Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:642

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-06-2021
Datum publicatie
29-06-2021
Zaaknummer
20/02372
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHARL:2020:6048
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1750
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Art. 51.2 Sv. Art. 6:107 BW. Vordering benadeelde partij wegens affectieschade. Is oordeel dat vordering kan worden toegewezen terecht en toereikend gemotiveerd? Wanneer is sprake van 'ernstig en blijvend letsel'? AG gaat in op parlementaire geschiedenis m.b.t. de vergoeding van affectieschade. Conclusie strekt tot partiële vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0551
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/02372

Zitting 29 juni 2021

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1952,

hierna: de verdachte.

Inleiding

  1. De verdachte is bij arrest van 24 juli 2020 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, wegens “poging tot doodslag” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr. Daarnaast heeft het hof een voorwerp verbeurd verklaard en geoordeeld over de vorderingen van benadeelde partijen.

  2. Namens de verdachte heeft mr. D. Greven, advocaat te Borne, één middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

3. Het middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de vordering van [benadeelde] tot vergoeding van zogenaamde affectieschade kan worden toegewezen. Volgens de steller van het middel heeft het hof de verkeerde maatstaf aangelegd, “aangezien niet kan worden gesproken van blijvende invaliditeit dan wel functiestoornis noch van een ingrijpende ommezwaai in het leven van het slachtoffer”. Het oordeel van het hof zou daarom onjuist, althans onbegrijpelijk, dan wel onvoldoende gemotiveerd zijn.

4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 13 juni 2019, te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] , opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] met een golfstick op het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

5. Het hof heeft in het bestreden arrest ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] het volgende overwogen:

“De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding, Deze bedraagt € 17.500,00,--. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De vordering van de benadeelde partij strekt tot vergoeding van zogenoemde affectieschade en is gebaseerd op de 1 januari 2019 in werking getreden regeling van artikelen 51f, tweede lid, tweede volzin Sv en artikel 6:107 BW en daarop gebaseerde Besluit vergoeding affectieschade. Affectieschade betreft immateriële schade die een naaste of nabestaande lijdt als gevolg van het door een onrechtmatige daad (waaronder een strafbaar feit) veroorzaakte ernstig en blijvend letsel bij of overlijden van het slachtoffer. [benadeelde] kan als levensgezel van het slachtoffer aanspraak maken op vergoeding van een forfaitair bedrag aan affectieschade. Er is immers sprake van causaliteit tussen het bewezenverklaarde feit en het letsel.

Het hof is – anders dan de rechtbank – van oordeel dat de vraag of er sprake is van ernstig en blijvend letsel als bedoeld in voornoemde artikelen van het BW en het daarop gebaseerde besluit, op basis van de inhoud van het dossier en van hetgeen ter terechtzitting aan de orde is geweest, wel voldoende kan worden beantwoord. Hiermee wordt immers bedoeld dat er sprake moet zijn van een blijvende functiestoornis, of blijvende invaliditeit. In sommige gevallen is de mate waarin iemand blijvend invalide is geworden op voorhand evident. In het onderhavige geval is naar het oordeel van het hof vast komen te staan dat aangever als gevolg van het bewezenverklaarde misdrijf begaan door verdachte, ernstig gewond is geraakt en op 13 juni 2019 een impressiefractuur van de schedel heeft opgelopen. Onmiddellijk ingrijpen was noodzakelijk waarbij operatief botfragmenten moesten worden verwijderd. Aanvankelijk volgde een vlot herstel waarbij op 17 juni 2019 in het ziekenhuis door de neurochirurg neurologisch geen stoornissen meer werden gezien.

Ter zitting van het hof is echter gebleken dat aangever lange tijd niet in staat is geweest om te werken. Dit vindt bevestiging in de zich in het dossier bevindende stukken van de bedrijfsarts van 13 augustus 2019 en 30 oktober 2019. Hieruit volgt onder meer dat aangever herstellende is maar dat er nog duidelijke beperkingen zijn van energieniveau, verdelen van aandacht en hanteren van drukte en prikkels. Op 30 oktober 2019 zijn deze beperkingen niet veranderd en wordt aangever door de bedrijfsarts niet in staat geacht om zijn eigen functie of andere, aangepaste werkzaamheden, uit te voeren zonder behandeling in een revalidatiekliniek. Dat aangever – wegens financiële beperkingen – geen revalidatiebehandeling heeft gehad en onlangs op eigen initiatief weer is aangevangen met het verrichten van betaalde arbeid doet aan het voorgaande niet af. Voorts blijkt uit het rapport van psychiater Liesdijk dat hij aangever op 15 november 2019 heeft beoordeeld voor status na de hersentrauma. Zijn conclusie is dat aangever, een man met een blanco psychiatrische voorgeschiedenis, na een trauma waarbij hij met een metalen voorwerp op zijn hoofd is geslagen, een hersentrauma heeft overgehouden met als gevolg, geheugenproblemen, concentratieproblemen, vermoeidheid en prikkelbaarheid. Hij is niet meer in staat om te werken. Mentale processen gaan moeizaam. Alle beperkingen zijn veroorzaakt door het bewezenverklaarde feit.

Samen met de blijvende functiestoornis is ook de invloed van het letsel op het dagelijks leven van het letselschadeslachtoffer en zijn naasten van belang. Het letsel en de gevolgen daarvan zijn zo ernstig dat sprake is van een grote kentering of ingrijpende wijziging in het leven van het slachtoffer waarmee naar het oordeel van het hof voldoende vast is komen te staan dat [benadeelde] wel voor een vergoeding op grond van het besluit in aanmerking komt.”

6. Art. 51f, tweede lid, Sv luidt, voor zover hier van belang:

“[…] Indien de in het eerste lid genoemde persoon ten gevolge van het strafbare feit letsel heeft, kunnen zich voegen de personen, bedoeld in artikel 107, eerste lid, onder a en b, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek ter zake van de daar bedoelde vorderingen.”

7. Art. 6:107 BW luidt, voor zover voor de onderliggende zaak van belang:

“1. Indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, lichamelijk of geestelijk letsel oploopt, is die ander behalve tot vergoeding van de schade van de gekwetste zelf, ook verplicht tot vergoeding van:

a. de kosten die een derde anders dan krachtens een verzekering ten behoeve van de gekwetste heeft gemaakt en die deze laatste, zo hij ze zelf zou hebben gemaakt, van die ander had kunnen vorderen; en

b. een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag of bedragen voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat geleden door de in lid 2 genoemde naasten van de gekwetste met ernstig en blijvend letsel.

2. De naasten, bedoeld in lid 1 onder b, zijn:

[...]

b. de levensgezel van de gekwetste, die ten tijde van de gebeurtenis duurzaam met deze een gemeenschappelijke huishouding voert;

[...]

3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld waarmee nader wordt bepaald wanneer letsel als ernstig en blijvend letsel als bedoeld in lid 1 onder b wordt aangemerkt.

[…]”

8. Beide artikelen zijn voor het laatst gewijzigd op 1 januari 2019 met de inwerkingtreding van de Wet van 11 april 2018 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht teneinde de vergoeding van affectieschade mogelijk te maken en het verhaal daarvan alsmede het verhaal van verplaatste schade door derden in het strafproces te bevorderen.1Met de inwerkingtreding van deze wet is de kring van tot schadevergoeding gerechtigden verruimd in die zin dat het voor de in art. 6:107, tweede lid, BW en art. 6:108, vierde lid, BW genoemde naasten van slachtoffers mogelijk is geworden een (forfaitaire) vergoeding van affectieschade te vorderen indien sprake is van ernstig en blijvend letsel of overlijden van het slachtoffer en de schadeveroorzakende gebeurtenis heeft plaatsgevonden ná 1 januari 2019.2 Art. 51f, tweede lid, Sv is daarbij gewijzigd in die zin dat deze naasten zich met de vordering tot vergoeding van affectieschade in het strafproces kunnen voegen.3 Verder is art. 36f Sr gewijzigd in die zin dat de affectieschade ook in een op te leggen schadevergoedingsmaatregel kan worden betrokken.4

9. Met de introductie van een recht op vergoeding van affectieschade heeft niet langer alleen de gekwetste zelf naar burgerlijk recht aanspraak op vergoeding van materiële en immateriële schade, maar kunnen onder bepaalde voorwaarden ook derden aanspraak maken op een vergoeding van (immateriële) schade.5 Dit recht op schadevergoeding heeft in de eerste plaats tot doel erkenning te verschaffen van het door naasten ondervonden leed. In de tweede plaats wordt met dit recht beoogd deze naasten een zekere genoegdoening te verschaffen in die zin dat hun geschokte rechtsgevoel wordt verzacht doordat van de aansprakelijke persoon een opoffering wordt verlangd.6 De memorie van toelichting bij de wet waarmee het recht op vergoeding van affectieschade is geïntroduceerd, omschrijft de vergoeding van affectieschade als “een vorm van smartengeld voor naasten” en affectieschade als “het nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, maar in leed dat men ondervindt doordat een persoon waarmee men een affectieve band heeft, ernstig gewond raakt of overlijdt”.7 Bij affectieschade gaat het dus om immateriële schade van een naaste als gevolg van een normschending jegens een ander. Die ander is degene aan wie ernstig en blijvend letsel is toegebracht of die is overleden. Affectieschade verschilt van shockschade, waarvan sprake is indien iemand geestelijk letsel oploopt als gevolg van de confrontatie met een ernstig schokkende gebeurtenis. Er kan evenwel sprake zijn van samenloop van beide vormen van schade. De memorie van antwoord bij de in het vorige randnummer vermelde wet schetst in dit verband als voorbeeld het geval waarin iemand ooggetuige is van een ernstig ongeval of strafbaar feit waardoor zijn naaste ernstig of blijvend letsel wordt toegebracht of komt te overlijden.8

10. De naaste of nabestaande van een slachtoffer van een misdrijf heeft bij gebruik van de mogelijkheid tot voeging als benadeelde partij in het strafproces – bij voldoende betwisting van de gestelde schade – een minder zware bewijslast dan in een civiele procedure: de benadeelde partij hoeft immers niet te bewijzen dat sprake is van een onrechtmatige daad, omdat het bewijs daarvan in de regel kan worden ontleend aan de processtukken over het delict dat aan de verdachte ten laste is gelegd.9 Voor een (forfaitaire) vergoeding van affectieschade dient de naaste of nabestaande in beginsel aan te tonen dat sprake is van ernstig en blijvend letsel van het slachtoffer respectievelijk overlijden en dat sprake is van een causaal verband tussen de schadeveroorzakende gebeurtenis en dit letsel of overlijden.10Voor een recht op vergoeding van affectieschade is immers bepalend dat de gekwetste ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, ernstig en blijvend letsel oploopt of komt te overlijden.11

11. Hoewel op grond van art. 6:107, eerste lid, aanhef en onder b, BW sprake dient te zijn van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat en dat wordt geleden door de in het tweede lid van dat artikel genoemde naasten, hoeft dit nadeel bij een vordering tot affectieschade niet gesteld en bewezen te worden. Vanwege de veronderstelde nauwe persoonlijke band met het slachtoffer wordt ervan uitgegaan dat het ernstige en blijvende letsel van het slachtoffer voor de in art. 6:107, tweede lid, BW genoemde kring van personen een zo ernstig verlies betekent dat vergoeding op zijn plaats is.12 Ook die nauwe persoonlijke band tussen de gekwetste en de in art. 6:107, tweede lid, BW genoemde vaste kring van gerechtigden wordt verondersteld.13 Indien in een uitzonderlijk geval het honoreren van de aanspraak op affectieschade naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is omdat een feitelijke persoonlijke relatie tussen de rechthebbende naaste en de gekwetste ontbreekt – bijvoorbeeld omdat de echtgenoot al jaren vóór de schadeveroorzakende gebeurtenis uit het leven van de gekwetste is verdwenen – dan kan de betreffende rechthebbende met een beroep op art. 6:2, tweede lid, BW van vergoeding worden uitgesloten.14 Een naaste die niet behoort tot de in de wet genoemde vaste kring van gerechtigden tot affectieschade en die een beroep doet op de hardheidsclausule van art. 6:107, tweede lid, aanhef en onder g, BW, welke onder uitzonderlijke omstandigheden een recht op vergoeding van affectieschade aan een ander toekent, zal voorts aannemelijk moeten maken dat hij in een zodanige nauwe betrekking staat tot de gekwetste, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij in aanmerking komt voor de vergoeding van affectieschade.15

12. Gelet op het voorgaande zal tijdens de strafzitting het debat over een vordering tot vergoeding van affectieschade zich doorgaans toespitsen op de vraag of al dan niet sprake is van ernstig en blijvend letsel in de zin van art. 6:107, eerste lid, BW. De in art. 6:107, derde lid, BW bedoelde algemene maatregel van bestuur, waarin nader kan worden bepaald wanneer letsel als ernstig en blijvend letsel wordt aangemerkt, is vooralsnog niet tot stand gekomen. Wel geeft de parlementaire geschiedenis op dit punt inzicht in de bedoeling van de wetgever.

13. In de memorie van toelichting bij de wet waarmee het recht op vergoeding van affectieschade is geïntroduceerd, is het volgende opgenomen over het begrip ‘ernstig en blijvend letsel’:

“De in dit voorstel gemaakte keuze affectieschade ook te vergoeden in geval van verwonding, brengt het probleem mee hoe de voor vergoeding vereiste aard en ernst van de verwonding moet worden omschreven. Het spreekt voor zich dat niet iedere verwonding recht behoort te geven op vergoeding van affectieschade. Gekozen is voor een formulering die tot uitdrukking brengt dat de verwonding van het slachtoffer ernstig en tevens blijvend moet zijn. In geval van ernstig en blijvend letsel is het immers het blijvende karakter daarvan dat er voor zorgt dat naasten gedurende lange tijd op indringende wijze met de ingrijpende gevolgen van de schadeveroorzakende gebeurtenis, zowel voor henzelf als voor het slachtoffer, geconfronteerd worden. Het vereiste dat het ernstige letsel blijvend moet zijn, betekent dat het vooruitzicht ontbreekt dat de letselgevolgen na verloop van tijd verminderen, althans in die mate dat het letsel niet meer als ernstig valt aan te merken. De Rvdr stelt in zijn advies de vraag op welk moment letsel als blijvend moet worden aangemerkt en aan de hand van welke maatstaf dat letsel dan dient te worden bepaald. In het ene geval zal de blijvendheid van meet af aan duidelijk zijn. In het andere geval zal de blijvendheid pas later blijken of berusten op een inschatting van een deskundige. De Rvdr heeft voorts de vraag opgeworpen of niet ook bij zeer langdurig letsel affectieschade moet worden toegekend. Het wetsvoorstel gaat uit van de blijvendheid. Langdurig is een relatief begrip en geeft reeds om die reden aanleiding tot discussie. Vorderingen tot affectieschade worden beperkt tot blijvend letsel, omdat in die gevallen de ommezwaai in het leven van de gekwetste en naaste in de regel het meest evident is.

De term ernstig en blijvend letsel behoeft in concrete gevallen uiteraard uitleg en zal mogelijk nadere duiding in de rechtspraktijk behoeven. Ernstig en blijvend letsel zal moeten worden aangetoond door degene die een beroep op vergoeding van affectieschade doet, hetgeen tevens meebrengt dat het in de praktijk zal gaan om medisch objectiveerbare letsels. Niet het leed is doorslaggevend, maar het letsel van de gekwetste. In veel gevallen zal onomstreden zijn of al dan niet aan dit vereiste voldaan is, zodat alleen bij grensgevallen dit vereiste tot geschillen aanleiding kan geven. In grensgevallen zal op basis van beschikbare medische gegevens of op basis van een nader medische deskundigenrapportage het ernstige en blijvende letsel moeten worden aangetoond. Ook voor de afwikkeling van de schade van het slachtoffer zelf zijn dergelijke gegevens en rapportages vaak noodzakelijk, zodat in veel gevallen reeds op basis daarvan het bewijs van het ernstige en blijvende letsel geleverd kan worden.

Aangenomen kan worden dat bij een blijvende functiestoornis van 70% of meer in de praktijk sprake zal zijn van ernstig en blijvend letsel als in dit wetsvoorstel bedoeld. Functiestoornissen worden in Nederlandse praktijk vastgesteld aan de hand van de AMA-guides. In de consultatiefase is door SHN en ASP opgemerkt dat het noemen van een percentage kan leiden tot onwenselijke a contrario redeneringen. Ik acht het echter wenselijk de praktijk enige houvast te bieden bij de toepassing van het criterium ernstig en blijvend letsel. DLR en het Verbond van Verzekeraars bevestigen dit belang in hun adviezen. Duidelijk moet zijn dat het om een zeer bijzondere ernst van letsel gaat. Dat wil niet zeggen dat het genoemde percentage in alle gevallen doorslaggevend is. De ratio van het voorstel is gelegen in de wenselijkheid van juridische en maatschappelijke erkenning van het feit dat ernstig en blijvend letsel niet alleen een zeer ingrijpend verlies voor de verwonde zelf betekent, maar, gelet op de nauwe persoonlijke betrekkingen die zijn directe naasten met hem onderhouden, ook voor die naasten, aan wie door de toekenning van een vergoeding van affectieschade tevens genoegdoening wordt verschaft. Naast de functiestoornis is derhalve ook de invloed die het letsel heeft op het leven van de gekwetste en de naaste een factor van belang. Ook voor de naaste zal het letsel nopen tot een ingrijpende ommezwaai in het leven. Er zullen zich gevallen kunnen voordoen waarbij de lichamelijke (of uiterlijk waarneembare) component van het letsel niet zo ernstig is als hierboven aangegeven, maar waarbij de combinatie daarvan met andere componenten van het letsel een zodanig verlies of ernstige verstoring van de mogelijkheid van wezenlijk persoonlijk contact tussen het slachtoffer en diens naasten meebrengt, dat van ernstig en blijvend letsel sprake kan zijn. Te denken valt aan ernstige karakter- en gedragsveranderingen, het algeheel verlies van het vermogen tot spreken, ernstige afasie, ernstige aantastingen van de geheugenfunctie en ernstig of algeheel functieverlies van zintuigen. Letsels waaraan in dit verband tevens kan worden gedacht, betreffen letsels die leiden tot het verlies of een ernstige verstoring van de mogelijkheid om lichamelijk contact te hebben, zoals derdegraads brandwonden over een groot deel van het lichaamsoppervlak of ernstige verlittekening van grote delen van in dit verband belangrijke delen van het lichaam, zoals het gelaat en de hals. Ten slotte zijn gevallen denkbaar waarin het slachtoffer door het gebeuren volledig of nagenoeg volledig afhankelijk wordt van zodanig intensieve hulp en zorg dat de mogelijkheid van het onderhouden van een privéleven ernstig wordt verstoord. Het gaat hier om gevallen waarin het letsel niet alleen voor het slachtoffer zelf ernstige beperkingen in het dagelijks functioneren teweegbrengt, maar vanwege de nauwe persoonlijke band die zijn naasten met hem hebben, ook voor dezen. In de praktijk zal dit doorgaans gepaard gaan met een hoog tot zeer hoog percentage aan blijvend functioneel verlies bij het slachtoffer.

Door vrijwel alle geconsulteerde partijen is de vraag gesteld of naast lichamelijk letsel psychisch letsel wordt begrepen onder het begrip ernstig en blijvend letsel. Het antwoord hierop luidt bevestigend: onder ernstig en blijvend letsel wordt ook psychisch letsel begrepen. Voor de vordering tot affectieschade in geval van psychische schade is vereist dat het medisch objectiveerbaar psychisch letsel betreft. Vaste percentages van blijvende functiestoornissen zijn er voor psychisch letsel niet. Eenzelfde gebeurtenis kan voor verschillende personen tot zeer uiteenlopend psychisch letsel leiden. Uit het hoge percentage dat als richtsnoer dient bij de toekenning van affectieschade in geval van lichamelijk letsel, blijkt wel dat ook het psychische letsel zeer ernstig dient te zijn. Naast de ernst en blijvendheid van het psychische letsel is ook de invloed daarvan op het leven van de gekwetste en de naaste van zwaarwegend belang, bij de vraag of de naaste aanspraak heeft op affectieschade.”16

14. In de memorie van antwoord bij dezelfde wet wordt verder als volgt ingegaan op de vraag wanneer letsel dusdanig is, dat dit een schadevergoeding aan de naaste van de gekwetste rechtvaardigt:

“Letsel dat door anderen wordt toegebracht, is in vrijwel alle gevallen ingrijpend. Het betekent een inbreuk op de fysieke en mentale integriteit van de gekwetste. Alleen in uitzonderlijke gevallen leidt dit tot een recht op schadevergoeding voor de naaste van de gekwetste. Aan de praktijk is een indicatie gegeven: is sprake van een functiestoornis van 70%, dan is er in ieder geval sprake van ernstig en blijvend letsel als bedoeld in dit wetsvoorstel. Deze indicatie kleurt de regeling. Op deze wijze wordt een evenwicht gevonden tussen individuele rechtvaardigheid en hanteerbaarheid van de voorgestelde regeling. Voorkomen wordt dat in alle gevallen waarin sprake is van letsel, discussies ontstaan over de vraag of een vergoeding van affectieschade is aangewezen en zo ja, welk bedrag passend is. Dit neemt niet weg dat er ook bij een functiestoornis van 40% sprake is van zwaar letsel bij de gekwetste. Dit moet vanzelfsprekend leiden tot schadevergoeding aan de gekwetste. Het spreekt voor zich dat naasten ook in deze gevallen meeleven met de gekwetste. Deze naasten hebben in uitgangspunt echter geen eigen recht op vergoeding van immateriële schade. Daarvoor moet sprake zijn van ernstig en blijvend letsel bij de gekwetste, dat ook leidt tot een ommezwaai in het leven van de naaste. De functiestoornis van 70% is een indicatie. Het is aan de rechter om de individuele omstandigheden van het geval te beoordelen. Naast de functionele stoornis is de invloed die het letsel heeft op het leven van de gekwetste en de naaste een factor van belang. De 70% is derhalve niet bepalend, maar richtinggevend. Conform het advies van de ANWB is er op deze wijze ruimte voor het anderszins beoordelen van de impact die het letsel heeft op het leven van de gekwetste en de naaste. Er zullen zich gevallen voordoen waarbij de lichamelijke component van het letsel niet leidt tot een dermate hoge functionele stoornis, maar waarbij de combinatie van een lager percentage met andere aspecten van het letsel leidt tot de conclusie toch dat sprake is van ernstig en blijvend letsel. De memorie van toelichting (p. 12, 13) noemt in dit verband de volgende situaties:

• ernstige karakter- en gedragsveranderingen, het verlies van het vermogen tot spreken, ernstige afasie of aantasting van de geheugenfunctie, of algeheel functieverlies van de zintuigen;

• letsels die leiden tot een ernstige verstoring van de mogelijkheid om lichamelijk contact te hebben;

• letsels die ertoe leiden dat de gekwetste volledig of nagenoeg volledig afhankelijk wordt van intensieve hulp en zorg, waardoor de mogelijkheid van het onderhouden van een privéleven ernstig wordt verstoord.

Het gaat hier om gevallen waarin het letsel niet alleen voor het slachtoffer zelf ernstige beperkingen in het dagelijks functioneren teweegbrengt, maar vanwege de nauwe persoonlijke band die zijn naasten met hem hebben, ook voor deze naasten.”17

15. Met het oog op de beoordeling van het middel dient verder te worden vooropgesteld wat de Hoge Raad in zijn overzichtsarrest van 28 mei 2019 heeft overwogen ten aanzien van de beoordeling van een vordering van een benadeelde partij en de motivering van een beslissing daarover:

“2.8.1 Voor de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij gelden niet de bewijs(minimum)regels van het Wetboek van Strafvordering maar de regels van stelplicht en bewijslastverdeling in civiele zaken.

Overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv rust op de benadeelde partij die een vordering instelt in beginsel de last de feiten en omstandigheden te stellen – en in geval van betwisting daarvan bewijs bij te brengen – die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden. In de context van het strafproces heeft die stelplicht in het bijzonder betrekking op de feiten en omstandigheden die niet kunnen worden vastgesteld aan de hand van uit het strafdossier af te leiden gegevens met betrekking tot het aan de verdachte tenlastegelegde strafbare feit, hetgeen in het bijzonder geldt voor feiten en omstandigheden die bepalend zijn voor de aard en omvang van de gevorderde schade.

2.8.2 In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij betwist zal de rechter aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden in voldoende mate zijn komen vast te staan.

2.8.3 In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet (gemotiveerd) betwist, zal de rechter uitgaan van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten (vgl. art. 149 Rv) en zal de vordering in de regel worden toegewezen, tenzij de vordering onrechtmatig of ongegrond voorkomt of zich het hiervoor onder 2.1 bedoelde geval voordoet waarin de rechter door de beperkingen van het strafproces niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren te brengen. In laatstgenoemd geval ligt het in de rede dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is en zij haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Slechts in gevallen waarin de niet-toewijsbaarheid niet volgt uit de beperkingen van het strafproces, de benadeelde partij genoegzaam in de gelegenheid is geweest haar vordering te onderbouwen en de ongegrondheid van die vordering in voldoende mate is komen vast te staan, kan de rechter ervoor kiezen de vordering af te wijzen.

[...]

2.8.6 Art. 361, vierde lid, Sv schrijft voor dat de beslissing op de vordering van de benadeelde partij met redenen is omkleed. De begrijpelijkheid van de beslissingen over de vordering van de benadeelde partij is mede afhankelijk van de wijze waarop (en de stukken waarmee) enerzijds de vordering is onderbouwd en anderzijds daartegen verweer is gevoerd. Naarmate de vordering uitvoeriger en specifieker wordt weersproken, zal de motivering van de toewijzing van de vordering dus meer aandacht vragen.”18

16. Ik keer terug naar de onderhavige zaak, waarin het hof – anders dan de rechtbank – de door de benadeelde partij [benadeelde] gevorderde vergoeding van affectieschade heeft toegewezen.

17. De raadsvrouw van de verdachte heeft volgens haar ter terechtzitting van 10 juli 2020 overgelegde pleitnotitie deze vordering als volgt betwist:

“De vergoeding van affectieschade is sinds 1 januari 2019 mogelijk. Dit is echter bedoeld voor de echt schrijnende gevallen. Het is bedoeld voor familie en geliefden van personen die zijn overleden of die dusdanig ernstig en blijvend letsel hebben, dat ze praktisch niet meer in staat zijn een normaal leven te leiden zodat de familieleden dagelijks worden geconfronteerd met de ingrijpende gevolgen van het misdrijf. De wetgever heeft het in de memorie van toelichting over slachtoffers met een functiestoornis van 70% of meer. Die norm is heel hoog, maar het is dan ook niet door de wetgever beoogt dat elk slachtoffer deze vergoeding krijgt.

Uit de overgelegde stukken blijkt dat vooralsnog kan worden gesproken van een 15-29% functieverlies bij [slachtoffer] . Ik wil niet de indruk wekken dat deze functiebeperking wordt afgedaan als niet ernstig of indringend, maar gelukkig kan [slachtoffer] nog rondlopen, praten, bewegen, en zichzelf onderhouden. Dat is voor de gevallen die onder de regeling affectieschade behoren te vallen, niet het geval. Daarom verzoek ik u wederom om de vordering af te wijzen.”

18. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 juli 2020 blijkt dat de advocaat van de benadeelde partijen [slachtoffer] en [benadeelde] – zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang – aldaar het volgende heeft medegedeeld:

“Voor wat betreft de vordering van [benadeelde] overweeg ik het volgende. Bij affectieschade gaat het om een naaste van het slachtoffer. [benadeelde] is de levensgezel van [slachtoffer] . De affectieschade heeft een symbolisch karakter. De maatstaf die daarentegen is overwogen bij affectieschade is niet juist en te hoog. Boven de 70% komt haast niet voor. De vraag die ik daarom aan hof stel, is of er sprake is van een letsel en zo ja, of die zodanig is dat er aan [benadeelde] een vergoeding kan worden toegewezen.”

19. Volgens hetzelfde proces-verbaal heeft de raadsvrouw van de verdachte in dupliek nog het volgende naar voren gebracht:

“De affectieschade is bedoeld voor als er sprake is van een ernstig en blijvend letsel, waarbij iemand echt niet kan werken, in bed moet blijven liggen en de familieleden daardoor elke dag hiermee worden geconfronteerd. Er dient daarom een nader onderzoek te worden gedaan, maar dat zou tot een onevenredige belasting van de strafrechtelijke procedure leiden.”

20. In het bestreden arrest heeft het hof vervolgens geoordeeld dat [benadeelde] als levensgezel van het slachtoffer aanspraak kan maken op een vergoeding van affectieschade nu sprake is van causaliteit tussen het bewezenverklaarde feit en het letsel, terwijl daarnaast op basis van de inhoud van het dossier en van wat ter terechtzitting aan de orde is geweest, voldoende is komen vast te staan dat sprake is van ernstig en blijvend letsel bij het slachtoffer. Het hof heeft in dat verband vastgesteld:

(i) dat de aangever als gevolg van het bewezenverklaarde misdrijf, begaan door de verdachte, ernstig gewond is geraakt en op 13 juni 2019 een impressiefractuur van de schedel heeft opgelopen;

(ii) dat het slachtoffer lange tijd niet in staat is geweest om te werken;

(iii) dat uit de stukken van de bedrijfsarts van 13 augustus 2019 en 30 oktober 2019 volgt dat het slachtoffer herstellende is, maar dat er nog duidelijke beperkingen zijn van energieniveau, verdelen van aandacht en hanteren van drukte en prikkels;

(iv) dat op 30 oktober 2019 deze beperkingen niet zijn veranderd en de bedrijfsarts het slachtoffer niet in staat acht zijn eigen functie of andere aangepaste werkzaamheden uit te voeren zonder behandeling in een revalidatiekliniek;

(v) dat uit het rapport van psychiater Liesdijk blijkt dat hij het slachtoffer op 15 november 2019 heeft beoordeeld en dat zijn conclusie is dat het slachtoffer, een man met een blanco psychiatrische voorgeschiedenis, na een trauma waarbij hij met een metalen voorwerp op zijn hoofd is geslagen, een hersentrauma heeft overgehouden met als gevolg geheugenproblemen, concentratieproblemen, vermoeidheid en prikkelbaarheid, en dat het slachtoffer niet meer in staat is te werken, dat mentale processen moeizaam gaan en dat alle beperkingen zijn veroorzaakt door het bewezenverklaarde feit;

(vi) dat het letsel en de gevolgen daarvan zo ernstig zijn dat sprake is van een grote kentering of ingrijpende wijziging in het leven van het slachtoffer.

21. Het middel klaagt dat het hof bij de beoordeling van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] de verkeerde maatstaf (ik begrijp: voor de beoordeling van de ernst en blijvendheid van het letsel, DP) heeft aangelegd, dan wel onvoldoende heeft gemotiveerd op welke wijze het letsel een verregaande, schrijnende verandering heeft gehad en blijft hebben op het dagelijkse leven van het slachtoffer én zijn naaste en de mogelijkheid tot contact tussen hen.

22. In de onderhavige zaak is door de benadeelde partij [benadeelde] gevorderde vergoeding van affectieschade ter terechtzitting in hoger beroep namens de verdachte in zoverre betwist dat – kort samengevat – is aangevoerd dat het letsel van [slachtoffer] onvoldoende ernstig is om [benadeelde] voor een vergoeding van affectieschade in aanmerking te laten komen, nu sprake is van een 15-29% functieverlies bij [slachtoffer] en [slachtoffer] nog kan rondlopen, praten, bewegen, en zichzelf kan onderhouden, terwijl de wetgever meer ernstige gevallen op het oog heeft gehad. Het betoog namens de verdachte komt erop neer dat de vordering tot vergoeding van affectieschade wordt betwist omdat door de beperkte ernst van het letsel niet wordt voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor toewijzing daarvan.

23. Het hof heeft – kennelijk op grond van het rapport van psychiater Liesdijk – vastgesteld dat het aan het [slachtoffer] toegebrachte letsel zo ernstig is dat sprake is van een grote kentering of ingrijpende wijziging in zijn leven. Daarmee is naar het oordeel van het hof voldoende komen vast te staan dat [benadeelde] voor vergoeding van affectieschade in aanmerking komt. Dit oordeel is, mede gelet op de betwisting van de vordering namens de verdachte en de onder de randnummers 13 en 14 weergegeven parlementaire geschiedenis, niet zonder meer begrijpelijk. Uit die parlementaire geschiedenis blijkt dat de wetgever een recht op vergoeding van affectieschade slechts aan een beperkte kring van naasten heeft willen toekennen en als het gaat om toegebracht letsel ook slechts in uitzonderlijke gevallen. Gedacht is daarbij aan gevallen waarin sprake is van een blijvende functiestoornis van 70% of meer, dan wel aan gevallen waarin het percentage van de functiebeperking weliswaar lager ligt, maar waarin de combinatie met andere aspecten van het letsel maakt dat dit letsel desalniettemin een grote impact op het leven van de gekwetste en de naaste heeft. Het hof heeft geen percentage van de functiebeperking vastgesteld en evenmin eventuele andere aspecten van het letsel die in combinatie maken dat het letsel als voldoende ernstig moet worden aangemerkt om [benadeelde] in aanmerking te laten komen voor een vergoeding van affectieschade. Het oordeel is daarmee ontoereikend gemotiveerd.

24. Het middel is terecht voorgesteld.

Het gevolg van het slagende middel

25. Nu het middel een klacht bevat over de materiële verschuldigdheid van de schade, raakt de gegrondheid van het middel niet alleen de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] , maar ook de voor hetzelfde bedrag opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Dit brengt mee dat ook deze schadevergoedingsmaatregel niet in stand kan blijven, hoewel daarover niet is geklaagd.19

26. In een arrest van 18 juni 2019, waarin de Hoge Raad casseert vanwege een onjuist oordeel van het hof over de vordering van de benadeelde partij en aangeeft dat de beslissing in cassatie eveneens gevolgen heeft voor de opgelegde schadevergoedingsmaatregel, valt op dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak vervolgens vernietigt wat betreft de strafoplegging en de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.20 Dit is opvallend omdat, zoals annotator Vellinga opmerkt, de vernietiging van de strafoplegging in dat geval niet alleen de schadevergoedingsmaatregel maar ook de oplegging aan de verdachte van een gevangenisstraf van drie maanden met aftrek omvat, terwijl de honorering van de klacht van de benadeelde partij daartoe geenszins noopt. Vellinga oppert als mogelijke verklaring daarvoor dat de Hoge Raad de rechter na verwijzing in de gelegenheid heeft willen stellen de (bijna) overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM van twee jaren sinds het instellen van cassatie zo nodig bij de strafoplegging te compenseren. In de betreffende zaak blijkt op 20 juni 2017 beroep in cassatie te zijn ingesteld en deed de Hoge Raad uitspraak op 18 juni 2019.

27. Ook in een arrest van 26 mei 2020, waarin de Hoge Raad casseert vanwege een slagend cassatiemiddel dat is gericht tegen de toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen en de in verband daarmee opgelegde schadevergoedingsmaatregelen, vernietigt de Hoge Raad de uitspraak van het hof wat betreft de strafoplegging en de toewijzing van de benadeelde partijen.21 Uit de conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld voorafgaand aan dit arrest leid ik af dat in dat geval de vernietiging daarmee ook de door het hof opgelegde gevangenisstraf van acht maanden met aftrek van het voorarrest omvat.22 Gelet op de hiervoor vermelde door annotator Vellinga geopperde verklaring, merk ik op dat de Hoge Raad in deze zaak uitspraak heeft gedaan nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. De redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM van twee jaren sinds het instellen van cassatie, was ten tijde van de uitspraak van de Hoge Raad met ruim een maand overschreden.

28. Dit ligt anders in de zaak die ten grondslag ligt aan een arrest van 8 december 2020.23 In die zaak casseert de Hoge Raad omdat het oordeel van het hof dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden niet zonder meer begrijpelijk is, en stelt de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in cassatie niet is overschreden. De Hoge Raad vernietigt vervolgens de uitspraak van het hof, maar uitsluitend – voor zover hier althans van belang – wat betreft de beslissing met betrekking tot de vordering van een van de benadeelde partijen en de in verband daarmee opgelegde schadevergoedingsmaatregel, hetgeen de juistheid van de onder randnummer 26 vermelde veronderstelling van annotator Vellinga lijkt te onderstrepen.

29. Uitgaande van de juistheid van die veronderstelling, mede omdat ik het verschil anders ook niet kan verklaren, merk ik op dat in de onderhavige zaak een overschrijding van de redelijke termijn van twee jaren in de cassatiefase niet in beeld is. Het cassatieberoep is immers op 30 juli 2020 ingesteld en de Hoge Raad zal naar redelijke verwachting ruim voor het verstrijken van de redelijke termijn uitspraak doen. Dit brengt mee dat in de onderhavige zaak de vernietiging niet de gehele strafoplegging hoeft te betreffen. De vernietiging kan dusdanig in omvang worden beperkt dat de rechter na verwijzing zich niet meer zal hoeven te buigen over de – in cassatie niet bestreden – beslissingen van het hof tot oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] en tot oplegging van de daarmee verband houdende schadevergoedingsmaatregel.

Slotsom

30. Het middel slaagt.

31. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

32. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [benadeelde] , tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Stb. 2018, 132 (wet) en Stb. 2018, 339 (inwerkingtreding).

2 HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. W.H. Vellinga, r.o. 2.4.6 en 2.4.7.

3 HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. W.H. Vellinga, r.o. 2.4.6.

4 HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. W.H. Vellinga, r.o. 2.9.7.

5 Sinds 1 januari 2012 konden nabestaanden van slachtoffers van misdrijven al wel een uitkering ter vergoeding van affectieschade verkrijgen op basis van art. 4 Wet schadefonds geweldsmisdrijven.

6 Kamerstukken II 2014/15, 34 257, nr. 3, p. 3.

7 Kamerstukken II 2014/15, 34 257, nr. 3, p. 1.

8 Kamerstukken II 2015/16, 34 257, nr. 6, p. 3.

9 Vgl. W.H. Vellinga in zijn noot onder HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379, onder 14 en de conclusie van mijn ambtgenoot Aben, ECLI:NL:PHR:2021:230, onder 18 (HR: art. 81 lid 1 RO).

10 Vgl. Kamerstukken II 2014/15, 34 257, nr. 3, p. 6-7. Bij overlijden als gevolg van een misdrijf zal dit in de regel eenvoudig blijken uit processtukken in het betreffende strafdossier.

11 Kamerstukken II 2015/16, 34 257, nr. 6, p. 2.

12 Vgl. Kamerstukken II, 2014/15, 34 257, nr. 3, p. 13.

13 Kamerstukken II 2015/16, 34 257, nr. 6, p. 16.

14 Zie Kamerstukken II 2014/15, 34 257, nr. 3, p. 15 en C. van der Roest en J.G. Keizer, ‘De Wet Affectieschade in de praktijk; duidelijke afbakening of onsmakelijke discussies?’, Tijdschrift voor Vergoeding Personenschade 2020, nr. 2, p. 53.

15 Kamerstukken II 2015/16, 34 257, nr. 6, p. 16.

16 Kamerstukken II 2014/15, 34 257, nr. 3, p. 12-13.

17 Kamerstukken II 2015/16, 34 257, nr. 6, p. 5-6.

18 HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. W.H. Vellinga (met weglating van voetnoten).

19 Vgl. HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:901, NJ 2019/380 m.nt. W.H. Vellinga.

20 HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:901, NJ 2019/380 m.nt. W.H. Vellinga.

21 HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:868.

22 ECLI:NL:PHR:2020:188, onder 1.

23 HR 8 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1967, NJ 2021/67 m.nt. S.D. Lindenbergh.