Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:635

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-06-2021
Datum publicatie
29-06-2021
Zaaknummer
19/05468
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1388
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Opzettelijk telen van hennep, art. 3.B Opiumwet en diefstal van elektriciteit t.b.v. hennepkwekerij, art. 311.5 Sr. Bewijs- en motiveringsklachten m.b.t. het gebruik van verklaring van getuige voor bewijs. Middel I klaagt dat hof bij verwerping van verweer t.a.v. betrouwbaarheid en bruikbaarheid van verklaringen van getuige - ten onrechte - ten bezware van verdachte acht heeft geslagen op stukken die niet tot het dossier behoren en niet zijn voorgelezen of waarvan de korte inhoud niet ter terechtzitting is voorgehouden (art. 301.4 Sv). I.c. bestaat ernstige vermoeden dat hof ten bezware van verdachte acht heeft geslagen op een stuk dat niet behoort tot het dossier en waarvan voorlezing dan wel het mededeling doen van de korte inhoud daarvan achterwege is gebleven, terwijl niet is gebleken dat inhoud van verklaring de verdachte bekend was. Aldus is voorschrift van artikel 301.4 Sv niet nageleefd. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing van de zaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/05468

Zitting 29 juni 2021

CONCLUSIE

D.J.C. Aben

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

hierna: de verdachte.

Het cassatieberoep

1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 26 november 2019 het jegens de verdachte gewezen vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 27 januari 2017 onder aanvulling van gronden bevestigd. Bij dat vonnis is de verdachte wegens 1 primair “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B van de Opiumwet gegeven verbod” en 2 primair “diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft de rechtbank de verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Tot slot heeft de rechtbank beslissingen genomen ten aanzien van het op grond van artikel 94 Sv onder de verdachte gelegde beslag en de vordering van de benadeelde partij, een en ander zoals in het door het hof bevestigde vonnis vermeld.

2. Er bestaat samenhang met de ontnemingszaak tegen de verdachte (19/05469). In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.

3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. J.P.W. Nijboer, advocaat te Utrecht, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.

De zaak

4. In deze zaak gaat het om het volgende. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij op 20 januari 2015 opzettelijk hennep heeft geteeld en in de periode van 26 februari 2013 tot en met 20 januari 2015 een hoeveelheid elektriciteit ten behoeve van de hennepkwekerij heeft weggenomen. De bewezenverklaring steunt onder meer op de verklaring van getuige [getuige 1] , afgelegd bij de politie. In hoger beroep is deze getuige op verzoek van de verdediging opnieuw gehoord bij de raadsheer-commissaris. De verklaring die de getuige heeft afgelegd bij de raadsheer-commissaris is niet tot het bewijs gebezigd.

5. De middelen richten zich met bewijs- en motiveringsklachten met name tegen het gebruik van de verklaring van getuige [getuige 1] voor het bewijs. Voordat ik overga tot een bespreking van de middelen zal ik hieronder, voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang, de bewezenverklaring, de bewijsconstructie van de rechtbank, de in hoger beroep gevoerde verweren en de nadere bewijsoverweging van het hof weergeven.

Het vonnis van de rechtbank en het bestreden arrest

6. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij:

“1. primair

op 20 januari 2015 te Utrecht, opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [a-straat 1] een hoeveelheid van in totaal 144 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2. primair

in de periode van 26 februari 2013 tot en met 20 januari 2015 te Utrecht met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een pand gelegen aan de [a-straat 1] heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, toebehorende aan Stedin Netbeheer B.V., waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.”

7. De rechtbank heeft in het door het hof bevestigde vonnis de bewezenverklaringen met gebruik van de promis-werkwijze gemotiveerd. De bewijsvoering van de rechtbank houdt onder meer het volgende in:1

“Verbalisant [verbalisant] verklaarde dat hij op 20 januari 2015 de woning aan de [a-straat 1] te Utrecht, waar [verdachte] stond ingeschreven, was binnengetreden. Hij zag in totaal drie in werking zijnde hennepkwekerijen met respectievelijk 74, 49 en 21 oogstrijpe hennepplanten. Verbalisant constateerde, gelet op de uiterlijke kenmerken, kleur en vorm, en daarnaast de herkenbare geur, dat de aangetroffen planten hennepplanten betroffen. De stroom werd illegaal afgenomen. Verbalisant zag dat de meter van de stroomvoorziening was afgesloten en dat er een lus was gemaakt zodat er geen stroom door de meter liep.

(…)

Getuige [getuige 1] verklaarde dat de persoon op foto nummer 2 de eigenaar/bewoner van de [a-straat 1] is (de rechtbank merkt op dat dit blijkens het proces-verbaal de foto is van verdachte). Zij verklaarde dat zij had gezien dat de bewoner/eigenaar van [a-straat 1] ongeveer om de dag kwam en dan kort binnen was.(7) Zij verklaarde dat zij, los van het jongere broertje, geen andere mensen bij de flat had gezien.(8) Zij had [verdachte] van [a-straat 1] zo’n 4, 5 of 6 keer de flat in zien lopen in januari 2015. Zij zag dan dat hij één of twee plastic boodschappentassen bij zich had.(9)

Voetnoten:

[7] Proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL0900-2015230775-30, pagina 2 van het verhoor.

[8] Proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL0900-2015230775-30, pagina 3 van het verhoor.

[9] Proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL0900-2015230775-30, pagina 4 van het verhoor.

Rapporteur [verbalisant] verklaarde dat uit de gegevens van het Kadaster bleek dat de woning aan de [a-straat 1] te Utrecht eigendom van [verdachte] is vanaf 31 juli 2007.

Bewijsoverweging

De rechtbank overweegt dat er een hennepplantage, die van elektriciteit werd voorzien zonder dat dit door de meter werd geregistreerd, in de woning van verdachte is aangetroffen. Door een getuige is gezien dat verdachte meerdere malen met boodschappentassen voor een korte tijd in de woning was. Los van het broertje van verdachte zijn er door de getuige geen andere mensen bij de woning gezien.

Voorgaande feiten en omstandigheden zijn, in onderling verband en samenhang bezien, belastend voor verdachte en één en ander maakt dat van verdachte mag worden verwacht dat hij een afdoende en redengevende verklaring geeft over de aanwezigheid van de hennepplantage en de illegale aansluiting voor de elektriciteit in zijn woning. De verdachte heeft geen verklaring hierover willen afleggen. Het recht om te zwijgen komt de verdachte uiteraard toe, maar indien feiten en omstandigheden zodanig wijzen op betrokkenheid van de verdachte bij de aan hem onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde feiten dat van hem enige verklaring mag worden verlangd, kan het zwijgen van de verdachte meewegen in de beslissing omtrent de waardering van de aanwezige bewijsmiddelen.

Gelet op de redengevende feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, kan wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de aan hem onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde feiten.”

8. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 12 november 2019 blijkt dat de raadsman van de verdachte aldaar het woord tot verdediging heeft gevoerd aan de hand van een door hem overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer het volgende in:

“Getuige [getuige 1]

De rechtbank overweegt dat [getuige 1] verklaarde dat zij de bewoner/eigenaar van de woning ongeveer om de dag zag en dan kort binnen was (verwezen wordt naar p. 2 van de verklaring van [getuige 1] ). Dat is echter geen volledige weergave van de passage. De volledige passage luidt namelijk;

"(...) Ik zag toen ook dat de bewoner/eigenaar van [a-straat 1] om de dag kwam ongeveer en dan kort binnen was maar daar niet woonde."

De toevoeging 'maar daar niet woonde' suggereert dat cliënt de woning in ging als wordt gezegd 'en dan kort binnen was'. Suggereert, niet meer en niet minder. Ik kom hier zo op terug.

Verder heeft de rechtbank opgenomen de passage uit haar verklaring waarin de getuige zou hebben gezegd dat zij cliënt in januari 2015 4, 5 of 6 keer de flat in had zien lopen (waarbij hij dan één of twee boodschappentassen bij zich zou hebben gehad). Strikt genomen is dat echter niet een passage die direct uit de mond van de getuige komt. Immers, op p. 3 van het verhoor blijkt dat op enig moment door de -later aangeschoven- advocaat wordt gevraagd;

"Ik heb u horen zeggen dat u 4, 5 of 6 keer [verdachte] van [a-straat 1] de flat in had zien lopen. In welke periode is dat geweest?" Waarop de getuige zegt: "Dat is geweest in januari 2015".

Het lijkt er dus op dat de rechtbank de vraag van de toen bij het verhoor aanwezige advocaat als bewijsmiddel heeft gebruikt. Dat lijkt op gespannen voet te zijn met art. 339 Sv (zie ook ECLI:NL:HR:2019:295). deze passage kan derhalve niet voor het bewijs worden gebezigd.

De fragmenten van de verklaringen van [getuige 1] die door rechtbank voor het bewijs zijn gebruikt overtuigen allerminst. Het bevreemdt in die zin dan ook dat de rechtbank met name op basis van de verklaringen van [getuige 1] tot een Murray-achtige bewijsoverweging komt.

Immers, de rechtbank overweegt dat het zwijgen van de verdachte (welk recht hem uiteraard toekomt aldus de rechtbank) in de gegeven omstandigheden kan meewegen in de bewijsbeslissing). Daarbij betrekt de rechtbank de overweging dat door een getuige (wie? [getuige 1] ?) is gezien dat verdachte meerdere malen met boodschappentassen voor een korte tijd in de woning was.

Dat laatste is echter niet met zoveel woorden verklaard, althans niet ondubbelzinnig. De bij de politie afgelegde verklaring van de getuige is wat dat betreft (net als de rest van het dossier) rommelig. Zo is uit de verklaring van [getuige 1] bij de politie bv. ook niet of nauwelijks af te leiden wanneer zij iets zag of constateerde bv. Bij dit alles moet nog worden betrokken het feit dat [getuige 1] haar waarnemingen zou hebben gedaan als voorzitter van de VVE, maar niet als medeflatbewoner. Zij woonde immers zelf vanaf eind 2014/begin 2015 niet meer zelf in de flat (zie verhoor RHC). Het lijkt erop dat het eerder eind 2014 is geweest dan begin 2015. Immers, bij de politie verklaart ze op een vraag van de advocaat (hoe vaak was u daar in de flat aanwezig?): "Ik was daar elke dag. Ik kwam daar elke dag in mijn functie als voorzitter van de vereniging van eigenaren. Ik heb daar ook regelmatig in de flat geslapen bij vrienden en kennissen. Ik heb daar familie wonen."

Kortom, het lijkt erop dat [getuige 1] in de periode waarin de kwekerij werd ontdekt niet zelf woonachtig was in de flat. Dat zij desalniettemin regelmatig aanwezig was kan natuurlijk, maar het is ook niet zo dat deze getuige als een soort 'flat-politie' kan worden aangemerkt.

Ook overigens is de verklaring van [getuige 1] bij de politie niet bepaald eenduidig. Er worden de getuige allerlei eerdere uitspraken voorgehouden die zij bevestigt en waarin bezoekjes van cliënt aan de flat aan de orde komen. Verder verklaart de getuige in algemene zin over wat ze van andere, niet nader benoemde, bewoners zou hebben gehoord. Getuigenissen van andere bewoners ontbreken echter. Ook omdat [getuige 1] bij de politie geen namen wilde noemen.

RHC

[getuige 1] is ook als getuige gehoord bij de RHC. Daar verklaarde [getuige 1] dat cliënt regelmatig langs kwam in, de flat. Zij verklaart echter ook; "Ik heb niet geteld hoe vaak ik [verdachte] op die manier in het gebouw heb gezien. Ik heb niet gezien waar hij naartoe ging. Dat had overal naartoe kunnen zijn in het gebouw". Op de vraag (p. 3) of ze de keren dat ze [verdachte] zag hem ook weer zag vertrekken antwoordt ze dat ze daar niet bewust op heeft gelet.

Dat laatste is opvallend. In de bewijsconstructie van de rechtbank staat een passage van de getuige waarin zij stelt dat de eigenaar van nr 168 om de dag kwam en dan steeds kort binnen was. Bij de RCH verklaart ze voor de goede orde dus dat ze daar niet bewust op heeft gelet.

Maar nog belangrijker is het antwoord van de getuige bij de RHC op de vraag van de A-G of zij [verdachte] het appartement heeft zien binnengaan; dat antwoord luidde als gezegd (ik begon er mijn pleidooi mee): 'Nee'.

Het is al met al bepaald niet overtuigend. Zeker niet wanneer de verklaringen van Boulouban in ogenschouw worden genomen. Dat cliënt bij de flat kan zijn gezien kan overigens kloppen. Immers, Boulouban legde de huur in de brievenbus. Die werd daar dan door cliënt opgehaald. Tevens woonde er op dat moment een broer van cliënt op nummer 64.

Dat door [getuige 1] is verklaard dat ze cliënt met één of meerdere tassen bij de flat zag (dus niet bij de woning) zegt al evenmin iets. Bovendien, wat zou er in die tas moeten hebben gezeten. Dit vooral ook omdat bij de inval oogstrijpe planten worden aangetroffen. Er is derhalve waarschijnlijk een week of 10 voor 20 januari 2015 niet geknipt (want kweekcyclus van 10 weken). Dus ook al zou worden aangenomen dat cliënt in januari 2015 4, 5 of 6 keer met tassen bij de flat is gezien, niet valt in te zien wat daar dan voor hennep gerelateerde zaken in moeten hebben gezeten.

Verder heeft te gelden dat er geen sporen (dacty, dna) van cliënt zijn aangetroffen in de kwekerij (daar is misschien ook geen onderzoek naar gedaan; men gaat tegenwoordig nogal eens voor de 'korte klap'). Ook overigens zijn er geen sporen of bevindingen die duiden op betrokkenheid van cliënt. Evenmin zijn er andere getuigen die hebben verklaard dat ze cliënt in de tll periode in de woning hebben gezien. 'Murray' doet wat mij betreft dan ook bepaald geen opgeld.

Als het gaat om de zogeheten 'korte klap' valt op dat [getuige 1] bij de RHC nog verklaarde dat er camera's in centrale toegangshal hangen. Mij is niet gebleken dat de politie beelden heeft gevorderd/bekeken. Verder is het natuurlijk ook verwonderlijk dat [getuige 1] eerst op 20 december 2016 door de politie als getuige werd gehoord (n.a.v. het gesprekje dat men met haar had op straat op 20 januari 2015); dat is bijna 2 (!) jaar na het aantreffen van de kwekerij.

Over [getuige 1] tenslotte nog het volgende; deze getuige verklaart niet alleen over cliënt maar ook over zijn broer van nr. 64. Ook dat had betrekking op hennep. Uit de stukken (en ook de gang van zaken rond het verhoor van [getuige 1] als getuige bij de RHC) blijkt wel dat deze getuige niet bepaald positief is over de [familie van verdachte] . Of dit terecht is of niet wil ik in het midden laten. Feit is wel dat deze getuige daardoor niet per se als de meest onafhankelijke getuige kan worden gezien. M.i. kunnen de verklaringen van [getuige 1] dan ook slechts met uiterste behoedzaamheid worden gebezigd. Hierbij moet ook worden gezegd dat het onderliggende strafdossier meerdere zaken behelst; [getuige 1] is bv op 20 december 2016 ook over meerdere zaken bevraagt, hetgeen de duidelijkheid van eea niet ten goede komt.

Conclusie

Al deze omstandigheden in ogenschouw genomen moet worden geconcludeerd dat er geen wettig en overtuigend bewijs is dat cliënt wetenschap heeft gehad van de kwekerij in zijn woning, laat staan dat hij daarbij betrokkenheid heeft gehad. Dit geldt mutatis mutandis voor de diefstal van elektriciteit. Ik verzoek uw hof dan ook cliënt alsnog integraal vrij te spreken.”

9. Het hof heeft daarnaast in het bestreden arrest het volgende overwogen:

“Aanvullende overweging met betrekking tot de bewijsbeslissing

De verdediging heeft betoogd dat getuige [getuige 1] bij de raadsheer-commissaris anders heeft verklaard over de keren dat ze verdachte in de tenlastegelegde periode bij de flat, waarin de hennepkwekerij werd aangetroffen, heeft gezien. Getuige [getuige 1] is in 2015 en 2016 (meerdere keren) door de politie en de rechter-commissaris gehoord. Het hof acht de verklaringen die de getuige toen heeft afgelegd betrouwbaar en voldoende consequent om aan het bewijs bij te kunnen dragen. Het verhoor van de getuige bij de raadsheer-commissaris heeft pas jaren later, te weten op 14 juni 2019, plaatsgevonden. Het is goed mogelijk dat de getuige zich door het tijdsverloop bepaalde zaken niet goed meer kon herinneren. Daar komt bij dat het dossier aanwijzingen bevat dat getuige [getuige 1] is bedreigd met de bedoeling haar verklaring in voor verdachte en/of zijn mededaders gunstige zin aan te passen. Gelet hierop gaat het hof uit van de inhoud van de eerder afgelegde verklaringen en gebruikt het hof de verklaring zoals afgelegd bij de raadsheer-commissaris niet voor het bewijs.”

Het eerste middel

10. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof bij de verwerping van het verweer ten aanzien van de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van de verklaringen van getuige [getuige 1] – ten onrechte – ten bezware van verdachte acht heeft geslagen op stukken die niet tot het dossier behoren en niet zijn voorgelezen of waarvan de korte inhoud niet ter terechtzitting is voorgehouden.

11. Bij de beoordeling van het middel kan het volgende worden vooropgesteld. Artikel 301 lid 4 Sv, welke bepaling ingevolge artikel 415 Sv op het rechtsgeding in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is, bepaalt dat ten bezware van de verdachte geen acht wordt geslagen op stukken die ter terechtzitting niet zijn voorgelezen of waarvan de inhoud in verkorte vorm niet is medegedeeld. Een eerlijk strafproces vergt namelijk dat de verdachte bekend is met het feitenmateriaal dat in zijn nadeel kan worden gebruikt en dat hij de gelegenheid heeft om daarover zijn visie te geven ten overstaan van de rechter die tot oordelen is geroepen.2 Onder stukken als bedoeld in deze bepaling vallen stukken die van invloed kunnen zijn op het bewijs van het tenlastegelegde, de strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte of de oplegging van straf of maatregel.3 Daaronder vallen ook stukken die een gevoerd verweer tegenspreken.4 Op grond van het bepaalde in artikel 417 lid 1 Sv mogen stukken welke in eerste aanleg zijn voorgelezen ook voor de behandeling in hoger beroep als voorgelezen worden aangemerkt. Schending van het voorschrift van artikel 301 lid 4 Sv leidt in het algemeen tot nietigheid. In sommige gevallen wordt de nietigheid echter gerelativeerd. Doorslaggevend is of door de niet-inachtneming het belang van de verdachte is geschaad. Dit is in het bijzonder niet het geval als het desbetreffende stuk op andere wijze dan door voorlezing of mededeling van de korte inhoud ter sprake is gebracht en bij de verdachte bekend was.5

12. Het hof heeft in zijn bewijsoverweging naar de verklaring van getuige [getuige 1] bij de rechter-commissaris verwezen door te overwegen (ik herhaal): “Getuige [getuige 1] is in 2015 en 2016 (meerdere keren) door de politie en de rechter-commissaris gehoord. Het hof acht de verklaringen die de getuige toen heeft afgelegd betrouwbaar en voldoende consequent om aan het bewijs bij te kunnen dragen”. Volgens de steller van het middel maakt de verklaring die de getuige in 2015 of 2016 zou hebben afgelegd bij de rechter-commissaris geen onderdeel uit van het dossier tegen de verdachte maar heeft de getuige deze verklaring afgelegd in een andere strafzaak (namelijk in de strafzaak tegen de broer van de verdachte). Evenmin is deze verklaring tijdens de behandeling van de zaak in eerste aanleg dan wel in hoger beroep voorgelezen of is de korte inhoud daarvan voorgehouden, aldus de steller van het middel.

13. Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 13 januari 2017 houdt ten aanzien van de ter terechtzitting voorgehouden stukken niet meer in dan dat de voorzitter mondeling de korte inhoud van de stukken, zoals deze zich in het dossier in deze strafzaak bevinden, mededeelt waaronder met name ook al die stukken waarvan in het vonnis melding is gemaakt. Uit het proces-verbaal kan niet worden afgeleid dat de door getuige [getuige 1] bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring ter terechtzitting is voorgehouden of anderszins ter sprake is gebracht.

14. In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 12 november 2019 wordt expliciet melding gemaakt van de stukken die de voorzitter heeft voorgelezen, dan wel waarvan de korte inhoud is medegedeeld. Niet blijkt dat de voorzitter, dan wel een van de andere raadsheren, een verklaring van de getuige bij de rechter-commissaris heeft voorgehouden, dan wel dat die verklaring anderszins bij de verdachte bekend was.

15. Bij de stukken van het geding bevindt zich bovendien een proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris d.d. 14 augustus 2017. Dit proces-verbaal houdt, voor zover relevant, het volgende in:

“Op 17 juli 2017 is getuige [DA: [getuige 1] ] gehoord door de rechter-commissaris in strafzaken in de rechtbank Midden-Nederland in een strafzaak van verdachtes broer [betrokkene 1] , betreffende een hennepkwekerij op het adres [a-straat 2] .”

16. Gelet op het voorgaande rijst het ernstige vermoeden dat het hof, daar waar het in zijn bewijsoverweging verwijst naar de verklaring van de getuige afgelegd bij de rechter-commissaris, ten bezware van de verdachte acht heeft geslagen op een stuk dat niet behoort tot het dossier en waarvan voorlezing dan wel het mededeling doen van de korte inhoud daarvan achterwege is gebleven, terwijl niet is gebleken dat de inhoud van deze verklaring de verdachte bekend was. Aldus is het voorschrift van artikel 301 lid 4 Sv niet nageleefd.

17. Het eerste middel slaagt.

Het tweede middel

18. Het tweede middel behelst de klacht dat het hof in zijn nadere bewijsoverwegingen de verklaring van getuige [getuige 1] , afgelegd bij de raadsheer-commissaris, heeft gedenatureerd. In zijn bewijsoverweging heeft het hof opgenomen dat het goed mogelijk is dat de getuige zich door het tijdsverloop bepaalde zaken niet goed meer kan herinneren. Volgens de steller van het middel vindt deze constatering van het hof echter geen steun in de door de getuige bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring.

19. Het middel heeft betrekking op een deel van de overweging die verantwoordt waarom het hof van oordeel is dat de verklaringen van getuige [getuige 1] afgelegd bij de politie in 2015 en 2016 tot het bewijs kunnen worden gebezigd en de verklaring van getuige [getuige 1] afgelegd bij de raadsheer-commissaris in 2019 niet voor het bewijs wordt gebruikt. Vooropgesteld moet worden dat de invoering van de motiveringsplicht als bedoeld in artikel 359 lid 2 Sv geen wijziging heeft gebracht in het uitgangspunt dat de selectie en waardering van het beschikbare feitenmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter en dat ten aanzien van de mate van motivering onder meer betekenis toekomt aan de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten.6

20. Het hof heeft allereerst overwogen dat de verklaringen die de getuige heeft afgelegd bij de politie betrouwbaar en voldoende consequent zijn. In de tweede plaats heeft het hof in aanmerking genomen dat het goed mogelijk is dat de getuige zich door het tijdsverloop bepaalde zaken niet goed meer kan herinneren. Daarmee heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat in zijn algemeenheid gezegd kan worden dat de herinnering van een getuige door tijdsverloop vervormd kan raken. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. De stelligheid waarmee een getuige zijn of haar mededelingen eventueel doet, brengt daarin geen verandering.

Tot slot heeft het hof in aanmerking genomen dat het dossier aanwijzingen bevat dat de getuige is bedreigd met de bedoeling haar verklaring in voor de verdachte en/of zijn mededaders gunstige zin aan te passen.

Al die omstandigheden in aanmerking genomen hebben geleid tot het oordeel van het hof dat het de verklaring van getuige [getuige 1] , afgelegd bij de raadsheer-commissaris in 2019, niet voor het bewijs heeft gebezigd. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Van denaturering van de verklaring van de getuige is geen sprake.

21. Het tweede middel faalt.

Het derde middel

22. Het derde middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte en in strijd met artikel 339 Sv een kennelijke uitlating van de raadsvrouw die aanwezig was tijdens het (politie)verhoor van de getuige, voor het bewijs heeft gebruikt, althans dat sprake is van denaturering van de verklaring van de getuige.

23. Ter toelichting wijst de steller van het middel op de volgende passage uit het proces-verbaal van verhoor van de getuige:

“V: Ik heb u horen zegen dat u 4, 5 of 6 keer [verdachte] van [a-straat 1] de flat in had zien lopen. Ik welke periode is dat geweest?" Waarop de getuige zegt: "Dat is geweest in januari 2015"

24. In het door het hof bevestigde vonnis heeft de rechtbank overwogen (ik herhaal):

“Zij had [verdachte] van [a-straat 1] zo’n 4, 5 of 6 keer de flat in zien lopen in januari 2015.”

25. Het hof kon uit het door het middel genoemde onderdeel van het proces-verbaal van verhoor van de getuige niet onbegrijpelijk afleiden dat de getuige heeft verklaard dat zij de verdachte in januari 2015 vier, vijf of zes keer de flat in had zien lopen. Daarbij neem ik in aanmerking dat uit de vraagstelling van de bij het politieverhoor aanwezige raadsvrouw kan worden afgeleid dat de getuige kennelijk eerder zelf had verklaard dat zij verdachte vier, vijf of zes keer de flat in had zien lopen maar daarbij niet specifiek had aangegeven wanneer dit was. Op vragen van de raadsvrouw heeft zij hierover nog aanvullend verklaard.

26. Het derde middel faalt.

Het vierde middel

27. Het vierde middel valt uiteen in verschillende deelklachten. De eerste deelklacht luidt dat het bewezenverklaarde niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid. De tweede deelklacht luidt dat het hof niet (afdoende) heeft gerespondeerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inhoudende dat de verdachte niets met de hennepkwekerij te maken had en zijn woning had verhuurd. De derde deelklacht luidt dat het hof door het vonnis van de rechtbank te bevestigen ten onrechte het zwijgen van de verdachte heeft laten meewegen bij zijn oordeel dat de tenlastegelegde feiten door de verdachte zijn begaan. De verschillende deelklachten lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

28. Uit de bewijsconstructie in het door het hof bevestigde vonnis kan worden afgeleid dat in de woning van de verdachte aan de [a-straat 1] te Utrecht een in werking zijnde hennepkwekerij is aangetroffen. Door een fraudespecialist van Stedin Netbeheer is geconstateerd dat de elektriciteit ten behoeve van de hennepkwekerij via een illegale aansluiting werd afgenomen en niet door de elektriciteitsmeter werd geregistreerd. Daarnaast heeft getuige [getuige 1] , nadat haar een foto van de verdachte is getoond, verklaard dat de verdachte de bewoner/eigenaar van het appartement aan de [a-straat 1] is. Zij heeft gezien dat de verdachte ongeveer om de dag kwam en dan kort binnen was. In januari 2015 heeft zij de verdachte vier, vijf of zes keer de flat zien inlopen. Ook heeft de getuige verklaard dat zij, afgezien van het jongere broertje van verdachte, geen andere mensen bij de flat heeft gezien.

29. Mijns inziens heeft het hof uit de bewijsvoering kunnen afleiden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk telen van hennep en de diefstal van elektriciteit. Het hof heeft het verweer van de verdachte inhoudende dat hij niets met de hennepkwekerij te maken had en zijn woning had verhuurd weliswaar niet expliciet besproken maar uit de bewijsconstructie in het door het hof bevestigde vonnis volgt dat de rechtbank de verklaring van de verdachte niet aannemelijk heeft geacht. Bovendien heeft de rechtbank in een nadere bewijsoverweging overwogen dat de getuige naast de verdachte en zijn broertje geen andere mensen bij de woning heeft gezien. Daarin ligt als het oordeel van de rechtbank besloten dat het niet anders kan zijn dan dat het de verdachte is geweest die de bewezen verklaarde delicten heeft gepleegd. Ook in het licht van hetgeen de raadsvrouw in hoger beroep heeft aangevoerd, ligt de motivering van de door het hof bevestigende, afwijkende beslissing dat en waarom het de lezing van de verdachte niet aannemelijk heeft geacht, daarmee voldoende besloten in de bewijsvoering en noopte artikel 359 lid 2 Sv het hof niet tot een nadere motivering.7

30. Voor zover het middel klaagt dat het hof door het vonnis van de rechtbank te bevestigen ten onrechte bij de bewijsvoering de omstandigheid heeft betrokken dat de verdachte geen afdoende en de redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven voor de aanwezigheid van de hennepplantage en de illegale aansluiting voor elektriciteit in zijn woning, faalt het eveneens. In het door het hof bevestigde vonnis heeft de rechtbank in haar bewijsoordeel onder meer betrokken de omstandigheid (i) dat getuige [getuige 1] heeft verklaard dat de verdachte ongeveer om de dag bij de woning kwam en dan kort binnen was, (ii) dat zij hem in januari 2015 vier, vijf of zes keer de flat in heeft zien lopen en (iii) dat zij, behoudens het jongere broertje van verdachte, geen andere mensen bij de flat heeft gezien. Door in de bewijsoverwegingen te betrekken dat de verdachte (ook) voor die belastende omstandigheden geen (afdoende) verklaring heeft gegeven, geeft het vonnis van de rechtbank geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.8

31. Het vierde middel faalt in al zijn onderdelen.

Slotsom

32. Het eerste middel slaagt. Het tweede, derde en vierde middel falen en kunnen met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan.

33. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

34. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Bij de weergave van de bewijsvoering laat ik de voetnoten weg, met uitzondering van de voetnoten waaruit blijkt dat de bewijsvoering berust op een verklaring van de getuige waarop de middelen betrekking hebben.

2 Zie in het verband van art. 6 EVRM: EHRM 18 februari 1997, 18990/91 (Nideröst-Huber/Zwitserland), par. 24.

3 HR 20 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR0403, NJ 2011/607 m.nt. Borgers.

4 Vlg. S.V. Pelsser in: Tekst & Commentaar Wetboek van Strafvordering, art. 301 Sv, aant. 3 (elektronische versie, bijgewerkt tot 28 maart 2021).

5 Vgl. HR 12 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN4351.

6 HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma.

7 Vgl. HR 28 augustus 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX3864.

8 Vgl. HR 3 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0733; HR 16 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2764