Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:638

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
22-06-2021
Datum publicatie
23-06-2021
Zaaknummer
19/05544
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHLEE:2005:2630
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1288
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Persoonsverwisseling bij betekening mededeling uitspraak. Cassatieberoep is niet ingesteld door de verdachte op wiens naam bestreden uitspraak is gewezen, maar door de geadresseerde van de mededeling uitspraak. Conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van degene aan wie de mededeling uitspraak is betekend in het namens haar ingestelde cassatieberoep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/05544

Zitting 22 juni 2021

CONCLUSIE

F.W. Bleichrodt

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ) op [geboortedatum] 1974,

hierna: de verdachte,

op het cassatieberoep ingesteld namens

[betrokkene 1] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974.

Het cassatieberoep

1. Het gerechtshof te Amsterdam, nevenzittingsplaats Leeuwarden, heeft de verdachte – [verdachte] – bij arrest van 13 september 2005 wegens “diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht.

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens [betrokkene 1] .

3. Namens de verdachte – [verdachte] – heeft mr. M.J.N. Vermeij, advocaat te 's-Gravenhage, een middel van cassatie voorgesteld.

De ontvankelijkheid van het cassatieberoep

4. Uit het voorafgaande volgt dat deze zaak wordt gekenmerkt door de bijzonderheid dat de personalia van degene die het cassatieberoep heeft ingesteld, afwijken van die van de verdachte ten laste van wie het hof het bestreden arrest heeft gewezen. Voordat ik aan een bespreking van het middel toekom, vraagt de ontvankelijkheid van het cassatieberoep dan ook de aandacht.

5. De stukken van het geding houden, voor zover hier van belang, het volgende in.

(i) Het proces-verbaal van de openbare terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 4 mei 2004 houdt in dat de verdachte aldaar is verschenen en heeft opgegeven te zijn [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974, ten tijde van de terechtzitting ingeschreven op een adres in [plaats] .

(ii) Tegen het veroordelend vonnis van de politierechter is namens de verdachte diezelfde dag hoger beroep ingesteld. De akte hoger beroep vermeldt dezelfde persoonsgegevens van de verdachte als het vonnis van de politierechter.

(iii) Het onder 1 genoemde arrest houdt in dat het na een behandeling van de zaak bij verstek is gewezen tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] , op dat moment zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande. Een GBA-overzicht dat is aangevraagd op 30 augustus 2005 vermeldt dat van de verdachte geen GBA- adres bekend is in VIP.

(iv) Bij de stukken van het geding bevindt zich een informatiestaat SKDB-persoon ten name van [betrokkene 1] van 16 november 2018, gehecht aan twee akten van uitreiking van het ressortsparket Arnhem. Onder de historische BRP-adressen vermeldt dit document onder meer dat [betrokkene 1] een vrouw is, die vanaf 31 mei 2001 als ingezetene stond ingeschreven op een woonadres te [plaats] en vanaf 1 augustus 2008 stond ingeschreven op een ander adres te [plaats] . Vanaf 13 oktober 2015 is bekend dat zij woont in [plaats] . De ene aangehechte akte van uitreiking bevat de personalia van [betrokkene 1] en vermeldt het parketnummer in hoger beroep van de onderhavige zaak. Deze akte is niet ingevuld. De andere akte van uitreiking vermeldt geen geadresseerde, maar houdt wel in dat de ‘aan de ommezijde bedoelde gerechtelijke brief’ op 15 november 2018 is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank Amsterdam, omdat van ‘de geadresseerde’ geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is.

(v) Voorts bevat het dossier een e-mailbericht, met als afzender [betrokkene 1] , dat op 6 december 2019 is binnengekomen op een e-mailadres van het ressortsparket Arnhem-Leeuwarden. De auteur van het e-mailbericht schrijft op 30 november 2019 een brief te hebben ontvangen die is verzonden op 27 november 2019 en die ziet op een “incident” dat op 2 februari 2004 te [plaats] zou zijn gepleegd. De auteur van het e-mailbericht uit het vermoeden dat sprake is van een persoonsverwisseling, omdat zij in de desbetreffende periode is bevallen van haar dochter, te weten op 9 januari 2004.

(vi) Op dit e-mailbericht heeft een medewerker van het ressortsparket bij e-mail van 9 december 2019 geantwoord dat cassatieberoep kan worden ingesteld.

(vii) Mr. M.J.N. Vermeij heeft op diezelfde dag, 9 december 2019, een griffiemedewerker gemachtigd om namens zijn cliënte [betrokkene 1] tegen de uitspraak van het hof van 13 september 2005 cassatieberoep in te stellen. De volmacht vermeldt dat zijn cliënte op 30 november 2019 op de hoogte is gekomen van het tegen haar gewezen arrest door de ontvangst op die dag van een mededeling uitspraak van 21 november 2019. In de brief wordt verwezen naar een aangehechte bijlage. Deze bijlage behelst twee foto’s en is niet goed leesbaar. Wel valt daaruit op te maken dat de eerste foto een envelop is van een gerechtelijk schrijven dat is gericht aan (…) [betrokkene 1] , wonende op huisnummer 1DG. De tweede foto is een brief, waarop in de onderwerp-regel de woorden ‘Mededeling uitspraak (O.V.)’ te ontwaren zijn.

(viii) Op 9 december 2019 heeft een griffiemedewerker cassatieberoep ingesteld. De akte cassatie vermeldt dat het cassatieberoep is ingesteld namens [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] .

(ix) Mr. M.J.N. Vermeij, die namens [betrokkene 1] cassatieberoep heeft doen instellen, heeft op 2 februari 2021 een cassatieschriftuur ingediend. De schriftuur houdt in dat het een schriftuur houdende een middel van cassatie betreft inzake “ [verdachte] (…) verzoeker tot cassatie van het door het Gerechtshof te Amsterdam op 13 september 2005 (…) gewezen arrest”. Ook verklaart mr. Vermeij in deze schriftuur dat de “verzoeker” hem tot het indienen van de cassatieschriftuur bepaaldelijk heeft gevolmachtigd.

6. De persoonsgegevens van de verdachte [verdachte] en die van de geadresseerde van de mededeling uitspraak [betrokkene 1] komen niet overeen. Beiden hebben dezelfde achternaam en zijn in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974 geboren. De schrijfwijze van de geboorteplaats is weliswaar licht afwijkend, maar aan te nemen valt dat het gaat om dezelfde stad, die op verschillende wijzen wordt geschreven.1 De voornamen zijn wel verschillend, terwijl de één een man is en de ander een vrouw. Bezien in samenhang met het kennelijk door [betrokkene 1] aan het ressortsparket verzonden e-mailbericht van 6 december 2019, moet het ervoor worden gehouden dat de verstekmededeling is betekend aan een andere persoon dan de verdachte in de onderhavige zaak.

7. In verband met het vermoeden van een persoonsverwisseling heeft een medewerker van de Hoge Raad navraag gedaan bij de Justitiële Informatiedienst van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Een medewerker van deze dienst heeft bij e-mailbericht van 16 maart 2021 laten weten dat [betrokkene 1] op 22 mei 2017 in administratieve zin aan de bestreden uitspraak is gekoppeld. Deze koppeling zou nog diezelfde dag zijn gecorrigeerd, maar dat heeft niet tot het gewenste resultaat geleid. Het gevolg is geweest dat de strafzaak onder twee namen en twee strafrechtketennummers staat geregistreerd. De medewerker spreekt van “een ongelukkige mis-match (…) met als gevolg een persoonsverwisseling.” De medewerker geeft in haar e-mail tevens te kennen dat een en ander in de registratiesystemen zal moeten worden gecorrigeerd en dat zij de medewerker van de Hoge Raad van dit herstel op de hoogte zal houden.

8. Op grond van het voorafgaande moet het er in cassatie voor worden gehouden dat aan [betrokkene 1] op 30 november 2019 de in art. 366, eerste lid, Sv bedoelde mededeling is betekend, terwijl zij niet de verdachte is ten laste van wie de bestreden uitspraak is gewezen.

9. Persoonsverwisselingen kunnen zich in verschillende stadia van het strafproces voordoen. Naargelang de fase waarin en wijze waarop de persoonsverwisseling plaatsvindt, moeten daaraan verschillende rechtsgevolgen worden verbonden. Als ter zake van een strafbaar feit iemand wordt vervolgd die niet de vermoedelijke dader is die door de politie werd aangehouden, dan zal de vervolgde persoon moeten worden vrijgesproken, omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat hij het ten laste gelegde feit heeft begaan. Ook in hoger beroep dient de appelrechter degene die als verdachte is gedagvaard en op wiens naam het vonnis in eerste aanleg is gewezen, vrij te spreken indien komt vast te staan dat het vonnis in eerste aanleg te zijnen laste is gewezen maar het daarin bewezen verklaarde feit door een ander is begaan.2 Indien aannemelijk is dat de vervolgde en (bij verstek) veroordeelde persoon niet dezelfde persoon is als die ten aanzien van wie een redelijk vermoeden van schuld bestond, kan een dergelijke persoonsverwisseling tevens grond voor herziening vormen, omdat dan het ernstige vermoeden rijst dat als de rechter van die persoonsverwisseling op de hoogte zou zijn geweest, hij de aanvrager van het aan hem ten laste gelegde zou hebben vrijgesproken.3 Een andere situatie doet zich voor indien de ter terechtzitting verschenen persoon niet de vervolgde verdachte is. Knigge noemt het voorbeeld van de tweelingbroer die zich uitgeeft voor de op de dagvaarding vermelde verdachte.4 Ingeval bij het onderzoek ter terechtzitting twijfel rijst over de vraag of de als verdachte ter terechtzitting verschenen persoon daadwerkelijk de in de dagvaarding bedoelde verdachte is, kan de rechter overgaan tot het (doen) verrichten van een nader onderzoek naar diens identiteit, zoals omschreven in art. 273 jo. art. 27a Sv en art. 29c Sv. Indien de rechter van oordeel is dat degene die ter terechtzitting is verschenen, niet de verdachte is, kan hij overgaan tot het verlenen van verstek tegen de dan dus afwezige verdachte, dan wel de door de daadwerkelijke verdachte gemachtigde raadsman in de gelegenheid stellen het woord te voeren namens de niet-verschenen verdachte.5

10. In de onderhavige zaak heeft een ander dan de verdachte een rechtsmiddel aangewend tegen een ten laste van de verdachte gewezen einduitspraak. Een dergelijke situatie ben ik in de gepubliceerde rechtspraak van de Hoge Raad niet tegengekomen. Wel deed zich in HR 21 juni 1994, DD 94.398 het geval voor dat degene die was aangehouden, ingesloten en in eerste aanleg was veroordeeld zich daarbij had uitgegeven voor een ander. Die ander stelde hoger beroep in tegen de op zijn naam staande veroordeling. Het hof verklaarde die ander niet-ontvankelijk in het hoger beroep. De Hoge Raad vernietigde de beslissing van het hof en overwoog daartoe onder meer dat op grond van art. 404 Sv degene te wiens laste het vonnis is gewezen bevoegd is tot het instellen van het hoger beroep. De omstandigheid dat een ander zich ter terechtzitting van diens personalia heeft bediend en afstand heeft gedaan van de bevoegdheid dat rechtsmiddel aan te wenden, doet daaraan niet af.6 In HR 9 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3552 heeft de Hoge Raad in een soortgelijk geval naar het genoemde arrest van 21 juni 1994 verwezen en daaraan toegevoegd dat degene op wiens naam het vonnis staat, moet worden aangemerkt als degene ten wiens laste dat vonnis is gewezen.

11. Het onderhavige geval onderscheidt zich van het bovenstaande. De met het rechtsmiddel bestreden uitspraak is immers niet gewezen op naam van – en daarmee: ten laste van – de persoon die het beroep heeft ingesteld. De persoonsverwisseling heeft zich pas voorgedaan bij de betekening van de uitspraak. Hier doet zich dus niet het geval voor dat er ten onrechte een einduitspraak bestaat op naam van de betrokken ander, die tegen de op zijn naam staande einduitspraak opkomt.

12. Ingevolge art. 427, eerste en tweede lid, Sv staat tegen de arresten van gerechtshoven beroep in cassatie uitsluitend open voor het openbaar ministerie bij het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan, en voor de verdachte.7 De verdachte is in dit geval niet [betrokkene 1] , maar [verdachte] . Nu [betrokkene 1] beroep in cassatie heeft ingesteld, moet zij in dat beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.

13. Kort samengevat: degene die cassatieberoep heeft ingesteld, is niet de verdachte. Voor haar staat de weg van cassatieberoep niet open. Dat betekent dat zij in het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Voor [verdachte] , de verdachte, stond wel cassatieberoep open, maar van het instellen van cassatieberoep door de verdachte is niet gebleken. Daaraan doet niet af dat namens de verdachte een schriftuur is ingediend. De vraag of de verdachte in een cassatieberoep eventueel nog zou kunnen worden ontvangen, laat ik verder rusten.

14. Daarmee is het doek gevallen voor het cassatieberoep. Voor de volledigheid merk ik nog het volgende op.

15. Hoewel [betrokkene 1] in de onderhavige strafzaak geen partij is, ondervindt zij daarvan wel hinder. Zij kan zich eventueel wenden tot de Justitiële Informatiedienst van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Deze dienst is onder meer verantwoordelijk voor de inzage in en eventuele correctie van de justitiële documentatie. Op grond van art. 22, eerste lid, Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens heeft de betrokkene het recht op diens schriftelijke verzoek van degene die voor de verwerking verantwoordelijk is rectificatie van de hem betreffende justitiële gegevens te verkrijgen en onvolledige justitiële gegevens te laten aanvullen. Het verzoek dient de aan te brengen wijzigingen te bevatten.8 De website van de Justitiële Informatiedienst bevat nadere informatie over de wijze waarop een dergelijk verzoek tot rectificatie dient te worden gedaan.9

Slotsom

16. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [betrokkene 1] in het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Raadpleging van internet leert dat Suleimaniya ook wordt geschreven als Slemani (Wikipedia). ‘Slemanie’ levert geen treffers op. In plaats daarvan worden de resultaten voor ‘Slemani’ weergegeven.

2 Vgl. HR 9 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3552.

3 HR 4 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4153, NJ 2012/507; HR 9 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3552. Vgl. voorts HR 29 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:520 en HR 15 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:50.

4 Conclusie (ECLI:NL:PHR:2012:BX4153 onder 4.9), voorafgaand aan HR 4 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4153, NJ 2012/507.

5 HR 4 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4153, NJ 2012/507.

6 Vgl. ook HR 13 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6133, NJ 2007/169.

7 Vgl. in deze zin ook mijn voormalig ambtgenoot Knigge in zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2012:BX4153 onder 4.9) voorafgaand aan HR 4 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4153, NJ 2012/507.

8 Tegen de afwijzing van een dergelijk verzoek staat een bestuursrechtelijke rechtsgang open. Zie daarover E.G. van ’t Zand & G.J van Oosten, ‘Geen schone lei. Over het starre regime voor verwijdering en afscherming van justitiële gegevens’, DD 2021/23.

9 .