Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:614

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
15-06-2021
Datum publicatie
16-06-2021
Zaaknummer
20/01045
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1243
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Motivering toekenning immateriële schadevergoeding aan twee politieagenten wegens een aantasting in de persoon ‘op andere wijze' (art. 6:106 onder b BW) t.z.v. inrijden op deze politieagenten tijdens een wilde achtervolging. Liggen gelet op de ernst van de normschending zoals deze uit de bewezenverklaring blijkt, de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand dat het hof zonder verdere nadere motivering een aantasting in de persoon ‘op andere wijze' heeft kunnen aannemen? De conclusie van de AG strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2021/144 met annotatie van Oort, C. van
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/01045

Zitting 15 juni 2021

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

hierna: de verdachte.

  1. Het cassatieberoep

    1.1. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft – na terugwijzing door de Hoge Raad[1] – bij arrest van 16 maart 2020 de verdachte ter zake “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht althans met zware mishandeling, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één jaar met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr en met verbeurdverklaring van de in beslag genomen personenauto, zoals in het arrest omschreven. Verder heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] toegewezen en aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, één en ander zoals in het arrest vermeld.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. G.W.L.A.M. Koppen, advocaat te Eindhoven, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste en tweede middel zien op ontbrekende processtukken. Het derde middel bevat de klacht dat het oordeel van het hof dat de vordering van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] dienen te worden toegewezen, ontoereikend gemotiveerd is.

  3. Het eerste en tweede middel

    3.1. Het eerste en tweede middel klagen respectievelijk dat de aanvulling op het verkorte arrest houdende de bewijsmiddelen en het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 2 maart 2020, zich niet in het aan de Hoge Raad toegezonden dossier bevinden.

    3.2. Het heeft wat voeten in aarde gehad, maar de ontbrekende stukken waarover in de middelen wordt geklaagd maken inmiddels beide deel uit van het dossier. Daaraan is het volgende voorafgegaan:

    (i) De raadsman heeft op 9 september 2020 de griffie van de Hoge Raad verzocht om aanvulling van het procesdossier in cassatie.

    (ii) Op 11 september 2020 heeft een medewerker dossierbehandeling van de Hoge Raad aan de raadsman bevestigd dat hij het ontbrekende proces-verbaal (middel 2) tijdig bij de rolraadsheer heeft opgevraagd, dat het stuk niet is aangetroffen in het dossier en is opgevraagd bij het hof. Ten aanzien van de verzochte aanvulling (middel 1) wordt medegedeeld dat dit stuk in het digitale dossier is geplaatst.

    (iii) Bij bericht van 29 september 2020 heeft een medewerker dossierbehandeling van de Hoge Raad de raadsman medegedeeld dat de Hoge Raad een afschrift van het proces-verbaal van 2 maart 2020 heeft ontvangen en in het digitale dossier heeft opgenomen. Verder wordt vermeld dat zich achter het in het portaal geplaatste document ‘Arrest van 16-03-2020’ een 'Aanvulling bewijsmiddelen' bevindt. De rolraadsheer heeft een nadere termijn verleend om de advocaat in de gelegenheid te stellen om met betrekking tot de opgevraagde processtukken de eerder ingediende schriftuur te wijzigen, aan te vullen dan wel een of meer middelen in te trekken. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

    (iv) Uit de schriftuur en de correspondentie tussen de advocaat en de griffie van de Hoge Raad komt naar voren dat er in eerste instantie wel een document is opgenomen in het portaal dat voorzien was van de vermelding ‘aanvulling met bewijsmiddelen’ maar dat ondanks deze benaming een andersoortig document (een tussenarrest) was opgenomen. Deze omissie leek te zijn verholpen toen er een nieuwe aanvulling in het portaal werd geplaatst, maar dit bleek een verkeerde aanvulling te zijn, te weten een aanvulling op een ontnemingsarrest van een andere betrokkene dan de verdachte. Dit is hersteld op 30 september 2020.

    3.3. Nu het eerste en tweede middel zich uitsluitend richten tegen het ontbreken van eerder genoemde stukken en deze stukken zich inmiddels in het dossier bevinden, is aan deze middelen de feitelijke grondslag komen te ontvallen en kunnen zij niet tot cassatie leiden.

    3.4. Het eerste en het tweede middel falen.

    4. Het derde middel

    4.1. Het derde middel bevat de klacht dat het hof de toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] onvoldoende heeft gemotiveerd “zulks terwijl door de verdediging in hoger beroep het verweer is gevoerd dat overeenkomstig het oordeel van de rechtbank in eerste aanleg tot de afwijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen diende te worden gekomen”. De steller van het middel verwijst in dit verband naar de motiveringsplicht van art. 361 lid 4 Sv. In het verlengde hiervan wordt geklaagd over de op de toewijzing van de vorderingen gegronde schadevergoedings­maatregelen.

    4.2. Het gaat in deze zaak om de immateriële schadevergoeding van € 600,00 die door het hof is toegekend aan twee politieagenten, de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , die door de verdachte werden aangereden. Dit gebeurde tijdens een wilde achtervolging door diverse politiepatrouilles nadat de verdachte een stopteken van de politie had genegeerd en op de vlucht was geslagen.

    4.3. Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 19 november 2018[2] heeft de raadsman van de verdachte, het volgende aangevoerd:

    “Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen verzoek ik uw hof primair, in het verlengde van de bepleite vrijspraak, de benadeelde partijen niet ontvankelijk te verklaren in de vorderingen. Subsidiair, indien uw hof cliënt tot straf zou veroordelen, dan verzoek ik met inachtneming van de overwegingen van de rechtbank de vorderingen af te wijzen. Met de rechtbank ben ik van mening dat het ver voert om slechts op grond van de algemene noemer civiel smartengeld toe te kennen.”

De overwegingen van de rechtbank[3] waar de raadsman op 19 november 2018 ter terechtzitting aan refereert luiden, als volgt:

“6 De benadeelde partijen

De benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] vorderen ieder een immateriële schadevergoeding van € 600,00 ter zake van de aan verdachte ten laste gelegde feiten.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen voornoemd kunnen worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft verzocht de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] niet-ontvankelijk te verklaren in hun vordering. Primair omdat vrijspraak moet volgen van het ten laste gelegde. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat op grond van artikel 6:106 BW vergoeding van niet fysiek letsel alleen mogelijk is als er sprake is van dusdanig letsel dat dit kan worden aangemerkt als een aantasting van de persoon. Daarvan is echter niet gebleken.

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vordering. Zij overweegt hiertoe dat in gevallen waarbij geen sprake is van fysiek letsel, slechts in een beperkt aantal gevallen immateriële schade kan worden toegekend. Deze gevallen zijn limitatief in de wet opgesomd (artikel 6:106, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek). Uit de voegingsformulieren blijkt niet van enig fysiek letsel. Wel blijkt dat de benadeelde partijen behoorlijk zijn aangeslagen door het bewezen verklaard feit (poging tot doodslag). De rechtbank begrijpt dat zij deze negatieve gevoelens graag op de verdachte willen verhalen. De wet stelt echter strenge eisen aan het verhalen (op daders) van deze negatieve gevoelens. Verhaal is alleen dan mogelijk als er sprake is van dusdanig geestelijk letsel dat dit kan worden aangemerkt als een aantasting van de persoon. Hiervan is slechts sprake indien het geestelijk letsel een voldoende ernstig karakter heeft. Gevoelens van angst en schrik vallen daar niet onder. Eventuele ernstigere psychische schade is op basis van de door de benadeelde partijen aangevoerde gegevens onvoldoende onderbouwd.”

4.4. Anders dan de rechtbank heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen wel toegewezen. Dit heeft het hof als volgt gemotiveerd:

“Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 1] als gevolg van verdachtes meer subsidiair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 1] is toegebracht tot een bedrag van € 600,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 september 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 2] als gevolg van verdachtes meer subsidiair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 2] is toegebracht tot een bedrag van € 600,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 september 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

(…)

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het meer subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 600,00 (zeshonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 september 2013 tot aan de dag der voldoening.

(…)

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het meer subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 600,00 (zeshonderdeuro) ter zake van immateriële schade,vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 september 2013 tot aan de dag der voldoening.

(…)”

4.5. Voor de beoordeling van het middel zijn de navolgende uitgangspunten van belang.

4.5.1. Art. 6:95 BW bepaalt dat schadevergoeding zowel vermogensschade als ‘ander nadeel’ kan omvatten, ‘dit laatste voor zover de wet op vergoeding hiervan recht geeft’. De vergoeding van ‘ander nadeel’ dan vermogensschade wordt geregeld in art. 6:106 BW.

Art. 6:106 BW luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:

a. indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen;

b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast;

(…)”

4.5.2. In onderhavige zaak is het hof kennelijk van oordeel geweest dat van de onder b. van art. 6:106 BW genoemde varianten de laatste, namelijk dat de benadeelde “op andere wijzen in zijn persoon is aangetast” van toepassing is, nu lichamelijk letsel of het geschaad zijn in de eer of goede naam niet aan de orde is.

4.5.3. Op 28 mei 2019 heeft de Hoge Raad een overzichtsarrest gewezen met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij.[4] Over de aantasting in de persoon op andere wijze, zoals bedoeld in art 6:106 BW onder b. bevat het overzichtsarrest van de Hoge Raad de volgende overweging:

“ 2.4.5. Van de [in art. 6:106, aanhef en onder b, BW] bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.”

4.5.4. Kortom, aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ kan zich in twee varianten voordoen. In de eerste plaats als naar objectieve maatstaven een geestelijk letsel kan worden vastgesteld. In de tweede plaats indien op grond van de aard en de ernst van het strafbare feit de nadelige gevolgen zonneklaar zijn.[5] Dat kan het geval zijn als het gaat om een schokkende ervaring voor de benadeelde of indien de benadeelde grote angst heeft doorstaan of veel stress heeft ondervonden.[6]

4.5.5. Daarnaast heeft de Hoge Raad over de motivering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij in het overzichtsarrest van 28 mei 2019 het volgende overwogen:

“(….)

2.8.6. Art. 361, vierde lid, Sv schrijft voor dat de beslissing op de vordering van de benadeelde partij met redenen is omkleed. De begrijpelijkheid van de beslissingen over de vordering van de benadeelde partij is mede afhankelijk van de wijze waarop (en de stukken waarmee) enerzijds de vordering is onderbouwd en anderzijds daartegen verweer is gevoerd. Naarmate de vordering uitvoeriger en specifieker wordt weersproken, zal de motivering van de toewijzing van de vordering dus meer aandacht vragen.

2.8.7. (…) De begroting van immateriële schade geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, alsmede, in geval van letselschade, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.”

4.5.6. Over de motiveringsplicht heeft de Hoge Raad in een later arrest van 15 oktober 2019[7] nog meer specifiek het volgende overwogen:

“Voor zover het Hof heeft geoordeeld dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde partijen, meebrengen dat bij de benadeelde partijen telkens sprake is van een aantasting in de persoon, had het op de weg van het Hof gelegen dat oordeel, in het bijzonder ook wat betreft die gevolgen van de normschending voor de benadeelde partijen, te motiveren aan de hand van de door de benadeelde partijen aangedragen gegevens. De door het Hof gegeven motivering dat de immateriële schade van de benadeelde partijen “voor allen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid (wordt) vastgesteld op € 275,-” volstaat daartoe niet. In dat verband verdient opmerking dat de in art. 6:106 BW bedoelde billijkheid de rechter een bepaalde mate van vrijheid geeft bij het bepalen van de hoogte van de verschuldigde schadevergoeding, maar dat de enkele verwijzing naar de billijkheid niet volstaat ter motivering van het oordeel dat zich een van de hiervoor onder 2.3.2 bedoelde gevallen voordoet waarin grond bestaat voor vergoeding van immateriële schade.” Ook de enkele zich hier voordoende omstandigheid dat de (hoogte van de) schadevergoeding in hoger beroep niet is weersproken en dat de verdediging zich in eerste aanleg aan het oordeel van de rechter heeft gerefereerd, volstaat daartoe niet.”

4.5.7. In dezelfde lijn is beslist in het arrest HR 16 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1035 waarbij het ging om het plegen van brandstichting in een boot. De eigenaresse van de boot had een vordering ingediend van € 230,- ter zake van immateriële schade met als motivering – kort gezegd – dat haar kinderen erg geschrokken waren van de brand en dat zij en haar gezin zich niet veilig voelden in hun eigen huis. Het hof heeft deze vordering toegewezen en overwoog daartoe dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende was gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het handelen van de verdachte rechtstreeks schade had geleden, dat de verdachte tot vergoeding van die schade was gehouden en dat de hoogte van de gevorderde schade in hoger beroep niet was betwist, zodat de vordering als onweersproken geheel kon worden toegewezen. De Hoge Raad vond dit oordeel van het hof – dat kennelijk was gebaseerd op art. 6:106 aanhef en onder b BW – zonder nadere motivering, niet begrijpelijk omdat het hof niets had vastgesteld over de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde.[8]

4.5.8. In de hierna volgende twee zaken ging de Hoge Raad wél mee in de toewijzing van immateriële schade door het hof, ook zonder dat het hof enige nadere vaststelling had gedaan met betrekking tot de gevolgen die de normschending voor de benadeelde partij had gehad.[9]

4.5.9. In het eerste geval, HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2012, NJ 2021/68 ging het om een zeer ernstige bedreiging van een echtpaar tijdens het plegen van een woningoverval door vijf personen. Het mannelijke slachtoffer werd onder bedreiging met een shotgun op de grond geduwd en zijn handen en voeten werden vastgebonden met tie-wraps en ducttape. Toen de man op de grond lag, werd meerdere keren tegen hem geroepen: “Geld, goud! Waar is het?”. Daarnaast kreeg hij een klap in zijn nek en een pistool in zijn mond, werd hij bij zijn penis gepakt en werd ermee gedreigd dat zijn penis eraf zou worden gesneden. De man zag dat ook bij zijn vrouw, die zeven maanden zwanger was, de handen en voeten waren vastgemaakt met tie-wrap en er duct-tape over haar mond was gedaan. De motivering van het hof voor de toewijzing van de immateriële schadevergoeding luidde dat de verdachte “op intimiderende wijze een zeer ernstige inbreuk [had] gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers, temeer omdat een woning bij uitstek de plaats is waar mensen zich veilig moeten kunnen voelen. Dit blijkt ook uit de slachtofferverklaringen van de slachtoffers, waarin zij de gevolgen die de overval voor hen heeft gehad hebben beschreven”. De Hoge Raad oordeelde dat deze motivering, gelet op de bewezenverklaarde feiten niet onbegrijpelijk en toereikend was.

4.5.10. In de tweede zaak, HR 8 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1956, NJ 2021/66, was sprake van een ernstige en langdurige belaging. Hoewel de motivering van de beslissing met betrekking tot de immateriële schadevergoeding van het hof heel beknopt was en in feite uit niet meer bestond dan de enkele vaststelling dat de benadeelde partij ‘psychisch heeft geleden’ en dat de vordering zich ‘naar maatstaven van billijkheid’ leent voor toewijzing tot een bepaald bedrag, oordeelde de Hoge Raad dat in dit oordeel besloten lag dat de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrachten dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake was.

4.6. Wat betekent dit nu voor onderhavige zaak? Ik heb hiervoor al opgemerkt dat ik, net als de steller van het middel, de motivering van het hof aangaande de toewijzing van de vordering tot schadevergoeding te summier acht, omdat het hof slechts overweegt dat het op grond van het onderzoek ter terechtzitting in rechte heeft vastgesteld dat door het bewezen­verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan de slachtoffers is toegebracht. Gelet op de hiervoor besproken jurisprudentie lijkt mij dat in beginsel onvoldoende en te kort door de bocht. Ik heb mij echter afgevraagd of dit tot cassatie moet leiden. Geredeneerd zou immers ook kunnen worden, met de twee laatstgenoemde arresten in het achterhoofd, dat kan worden aangenomen dat in de motivering van het hof besloten ligt dat het hof, door de verwijzing naar het onderzoek ter terechtzitting en het bewezenverklaarde handelen, van oordeel is dat de ernst van de normschending zoals deze uit de bewezenverklaring naar voren komt, klaarblijkelijk zodanige gevolgen heeft gehad voor de benadeelden dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is geweest. Ik meen dat in het arrest van het hof in samenhang met hetgeen de benadeelde partijen aan hun vordering tot schadevergoeding ten grondslag hebben gelegd, aanknopingspunten kunnen worden gevonden voor deze lezing van de motivering van het hof. Ik licht dat als volgt toe.

4.7. Het hof heeft de immateriële schade toegewezen in verband met het in het arrest meer subsidiair bewezenverklaarde feit:

“hij op 28 september 2013 in de gemeente Stein [benadeelde 1] , hoofdagent van de politie, en [benadeelde 2] , agent van politie, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk dreigend met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto:

- met hoge snelheid op de A76 gereden terwijl zich rechts naast hem een motorrijtuig (politieauto met in werking zijnde optische signalen) waarin genoemde [benadeelde 1] en [benadeelde 2] gezeten waren, reed, de door hem, verdachte, bestuurde personenauto naar rechts gestuurd in de richting van voornoemde politieauto, en

- is hij, verdachte, met de door hem, verdachte, bestuurde personenauto vervolgens op genoemde A76 met hoge snelheid blijven rijden en heeft hij, verdachte, terwijl zich rechts naast dan wel rechts kort achter hem een motorrijtuig (politieauto met in werking zijnde optische signalen), waarin genoemde [benadeelde 1] en [benadeelde 2] gezeten waren, reed, de door hem, verdachte, bestuurde personenauto naar rechts gestuurd en is de door hem, verdachte, bestuurde personenauto in aanrijding gekomen met genoemde politieauto waardoor genoemde politieauto van de weg werd gedrukt.”

4.8. De omstandigheden van het geval worden door het hof in de bewijsmotivering als volgt onder woorden gebracht (voetnoten zijn weggelaten):

“De verdachte is met zijn auto op de vlucht geslagen toen hij een stopteken kreeg van de politie. Dit heeft geleid tot een wilde achtervolging gedurende circa tien minuten, waarbij meerdere politieauto’s betrokken waren en waarbij de verdachte op geen enkele wijze rekening heeft gehouden met de verkeersregels en moedwillig andere weggebruikers, zoals twee op een voetgangersoversteekplaats overstekende meisjes die maar ternauwernood op tijd konden wegspringen, in (levens)gevaar heeft gebracht.

De achtervolgende politiepatrouilles probeerden de verdachte uiteindelijk op de A76 tot stoppen te dwingen door voor, naast en achter de verdachte te gaan rijden. Toen de verdachte werd ingesloten, heeft hij tot tweemaal toe rijdend met hoge snelheid een stuurbeweging naar rechts gemaakt.

Als gevolg van de eerste stuurbeweging naar rechts hebben de verbalisanten [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , die in de naast verdachte rijdende politieauto zaten, een aanrijding kunnen voorkomen door krachtig af te remmen. De dienstauto van [benadeelde 2] en [benadeelde 1] werd ternauwernood niet geraakt door de auto van de verdachte.

Als gevolg van de tweede stuurbeweging naar rechts is een aanrijding ontstaan met de op dat moment naast/kort achter de auto van verdachte rijdende politieauto waarin de verbalisanten [benadeelde 1] en [benadeelde 2] zaten.

Op verschillende momenten tijdens de achtervolging hebben [benadeelde 1] en [benadeelde 2] gevreesd dat zij zouden verongelukken en daarbij zouden komen te overlijden dan wel zwaar gewond zouden raken.

Naar het oordeel van het hof zijn de twee stuurbewegingen van verdachte zoals bewezen verklaard onder zodanige omstandigheden geschied dat zij in het algemeen geschikt zijn bij de inzittenden van de aldus weggedrukte auto de vrees teweeg te brengen dat de verdachte aldus een verkeersongeluk zou veroorzaken die de dood althans zwaar lichamelijk letsel van hen ten gevolge zou kunnen hebben. Derhalve heeft bij [benadeelde 1] en [benadeelde 2] die vrees in redelijkheid kunnen ontstaan. Het enkele feit dat volgens de deskundige Wismans de door de verdachte verrichte tweede stuurbeweging - mede gelet op de goede staat van de politieauto en het adequate rijgedrag van bestuurder [benadeelde 2] - “slechts” een kleine kans in het leven heeft geroepen dat de verbalisanten zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen of het leven zouden verliezen, staat er niet aan in de weg dat bij de verbalisanten in de gegeven omstandigheden wel de redelijke vrees daarvoor kon ontstaan.”

4.8.11. Over de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde heeft plaatsgevonden heeft het hof in de bewijsmiddelen[10] de verklaringen van de aangevers opgenomen. Deze hebben het volgende verklaard:

“3. Een proces-verbaal van aangifte (…) van [benadeelde 2] :

(…) Op een gegeven moment zag ik dat de zwarte auto naar rechts reed. Ik reed toen naast die zwarte auto. Ik zag dat onze snelheid nog redelijk hoog was. Ik had zoiets: als hij ons dienstvoertuig nu raakt dan vertel ik dit niet meer na. Ik trapte toen op de rem. De bestuurder van de zwarte auto raakte toen net niet het dienstvoertuig. Als de bestuurder daar onze dienstauto had geraakt dan waren wij de vangrail ingevlogen met alle gevolgen van dien. Als hij ons daar geraakt hadden waren wij verongelukt en waren dan minimaal zwaar gewond geweest.

Vervolgens lukte het ons weer om dezelfde tactiek toe te passen. Ik ging toen weer rechts naast de zwarte auto rijden. Ik merkte toen dat de snelheid eruit ging, omdat de bestuurder van het voorste dienstvoertuig begon te remmen. Wetend dat hij niets om onze veiligheid gaf, bleef ik iets schuin achter de zwarte auto rijden. Op dat moment zie ik de bestuurder naar rechts kijken. Dat duurde zeker drie seconden. Vervolgens zie ik dat de bestuurder van de zwarte auto duidelijk naar rechts stuurt met een blik in zijn ogen van ‘jij zit mij in de weg’. In eerste instantie wijk ik nog iets uit, om een aanrijding te voorkomen. De bestuurder van de zwarte auto stuurde naar rechts en toen het dienstvoertuig geraakt werd, stuurde ik meteen hard naar links om niet van de weg gedrukt te worden. Ik heb nog nooit zo heftig moeten reageren om het dienstvoertuig op de weg te houden. Het is me ook nog niet gelukt trouwens. Ik werd alsnog van de weg gedrukt. Ik zag toen de zwarte auto voor mij weg slippen. Ik was toen nog steeds vol bezig met correcties uitvoeren. Ik had zoiets van ‘Ik ga de berm in, ik ga de berm in’.

De vangrail ligt ter plaatse een stuk van de rijbaan af. Ik schoof de berm in en toen duwde ik vol op de rem om tot stilstand te komen. De zwarte auto draaide voor mijn dienstauto en kwam tot stilstand gedeeltelijk in de berm. (…)

Het was een behoorlijke impact, die aanrijding.

Ik wil toch even mijn gevoel benadrukken. Ik ben vader van twee kinderen en een derde op komst. Als dit fout was gegaan, had ik mijn kinderen nooit meer gezien. Ik heb daar wel een traan over gelaten.”

“4. Een proces-verbaal van aangifte (..) [benadeelde 1] :

(…) De bestuurder van de Audi reed met hogesnelheid de N281 op. Rijdende over deze weg, zag ik dat de snelheidsmeter van ons dienstvoertuig 180 kilometer per uur aangaf. Ik zag dat mijn collega de Audi wilde inhalen, maar dit lukte niet omdat de bestuurder van de Audi ons de weg afsneed. De bestuurder van de Audi reed zigzaggend over de rijbaan van de N281. Ik zag ook dat de remlichten van de Audi regelmatig oplichtten. De bestuurder maakte rembewegingen. Op dat moment vreesde ik voor mijn leven. Ik dacht als wij nu aangetikt worden dan blijven wij dood.

(…)

Wij reden door in de richting van België. Op enig moment zag ik dat er vonken van de Audi afkwamen. Ik zag dat de snelheid van de Audi verminderde. Toen zag ik dat de politiepatrouille van Heerlen de Audi inhaalde. Ik zag dat [benadeelde 2] rechts naast die Audi ging rijden om hem in te sluiten. Op dat moment reden wij ongeveer nog 100 kilometer per uur. Ik wist dat achter ons ook nog politievoertuigen reden dus wij hadden de Audi ingesloten.

Toen ik dacht ‘nu gaat hij wel stoppen’ stuurde de bestuurder van de Audi plotseling naar rechts en ramde onze politieauto. Ik was bang dat onze auto daardoor mogelijk in de berm zou kunnen geraken met alle gevolgen van dien. De klap was behoorlijk hard. Ons dienstvoertuig werd daardoor behoorlijk beschadigd aan de linker voorzijde. Door de klap werden wij naar rechtsgedrukt en wij reden door het gras van de berm. Ter plaatse is de vangrail een stuk van de rijbaan af, omdat er een oprit is gelegen. Wij kwamen daardoor van de rijbaan af. Ik was bang dat ons dienstvoertuig daardoor zou gaan spinnen en over de kop zou kunnen slaan. Als dat gebeurd zou zijn dan hadden wij zwaargewond dan wel dood kunnen blijven.”

4.9. De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in een bijlage bij haar vordering verklaard dat het bewezenverklaarde ‘een behoorlijk impact’ op haar heeft gehad. Over de omstandigheden van het bewezenverklaarde en de gevolgen die dit voor haar heeft gehad verklaart zij als volgt:

“De eerste nachten na het incident kon ik moeilijk slapen en lag ik vaak wakker. Het is inmiddels 7 weken geleden maar ik moet nog wekelijks aan het incident denken. Bij elke achtervolging zit ik met gekromde tenen in de auto en hoop ik dat het goed gaat en snel is afgelopen. (…) In het begin was het een standaard achtervolging. Ik vond wel dat het hard ging en dat de verdachte veel risico’s nam. Ik voelde mij als bijrijder op dat moment nog niet ongemakkelijk. Totdat wij de snelweg opreden. Ik zag dat wij met zeer hoge snelheid reden. (…) door de hoge snelheid en de stuurbewegingen van de verdachte werd ik bang. Ik schreeuwde tegen mijn collega dat hij snelheid moest minderen. Ik zag dat de auto van links naar rechts bewoog. Ook zag ik dat verdachte rembewegingen maakte. Ik realiseerde mij dat het niet goed met mij en mijn collega zou aflopen als er een aanrijding zou plaatsvinden met deze snelheid. We reden op dat moment 170 kilometer per uur en ik zag dat de verdachte diverse malen op de rem trapte. Ik werd plotseling bang en hoopte dat mijn collega de achtervolging zou stoppen. Ik had op dat moment het gevoel dat het de verdachte niet uitmaakte of het hem zijn leven zou kosten als hij maar uit handen van de politie kon blijven. (…) Ik dacht (…) aan mijn twee kinderen en man. Ik heb twee meisjes van 2 en 3. Ik was bang hun niet meer te zien en niet veilig thuis te komen. (…) Ik zag dat de verdachte helemaal ingesloten was. Voor hem achter hem en naast hem reed een politieauto. Plotseling reed de verdachte ons aan. Dit was zijn enige uitweg. Het was een zeer harde klap en ik was bang dat de auto zou gaan spinnen. (…) ik zag mijn man en mijn twee meisjes voor mij. Ik vroeg mij op dat moment af waarom ik bij de politie wilde werken. Is dit het waard ? (…) Ik hoop een dergelijk incident nooit meer mee te maken. (…) Ik hoop dat mijn steeds terugkerende angst in een achtervolging te belanden snel wegebt. Maar tot nu toe heb ik er vrijwel elke dienst last van.”

4.10. Ook de benadeelde partij [benadeelde 2] heeft bij zijn vordering een verklaring gevoegd over de gevolgen die het bewezenverklaarde voor hem heeft gehad:

“En dan kom je thuis. Je vertelt thuis je verhaal en hoort van je vriendin dat dit abnormaal is. En inderdaad je komt thuis als vriend/vader en denkt als een burger. Mijn vriendin zegt altijd ‘doe voorzichtig’ en mijn oudste zoon zegt altijd ‘tot straks papa’. De eerstvolgende dienst werd dit ook door beide gezegd. Op dat moment dacht ik bij mezelf ‘ik hoop het als ik weer zo’n dwaas tegen kom dan kom ik misschien niet meer thuis’. Ik heb hier veel moeite mee gehad. Pas vanaf dat moment kreeg ik het besef hoeveel geluk wij hebben gehad. Ik snap nog steeds niet waarom hij dit gedaan heeft. Hij keek me recht in de ogen aan en kiest er bewust voor om op ons in te rijden. Hij wilde me gewoon dood rijden. (…) Inmiddels zijn we een stuk verder, maar op het moment dat ik een achtervolging over de portofoon hoor denk ik maar aan een ding. Mijn achtervolging! De film wordt voor mij opnieuw afgespeeld en alweer besef ik hoeveel geluk ik had. Ik denk wel eens bij mezelf wat heb ik jou ooit misdaan dat je mij van het leven wilde beroven. Dit is ook hetgeen waar ik het meest mee zit. Ik weet niet of ik dat ooit zal vergeten, maar op dit moment nog zeer zeker niet.”

4.11. Samengevat heeft het hof vastgesteld dat de verdachte tijdens een wilde achtervolging via groenvoorziening, fietspaden en uiteindelijk op de snelweg, waarbij de verdachte met zeer hoge snelheid heeft gereden, niet alleen de algemene verkeersveiligheid, maar ook de gezondheid en veiligheid van twee agenten ernstig in gevaar heeft gebracht. Op verschillende momenten tijdens de achtervolging hebben de agenten gevreesd dat zij zouden verongelukken en daarbij zouden komen te overlijden dan wel zwaar gewond zouden raken. Uit de aangiftes en de onderbouwing van de vorderingen komt bovendien naar voren dat het gebeuren veel impact op deze agenten heeft gehad. Duidelijk is dat hier geen sprake was van een reguliere politie-achtervolging, maar van een uitzonderlijke situatie, waarbij de betrokken politieagenten zeer angstige momenten hebben moeten doorstaan.

4.12. Gelet op het voorgaande acht ik het verdedigbaar om aan te nemen dat het hof op basis van de omstandigheden van het geval kennelijk heeft geoordeeld dat een aanspraak op immateriële schade in het onderhavige geval gerechtvaardigd is, omdat de nadelige gevolgen van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte voor de benadeelden zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Daarbij geef ik toe dat op grond van het weinige dat het hof bij de toewijzing van de schadevergoeding heeft overwogen, over hetgeen wat nog kan worden ingelezen in dit oordeel ook anders kan worden gedacht. Een schoonheidsprijs verdient deze motivering in ieder geval niet.

4.13. Het middel faalt.

5. Conclusie

5.1. De middelen falen en de eerste twee middelen kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, lid 1 RO, ontleende motivering.

5.2. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

5.3. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

----------------------------------------------------------------------------------

[1] HR 13 september 2016, 15/03635

[2] Op 19 november 2018 is het onderzoek ter terechtzitting gesloten en bepaald dat de uitspraak zal plaatsvinden op 3 december 2018. Bij tussenarrest van 3 december 2018 is het onderzoek heropend. Op 2 maart 2020 is - met instemming van de advocaat-generaal en de raadsman - het onderzoek van de zaak hervat in de stand waarin het zich op 3 december 2018 bevond. Ter terechtzitting van 2 maart 2020 heeft de raadsman blijkens het proces-verbaal van de zitting in aanvulling op het ter terechtzitting van 19 november 2018 gehouden pleidooi geen nader standpunt ingenomen met betrekking tot de vorderingen van en de benadeelde partijen.

[3] De verdachte is in eerste aanleg door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, bij vonnis van 11 maart 2015 ter zake van “poging tot doodslag, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar.

[4] HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. Vellinga. De Hoge Raad verwijst hierbij naar zijn arrest van HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376.

[5] Zie bijvoorbeeld de arresten van de civiele kamer van de Hoge Raad HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7721 (Oudejaarsrellen) en HR 18 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR5213 (Wrongful life)” en het arrest van de strafkamer HR 15 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:412, waarin het ging om de toekenning van een vergoeding van immaterieel nadeel in het geval van een politieagent die op het nippertje erin was geslaagd weg te springen voor een auto die op hem inreed.

[6] Zie I. Felix en A. Schild, ‘De vergoeding van immateriële schade in het strafproces’, NJB 2020/762, onder 1.5.5.

[7] HR 15 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1465, NJ 2019/468 m.nt. Vellinga.

[8] In gelijke zin HR 8 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1955, NJ 2021/65,HR ECLI:NL:HR:2020:1956, NJ 2021/66 en HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2012, NJ 2021/68 m.nt. Lindenberg. De noot heeft ook betrekking op drie arresten van 8 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1955, NJ 2021/65, 1956, NJ 2021/66 en 1967, NJ 2021/67.

[9] HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2012, NJ 2021/68 en HR 8 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1956, NJ 2021/66.

[10] Zie de bewijsmiddelen 3 en 4 zoals opgenomen in de bijlage bewijsmiddelen bij het bestreden arrest.