Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:613

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
15-06-2021
Datum publicatie
16-06-2021
Zaaknummer
20/03005
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHDHA:2020:1606
Oorspronkelijke conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:487
Arrest Hoge Raad na nadere conclusie: ECLI:NL:HR:2021:1036
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Aanvullende conclusie aangaande schriftuur benadeelde partij. Conclusie strekt tot niet-ontvankelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/03005

Zitting 15 juni 2021

AANVULLENDE

CONCLUSIE

J. Silvis

In de zaak

Geert WILDERS,

geboren te Venlo op 6 september 1963,

hierna: de verdachte.

1. In mijn conclusie van 18 mei 2021 gaf ik aan dat mr. E.D. van Elst, advocaat te Veenendaal, namens de benadeelde partij [benadeelde 1] een schriftuur heeft ingediend houdende één middel van cassatie. Tevens gaf ik aan dat ik, na afloop van de termijn voor het desgewenst indienen van een verweerschrift, aanvullend zou concluderen ten aanzien van het namens de benadeelde partij ingediende middel. Dat doe ik in deze aanvullende conclusie.

2. Het middel klaagt dat het hof de niet-ontvankelijkverklaring van de vordering van de desbetreffende benadeelde partij ontoereikend heeft gemotiveerd.

3. De beslissing van het hof houdt ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen het volgende in:

14.1 Benadeelde partijen

In het onderhavige strafproces hebben meerdere personen en organisaties zich in eerste aanleg als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde.

In hoger beroep zijn thans nog aan de orde de vorderingen van de hierna te noemen benadeelde partijen, die hun vordering in hoger beroep hebben gehandhaafd:

- [benadeelde 2] (bijgestaan door mrs. G. Sluiter en B. van Straaten)

- [benadeelde 3] (bijgestaan door mrs. G. Sluiter en B. van Straaten)

- [benadeelde 4] (bijgestaan door mrs. G. Sluiter en B. van Straaten)

- [benadeelde 5] (bijgestaan door mrs. G. Sluiter en B. van Straaten)

- [benadeelde 1] (bijgestaan door mr. E.D. van Eist)

- [benadeelde 6] (bijgestaan door mr. A. Cinar)

- [benadeelde 7] (bijgestaan door mr. D.M.P. van Eijsden)

- [benadeelde 8] (bijgestaan door mr. L. Nix)

- [benadeelde 9]

- [benadeelde 10]

- [benadeelde 11]

- [benadeelde 12]

- [benadeelde 13]

- [benadeelde 14]

- [benadeelde 15]

- [benadeelde 16]

- [benadeelde 17]

- [benadeelde 18]

- [benadeelde 19]

- [benadeelde 20]

- [benadeelde 21]

- [benadeelde 22]

- [benadeelde 23]

- [benadeelde 24]

- [benadeelde 25]

- [benadeelde 26]

- [benadeelde 27]

- [benadeelde 28]

- [benadeelde 29]

- [benadeelde 30]

- [benadeelde 31]

- [benadeelde 32]

- [benadeelde 33]

- [benadeelde 34]

- [benadeelde 35]

- [benadeelde 36]

- [benadeelde 37]

- [benadeelde 38]

- [benadeelde 39] .

De overige benadeelde partijen die zich in eerste aanleg hadden gesteld hebben hun vordering in hoger beroep niet gehandhaafd, zodat deze thans niet meer aan de orde zijn.

[benadeelde 40] , [benadeelde 41] en [benadeelde 42] hebben zich voor het eerst in hoger beroep gesteld als benadeelde partij en een vordering tot schadevergoeding ingediend.

14.2 Standpunt van de advocaten-generaal

De advocaten-generaal hebben zich ter terechtzitting in hoger beroep - conform de door hen overgelegde aantekeningen requisitoir - op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen tot schadevergoeding.

Primair omdat geen sprake is van rechtstreekse schade, subsidiair omdat de behandeling van de vorderingen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

14.3 Standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat de vorderingen van de benadeelde partijen afgewezen dienen te worden. Subsidiair dienen de benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk te worden verklaard, aldus de verdediging.

14.4 Oordeel hof

De benadeelde partijen [benadeelde 40] , [benadeelde 41] en [benadeelde 42] hebben eerst in hoger beroep opgave gedaan van de inhoud van hun vordering en zich als benadeelde partij gesteld. Uit het bepaalde in artikel 421, eerste lid, Sv, volgt dat de benadeelde partij die zich niet in het geding in eerste aanleg als zodanig heeft gevoegd, daartoe onbevoegd is in het geding in hoger beroep. Het hof zal deze benadeelde partijen in hun vorderingen tot schadevergoeding daarom niet-ontvankelijk verklaren.

Wat betreft de overige benadeelde partijen overweegt het hof als volgt.

De benadeelde partijen hebben gesteld dat zij, of degenen voor wie zij stellen op te komen, ten gevolge van de tenlastegelegde uitlatingen van verdachte materiële en/of immateriële schade hebben geleden. Wat de immateriële schade betreft wijzen zij op de (psychische) gevolgen die

de uitlatingen bij hen of hun achterban teweeg gebracht hebben, zoals spanningsklachten, gevoelens van angst en stress, slapeloze nachten, gederfde levensvreugde en het gevoel dat zij niet meer welkom zijn in Nederland. Enkele benadeelde partijen hebben daar aan toegevoegd wegens klachten van depressieve aard psychiatrische behandeling te hebben gezocht. De wegens immateriële schade gevorderde bedragen variëren tussen (het symbolische bedrag van) € 0,01 en € 20.000,-. De [benadeelde 8] heeft terugname van de uitlating gevorderd en het maken van excuses. Het [benadeelde 5] heeft schadevergoeding gevorderd in de vorm van rectificatie.

De verdediging heeft betwist dat sprake is van schade die de benadeelde partijen ieder op zich rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit en voorts dat het wat betreft de gevorderde vergoeding voor immateriële schade daarbij telkens gaat om op de voet van artikel 6:106 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) vergoedbare schade.

Zij heeft verder bestreden dat de [benadeelde 8] en de benadeelde partij en die slechts een symbolisch bedrag als schadevergoeding hebben gevorderd, een 'voldoende belang' hebben bij hun vordering als bedoeld in artikel 3:303 BW.

Naar het oordeel van het hof levert de behandeling van de vorderingen van de benadeelde partijen, in het licht van enerzijds hetgeen de verdediging ter betwisting daarvan heeft aangevoerd en anderzijds de eisen die door het bepaalde in artikel 6 EVRM worden gesteld aan de behandeling van betwiste vorderingen, een onevenredige belasting op van het strafgeding als bedoeld in artikel 361, derde lid, Sv. Reeds de vraag of, en zo ja in welke mate, de gevorderde materiële en/of immateriële schade telkens als gevolg van (alleen) de bewezenverklaarde uitlating aan de verdachte kan worden toegerekend, vergt naar het oordeel van het hof bij elk van de benadeelde partijen nadere toelichting, onderbouwing en/of bewijslevering. Dit klemt temeer nu niet bij elk van hen uit het gestelde valt af te leiden dat zij behoren tot of statutair opkomen voor de belangen van, de groep tegen wie- de bewezenverklaarde groepsbelediging specifiek was gericht of voor wie deze was bestemd.

Het hof zal dan ook bepalen dat deze overige vorderingen op die grond niet ontvankelijk zijn in dit strafgeding en dat deze benadeelde partijen hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

14.5 Kostenveroordeling

Het hof ziet-in het voorgaande aanleiding te bepalen dat de kosten die in verband met 'de behandeling van de door de benadeelde partijen ingediende vorderingen zijn gemaakt over en weer dienen te worden gecompenseerd, aldus dat de verdachte en ieder van de benadeelde partijen in zoverre zijn eigen kosten draagt.”

4. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat het feit dat nadere toelichting, onderbouwing en/of bewijslevering dient te worden gegeven op zichzelf onvoldoende reden vormt om een vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Daarbij is de vordering van de desbetreffende benadeelde partij reeds onderbouwd en zou een nadere toelichting in zijn geval niet zodanig zijn dat dit een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Verder is de vraag of de benadeelde partij behoort tot of statutair opkomt voor de belangen van de groep tegen wie de bewezenverklaarde groepsbelediging specifiek was gericht, ten aanzien van de desbetreffende benadeelde partij niet van belang. Daarom is onvoldoende onderbouwd waarom de vordering van de desbetreffende benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren en is zijn vordering ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard, aldus de steller van het middel.

5. De vraag of de behandeling van een vordering van een benadeelde partij een onevenredige belasting vormt van het strafgeding, betreft een feitelijk oordeel dat in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst. De Hoge Raad toetst daarbij terughoudend.1 Het oordeel van het hof komt mij niet onbegrijpelijk voor, mede in aanmerking genomen de grote hoeveelheid vorderingen, de betwisting door de verdediging en het feit dat het rechtstreekse verband tussen de gevorderde materiële en/of immateriële schade en het bewezenverklaarde feit niet zonder meer duidelijk is. De omstandigheden dat een nadere toelichting van de vordering van alleen deze benadeelde partij geen onevenredige belasting op zou leveren van het strafgeding en dat de vraag of hij behoort tot de groep tegen wie de groepsbelediging was gericht reeds duidelijk is, doet mijns inziens aan het vorenstaande niet af.

6. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Zie onder meer HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3751 en HR 11 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:528. Het overzichtsarrest HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, leidt in de context van deze zaak m.i. niet tot een andere beoordeling.