Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:616

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
18-06-2021
Datum publicatie
16-07-2021
Zaaknummer
21/01539
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Wvggz. Zorgmachtiging. Weigering door betrokkene van bijstand toegevoegde advocaat (art. 1:7 lid 1 Wvggz). Vgl. HR 17 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2998 en HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3663.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 21/01539

Zitting 18 juni 2021

CONCLUSIE

G. Snijders

In de zaak

[betrokkene]
verzoeker tot cassatie,
advocaat: mr. M.A.M. Wagemakers,

tegen

Officier van Justitie Noord-Nederland locatie Groningen
verweerder in cassatie,
niet verschenen.

Partijen worden hierna aangeduid als betrokkene respectievelijk de officier van justitie.

1 Inleiding

In deze Wvggz-zaak heeft de rechtbank een zorgmachtiging verleend op grond van een medische verklaring die, kort gezegd, is gebaseerd op dossieronderzoek. In cassatie komt betrokkene hiertegen op. Daarnaast wordt geklaagd dat de rechtbank het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden en niet heeft onderzocht of betrokkene zich wilde laten bijstaan door een andere advocaat.

2 Feiten en procesverloop

2.1

Bij verzoekschrift, bij de rechtbank ingekomen op 30 december 2020, heeft de officier van justitie de rechtbank Noord-Nederland verzocht een zorgmachtiging ten aanzien van betrokkene te verlenen voor de duur van zes maanden. Bij dat verzoekschrift is onder meer een medische verklaring overgelegd die op 27 december 2020 is opgemaakt door een niet bij de behandeling betrokken psychiater.

2.2

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 18 januari 2021. De zitting zou eerst in het gebouw van de rechtbank plaatsvinden, maar dit is gewijzigd in een zitting door middel van een beeld- en geluidverbinding (Skype). Betrokkene en zijn partner zijn op die zitting niet verschenen. De aan betrokkene toegevoegde advocaat heeft op de zitting verklaard dat betrokkene niet over de apparatuur beschikt om deel te nemen aan een zitting door middel van beeld- en geluidverbinding. Daarnaast verklaarde de advocaat:

“(…) Betrokkene neemt de zaak niet serieus. Een serieuze zaak begint met een dagvaarding. Ook heeft betrokkene gezegd dat hij een eigen advocaat wil. Deze gaat hij zoeken zodra hij de zaak serieus neemt en er dus sprake is van een dagvaarding. Ik heb vervolgens het verzoekschrift van de officier van justitie naar betrokkene gestuurd. Hierop heeft betrokkene gereageerd in de vorm van een brief. Ik zal de brief even voorlezen: “nogmaals en nogmaals. Diverse malen afgewezen als advocaat. Ook schrijft u dat ik bij u mag komen kijken. Nogmaals: u bent mijn advocaat niet. Ik wil niet dat u de zitting gaat bezoeken namens mij”. Hieruit leid ik af dat hij wel gehoord wil worden, via een eigen advocaat, op het moment dat hij ervan overtuigd is dat er een zaak is.”

2.3

Omdat betrokkene en zijn partner niet waren verschenen op de zitting, heeft de rechtbank de behandeling met een week aangehouden en betrokkene en zijn partner per aangetekende brief laten uitnodigen voor een fysieke zitting in het gebouw van de rechtbank.

2.4

Op 25 januari 2021 heeft de nieuwe zitting plaatsgevonden in het gebouw van de rechtbank. Daarbij zijn gehoord de aan betrokkene toegevoegde advocaat (telefonisch), een verpleegkundige (telefonisch) en de partner van betrokkene. Betrokkene zelf is niet verschenen. Ter zitting heeft de advocaat onder meer het volgende verklaard:

“Ik heb per mail contact gehad met betrokkene. Hij zou een aangetekende brief hebben ontvangen en hiermee op de hoogte zijn van de mondelinge behandeling. Volgens betrokkene begint een procedure met een dagvaarding en zolang hij geen dagvaarding heeft ontvangen, komt hij niet naar de zitting. Ik heb vervolgens uitgelegd dat deze procedure niet aanvangt met een dagvaarding, maar betrokkene blijft erbij dat dit geen echte procedure is.

(…)

Ik voel mij beperkt in wat ik kan zeggen, omdat betrokkene niet wil dat ik hem verdedig.”

2.5

Bij beschikking van 25 januari 20211 heeft de rechtbank een zorgmachtiging verleend voor de in het dictum aangegeven vormen van verplichte zorg. Naar de vaststelling van de rechtbank was betrokkene op de hoogte van de mondelinge behandeling, maar is hij niet bereid zich te doen horen. De rechtbank heeft hierover overwogen:

“1.6 De wet schrijft voor dat de rechter op het verzoek om een zorgmachtiging te verlenen niet beslist dan nadat betrokkene ten aanzien waarvan de machtiging wordt verzocht is gehoord, tenzij de rechter vaststelt dat betrokkene niet bereid is zich te doen horen.

1.6.1.

Betrokkene is bij aangetekende brief van 18 januari 2021 door de rechtbank in kennis gesteld van de (opnieuw) geplande mondelinge behandeling op 25 januari 2021 om 09:15 uur. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van betrokkene medegedeeld dat betrokkene op de hoogte is van voornoemde behandeling, maar dat hij zich alleen wil laten horen in een procedure die aanvangt met een dagvaarding.

1.6.2.

Op grond van het vorenstaande concludeert de rechtbank dat betrokkene, hoewel op de hoogte van de mondelinge behandeling betreffende zijn zorgmachtiging, niet bereid is zich te doen horen, althans alleen op zijn voorwaarden. Er is geen juridische grondslag voor de voorwaarde die betrokkene stelt. De rechter heeft daarop besloten om de mondelinge behandeling buiten aanwezigheid van betrokkene voort te zetten.”

2.6

De rechtbank heeft vooropgesteld dat geen persoonlijk onderzoek van betrokkene door de opsteller van de medische verklaring heeft plaatsgevonden. Desalniettemin heeft zij de zorgmachtiging verleend. Zij heeft hierover overwogen:

“4.2 Gebleken is dat er geen persoonlijk onderzoek van betrokkene door de opsteller van de medische verklaring heeft plaatsgevonden. Betrokkene is twee keer uitgenodigd bij Lentis in Winschoten, op welke uitnodigingen hij niet is verschenen. De opsteller van de medische verklaring heeft daarna getracht betrokkene onaangekondigd thuis te bezoeken, maar betrokkene reageerde niet op aanspreken door de brievenbus en nam zijn telefoon niet op. De medische verklaring is vervolgens tot stand gekomen op basis van dossierstudie en informatie van de partner van betrokkene.

4.3. De rechtbank overweegt dat, hoewel er geen persoonlijk contact met betrokkene heeft plaatsgevonden, de psychiater heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem kan worden verwacht, zoals blijkt uit hetgeen hiervoor is omschreven. Voor het opstellen van de medische verklaring is de psychiater afgegaan op informatie uit het dossier, waaronder de medische verklaring die ten behoeve van de RM die op 8 december 2017 werd afgegeven en waarin werd vastgesteld dat sprake was van een paranoïde psychotisch toestandsbeeld bij betrokkene. De onafhankelijke psychiater concludeert op basis van de hem beschikbare informatie dat het ernstig vermoeden bestaat dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis. De rechtbank acht deze conclusie voldoende onderbouwd en verwerpt het primaire verweer van de advocaat van betrokkene. Echter, nu er – in afwijking van het uitgangspunt van de wetgever – geen persoonlijk onderzoek van betrokkene heeft plaatsgevonden en de meest recente informatie uit het medische dossier over de eerdere opnames en behandelingen van betrokkene dateert uit 2018, acht de rechtbank toewijzing van het verzoek voor de verzochte duur niet gepast. De rechtbank zal de zorgmachtiging daarom toewijzen voor een aanzienlijk kortere duur, zoals hierna te melden.

4.4. Uit de overgelegde stukken en uit hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, is gebleken dat er een ernstig vermoeden is van een recidief paranoïde psychose bij actief zorgmijdende man bekend met schizofrenie.

(…)

4.6 Ter toelichting op het voorgaande overweegt de rechtbank op basis van de overlegde stukken en uit hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen als volgt.

Betrokkene is een 48-jarige man die sinds 2016 in beeld is bij Lentis in verband met een paranoïde psychotisch toestandsbeeld dat zich uit in achterdocht. Betrokkene werd begeleid door bet FACT in Winschoten en is opgenomen geweest. Na het ontstaan van een discussie omtrent de neurologische klachten die betrokkene al langere tijd had, nam de achterdocht bij betrokkene jegens de behandelaren toe. Dit maakte ook dat de psychotische symptomen toenamen en betrokkene medicatie begon te weigeren. Betrokkene is in de veronderstelling dat de behandelaren betrokken zijn bij een MK-ultra programma, waarvan betrokkene slachtoffer is omdat hij als baby is mishandeld doordat er verschillende implantaten in zijn hersenen zijn geplaatst. Ook denkt hij dat mensen meeluisteren naar zijn spraak en gedachten en meekijken via zijn ogen. Dit maakt dat betrokkene steeds meer camera's in huis plaatst. Betrokkene hoort daarnaast ook boodschappen via de radio, hoort stemmen in een geluidsopname, ziet groene mannetjes en denkt dat er een man, genaamd [naam] , op de zolder van zijn buren woont.

Na een periode van opname werd de behandeling ambulant voortgezet. Betrokkene werd ingesteld op medicatie en dit had tot gevolg dat er meer rust kwam, dat het contact tussen betrokken[e] en zijn vriendin verbeterde en dat betrokkene zijn werk kon hervatten. Echter bij betrokkene zelf was geen enkele motivatie tot het continueren van de behandeling. Een vrijwillige behandeling leek niet tot stand te kunnen komen en daarom is de medicatie in goed overleg met betrokkene en partner afgebouwd. Sinds november 2018 is betrokkene uit beeld geraakt.

Op dit moment lijkt de psychische stoornis opnieuw een grote invloed te hebben op verschillende levensgebieden. De achterdocht maakt dat betrokkene ervan overtuigd is dat zijn omgeving hem terroriseert en achtervolgt. Betrokkene is zijn baan kwijt geraakt en zijn partner wordt meegesleept in de paranoïde wanen. De partner van betrokkene heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat de situatie thuis onhoudbaar.is geworden en dat er met betrokkene niet valt te praten over zijn gedrag.

4.7. Om het ernstig nadeel af te wenden, heeft betrokkene zorg nodig.

4.8. Betrokkene mijdt elke vorm van hulpverlening sinds het staken van de rechterlijke machtiging. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. Om die reden is verplichte zorg noodzakelijk.

(…)

4.12 Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. Wel ziet de rechtbank aanleiding om de termijn van de zorgmachtiging te bekorten tot twee maanden, aldus tot en met 25 maart 2021, met aanhouding van de beslissing op het verzoek voor het overige. In deze periode dient er een nieuwe medische verklaring ten behoeve van betrokkene te worden opgesteld, die tot stand is gekomen op basis van onderzoek door een onafhankelijke psychiater die betrokkene in persoon heeft onderzocht. Alsdan zal het resterende deel van het verzoek moeten worden beoordeeld. De rechtbank zal bepalen dat de voortgezette behandeling van het verzoek zal plaatsvinden op 25 maart 2021 om 09:15 uur.”

2.7

Namens betrokkene is tijdig2 beroep in cassatie ingesteld.3 In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

3 Bespreking van het cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel bevat drie onderdelen. Onderdeel 1 ziet op het beginsel van hoor en wederhoor, onderdeel 2 voert aan dat de rechtbank het recht op rechtsbijstand heeft miskend, en onderdeel 3 ziet op het gebruik van de onderhavige medische verklaring.

Mogelijkheid tot kennisneming van en uitlating over stukken

3.2

Onderdeel 1 is gericht tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 4.12 dat is voldaan aan de Wvggz-criteria voor de verlening van een zorgmachtiging en betoogt dat de rechter in strijd met art. 19 Rv de zorgmachtiging heeft toegewezen op basis van bescheiden en gegevens waarover betrokkene zich niet (voldoende) heeft kunnen uitlaten.

3.3

Art. 19 Rv bepaalt dat de rechter partijen over en weer in de gelegenheid stelt hun standpunten naar voren te brengen en toe te lichten en zich uit te laten over elkaars standpunten en over alle bescheiden en andere gegevens die in de procedure ter kennis van de rechter zijn gebracht.

3.4

Uit de beschikking van de rechtbank volgt dat zij de zorgmachtiging heeft verleend op basis van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen. In rov. 1.2 vermeldt de rechtbank het verzoekschrift van de officier van justitie, in rov. 1.3 de stukken die bij het verzoekschrift van de officier van justitie zijn gevoegd en in rov. 1.4 en 1.5 de beide zittingen die hebben plaatsgevonden, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt. Niet blijkt dat er andere stukken zijn. De rechtbank heeft in rov. 1.4-1.6.2 vastgesteld, kort gezegd, dat betrokkene, hoewel naar behoren opgeroepen, niet bij de behandeling is verschenen en niet bereid zich te laten horen.

3.5

Ingevolge art. 279 lid 2 Rv gaat bij de schriftelijke oproeping voor een behandeling een afschrift van het verzoekschrift, tenzij de rechter anders bepaalt en de oproeping slechts een korte omschrijving van het verzoek bevat.4 In de onderhavige zaak is niet gebleken dat de rechter anders heeft bepaald. De rechtbank kon er dan ook vanuit gaan dat betrokkene over het verzoekschrift van de officier van justitie beschikte, temeer nu de advocaat ter zitting van 18 januari 2021 heeft verklaard dat ook hij het verzoekschrift van de officier van justitie naar betrokkene heeft gestuurd, waarop betrokkene per brief gericht aan de advocaat heeft gereageerd.5

3.6

Dijkers merkt op dat het uit een oogpunt van privacybescherming niet gebruikelijk is om complete dossiers te versturen. Volgens hem mag tot op zekere hoogte ervan worden uitgegaan dat een betrokkene de beschikking heeft over, althans kennis draagt van de relevante stukken. Ligt dat anders, dan kan betrokkene de rechter alsnog om inzage in dan wel afschrift van het dossier verzoeken.6 Mogelijk heeft betrokkene dus niet alle bijlagen bij het verzoekschrift ontvangen. Dat betekent echter niet dat het beginsel van hoor en wederhoor jegens hem is geschonden. Hij kon immers naar aanleiding van het verzoekschrift alsnog om inzage in of afschrift van de bijlagen vragen. Dat volstaat voor de inachtneming van genoemd beginsel, dat immers niet inhoudt of meebrengt dat alle relevante stukken reeds mee moeten worden gezonden met de oproep voor de procedure of het stuk dat de procedure inleidt. Art. 19 Rv, dat voor alle procedures geldt, schrijft dat ook niet voor. Dat bepaalt slechts dat de rechter gelegenheid moet geven aan partijen zich uit te laten over de stukken waarvan de rechter kennis neemt. Het geven van die gelegenheid, waaronder begrepen het zo nodig geven van inzage of afschrift, is dus voldoende.

3.7

Betrokkene is bij de mondelinge behandeling niet verschenen en hij heeft niet om genoemde inzage of genoemd afschrift verzocht. De rechtbank mocht de zorgmachtiging dan ook verlenen op basis van genoemde stukken. Genoemde klacht van het onderdeel faalt dan ook.

Bereidheid om te worden gehoord

3.8

Het middel klaagt mijns inziens niet over de vaststelling van de rechtbank dat betrokkene niet bereid is om te worden gehoord, hoewel over de gegrondheid van die vaststelling op basis van de hiervoor in 2.2 en 2.4 aangehaalde uitlatingen van de aan betrokkene toegevoegde advocaat bij de beide zittingen bij de rechtbank op het eerste gezicht wel twijfel mogelijk lijkt. Volledigheidshalve ga ik, desalniettemin, op deze kwestie in.

3.9

In de Wvggz is het beginsel van hoor en wederhoor neergelegd in art. 6:1 lid 1 Wvggz. Dit artikel bepaalt dat de rechter betrokkene hoort na ontvangst van het verzoekschrift voor een zorgmachtiging, tenzij de rechter vaststelt dat betrokkene niet in staat is of niet bereid is zich te doen horen. Deze bepaling is als volgt toegelicht:

“Met het eerste lid wordt duidelijker gesteld dat de rechter betrokkene moet horen tenzij deze dat niet wil of daartoe niet in staat is. De rechter moet zich er persoonlijk van vergewissen of betrokkene al dan niet gehoord wil worden. Het moet de rechter zelf zijn die vaststelt dat betrokkene niet kan of wil gehoord worden, desnoods ter plekke, maar niet tevoren op basis van de mededeling van iemand anders of een schriftelijke verklaring van betrokkene waarvan de rechter niet weet hoe die tot stand is gekomen. (...)”7

3.10

Volgens de rechtspraak van de Hoge Raad ging het bij de hoorplicht onder de Wet Bopz8 om méér dan hetgeen reeds voortvloeit uit het fundamentele beginsel van een behoorlijke rechtspleging, dat iedere partij de gelegenheid moet krijgen om haar standpunt naar voren te brengen voordat de rechter een beslissing neemt. Ook diende volgens die rechtspraak zoveel mogelijk gewaarborgd te zijn dat iemand niet van zijn vrijheid kan worden beroofd zonder dat hij, zo hij dit wenst, zélf door de rechter wordt gehoord.9 Het is volgens die rechtspraak tegen deze achtergrond dat de onderzoeksplicht van de rechter naar de bereidheid van de betrokkene om zich te doen horen en de motivering van zijn vaststelling dat die bereidheid niet aanwezig is, moeten worden beoordeeld. Dit brengt mee dat de rechter die van oordeel is dat deze bereidheid ontbreekt, dit in zijn beschikking dient vast te stellen en dat hij de gronden dient te vermelden waarop dat oordeel berust. Niet noodzakelijk is evenwel dat de rechter vaststelt dat de betrokkene heeft verklaard voormelde bereidheid te missen. Voldoende is dat dit naar het oordeel van de rechter kan worden afgeleid uit de wijze waarop hij zich heeft gedragen, in het bijzonder ook bij de door de rechter aangewende pogingen om de betrokkene te zijnen huize te horen op de voet van art. 8 lid 1, tweede volzin, Wet Bopz (nu art. 6:1 lid 2 Wvggz). Indien naar het oordeel van de rechter deze gedragingen op zichzelf nog niet voldoende zijn om aan te nemen dat de voormelde bereidheid ontbreekt, maar daaruit wel mag worden afgeleid dat de betrokkene in staat is zich naar de rechtbank te begeven, is de rechter vrij om dit ontbreken af te leiden uit de omstandigheid dat de betrokkene vervolgens behoorlijk ter zitting is opgeroepen, maar daar niet is verschenen.10

3.11

De Hoge Raad heeft bij beschikking van 11 december 202011 geoordeeld dat de rechtspraak onder de Wet Bopz zijn betekenis heeft behouden onder art. 6:1 Wvggz.

3.12

Zoals hiervoor bleek, heeft de rechtbank betrokkene in deze zaak opgeroepen voor de mondelinge behandeling van 18 januari 2021. Betrokkene is toen niet verschenen. Naar aanleiding van de mededeling van de aan betrokkene toegevoegde advocaat dat betrokkene niet over de apparatuur beschikte om de zitting door middel van beeld- en geluidverbinding bij te wonen, heeft de rechtbank de behandeling van de zaak aangehouden en betrokkene opnieuw opgeroepen tegen 25 januari 2021, voor een zitting op de rechtbank. Vaststaat dat betrokkene naar behoren is opgeroepen voor die zitting. Ook op die zitting is betrokkene niet verschenen. De partner van betrokkene heeft ter zitting verklaard dat zij de post van de rechtbank voor betrokkene heeft zien binnenkomen. De advocaat heeft daarnaast verklaard dat betrokkene hem heeft laten weten een aangetekende brief te hebben ontvangen van de rechtbank, maar zolang hij geen dagvaarding heeft ontvangen niet naar de zitting komt. Daaruit heeft de rechtbank mogen afleiden dat betrokkene op de hoogte was van de zitting.

3.13

De rechtbank heeft haar vaststelling in rov. 6.1-6.1.2 dat betrokkene niet bereid is zich te laten horen, gebaseerd op de hiervoor in 3.12 genoemde feiten en de herhaalde mededeling van de aan betrokkene toegevoegde advocaat dat betrokkene zich alleen wil laten horen in een procedure die aanvangt met een dagvaarding, waarvoor, naar de rechtbank in rov. 6.1.2 overweegt, geen juridische grondslag bestaat. Is dat voldoende om overeenkomstig de hiervoor aangehaalde maatstaven de vaststelling van de rechtbank te dragen dat betrokkene niet bereid is zich te laten horen?

3.14

Naar ik meen is dit tegen de achtergrond van hetgeen de rechtbank voor het overige in haar beschikking heeft vastgesteld en uit de stukken blijkt, het geval. Hoewel de aan betrokkene toegevoegde advocaat aanvankelijk naar voren heeft gebracht dat betrokkene zijns inziens op zichzelf gehoord wil worden, is er aantal aanwijzingen waaruit volgt dat deze bereidheid niet daadwerkelijk bij betrokkene aanwezig was. Ik noem het door de psychiater geconstateerde en door de rechtbank in rov. 4.3-4.6 vastgestelde ziektebeeld – kort gezegd: er is een ernstig vermoeden van een recidief paranoïde psychose –, waarbij sprake is van, kort gezegd, paranoïde wanen, gebrek aan ziekte-inzicht, het vermijden van hulp- en zorgverlening, en het feit dat met betrokkene niet valt te praten over zijn gedrag. De psychiater heeft ondanks drie pogingen, waaronder een bezoek aan diens huisadres, niet met betrokkene kunnen praten, hoewel deze wel thuis was. De psychiater heeft daarover in de medische verklaring onder meer opgemerkt (onder 9):

“Nog meer pogingen om betrokkene te kunnen onderzoeken lijken, gezien het huidige beeld en gezien zijn voorgeschiedenis, tot mislukken gedoemd. Ik acht het niet doelmatig om dit nog langer te proberen. Vanwege de ernst van het beeld acht ik het niet langer verantwoord om deze aanvraag langer uit te stellen.”

De rechtbank heeft in rov. 4.2 vastgesteld dat de psychiater voldoende inspanningen heeft gedaan om betrokkene te onderzoeken. Een en ander wijst erop dat betrokkene (zijn ziekte ontkent en) weigert over het bestaan van een stoornis te praten. De hiervoor in 3.12 en 3.13 genoemde feiten passen in dat beeld. In dit verband kan ook worden gewezen op de passage in het proces-verbaal van de zitting van 18 januari 2021 die volgt op hetgeen hiervoor in 2.2 is geciteerd:

“De rechter verklaart:

Dit is een beetje ingewikkeld. Er is op verschillende momenten geprobeerd om in contact te komen met betrokkene. Zowel door de psychiater voor de medische verklaring, maar bij het zorgplan was het ook al ingewikkeld om betrokkene daarbij te betrekken.

De raadsman verklaart:

Niet zo vreemd op moment dat iemand zegt dat hij geen hulp nodig heeft. Dit past wel in het beeld van betrokkene dat hij van mening is dat er niets aan de hand is. Maar op grond daarvan kun je denk ik niet zeggen: hij wil niet gehoord worden.

Normaal gesproken zou ik zeggen: ga op huisbezoek. Dat zit er nu niet in. (…)”

Zie ook de hiervoor in 2.4 geciteerde passage in het proces-verbaal van de zitting van 25 januari 2021 alsmede de volgende passages daaruit:

“De verpleegkundige verklaart:

(…) Lentis [is] bij hem op bezoek geweest, maar het is niet mogelijk gebleken om met betrokkene in gesprek te gaan. Ook door de partner van betrokkene wordt aangegeven dat zorg in een vrijwillig kader niet tot de mogelijkheden behoort.

(…)

De partner verklaart:

Betrokkene zal niet thuis [zal] zijn als je hem voor die tijd gaat vertellen dat Lentis langs komt. Dit is al vaker gebeurd. Ambulante zorg gaat niet werken. In de kliniek heeft betrokkene ook zittingen meegemaakt, maar op dat moment had hij geen keus om daar niet bij aanwezig te zijn. In de thuissituatie is betrokkene in het verleden flink tekeer gegaan en geflipt toen Lentis langs is geweest.”

3.15

Mijns inziens is de vaststelling van de rechtbank dat betrokkene niet bereid is zich te laten horen, tegen de achtergrond van een en ander, dat ongetwijfeld mede bij de vaststelling van de rechtbank een belangrijke rol zal hebben gespeeld, niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

Onderzoek naar toevoeging van andere advocaat

3.16

Onderdeel 2 klaagt dat de rechtbank de behandeling van de zaak heeft voortgezet en de machtiging heeft verleend, zonder dat aan betrokkene is gevraagd of hij bijstand wenste van een andere (toegevoegde) advocaat.

3.17

Art. 1:7 Wvggz bepaalt dat de rechter onverwijld aan het bestuur van de raad voor rechtsbijstand een last tot toevoeging van advocaat aan betrokkene geeft, indien een verzoekschrift voor een zorgmachtiging wordt voorbereid en niet blijkt dat betrokkene al een advocaat heeft. In Wvggz-machtigingsprocedures geldt geen verplichte procesvertegenwoordiging, anders dan gewoonlijk het geval is bij civiele procedures. De patiënt krijgt dus de mogelijkheid van rechtsbijstand aangeboden, maar hij is vrij daarvan af te zien en zelf verweer te voeren.12 In de zaak Megyeri/Duitsland heeft het EHRM overwogen dat, behoudens bijzondere omstandigheden, een persoon die onvrijwillig is opgenomen in een psychiatrische inrichting het recht heeft om juridische bijstand te ontvangen in procedures over de voortzetting, schorsing of beëindiging van zijn vrijheidsbeneming:

“The importance of what is at stake for him — personal liberty — taken together with the very nature of his affliction — diminished mental capacity — compel to this conclusion”. 13

3.18

Afstand van een in het EVRM beschermd recht moet uit vrije wil en ondubbelzinnig zijn gedaan en met minimumgaranties zijn omgeven die in verhouding staan tot het belang van het recht dat wordt prijsgegeven.14

3.19

Ook in Wvggz-machtigingsprocedures kan een patiënt ervoor kiezen, geen gebruik te maken van de hem aangeboden rechtsbijstand.15 Onder de Wet Bopz is door de Hoge Raad beslist dat tot genoemde minimumgaranties behoort dat de rechter een eigen verantwoordelijkheid heeft als het gaat om de consequenties van een dergelijke opstelling van de patiënt. In HR 19 december 2014,16 waarop het onderdeel een beroep doet, heeft de Hoge Raad overwogen:

“3.5 In zaken van vrijheidsbeneming krachtens de Wet Bopz geldt dat, indien de raadsman terugtreedt omdat zijn cliënt te kennen geeft niet meer door hem te willen worden bijgestaan, een met de kwetsbare positie van de betrokkene strokende uitleg van art. 8 lid 3 Wet Bopz, in verbinding met het vierde lid van art. 45 Sv, meebrengt dat de rechter dient te onderzoeken of de betrokkene toevoeging van een andere raadsman wenst, en dat de rechter in zijn beschikking van het resultaat van dit onderzoek dient te doen blijken (vgl. HR 1 juli 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1422, NJ 1994/720, en HR 17 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2998, NJ 2014/471).”17

In laatstgenoemde uitspraak – HR 17 oktober 2014 – heeft de Hoge Raad beslist dat deze regels ook gelden in het geval dat de betrokkene te kennen geeft zelf een advocaat te willen zoeken, maar de eerder toegevoegde raadsman (nog) niet is teruggetreden. Het ligt voor de hand dat deze rechtspraak en dus deze regels onder de Wvggz hun betekenis hebben behouden.18

3.20

In de onderhavige zaak is de toegevoegde advocaat niet (formeel) teruggetreden. Hij heeft er echter wel op gewezen, zoals het onderdeel aanvoert, dat betrokkene een andere advocaat wenste. De rechtbank heeft naar aanleiding hiervan niets overwogen. Het ligt mijns inziens echter nogal voor de hand om aan te nemen dat de reden hiervan is dat de rechtbank, gelet op hetgeen hiervoor in 3.14 kort is weergegeven, van oordeel is geweest dat betrokkene ook hierover niet gehoord wilde worden en een nader onderzoek naar de vraag of betrokkene daadwerkelijk een andere advocaat wilde, gelet op die feiten, niet zinvol was. Dit lijkt mij zo voor de hand te liggen, en daarmee dus zo duidelijk, dat mijns inziens in dit geval heen gestapt kan worden over het ontbreken van een motivering op de punt in de beschikking van de rechtbank, zoals geëist in de juist hiervoor genoemde rechtspraak van de Hoge Raad. Die motiveringseis heeft ten doel te waarborgen dat degene die van zijn vrijheid wordt beroofd, is voorzien van adequate rechtsbijstand, doordat de rechter verantwoording dient af te leggen van zijn pogingen om in die rechtsbijstand te voorzien. Waar duidelijk is dat die pogingen geen zin hebben – zoals het oordeel van de rechtbank in 1.6-1.6.2 voor dit geval uiteindelijk op neerkomt naar mijn mening (zie hiervoor in 3.15) –, is het uitschrijven van die reden nog slechts een onnodige formele eis.

Medische verklaring op grond van actuele gezondheidstoestand en persoonlijk contact

3.21

Onderdeel 3.1 is gericht tegen rov. 4.3 en 4.4 van de beschikking van de rechtbank en voert aan dat de medische verklaring in strijd met art. 5:8 Wvggz niet is gebaseerd op de actuele gezondheidstoestand van betrokkene, aangezien is uitgegaan van informatie uit de rechterlijke machtiging van 8 december 2017 en er geen persoonlijk contact met betrokkene heeft plaatsgevonden. Het oordeel dat sprake is van een stoornis is om deze redenen ook onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd, aldus het onderdeel.

3.22

Aan het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wvggz gaat een uitgebreid voorbereidingstraject vooraf. Daarbij wordt de betrokkene onderzocht door een onafhankelijke psychiater (art. 5:7 Wvggz). De geneesheer-directeur, die opdracht geeft tot het onderzoek, draagt ervoor zorg dat de psychiater in de medische verklaring in elk geval zijn bevindingen vermeldt inzake:

- a. de symptomen die betrokkene vertoont en een diagnose of voorlopige diagnose van de psychische stoornis van betrokkene;

- b. de relatie tussen de psychische stoornis en het gedrag dat tot het ernstig nadeel leidt;

- c. de zorg die noodzakelijk is om het ernstig nadeel weg te nemen.19

3.23

De wet geeft geen nadere voorschriften over de wijze waarop de psychiater het onderzoek concreet dient uit te voeren. Onder de Wet Bopz heeft de Hoge Raad in zijn rechtspraak eisen gesteld aan de kwaliteit van het onderzoek door de onafhankelijke psychiater. Deze eisen houden verband met de rechtspraak van het EHRM over de waarborgen tegen willekeur die nodig zijn bij een vrijheidsbeneming als bedoeld in art. 5 lid 1, aanhef en onder e, EVRM. Een van die waarborgen is dat objectief onderzoek van de betrokken persoon plaatsvindt door een medisch specialist.20 Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet dit vereiste van "objective medical expertise" in het kader van de Wet Bopz worden verstaan als onderzoek door een psychiater. Bij art. 5 lid 1 Wet Bopz heeft de wetgever kennelijk een onderzoek voor ogen gestaan waarbij de psychiater de betrokkene in een direct contact spreekt en observeert, aldus deze rechtspraak. De Hoge Raad heeft hierbij wel het voorbehoud gemaakt dat niet kan worden aanvaard dat ingeval zo’n direct contact niet of slechts in beperkte mate mogelijk is als gevolg van weigering van de betrokkene om daaraan mee te werken, geen voorlopige machtiging als bedoeld in art. 2 (oud) Bopz zou kunnen worden verleend. In een dergelijk geval zal de psychiater in zijn verklaring uiteen moeten zetten waarom hij de betrokkene niet of slechts in een beperkte mate heeft kunnen onderzoeken en op welke gronden hij, mede aan de hand van van derden verkregen informatie, desalniettemin tot de slotsom is gekomen dat betrokkene gestoord is in zijn geestvermogens en dat een geval als bedoeld in art. 2 (oud) Wet Bopz zich voordoet. Vervolgens zal de rechtbank dienen na te gaan of de psychiater datgene heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem kon worden verwacht om het door de wet vereiste onderzoek te doen plaatsvinden. Voorts zal de rechtbank behoren na te gaan of, ondanks de aan de verklaring klevende beperking, voldoende is komen vast te staan dat betrokkene gestoord is in zijn geestvermogens en dat een geval als bedoeld in art. 2 Wet Bopz zich voordoet.21 Ook deze rechtspraak heeft onder de Wvggz zijn betekenis behoeden.22

3.24

Zoals al opgemerkt, heeft de rechtbank in rov. 4.2 en 4.3 van haar beschikking vastgesteld dat geen persoonlijk onderzoek van betrokkene door de verklarende psychiater mogelijk is gebleken, en dat de psychiater in dat verband heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem kon worden verwacht. De rechtbank heeft op grond daarvan geoordeeld dat de psychiater zich heeft mogen beperken tot anderszins aanwezige informatie, waaronder de medische verklaring die is opgesteld ten behoeve van de rechterlijke machtiging die op 8 december 2017 is afgegeven. Vervolgens heeft de rechtbank in rov. 4.3-4.10 vastgesteld dat op basis van de medisch verklaring en de daaraan ten grondslag liggende informatie voldoende is komen vast te staan dat grond bestaat voor een zorgmachtiging. Deze oordelen zijn geheel overeenkomstig de juist hiervoor in 3.23 weergegeven maatstaven die zijn geformuleerd in de rechtspraak van de Hoge Raad en geven derhalve geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

3.25

Gelet op het voorgaande is de klacht van het onderdeel ongegrond. Opmerking verdient nog dat de rechtbank, overeenkomstig de suggestie van de toegevoegde advocaat, de machtiging slechts heeft gegeven voor de duur van twee maanden en het verzoek om de machtiging voor het overige heeft aangehouden, opdat eerst nader onderzoek naar betrokkene kan plaatsvinden, aangezien de bij haar beschikking te verlenen machtiging niet berust op een onderzoek dat niet voldoet aan de eis dat de psychiater betrokkene in een direct contact spreekt en observeert (rov. 4.12). Dat is mijns inziens een goede oplossing voor een geval als dit. De klacht van het onderdeel mist feitelijke grondslag voor zover deze inhoudt dat de medische verklaring van de psychiater niet is gebaseerd op de actuele gezondheidstoestand van betrokkene. Uit de medische verklaring en de processen-verbaal van de zittingen van 18 en 25 januari 2021 blijkt immers dat deze mede berusten op actuele informatie over betrokkene van diens partner en het OGGZ. Ook het oordeel van de rechtbank berust mede daarop. Zo heeft de rechtbank in rov. 4.6 overwogen:

“Op dit moment lijkt de psychische stoornis opnieuw een grote invloed te hebben op verschillende levensgebieden. De achterdocht maakt dat betrokkene ervan overtuigd is dat zijn omgeving hem terroriseert en achtervolgt. Betrokkene is zijn baan kwijt geraakt en zijn partner wordt meegesleept in de paranoïde wanen. De partner van betrokkene heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat de situatie thuis onhoudbaar is geworden en dat er met betrokkene niet valt te praten over zijn gedrag.”

3.26

Onderdeel 3.2 bevat goeddeels een herhaling van de klacht van onderdeel 3.1 en faalt in zoverre om dezelfde redenen. Voor zover het onderdeel klaagt dat de rechter op grond van art. 6:4 lid 2 Wvggz slechts andere verplichte zorg in de zorgmachtiging kan opnemen als hij van oordeel is dat het ernstige nadeel niet kan worden weggenomen met de in het zorgplan opgenomen zorg, faalt het bij gebrek aan feitelijk grondslag. De rechtbank heeft in haar beschikking immers geen andere verplichte zorg opgenomen dan de in het zorgplan opgenomen zorg. De rechtbank heeft wel overwogen dat onvoldoende is gemotiveerd waarom het toedienen van vocht en medicatie noodzakelijk is, en op grond daarvan deze vorm van verplichte zorg niet toegewezen (rov. 4.9), maar dat is iets anders dan het opnemen van andere verplichte zorg.

3.27

De onderdelen 3.3 en 3.4 komen uitsluitend neer op een herhaling van de klacht van onderdeel 3.1. Zij falen dan ook eveneens om dezelfde redenen.

4 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 De beschikking is op 25 januari 2021 mondeling gegeven en op 27 januari 2021 schriftelijk uitgewerkt.

2 Sinds 1 april 2021 is het verplicht om in verzoekzaken in cassatie digitaal te procederen en vangt een cassatieberoep in een verzoekzaak aan door indiening van een procesinleiding. De procesinleiding in deze zaak is op 7 april 2021 via het portaal van de Hoge Raad ingediend.

3 De omstandigheid dat de geldigheidsduur van de machtiging inmiddels was verstreken staat niet in de weg aan de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Zie HR 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2292, NJ 2011/390 m.nt. S.F.M. Wortmann.

4 De Wvggz bevat zelf geen voorschriften over de wijze waarop de oproeping van betrokkene dient plaats te vinden, zodat de algemene bepalingen van de verzoekschriftprocedure van art. 272-277 Rv gelden. Zie HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2096, NJ 2021/97 m.nt. J. Legemaate, rov. 3. Zie onder de Bopz HR 21 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB9666, NJ 2008/29, en HR 8 juli 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8128, BJ 2005/25, m.nt. W. Dijkers.

5 Zie het proces-verbaal van de zitting van 18 januari 2021, blz. 1.

6 Zie W.J.A.M. Dijkers in SDU Commentaar Gedwongen Zorg, art. 6:1 Wvggz, aant. C.1.1.7.

7 Tweede nota van wijziging, Kamerstukken II 2015/16, 32 399, nr. 25, blz. 168.

8 In de Wet Bopz was de hoorplicht neergelegd in art. 8 lid 1.

9 Zie onder meer HR 5 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN7892, NJ 2010/596 en HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:770, JGZ 2017/3 m.nt. W.J.A.M. Dijkers, onder verwijzing naar HR 14 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2283, NJ 1997/378 m.nt. J. de Boer.

10 Zie HR 17 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2998, NJ 2014/471, rov. 3.4, alsmede onder meer HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:188, JVGGZ 2015/10 m.nt. W.J.A.M Dijkers, en genoemd HR 21 april 2017.

11 ECLI:NL:HR:2020:2016, NJ 2021/96 m.nt. J. Leegemaate.

12 Zie W.J.A.M. Dijkers in SDU Commentaar Gedwongen Zorg, art. 6:1 Wvggz, aant. C.5.2.

13 EHRM 12 mei 1992, Serie A, vol. 237-A, NJ 1993/522.

14 Zie HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:146, NJ 2018/99, en HR 9 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2087, NJ 2019/161 m.nt. J. Legemaate.

15 De positie van de advocaat in Wvggz-zaken wordt besproken door W.J.A.M. Dijkers in SDU Commentaar Gedwongen Zorg, art. 6:1 Wvggz, aant. C.5; zie i.h.b. aant. C.5.2.

16 ECLI:NL:HR:2014:3663, NJ 2015/35.

17 Zie ook HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:146, NJ 2018/99.

18 Vgl. Kamerstukken II, 2009/10, 32 399, nr. 3, blz. 25: “In de voorgestelde regeling zal de positie van de advocaat (…) niet wezenlijk wijzigen.”

19 Zie art. 5:9 Wvggz en over die bepaling de memorie van toelichting bij het ontwerp van de Wvggz, Kamerstukken II 2009/10, 32 399, nr. 3, blz. 64.

20 Zie onder meer EHRM 24 oktober 1979, Serie A, vol. 33, NJ 1980/114 (Winterwerp/Nederland), EHRM 24 september 1992, Serie A, vol. 244, NJ 1993/523 (Herczegfalvy/Oostenrijk), EHRM 5 oktober 2000, nr. 31365/96, BJ 2001/36 m.nt. W. Dijkers (Varbanov/Bulgarije) en EHRM 2 oktober 2012, JVGGZ 2013/34 m.nt. S.P.K. Welie (Plesó/Hongarije).

21 Zie onder meer HR 21 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2113, NJ 1997/343 m.nt. J. de Boer, HR 6 november 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2766, NJ 1999/103, HR 21 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3450, NJ 2003/484 m.nt. J. de Boer, HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG5860, NJ 2009/25, BJ 2009/6, HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:187, NJ 2015/333, m.nt. J. Legemaate, JVggz 2015/9 m.nt. W.J.A.M. Dijkers, en HR 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:161, JvGGZ 2016/8.

22 HR 25 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1509, NJ 2020/402 m.nt. J. Legemaate, en JGz 2020/79 m.nt. W.J.A.M. Dijkers, rov. 3.1.4. Zie voor een recent geval waarin deze rechtspraak aan de orde is, de conclusie van plv. P-G Langemeijer van 16 april 2021, zaaknr. 21/00106, ECLI:NL:PHR:2021:399.