Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:604

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
22-06-2021
Datum publicatie
23-06-2021
Zaaknummer
19/05930
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHARL:2019:10755
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1260
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG waarin voorafgaand aan de bespreking van de klacht een opmerking wordt gemaakt over de wijze waarop het middel is geformuleerd. De schriftuur bevat een bewijsklacht over de veroordeling wegens deelneming aan een criminele organisatie. Volgens AG berust de klacht op een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/05930

Zitting 22 juni 2021

CONCLUSIE

E.J. Hofstee

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 9 december 2019 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1 “medeplegen van het plegen van opzetheling een gewoonte maken” en 2 “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden. Daarnaast heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van een op 20 februari 2015 door de rechtbank Utrecht voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van veertien dagen (parketnummer 16-285711-14).

  2. Er bestaat samenhang met de zaak 19/05587. Ook in die zaak zal ik vandaag concluderen

  3. Namens de verdachte heeft mr. E.W. van Voolen, advocaat te Utrecht, bij schriftuur één cassatiemiddel voorgesteld.

  4. Het ingediende schriftelijke stuk geeft aanleiding tot een enkele opmerking voorafgaand aan de bespreking van de daarin opgeworpen klacht. Voor onderzoek door de cassatierechter komen alleen in aanmerking middelen van cassatie als in de wet bedoeld. Als een zodanig middel kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen.1 De opsteller van de cassatieschriftuur heeft verzuimd de tegen de bestreden uitspraak gerichte klacht met zoveel woorden als een cassatiemiddel te formuleren. Desondanks blijkt uit het ingediende stuk wel voldoende duidelijk tegen welke beslissing in het bestreden arrest de klacht zich richt. Het is enkel om die reden dat ik mij (zij het niet zonder aarzeling) welwillend opstel en de klacht hieronder zal bespreken.2

5. De in de cassatieschriftuur tot uitdrukking komende klacht houdt in dat de onder 2 bewezenverklaarde deelneming aan een criminele organisatie niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid voor zover het gaat om het samenwerkingsverband met de medeverdachte [medeverdachte 1] .

6. Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 2 bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 14 juni 2016 tot en met 1 juli 2016 te [plaats] heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van een of meer natuurlijke personen, te weten (onder meer) verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het plegen van fietsendiefstallen en/of het helen van (door misdrijf verkregen) fietsen en/of het omkatten van (door misdrijf verkregen) fietsen en/of het vervoeren en/of uitvoeren van (door misdrijf verkregen) fietsen en/of het verkopen van (door misdrijf verkregen) fietsen.”

7. Het hof heeft de bewezenverklaring onder meer doen steunen op de volgende bewijsmiddelen:

Ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde,

waarbij ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts wordt gebezigd voor het bewijs waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft:

1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (als bijlage op pagina’s 46-48 van het proces-verbaal, genummerd PL0900-2016205755) voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Op vrijdag 1 juli 2016, (...) waren wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , belast met opsporingswerkzaamheden binnen het werkgebied Veluwe West . (...) In verband met de stijging van het aantal fietsen diefstallen is door ons een fiets geplaatst aan de [a-straat] te Harderwijk. Deze fiets was voorzien van een peilbaken. Op vrijdag 1 juli 2016, omstreeks 19:20 uur kreeg ik, verbalisant [verbalisant 1] op mijn mobiele telefoon een melding dat het peilbaken in beweging was. (...) Ik zag dat het peilbaken als locatie de [b-straat] te Harderwijk aan gaf.

Wij, verbalisanten zijn naar de genoemde locatie gereden en ik, [verbalisant 1] zag hier een blauwe Fiat Doblo op de parkeerplaats staan. Ik, [verbalisant 1] heb achterin de auto gekeken en zag dat daar onze fiets met peilbaken lag.

Op genoemde dag, omstreeks 21:05 uur zag ik, verbalisant [verbalisant 3] , dat eerder genoemde voertuig de [b-straat] verliet en reed in de richting van de parkeerplaats van de Albert Hein Supermarkt welke gelegen is aan de [c-straat] . Ik, [verbalisant 2] , zag dat er in het voertuig twéé manspersonen zaten.

Ik volgde het voertuig met achter mij de andere collega’s.

Op de A1 verliet het voertuig de snelweg bij de afslag Baarn/Eembrugge. Middels een aantal binnendoor wegen kwam het voertuig uiteindelijk uit op de [f-straat ] te [plaats] .

Op deze locatie kregen wij verbalisanten het gevoel dat de inzittenden ons in de gaten hadden. Wij verbalisanten zagen dat het voertuig zijn snelheid verhoogde en in de richting van het centrum van [plaats] reed.

Binnen de bebouwde kom van [plaats] zette de bestuurder het voertuig neer op een parkeerplaats aan de [d-straat] . Hier verlieten de twee inzittenden het voertuig en renden weg in de richting van de [e-straat] . Wij verbalisanten hebben daarop te voet de achtervolging ingezet en hielden voortdurend zicht op de verdachten.

Op vrijdag 1 juli 2016, om 21:45 uur hield ik, verbalisant [verbalisant 2] op heterdaad aan als verdachte ter zake diefstal, dan wel heling:

[betrokkene 1]

[geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats]

Op datzelfde moment en op dezelfde locatie hield ik, verbalisant [verbalisant 3] op heterdaad aan als verdachte ter zake diefstal, dan wel heling

[verdachte]
[geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats]

Op genoemde datum omstreeks 22.15 uur voegden collega’s [verbalisant 4] en [verbalisant 5] van politie-unit BES, waar [plaats] onderdeel van is, zich bij ons verbalisanten. Collega [verbalisant 5] kende [betrokkene 1] ambtshalve en wist ons verbalisanten te vertellen dat deze verbleef op camping het [plaats] gelegen aan de [f-straat 1] te [plaats] , bungalow [001] . Wij verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 1] zijn daarop met de collega’s van unit BES naar camping het [plaats] gegaan.

Op de camping hebben wij verbalisanten de bewuste bungalow opgezocht. Op het terrein van de bungalow stond een onafgesloten schuur waarvan de deur op een kier stond. Wij verbalisanten zagen dat er in deze schuur minstens tien (10) fietsen opeengestapeld lagen. Wij verbalisanten zagen dat het vrij nieuwe fietsen waren die allen voorzien waren van nieuwe sloten.

Naast de fietsen in de schuur werden ook in de bungalow zelf en in een aanhanger die op het perceel stond nog tientallen fietsen aangetroffen die vermoedelijk van diefstal afkomstig zijn. Tevens lagen in de bungalow tientallen stickers met vermoedelijk valse framenummers, tientallen (lege) verpakkingen met fietssloten en meerdere valse sleutels (lopers).

[…]

3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen en de bij gevoegde foto’s (als bijlage op pagina ’s 60-75 van het proces-verbaal, genummerd PL0900-2016205755) voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven -:

Omstreeks, 22.25 uur, kwamen wij, verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 4] , samen met de collega’s van Eenheid Oost, ter plaatse op de [f-straat 1] , bungalow [001] te [plaats] .

Wij, verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 4] zagen in de woonkamer van de woning een drietal mannen zitten.

Wij zagen dat er twee mannen naar buiten kwamen lopen.

Later bleek dit de verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] waren.

Ik, verbalisant [verbalisant 4] , zag, tijdens het wachten op de Hulp Officier van Justitie, dat er op het parkeervak achter het plastic schuurtje een zwarte gesloten aanhangwagen zonder kentekenplaat stond. Ik zag dat dit parkeervak bij de bungalow van perceel [001] hoorde.

Ik zag dat in de aanhangwagen een nog grotere hoeveelheid aan fietsen lag opgestapeld dan in het schuurtje.

[…]

7. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage op pagina’s 183- 185 van het proces-verbaal, genummerd PL0900-2016205755) voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven -, als verklaring van getuige [getuige]:

Ik ben eigenaar van een vakantiewoning, gelegen op een bungalowpark aan de [f-straat 1] in [plaats] . Mijn woning betreft woning [001] op voornoemd adres.

Sinds 15 december 2015 heb ik deze woning, nummer [001] , verhuurd. Ik heb een huurovereenkomst opgesteld met de huurder.

Deze huurder heet [betrokkene 2] , geboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats] .

Ik hoorde hem [het hof begrijpt: [betrokkene 2]] zeggen dat hij met nog 3 andere personen daar zou gaan wonen.

De betaling werd door [betrokkene 2] contant aan mij gedaan.

De ene keer zaten er 4 dan weer 5 personen.

Na 2 a 3 maanden hoorde ik van medebewoners dat [betrokkene 2] terug was gegaan naar Polen. (...) De betaling werd na dat moment overgenomen door [verdachte] . Ik ken hem en heb hem meerdere malen ontmoet.

Ik ben rond 14 juni 2016 voor het laatst binnenin de woning geweest. (...) Op dat moment heb ik geen bijzonderheden in de woning of daarbuiten aangetroffen.

Ik had [betrokkene 2] als aanspreekpunt en later [verdachte] . [verdachte] betaalde aan mij de huur via de bankrekening.

8. Als schriftelijk bescheid, twee transactieoverzichten crediteuren betaling [getuige] , bijgeboekt respectievelijk € 800,- en € 950,- via de tegenrekening ten name van [verdachte] , met verwerkingsdatum 20 mei 2016 en 20 juni 2016 (als bijlage op pagina’s 176 en 177 van het proces-verbaal, genummerd PL0900-2016205755).

[…]”

8. Onder de bewijsoverwegingen van het hof is onder meer het volgende opgenomen:

“Het hof acht het aannemelijk dat verdachte gedurende een langere periode (geregeld) in deze woning verbleef. Het hof overweegt daartoe dat de verhuurder van de desbetreffende woning, getuige [getuige] , heeft verklaard dat hij de woning op 15 december 2015 aan medeverdachte [betrokkene 2] heeft verhuurd, maar dat hij na drie maanden hoorde dat die [betrokkene 2] terug naar Polen was gegaan en dat de huur vervolgens door verdachte werd betaald. Verdachte was het aanspreekpunt. Getuige [getuige] heeft daarbij verklaard dat er, naast degene die de huur betaalde, meerdere personen in de woning hebben verbleven. Daarnaast werden in de woning diverse persoonlijke spullen van verdachte aangetroffen, waaronder een FNV-ledenpas en een PostNL-pas op naam van verdachte. Voorts overweegt het hof dat verdachte kort voor het aantreffen van de fietsen in de bungalow, op 1 juli 2016, met medeverdachte [betrokkene 1] in de auto zat die naar de [f-straat ] te [plaats] reed en daarmee kennelijk op weg was naar de woning.


Ten aanzien van feit 2
Het hof is van oordeel dat voorts wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.

Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat onder de term organisatie wordt verstaan ‘een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen verdachte en ten minste een andere persoon’. Duurzaamheid en structuur lijken daarbij op communicerende vaten: een (zeer) gestructureerde maar relatief kort geleden gevormde groep van personen kan zodoende worden aangemerkt als een organisatie. Uit de rechtspraak volgt derhalve geen vuistregel voor de duur van het bestaan van een organisatie en dat betekent dat de periode die in casu ten laste is gelegd zeer wel mogelijk is, zodat het hof, anders dan de rechtbank, uit zal gaan van deze relatief korte duur.

Het hof is van oordeel dat dat het samenwerkingsverband tussen verdachte en zijn medeverdachten een gestructureerd karakter had. Het hof overweegt daartoe dat uit het dossier volgt dat in de woning en aangrenzende schuur, die door verdachte werden gehuurd, in totaal 58 (in ieder geval deels) van diefstal afkomstige (elektrische) fietsen zijn aangetroffen, welke waren voorzien van nieuwe sloten en/of valse framenummers. Tevens werden grote aantallen sloten, verpakkingen van sloten, stickervellen met valse framenummers, fietsonderdelen, gereedschap en valse sleutels (lopers) in de woning aangetroffen. Een deel van de fietsen lag reeds opgestapeld in een aanhanger om te worden vervoerd.”

9. Deelneming aan een criminele organisatie als bedoeld in art. 140 Sr kan worden aangenomen als de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteuning biedt aan, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk.3 Het samenwerkingsverband kenmerkt zich door een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en tenminste één andere persoon.4 Om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt is niet vereist dat daarbij komt vast te staan dat een persoon moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie.5

10. Het hof heeft de verdachte in het bestreden arrest veroordeeld wegens opzetheling van een groot aantal fietsen en deelneming aan een organisatie die het plegen van vermogensdelicten met betrekking tot die fietsen tot oogmerk had. Uit de vaststellingen van het hof blijkt het volgende. De verdachte is samen met [betrokkene 1] als verdachte ter zake van diefstal dan wel heling aangehouden. Voor de aanhouding reden zij in een Fiat Doblo, waarin de door de politie in Harderwijk geplaatste lokfiets lag. Vervolgens is in de bungalow waar de verdachte en [betrokkene 1] verbleven, in een schuurtje ernaast en in een aanhangwagen achter het schuurtje een groot aantal van diefstal afkomstige fietsen aangetroffen. In de bungalow zijn ook diverse fietsattributen, diverse soorten gereedschap en valse (framenummer)stickers gevonden. De verdachte heeft enige tijd de huur van die bungalow betaald en kwam daar regelmatig. De bungalow zou door vier personen zijn bewoond; soms werden er vijf personen gezien. Toen de politie ter plaatse kwam, zat een drietal personen in de woonkamer van de bungalow. Twee van hen kwamen naar buiten lopen, onder wie de medeverdachte [medeverdachte 1] .

11. De klacht berust vermoed ik op een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte heeft deelgenomen aan een samenwerkingsverband waartoe onder meer de medeverdachte [medeverdachte 1] behoorde. Dat oordeel volgt voldoende duidelijk uit de bewijsvoering.

12. Het middel faalt en kan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden afgedaan.

13. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie o.a. HR 20 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW3592, NJ 2006/383; HR 13 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2434, NJ 2001/296 en HR 10 juli 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2881, NJ 2001/605. Zie ook A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 179.

2 Ik sluit evenwel niet uit dat de Hoge Raad hier anders over denkt en de inrichting van de ‘schriftuur’ zo ondermaats vindt dat hij daarin geen middel in de zin van de wet ontwaart en tot een niet-ontvankelijkheid van het beroep komt. Vgl. Van Dorst, a.w., p. 89.

3 HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0858, NJ 1998/225, m.nt. De Hullu en HR 21 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4415, NJ 2011/21.

4 HR 26 oktober 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1974, NJ 1994/161 en HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:378, NJ 2018/169.

5 HR 9 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8470 en HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:378, NJ 2018/169.