan aan deze code enkel gebonden zijn als daarmee wordt ingestemd. Bovendien zal bij de beoordeling van de vraag of aan verzekerde juiste bijstand is verleend veelal het criterium van de redelijk handelend beroepsgenoot maatgevend zijn. En of daar sprake van is, zal afhangen van alle omstandigheden van het geval. Een werkbaar uitgangspunt waarbij het, zo zou ik menen, ook niet noodzakelijk is dat de persoon die de verzekerde bijstond bij de afwikkeling van een schade, of de organisatie waarvoor hij werkzaam is, zich ook aan de Gedragscode had geconformeerd.” Zie M. de Vries, ‘Over de weigering expertisekosten te vergoeden van niet-ingeschreven experts’, AV&S 2019/5, p. 30. Deze opvatting van De Vries volgt Achmea dus kennelijk niet, hetgeen de indruk wekt dat zij wat betreft de opvattingen van De Vries enkel de krenten uit de pap haalt.

59 Achmea verwijst in de procesinleiding naar randnummer 25. van haar conclusie van antwoord.

60 Hiervoor is er al op gewezen dat Achmea deze tekst toeschrijft aan Van Tiggele-van der Velde, terwijl hij van W.J. van Driel is. Zie W.J. van Driel in N. van Tiggele-van der Velde (red.), Handboek Schaderegeling Motorrijtuigen, Deventer: Wolters Kluwer, nr. 420.5.4 (actueel tot en met 1 november 2018).

61 M. de Vries, ‘Andermaal over de kosten van consumentverzekerde voor schade-expertise’, AV&S 2017/37, p. 200.

62 Conclusie van dupliek, randnummer 32.

63 Conclusie van antwoord, randnummer 29.

64 Conclusie van antwoord, randnummer 29.

65 Zie https://www.nivre.nl/klachten-tuchtrecht/.

66 https://www.nivre.nl/klachten-tuchtrecht/uitspraken-tuchtcollege/.

67 Zie bijvoorbeeld de volgende uitspraken (ik noem datum en nummer van de uitspraak): 29 april 2021 (2020023), 1 maart 2021 (2020016), 28 januari 2021 (2020009-2), 28 januari 2021 (2020009-1), 11 januari 2021 (2020006), 3 november 2017 (2017003), 9 maart 2018 (2016021), 3 november 2017 (2016017), 20 maart 2017 (2016014), 12 juli 2017 (2016013), 23 november 2017 (2016009), 2 mei 2017 (2016007), 16 december 2016 (2016006), 23 januari 2017 ( 2016005), 26 oktober 2016 (2016004), 31 oktober 2016 (2016003), 22 september 2016 (2016002), 6 april 2016 (2015005), 9 december 2015 (2015002).