Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:586

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-05-2021
Datum publicatie
16-07-2021
Zaaknummer
20/03592
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1150, Gevolgd
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Personen- en familierecht. Afwijzing verzoek tot wijziging van partneralimentatie en kinderalimentatie/alimentatie jongmeerderjarige. Relevante wijziging van omstandigheden als bedoeld in art. 1:401 lid 1 BW?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/03592

Zitting 28 mei 2021

CONCLUSIE

M.L.C.C. Lückers

In de zaak

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

verzoekster tot cassatie,

tevens gemachtigde van de jongmeerderjarige [kind 3],

hierna: de vrouw,

advocaat: C.G.A. van Stratum,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

verweerder in cassatie,

hierna: de man,

advocaat: J.P. Heering.

1 Inleiding en samenvatting

1.1

In deze zaak heeft de rechtbank de eerder overeengekomen kinderalimentatie/ alimentatie jongmeerderjarige en partneralimentatie gewijzigd wegens gewijzigde omstandigheden. Het hof heeft die beschikking vernietigd en geoordeeld dat geen sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden in de zin van art. 1:401 lid 1 BW en de inleidende verzoeken tot wijziging van de kinderalimentatie/alimentatie jongmeerderjarige en partneralimentatie alsnog afgewezen. In cassatie wordt daarover geklaagd.

2 Feiten en procesverloop

2.1

In cassatie kan, voor zover van belang, van de volgende feiten worden uitgegaan:1

(i) Partijen zijn gehuwd geweest van 26 september 1992 tot 19 oktober 20152 en zijn de ouders van:

- [kind 1], geboren op [geboortedatum] 1997 (hierna: [kind 1]),

- [kind 2], geboren op [geboortedatum] 1998 (hierna: [kind 2]), en

- [kind 3], geboren op [geboortedatum] 2002 (hierna: [kind 3]).

(ii) Bij beschikking van 14 oktober 2015 van de rechtbank Den Haag is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Daarnaast is bepaald dat het aan die beschikking aangehechte convenant en ouderschapsplan, beide van 11 september 2015, deel uitmaken van die beschikking. Verder is bepaald dat de man € 2.672,- per maand aan partneralimentatie aan de vrouw dient te betalen.

(iii) In voormeld ouderschapsplan hebben partijen onder meer bepaald dat de man maandelijks € 974,- stort op de kinderrekening, welk bijdrage wordt verminderd met een bedrag van € 325,- per kind per maand indien de jongmeerderjarige uitwonend is3 (art. 7.2) en dat de man vanaf het tijdstip dat een jongmeerderjarige uitwonend is, rechtstreeks aan de jongmeerderjarige de vergoeding die hij van zijn werkgever [A] ontvangt voor een uitwonend studerend kind betaalt (art. 7.3).

(iv) In voormeld convenant zijn partijen overeengekomen dat de man een partneralimentatie aan de vrouw zal betalen van € 2.672,- bruto per maand (art. 1.1).

2.2

Bij verzoekschrift, ingekomen op 28 juni 2018 bij de rechtbank Den Haag, heeft de vrouw verzocht, met wijziging van de beschikking van 14 oktober 2015, het convenant en het ouderschapsplan,

 de alimentatie voor [kind 2] en [kind 3] op € 1.394,04 per maand te bepalen, dan wel op een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen;

 de partneralimentatie op € 4.844,- netto per maand te bepalen, dan wel op een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen;

 zulks met ingang van 20 februari 2018, dan wel 5 maart 2018, dan wel met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift;

 te bepalen dat de man naast de door hem te betalen kinderalimentatie, de door zijn werkgeefster ten behoeve van de kinderen uitgekeerde allowances dient door te betalen aan de rechthebbende.

2.3

De man heeft daartegen verweer gevoerd.

2.4

Bij beschikking van 14 maart 2019 heeft de rechtbank Den Haag, met wijziging in zoverre van de onderling getroffen regeling en voormelde beschikking van de rechtbank Den Haag van 14 oktober 2015:

- de door de man met ingang van 28 juni 2018 te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw bepaald op € 4.591,- netto per maand, vanaf de datum van die beschikking telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

- de door de man met ingang van 28 juni 2018 te betalen (aanvullende) bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [kind 2] bepaald op € 323,- per maand en de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 3] bepaald op € 623,- per maand, in totaal op € 946,- per maand, vanaf de datum van de beschikking telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen.

De beschikking is tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

2.5

De rechtbank heeft daartoe, voor zover van belang en in de kern, als volgt overwogen. Allereerst heeft de rechtbank overwogen dat nu de vrouw een wijziging van omstandigheden heeft gesteld (dat de man meer inkomen is gaan verdienen en dat de zorgregeling is gewijzigd), de vrouw kan worden ontvangen in haar verzoeken. Vervolgens heeft de rechtbank de behoefte zoals opgenomen in het ouderschapsplan verhoogd met het bedrag aan kinderbijslag dat door de vrouw niet wordt ontvangen en de behoefte van [kind 2] en [kind 3] (geïndexeerd naar 2018) bepaald op € 729,- per maand per kind. De aanvullende behoefte van [kind 2] heeft de rechtbank bepaald op € 429,- per maand, aangezien de man een bedrag van € 300,- per maand rechtstreeks aan hem betaalt. De draagkracht van de man voor de kinderalimentatie heeft de rechtbank becijferd op € 5.638,- per maand en die van de vrouw op € 603,-. Nadat de rechtbank een draagkrachtvergelijking heeft opgesteld en een zorgkorting van 15% voor [kind 2] en een zorgkorting van 5% voor [kind 3] heeft toegepast, heeft de rechtbank de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie bepaald op € 323,- per maand voor [kind 2] en € 623,- per maand voor [kind 3]. Voor wat betreft de partneralimentatie heeft de rechtbank de behoefte van de vrouw (geïndexeerd naar 2018) bepaald op € 7.141,- per maand. Nadat de rechtbank de draagkracht van de man voor de partneralimentatie heeft becijferd, heeft zij geoordeeld dat een door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw van afgerond € 4.591,- netto per maand redelijk en billijk en in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven. De rechtbank heeft het redelijk geacht om de kinderalimentatie en partneralimentatie te wijzigen met ingang van de datum van de indiening van het verzoekschrift, te weten 28 juni 2018.

2.6

De man is van deze beschikking in beroep gekomen. In hoger beroep heeft hij, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en de inleidende verzoeken van de vrouw af te wijzen.

2.7

De vrouw heeft daartegen gemotiveerd verweer gevoerd.

2.8

Nadat de mondelinge behandeling op 19 juni 2021 heeft plaatsgevonden, heeft het hof Den Haag op 5 augustus 2020 de bestreden beschikking gegeven.

2.9

Bij die beschikking heeft het hof voormelde beschikking van de rechtbank Den Haag vernietigd voor zover het betreft de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 3] en [kind 2] en de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw, en in zoverre opnieuw beschikkende:

 de inleidende verzoeken van de vrouw ter zake van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 3], de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van en studie van [kind 2] en de partneralimentatie, afgewezen;

 bepaald dat de vrouw de met ingang van 14 maart 2019 te veel ontvangen uitkering tot haar levensonderhoud niet aan de man hoeft terug te betalen;

 de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige bekrachtigd;

 het meer of anders verzochte afgewezen.

2.10

Het hof heeft daartoe – in de kern - overwogen dat het in de verminderde frequentie van de zorgregeling geen wijziging van omstandigheden ziet die zou moeten leiden tot een hernieuwde beoordeling van de behoefte en draagkracht in het kader van de kinderalimentatie/alimentatie jongmeerderjarige (rov. 5.12). Verder heeft het hof geoordeeld dat de wijziging in het inkomen van de man niet zodanig rechtens relevant is dat een herbeoordeling van de partneralimentatie gerechtvaardigd is (rov. 5.15).

2.11

De vrouw, die in cassatie tevens optreedt als gemachtigde van de inmiddels jongmeerderjarige [kind 3],4 heeft tegen de bestreden beschikking – tijdig5 – beroep in cassatie gesteld voor zover het betreft de partneralimentatie en de alimentatie ten behoeve van [kind 3].

2.12

De man heeft een verweerschrift ingediend.

3 Bespreking van het cassatiemiddel

3.1

Het middel bevat drie onderdelen.

Juridisch kader6

3.2

Ik zie aanleiding om, alvorens mijn visie te geven op deze onderdelen, het juridische kader daarover te schetsen tegen de achtergrond van deze zaak.

3.3

Een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud (zowel partner- als kinderalimentatie) kan bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen (art. 1:401 lid 1 BW).

Ook kan wijziging of intrekking worden verzocht op grond van art 1:401 lid 4 BW (rechterlijke uitspraak) en art. 1:401 lid 5 BW (overeenkomst). Het is van belang om onderscheid te maken tussen een rechterlijke uitspraak en een overeenkomst betreffende levensonderhoud, omdat de gronden voor wijziging verschillen.7 Indien de rechter de overeenkomst heeft vastgelegd in zijn beschikking door de overeengekomen kinder- of partneralimentatie in het dictum op te nemen en/of de overeengekomen regeling aan de beschikking te hechten, wordt de overeenkomst door de veroordeling onverlet gelaten, tenzij uit de strekking van de rechterlijke uitspraak anders blijkt. De rechter conformeert zich immers bij de veroordeling van de ene partij tot betaling van een uitkering tot levensonderhoud aan de andere partij aan hetgeen partijen daarover zijn overeengekomen. Indien dat het geval is, moet in beginsel worden aangenomen dat die veroordeling geen verdere strekking heeft dan de verschaffing van een executoriale titel aan de partij ten behoeve van wie de veroordeling is uitgesproken.8

3.4

Aan beslissingen met betrekking tot geschilpunten over het levensonderhoud, die zijn vervat in een tussen dezelfde partijen gegeven, in kracht van gewijsde gegane beschikking, komt in beginsel gezag van gewijsde, als bedoeld in art. 236 Rv, toe. Dit gezag van gewijsde wordt evenwel in zoverre beperkt dat ingevolge art. 1:401 BW een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud bij een latere uitspraak kan worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen (lid 1) of indien zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan (lid 4).9

Voor wijziging of intrekking van hetgeen betreffende de onderhoudsverplichting door de rechter is vastgesteld of door partijen is overeengekomen, is een wijziging van de omstandigheden zoals die door de rechter ten tijde van diens beslissing zijn vastgesteld respectievelijk van de omstandigheden waarbij partijen bij het sluiten van de overeenkomst zijn uitgegaan, vereist.10 Het moet dan gaan om wijziging van omstandigheden die zich nadien heeft voorgedaan en die meebrengt dat de eerdere uitspraak over de alimentatie niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet.11 Niet van belang is of zich een wijziging heeft voorgedaan ten opzichte van een omstandigheid die destijds, in het geding dat leidde tot de uitspraak, door een partij is aangevoerd maar door de rechter niet als vaststaand is aangemerkt.12

Gronden die tot wijziging of intrekking kunnen leiden, kunnen van financiële aard zijn, bijvoorbeeld wijziging in de behoefte van de alimentatiegerechtigde of in de draagkracht van de alimentatieplichtige, maar ook van niet-financiële aard zijn, bijvoorbeeld wangedrag. Het enkele tijdsverloop sedert de vorige uitspraak kan op zichzelf niet als wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW worden aangemerkt, aangezien het op het toekomstgerichte karakter van alimentatiebeschikkingen in die vorige uitspraak als een natuurlijk uitgangspunt ligt besloten.13

Wordt tussen partijen een debat gevoerd over de vraag of zich een wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 BW heeft voorgedaan, dan moet aan de motivering van de beslissing tot wijziging van de alimentatie de eis worden gesteld dat daarin inzicht wordt gegeven in de gedachtegang die de rechter heeft geleid tot zijn oordeel, dat grond bestaat voor toepassing van die bepaling.14

Kolkman en Salomons wijzen er – terecht op - dat uit het woord ‘kan’ in art. 1:401 lid 1 BW blijkt dat de rechter in beginsel vrij is te beoordelen of en zo ja aan welke omstandigheden hij bij zijn beslissing omtrent het verzoek tot wijziging betekenis wil toekennen. Zij wijzen erop op dat de rechter een bepaalde wijziging van omstandigheden (zoals een verhuizing15) voor rekening van de verzoeker kan laten. Ook wijzen zij op HR 29 mei 1987, NJ 1988/255 waarin het interen op het vermogen door de man om aan zijn alimentatieplicht te voldoen door een man die destijds en ten tijde van de beslissing geen inkomen uit arbeid had, niet als een relevante wijziging van omstandigheden is opgevat.16

Wanneer zich een wijzigingsgrond als bedoeld in art. 1:401 BW voordoet, zal de rechter de uitkering tot levensonderhoud opnieuw moeten vaststellen, rekening houdende met alle terzake dienende omstandigheden.17

Gewijzigde zorgregeling grond voor wijziging van de kinderalimentatie/ alimentatie jongmeerderjarige?

3.5

Het hof heeft in de bestreden beschikking voor wat betreft de door de vrouw aangevoerde grond voor wijziging (de gewijzigde zorgregeling) van de kinderalimentatie het volgende overwogen.

“5.10 Wat de in het ouderschapsplan opgenomen zorgregeling betreft, overweegt het hof dat deze (juridisch) ongewijzigd is gebleven en nog steeds geldt. Echter, in de praktijk – daar zijn partijen het over eens – wordt de zorgregeling nauwelijks meer uitgevoerd, mede gelet op de leeftijd van de kinderen van partijen. De jongmeerderjarige ([kind 2]) is op [geboortedatum] 2019 21 jaar geworden en de minderjarige ([kind 3]) zal op [geboortedatum] 2020 de 18-jarige leeftijd bereiken. Daarnaast verliep de relatie tussen de vader en de minderjarige ([kind 3]) een tijdlang moeizaam. Inmiddels wordt er naar het hof begrijpt voorzichtig toegewerkt naar een situatie waarin met name de minderjarige ([kind 3]) en de man weer meer contact met elkaar zullen hebben.

5.11 Het hof is van oordeel dat de verminderde frequentie van de zorgregeling in onderhavig geval geen effect heeft op de te betalen kinderalimentatie/alimentatie jongmeerderjarige als door de vrouw is voorgestaan. De man heeft genoegzaam aangetoond dat hij de afgelopen jaren alleen maar meer is gaan betalen voor de oudste twee uitwonende, studerende, kinderen van partijen (de meerderjarige dochter ([kind 1]) en de jongmeerderjarige ([kind 2]) alsmede dat zijn bijdrage zo hoog is dat hij in feite naast zijn eigen aandeel ook het eigen aandeel van de vrouw in de kosten van hun kinderen betaalt. De vrouw heeft zulks in hoger beroep ook niet, althans niet voldoende gemotiveerd meer weersproken. Zij heeft alleen bij pleitnota gesteld dat de man dit onverplicht doet en dat dat ten koste van zijn draagkracht voor partneralimentatie gaat. Gelet op de voorrang die kinderalimentatie/alimentatie jongmeerderjarige op grond van artikel 1:400 BW heeft boven de partneralimentatie, snijdt deze redenering echter geen hout.

5.12 Gelet op vorenstaande feiten en omstandigheden ziet het hof in dit specifieke geval in de verminderde frequentie van de zorgregeling geen wijziging van omstandigheden die zou moeten leiden tot een hernieuwde beoordeling van de behoefte en draagkracht in het kader van de kinderalimentatie/alimentatie jongmeerderjarige. De bestreden beschikking dient derhalve in zoverre te worden vernietigd. Hetgeen partijen ter zake van de kinderalimentatie/alimentatie jongmeerderjarige overigens naar voren hebben gebracht behoeft geen verdere bespreking nu dit niet tot een ander oordeel leidt.”

3.6

Onderdeel 1 keert zich tegen rov. 5.11 van het hof. Het klaagt in de kern dat het hof uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat het niet voldoet aan de daaraan te stellen motiveringseisen. Het onderdeel voert het volgende aan. Het hof heeft nagelaten om de gestelde wijziging te toetsen aan de wettelijke maatstaven en heeft een onjuist toetsingskader gehanteerd door bij de beoordeling van de vraag in hoeverre de kinderalimentatie voor [kind 3] nog voldoet, uitsluitend en doorslaggevende betekenis toe te kennen aan de omvang van de bijdrage die de man voldoet ten behoeve van de oudste twee kinderen. Dat is onjuist, aangezien in hoger beroep niet in geschil is dat de draagkracht van de man meer dan toereikend is om in de kosten van alle drie de kinderen te voorzien en daarnaast nog een substantieel bedrag aan partneralimentatie te voldoen. Voor zover het oordeel van het hof aldus moet worden begrepen dat het hof van oordeel is dat de man voor [kind 3] meer dan zijn aandeel (en zelfs ook het aandeel van de vrouw) in de kosten van haar verzorging en opvoeding voldoet, is dat zonder nadere toelichting onbegrijpelijk. Voor zover het oordeel van het hof aldus moet worden begrepen dat wanneer alle drie de bijdragen gemiddeld zouden worden, de alimentatie gemiddeld genomen aan de wettelijke maatstaven voldoet omdat “de bijdrage voor de oudste twee kinderen zo hoog is dat hij in feite naast zijn eigen aandeel ook het eigen aandeel van de vrouw in de kosten van hun kinderen betaalt”, is dat eveneens onbegrijpelijk. Er bestaat geen wettelijke verplichting om meer in de bijdragen ten behoeve van [kind 1] te voldoen en daarnaast is de onderhoudsverplichting ten opzichte van [kind 1] lager in rang dan die ten opzichte van [kind 3]. Daarbij worden de studiekosten ten behoeve van [kind 1] door de werkgever van de man voldaan en wordt dit niet voldaan uit de draagkracht van de man. Daarnaast heeft het hof niet kenbaar in de motivering betrokken dat de behoefte van (jong)meerderjarige studerende kinderen niet zonder meer conform de NIBUD-tabel kan worden becijferd.

3.7

Voordat ik op deze klacht inga, wijs ik er nogmaals op de rechter in beginsel vrij is te beoordelen aan welke omstandigheden hij betekenis wil toekennen bij zijn beslissing over een verzoek tot wijziging van een alimentatieovereenkomst, en dat aan de motivering van een beslissing tot al dan niet wijziging geen hoge motiveringseisen worden gesteld, behoudens de eis dat inzicht wordt gegeven in de gedachtegang die de rechter heeft geleid tot zijn oordeel dat voor toepassing van art. 1:401 BW al dan niet grond bestaat. Het hof heeft zijn oordeel dat geen rekening wordt gehouden met de gewijzigde frequentie van de zorgregeling niet enkel gestoeld op de hogere betalingen die de man doet voor [kind 1] en [kind 2] zoals overwogen in rov. 5.11, maar ook op hetgeen het hof reeds had overwogen in rov. 5.10. Daarin heeft het hof overwogen dat de zorgregeling juridisch gezien ongewijzigd is, nog steeds geldt en dat er thans wordt gewerkt aan uitbreiding van de contacten met [kind 3]. Dat de zorgregeling, die juridisch ongewijzigd is, in de praktijk nauwelijks meer wordt uitgevoerd komt, zo oordeelt het hof, mede door de leeftijden van [kind 3] en [kind 2]. Zij zijn inmiddels allebei meerderjarig. Het is niet ongebruikelijk dat in de leeftijd vanaf ongeveer 14/15/16 jaar de zorgregeling niet meer volledig wordt uitgevoerd conform hetgeen de ouders waren overeengekomen op het moment dat het kind/de kinderen nog de basisschoolleeftijd hadden. De kinderen die de puberleeftijd bereiken, worden zelfstandiger en vullen steeds meer hun eigen “vrije tijd” in. Dit behoeft in beginsel niet zonder meer te leiden tot aanpassing van de kinderalimentatie. Verder heeft het hof – in cassatie onbestreden – overwogen dat er wordt gewerkt aan uitbreiding van de contacten tussen [kind 3] en de man. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat partijen – en in ieder geval de man - nog steeds de overeengekomen zorgregeling als uitgangspunt wensen te hanteren. Het hof heeft dan ook, in het licht van al deze feiten en omstandigheden, voldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang, zodat onderdeel 1 niet slaagt. Het oordeel van het hof in rov. 5.11 dat de man steeds meer is gaan betalen voor de twee oudste kinderen en dat zijn bijdrage zo hoog is dat hij in feite naast zijn eigen aandeel ook het eigen aandeel van de vrouw in de kosten van hun kinderen betaalt, zie ik als een overweging ten overvloede, die voorts in mijn ogen niet relevant is voor zijn bijdrage voor [kind 3]. In cassatie is de bijdrage voor [kind 2] niet meer aan de orde. In rov. 5.12 overweegt het hof nogmaals dat het in de verminderde frequentie van de zorgregeling geen wijziging van omstandigheden ziet die zou moeten leiden tot een hernieuwde beoordeling van de behoefte en draagkracht in het kader van de kinderalimentatie/alimentatie jongmeerderjarige. Van een onjuiste rechtsopvatting is geen sprake.

Gewijzigd inkomen van de man grond voor wijziging?

3.8

Voordat ik onderdeel 2 bespreek, zie ik aanleiding eerst onderdeel 3 te bespreken.

3.9

In rov. 5.14 en 5.15 onder het kopje partneralimentatie heeft het hof het volgende overwogen:

“5.14 De vrouw handhaaft in hoger beroep haar stelling dat de man sinds het sluiten van het convenant aanzienlijk meer is gaan verdienen, hetgeen volgens haar een wijziging van omstandigheden inhoudt die noopt tot herbeoordeling van de partneralimentatie.

5.15 Het hof overweegt dat volgens artikel 1.2 van het convenant het netto basisinkomen van de man in 2015 € 8.278,28 per maand bedroeg (na aftrek pensioen en sociale zekerheid). Dat inkomen is vervolgens uitgangspunt geweest bij de vaststelling van de partneralimentatie. Volgens de laatste door de man overgelegde loonstrook over de maand mei 2020 (productie 14 bij faxbericht van 8 juni 2020), bedraagt zijn huidige netto basisinkomen (na aftrek pensioen en sociale zekerheid) € 9.832,01 per maand. Hieruit volgt dat de man over een periode van vijf jaar € 1.554,- per maand aan netto basisinkomen meer is gaan verdienen. Het hof acht dit een, binnen de organisatie waar de man werkzaam is, gebruikelijke en aanvaardbare loonsverhoging, welke in hoofdzaak het gevolg is van indexatie. Dat is ook terug te zien op de verschillende jaaropgaven die de man over die jaren heeft overgelegd. Naar het oordeel van het hof is deze wijziging in het inkomen niet zodanig rechtens relevant dat een herbeoordeling van de partneralimentatie gerechtvaardigd is. De partneralimentatie is immers ook ieder jaar geïndexeerd. De bestreden beschikking dient derhalve in zoverre te worden vernietigd. Hetgeen partijen ter zake van de partneralimentatie overigens naar voren hebben gebracht, behoeft geen verdere bespreking nu dit niet tot een ander oordeel leidt.”

3.10

Onderdeel 3 keert zich tegen rov. 5.15. Het klaagt dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Indien een relevante wijziging van omstandigheden is opgetreden, dient de alimentatierechter de alimentatie opnieuw vast te stellen onder volledige herbeoordeling van alle relevante omstandigheden.18 Het hof had moeten beoordelen in hoeverre de inkomensstijging van zodanige invloed was op de draagkracht van de man dat de overeengekomen partneralimentatie niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet. Het oordeel van het hof is onbegrijpelijk, aldus het onderdeel, aangezien het inkomen met 19% is gestegen ten opzichte van het inkomen waar partijen ten tijde van de echtscheiding mee hebben gerekend. Ook het oordeel van het hof dat de stijging van het inkomen van de man hoofdzakelijk het gevolg is van indexatie, is onbegrijpelijk. In eerste aanleg heeft de vrouw al aangevoerd dat dit onjuist is.19 Daarnaast acht het onderdeel het onbegrijpelijk dat het hof doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan de omstandigheid dat de partneralimentatie ook ieder jaar is geïndexeerd, aangezien bij de beoordeling van de vraag in hoeverre de inkomensstijging van de man een relevante wijziging van omstandigheden oplevert gekeken moet worden of de inkomensstijging leidt tot een verandering van de draagkracht van de man waarbij alle op dat moment relevante feiten en omstandigheden van belang zijn, waaronder ook de bijdrage waarvan wijziging wordt verzocht die van rechtswege is geïndexeerd. Voor zover het oordeel van het hof aldus begrepen dient te worden dat de gestegen draagkracht van de man in overwegende mate gelijk is aan het geïndexeerde alimentatiebedrag, voldoet de beschikking niet aan de daaraan te stellen motiveringseisen, aangezien het hof de draagkracht van de man niet kenbaar heeft becijferd. Dit maakt de beschikking oncontroleerbaar en daarmee onaanvaardbaar. Voor zover het hof in de veronderstelling is geweest dat de indexering van de partneralimentatie min of meer gelijk was aan de stijging van het inkomen is dit eveneens onbegrijpelijk, aldus het onderdeel.

3.11

Ook dit onderdeel slaagt niet. Het hof heeft geoordeeld dat de inkomensstijging van de man niet zodanig rechtens relevant is dat herbeoordeling van de partneralimentatie gerechtvaardigd is. Daartoe heeft het hof overwogen dat slechts sprake is van een, binnen de organisatie waar de man werkzaam is, gebruikelijke en aanvaardbare loonsverhoging, welke in hoofdzaak het gevolg is van indexatie. Het hof wijst daarbij ook op de verschillende jaaropgaven die door de man zijn overgelegd.
Uit de door de man overgelegde jaaropgaven blijkt het volgende jaarinkomen van de man:

- in 2016: € 186.374,-;

- in 2017: € 196.722,66;

- in 2018: € 208.884,35.

De beantwoording van de vraag of deze inkomensstijging zodanig relevant is dat deze dient te leiden tot wijziging van de alimentatie is van feitelijke aard, waaraan geen hoge motiveringseisen worden gesteld. Onbegrijpelijk is de overweging van het hof niet. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat ondanks deze inkomensstijging de alimentatie nog steeds voldoet aan de wettelijke maatstaven. Bovendien is het hof niet enkel uitgegaan van de indexatie van het loon van de man, maar ook van een gebruikelijke en aanvaardbare loonsverhoging. Het hof behoefde dan ook niet expliciet in te gaan op de door de vrouw aangevoerde indexeringscijfers van de werkgever van de man. Dit betekent dat het hof de alimentatie niet opnieuw behoefde vast te stellen onder volledige herbeoordeling van alle relevante omstandigheden. Om die reden behoefde het hof dan ook niet opnieuw de draagkracht van de man vast te stellen. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, is het hof dan ook niet uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting.

3.12

Onderdeel 2 klaagt dat het hof heeft verzuimd het deel van grief 1 van de man, dat zag op de tweede wijzigingsgrond – het hogere inkomen van de man – alsmede de standpunten van de vrouw in hoger beroep en die in eerste aanleg, mede in de beoordeling te betrekken bij de vraag of de kinderalimentatie moet worden gewijzigd.

3.13

Hoewel deze klacht terecht voorop is gesteld, aangezien het hof deze wijzigingsgrond heeft besproken onder het kopje partneralimentatie en niet bij de kinderalimentatie, heeft de vrouw daarbij geen belang. Immers, het hof heeft het beroep op deze wijzigingsgrond verworpen. Nu voor de kinderalimentatie geen andere maatstaf geldt voor wat betreft de beoordeling van de vraag of sprake is van een wijzigingsgrond in de zin van art. 1:401 lid 1 BW, betekent het dat het hof deze vraag eveneens negatief zou hebben beantwoord. Om die reden faalt ook onderdeel 2.

3.14

Uit het voorgaande volgt dat alle onderdelen falen.

4 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Ontleend aan de bestreden beschikking onder 3.

2 Op die datum is de beschikking van 14 oktober 2015 waarin – onder meer – de echtscheiding is uitgesproken, ingeschreven in de daartoe bestemde registers.

3 Ik ga ervan uit dat dit abusievelijk in de bestreden beschikking is weggevallen. De rechtbank heeft dit wel bij de feiten vermeld op p. 2 van de beschikking.

4 [kind 3] heeft op [geboortedatum] 2020 de leeftijd van 18 jaar bereikt. Zij heeft bij machtiging van 5 november 2020 verklaard haar moeder te machtigen haar belangen te behartigen, daar onder tevens verstaan het voeren van een cassatieprocedure bij de Hoge Raad, waarbij namens haar beroep in cassatie wordt gesteld tegen de beschikking van 5 augustus 2020 van het hof Den Haag ter zake de haar toekomende (kinder)bijdrage te voldoen door haar vader.

5 Het cassatieberoepschrift is op 5 november 2020 bij de Hoge Raad ingekomen.

6 Dit juridisch kader is deels ontleend aan M.L.C.C. Lückers, Monografieën (echt)scheidingsrecht, 4. Alimentatieverplichtingen, SDU Den Haag, 2020, p. 97 e.v.

7 Een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud kan ook worden gewijzigd of ingetrokken indien zij van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan (art. 1:401 lid 4 BW), terwijl een alimentatieovereenkomst kan worden gewijzigd of ingetrokken indien zij is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Dit geldt echter niet indien partijen voor wat betreft de partneralimentatie bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven (HR 15 november 1974, ECLI:NL:HR:1974:AC4375, NJ 1976, 122 m.nt. E.A.A. Luijten en HR 23 oktober 1987, ECLI:NL:HR:1987:AD0015, NJ 1988, 438, m.nt. E.A.A. Luijten rov. 3.4). Bij afwijking van de wettelijke maatstaven voor kinderalimentatie ten nadele van minderjarige kinderen is voor de toepassing van art. 1:401 lid 5 BW niet van belang of de ouders daarvan bewust zijn afgeweken of dat die afwijking het gevolg is van onjuist inzicht in de betekenis van de maatstaven of doordat zij uitgingen van onjuiste of onvolledige gegevens. Indien de ouders bewust van de wettelijke maatstaven voor kinderalimentatie zijn afgeweken ten gunste van minderjarige kinderen, is een wijziging van die afspraak op de grond dat zij is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven in de zin van art. 1:401 lid 5 BW desalniettemin mogelijk als de omstandigheden van het geval toepassing rechtvaardigen van art. 6:216 BW in verbinding met art. 6:248 lid 2 BW en met art. 6:258 BW (HR 19 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:422, NJ 2021/147 m.nt. S.F.M. Wortmann).

8 HR 19 november 1982, NJ 1983/494.

9 Vgl. HR 15 november 1996, nr. 8785, NJ 1997, 450)., HR 25 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0902, NJ 2007/518 m.nt. S.F.M. Wortmann. Herhaald in HR 17 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0356, NJ 2013/377 m.nt. S.F.M. Wortmann en HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2109, NJ 2014/153 m.nt. S.F.M. Wortmann. Echter, de betrekkelijkheid van het gezag van gewijsde van alimentatiebeslissingen ziet op omstandigheden die de basis vormen voor beslissingen over draagkracht en behoefte. Aan beslissingen over andersoortige omstandigheden die niet zien op het oordeel over de draagkracht en behoefte, komt wel degelijk gezag van gewijsde toe (zie HR 17 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0356, NJ 2013/377, m.nt. S.F.M. Wortmann, waarin de Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van de rechter over de vraag of gedragingen van de vrouw tijdens de verbreking van de relatie van partijen zodanig grievend zijn dat daardoor geen aanspraak meer bestaat op partneralimentatie, een beslissing is die niet vatbaar is voor wijziging op de voet van art. 1:401 BW.)

10 Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I, 2020/603.

11 HR 5 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3361, NJ 2000/22. Het verkrijgen van de wetenschap dat de feitelijke omstandigheden ten tijde van het sluiten van een alimentatieovereenkomst anders waren dan toen werd aangenomen, levert geen wijziging van omstandigheden op in de zin van art. 401 lid 1, zie HR 9 juni 2000, NJ 2000/457. Enkel tijdsverloop levert ook geen wijziging van omstandigheden op (HR 11 juni 1982, NJ 1983/399, m.nt. E.A.A. Luijten).

12 Vgl. HR 29 januari 1989, NJ 1989/717, m.nt. EAAL en HR 31 januari 2014, RvdW 2014/256

13 Vgl. HR 4 mei 2018, NJ 2018/355.

14 HR 4 februari 1983, NJ 1983/628.

15 HR 27 maart 1998, NJ 1998/551.

16 Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/603. Zie ook: S.F.M. Wortmann, GS Personen- en familierecht, commentaar op art. 1:401 onder 3.

17 Zie o.m. HR 7 december 1990, NJ 1991/201, m.nt. EAAL; HR 7 oktober 1994, NJ 1995/60, HR 15 november 1996, NJ 1997/450, HR 4 februari 2000, NJ 2000/213, HR 25 mei 2007, NJ 2007/518 en HR 24 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7672, RFR 2010/133.

18 Het onderdeel verwijst naar HR 24 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7672.

19 Verwezen wordt naar het verweerschrift tegen zelfstandig verzoek, randnummer 4 op pagina 2.