Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:581

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
15-06-2021
Datum publicatie
16-06-2021
Zaaknummer
20/03053
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1244
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. OM-cassatie. Beklag ex art. 552a Sv. Beslag ex. art. 94 en 94a Sv. Terechte klacht tegen gegrondverklaring beklag wegens ontbreken informatie gelet op de onderzoekstaak van de rechtbank ex art. 23 lid 1 Sv en het aanbod van de officier van justitie in raadkamer nadere informatie te verstrekken. Bovendien heeft de rechtbank in het midden gelaten op welke grondslag het beslag berust en welke maatstaf zij heeft toegepast. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden beschikking en terugwijzing. Samenhang met 20/03059.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/03053 B

Zitting 15 juni 2021

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[klaagster] ,

Geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,

hierna: de klaagster.

1 Het cassatieberoep

1.1.

De rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij beschikking van 29 juni 2020 het klaagschrift ex art. 552a Sv van de klaagster gedeeltelijk gegrond verklaard.

1.2.

Er bestaat samenhang met de zaak 20/03059. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.

1.3.

Uit de gedingstukken blijkt dat het in deze zaak en in de samenhangende zaak gaat om het volgende. De klaagster en haar ex-partner worden verdacht van het plegen van overtredingen van de Opiumwet die mede gelieerd zijn aan een growshop en een coffeeshop en het witwassen van geldbedragen. Het geld dat binnen deze ondernemingen is verdiend zou zijn aangewend bij de aankoop van diverse panden. Op grond van deze verdenkingen is onder zowel de klaagster als haar ex-partner onder andere beslag gelegd op meerdere panden alsmede op de huuropbrengsten daarvan. De klaagster heeft zich bij de rechtbank beklaagd over het uitblijven van een last tot teruggave van een deel van het onder haar gelegde beslag. De rechtbank heeft het klaagschrift gegrond verklaard voor zover dit ziet op de huuropbrengsten vanaf 1 juli 2020 van de onder de klaagster in beslag genomen panden en heeft vanaf 1 juli 2020 de teruggave gelast aan de klaagster van die huuropbrengsten. Voor het overige is het klaagschrift ongegrond verklaard.

1.4.

Tegen deze beschikking is door de officier van justitie cassatieberoep ingesteld.

1.5.

De plaatsvervangend officier van justitie, mr. H.H.J. Knol, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel keert zich tegen de motivering van de beslissing van de rechtbank tot gedeeltelijke gegrondverklaring van het beklag. Het tweede middel ziet op het oordeel van de rechtbank dat het beslag op de huuropbrengsten vanaf 1 juli 2020 van de onder de klager in beslag genomen panden disproportioneel moet worden geacht.

2 De beschikking

2.1.

Op 28 januari 2020 is namens de klaagster een klaagschrift ingediend, gericht tegen het uitblijven van een last tot teruggave met betrekking tot hetgeen onder haar in beslag genomen is. Nadat er nog schriftelijk stukken zijn gewisseld door de klaagster en de officier van justitie is het klaagschrift op 15 juni 2020 in raadkamer behandeld. De rechtbank heeft hetgeen door partijen is aangevoerd in haar beschikking van 29 juni 2020 als volgt samengevat:

“Standpunt verdediging

In het klaagschrift wordt verzocht om opheffing van een deel van het beslag. Klaagster is van mening dat de waarde van het beslag het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel ruimschoots overstijgt. Het wederrechtelijk verkregen voordeel is in het thans voorhanden zijnde dossier geschat op € 1.616.090,83. Nu het beslagdossier nog (lang) niet gereed is, heeft de raadsman van klaagster zelf een overzicht van de waarde van het beslag opgesteld. De waarde van het beslag op banktegoeden en panden van klaagster wordt door de raadsman geschat op
€ 2.234.293 en de gezamenlijke waarde van het beslag van klaagster en medeverdachte [medeverdachte] wordt geschat op € 3.529.634,86. Bovendien loopt de waarde van het beslag op doordat beslag is gelegd op huuropbrengsten van in beslag genomen panden. Door de raadsman is voorts aangevoerd dat klaagster over onvoldoende financiële middelen kan beschikken om in haar kosten en de kosten van de kinderen te voorzien. Ook kan zij geen zorg dragen voor betaling van haar hypotheek waardoor zij in betalingsproblemen is gekomen.

Standpunt openbaar ministerie

De officier van justitie heeft er op gewezen dat klaagster ten aanzien van een deel van de beslagen, die onder medeverdachte [medeverdachte] zijn gelegd niet-ontvankelijk verklaard dient te worden omdat klaagster geen belanghebbende is. De voorlopige berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, die ook is opgenomen in de aanvraag van een Strafvorderlijk Financieel Onderzoek (SFO) kwam uit op € 1.616.090. Bij het verweerschrift heeft de officier van justitie een proces-verbaal van bevindingen gevoegd waaruit blijkt dat de voorlopige inschatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de criminele organisatie minimaal € 2.200.000 beloopt. Daarbij is er onder meer op gewezen dat de huuropbrengsten, verdiend via de witwaspanden, als vervolgprofijt aangemerkt kunnen worden. Het financieel onderzoek loopt nog en de rapporten berekening wederrechtelijk verkregen voordeel ten aanzien van de individuele verdachten moeten nog worden geschreven. De officier van justitie heeft middels een aan het verweerschrift toegevoegde bijlage de door de verdediging gestelde waardebepaling van de panden bestreden en gesteld dat deze waarde (veel) lager moet zijn.”

2.2.

In aanvulling hierop maak ik nog melding van de volgende passage op p. 5 van het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer:

“De officier van justitie voert het woord, zakelijk weergegeven:
Er is een uitvoerig overzicht verstrekt van het in beslag genomene met de bijbehorende waarde daarvan. Ik verneem dat de rechtbank en de verdediging niet in het bezit is van dit overzicht. Ik zal daarop het overzicht direct aan partijen mailen.

De raadsman mr. L. de Leon verzet zich tegen toevoeging van het bedoelde overzicht, aangezien de verdediging niet in de gelegenheid is gesteld het overzicht te betwisten.

De officier van justitie voert het woord, zakelijk weergegeven:
Het stuk betreft geen discussiestuk.

De oudste rechter stelt dat het eindproces-verbaal in mei gereed zou zijn, maar dit wordt

telkens uitgesteld. De bedoeling is dat het eindproces-verbaal in oktober 2020 gereed is. De politie werkt hard aan de opstelling hiervan.”

2.3.

De rechtbank heeft het klaagschrift gedeeltelijk gegrond verklaard en de teruggave aan de klaagster gelast van de huuropbrengsten vanaf 1 juli 2020 van de onder de klaagster in beslag genomen panden en daartoe het volgende overwogen:

“Oordeel rechtbank

De verdenking in deze zaak betreft onder meer het in crimineel verband plegen van Opiumwetdelicten die mede gelieerd zijn aan een (illegale) coffeeshop en het witwassen van geldbedragen.

De rechtbank stelt voorop dat voorafgaand aan de zitting aangeleverde procestukken (dit betreft de processen verbaal van voorgeleiding en voortgang van de eerder gehouden pro forma zitting in de hoofdzaak) slechts summiere en fragmentarische informatie bevatten over objecten die in beslag zijn genomen. Weliswaar is door de officier van justitie tijdens de zitting per e-mailbericht een Excel-bestand met een overzicht van het beslag en de waarde daarvan verstuurd, maar gelet op deze late verstrekking en het daardoor ontbreken van een mogelijkheid bij de verdediging om daarover een standpunt in te nemen zal de rechtbank geen acht slaan op dit bestand.

De rechtbank heeft hierdoor onvoldoende gedetailleerde informatie over onder wie welk beslag berust en welke grondslag dit heeft. Om die reden zal de rechtbank klaagster ontvankelijk achten. Daar komt bij dat de officier van justitie heeft gesteld dat er tussen (de bezittingen van) klaagster en medeverdachte [medeverdachte] met betrekking tot de verdenkingen en het wederechtelijk verkregen voordeel een grote mate van verwevenheid bestaat. Ook om die reden zal de rechtbank klaagster ontvankelijk achten en zal zij voorts komen tot een integrale beoordeling van de vraag naar de gegrondheid van het beklag.

Zoals uit vaste jurisprudentie blijkt draagt het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter.

Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene gericht tegen een op de voet van artikel 94 Sv gelegd beslag dient de rechter a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. Het door artikel 94 Sv beschermde belang van strafvordering verzet zich onder meer tegen teruggave indien de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen, ook in een zaak betreffende een ander dan de klaagster, of indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen.

Indien sprake is van een beslag dat is gelegd op grond van artikel 94a Sv dient de rechter die over het beklag van de beslagene heeft te oordelen, te onderzoeken a. of er ten tijde van zijn beslissing sprake was van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en b. of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.

De omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat de rechter op gronden van proportionaliteit en subsidiariteit tot het oordeel komt dat het beslag niet gehandhaafd kan worden. Daarbij kan onder meer gedacht worden aan een wanverhouding tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de hoogte van het te ontnemen bedrag (in het kader van artikel 94a Sv-beslag), maar ook een afweging tussen de belangen van strafvordering enerzijds en de persoonlijke belangen van de klaagster anderzijds.

Het dossier bevat ten aanzien van klaagster een in een proces verbaal aanvraag SFO vervatte berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, waarin dit voordeel voorlopig wordt geschat op € 1.616.090. Ten aanzien van medeverdachte [medeverdachte] wordt in een aanvraag proces verbaal SFO het voordeel voorlopig geschat op ten minste € 80.000. In de klaagschriftprocedure is door de officier van justitie aangegeven dat er sprake is van voortschrijdend inzicht over de hoogte van het totale wederrechtelijk verkregen voordeel en dat een voorlopige inschatting is dat het voordeel thans minimaal € 2.200.000 beloopt. De rechtbank constateert dat het klaagschriftdossier geen onderbouwende berekening van dit bedrag bevat.

Desgevraagd heeft de officier van justitie in raadkamer aangegeven dat als rekening wordt gehouden met een lagere taxatiewaarde dan door de verdediging is gesteld, de totale waarde van het beslag (met uitzondering van de als vervolgprofijt aangemerkte huuropbrengsten) in evenwicht is met het op dit moment door het openbaar ministerie geschatte voordeel. Het beslag dekt, aldus de officier van justitie, thans het voorlopig geschatte door klaagsters verkregen (en te ontnemen) wederrechtelijke verkregen voordeel.

Zoals hiervoor overwogen draagt het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter. Van de rechter kan niet worden verwacht dat hij ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure treedt, met name niet omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel.

Daar staat naar het oordeel van de rechtbank tegenover dat er tevens voor gewaakt dient te worden dat door (een te ruime) beslaglegging vooruit wordt gelopen op de mogelijke uitkomst van de beslissing(en) in de hoofdzaak en de ontnemingszaak en dat de beslaglegging daarmee feitelijk een bestraffend karakter krijgt.

Gelet op de (op dit moment) niet onderbouwde berekening van de officier van justitie dat het wederrechtelijk verkregen voordeel € 2.200.000 bedraagt, de stelling van de officier van justitie dat de waarde van het beslag (uitgezonderd de huuropbrengsten) in evenwicht is met het op dit moment geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, de aangevoerde persoonlijke omstandigheden van klaagster en de verwachting dat een eindoordeel in de hoofdzaak en de ontnemingszaak nog geruime tijd op zich laat wachten, ziet de rechtbank aanleiding om het beklag gegrond te verklaren voor zover het ziet op het beslag op de huuropbrengsten vanaf 1 juli 2020 van de in beslag genomen panden.

De rechtbank overweegt daarbij uitdrukkelijk dat de teruggave in de klaagschriftprocedure geenszins uitsluit dat de rechtbank ten aanzien van de huuropbrengsten van een of meer panden later tot het oordeel kan komen dat deze huuropbrengsten als vervolgprofijt en daarmee als wederrechtelijk verkregen voordeel aangemerkt dienen te worden.”

3 Het eerste middel

3.1.

Het eerste middel komt op tegen de (gedeeltelijke) gegrondverklaring van het klaagschrift en is, in samenhang gelezen met de toelichting, gebaseerd op twee deelklachten:

(i) De rechtbank heeft overwogen dat zij onvoldoende gedetailleerde informatie heeft over onder wie welk beslag berust en welke grondslag dit heeft en heeft geen acht geslagen op een Excel-bestand met een overzicht van het beslag en de waarde daarvan dat de officier van justitie tijdens de raadkamerzitting per e-mailbericht heeft verstuurd. De rechtbank heeft dus niet kunnen vaststellen op welke voorwerpen beslag is gelegd, onder wie die voorwerpen in beslag zijn genomen en of dat beslag berust op art. 94 Sv, op art. 94a Sv, of beide. Desondanks heeft de rechtbank klager ontvankelijk geacht en is zij gekomen tot een integrale beoordeling van de vraag naar de gegrondheid van het beklag. Volgens de steller van het middel had de rechtbank bij deze stand van zaken de behandeling van het klaagschrift moeten aanhouden teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om de ontbrekende beslagstukken toe te voegen aan het raadkamerdossier en/of (de raadsman van) klager de tijd te geven om te reageren op het door de officier van justitie verstrekte Excel-bestand. Dit brengt mee dat de bestreden beschikking ontoereikend is gemotiveerd, aldus de steller van het middel.

(ii) Daarnaast wordt geklaagd dat zonder nadere motivering niet begrijpelijk is op welke huuropbrengsten de beslissing tot teruggave betrekking heeft. Hierdoor is de beslissing voor het openbaar ministerie niet uitvoerbaar en daarom ook in dit opzicht ontoereikend gemotiveerd.

3.2.

In de toelichting op het middel wordt gewezen op de verantwoordelijkheid van de beklagrechter voor de deugdelijkheid van het onderzoek in raadkamer. De steller van het middel noemt in dit verband overweging 4.7 uit de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Knigge in zijn conclusie van 28 augustus 20121:

“4.7. Ik stel voorop dat - zoals uit art. 23 lid 1 Sv blijkt - aan de beslissing van de beklagrechter een onderzoek vooraf dient te gaan. Voor de deugdelijkheid van dat onderzoek is de beklagrechter verantwoordelijk. Dat wordt onderstreept door het genoemde artikellid, dat bepaalt dat de rechter bevoegd is de nodige bevelen te geven dat het onderzoek "overeenkomstig de bepalingen van dit wetboek zal plaats vinden". Tot die bepalingen behoort hetgeen art. 23 lid 4 (thans lid 5, AG TS) Sv in zijn eerste volzin voorschrijft, namelijk dat het openbaar ministerie de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de raadkamer overlegt. Met die overlegging wordt de rechterlijke oordeelsvorming gediend. Zonder de relevante stukken is de rechter immers niet goed in staat zich een oordeel te vormen over de ontvankelijkheid van het beklag en over de rechtmatigheid van het (voortduren van het) beslag. Dat betekent dat de beklagrechter gezien zijn verantwoordelijkheid voor de deugdelijkheid van het onderzoek ambtshalve op de naleving van het voorschrift moet toezien. Met incomplete stukken kan hij geen genoegen nemen om de eenvoudige reden dat hij anders zijn taak niet kan vervullen. Hij zal dus zo nodig op grond van art. 23 lid 1 Sv de overlegging van de ontbrekende stukken moeten bevelen.”

3.3.

In aansluiting op deze overweging van Knigge, die ik graag onderschrijf, wijst de steller van het middel op de eigen verantwoordelijkheid van de beklagrechter om te (doen) onderzoeken welke strafvorderlijke bepaling aan het betreffende beklag ten grondslag ligt.2 Ook daarin heeft de steller van het middel gelijk. Die grondslag bepaalt immers welke maatstaven3 voor de beoordeling van het beklag dienen te worden toegepast. Daarbij is ook de juridische positie van de klaagster van belang. Van het openbaar ministerie mag worden verwacht dat duidelijkheid over de grondslag van het beslag wordt verschaft. De rechter mag niet in het midden laten op welke grond het beslag is gelegd en moet deze grondslag in zijn beschikking duidelijk gemotiveerd vaststellen.4

3.4.

Daarnaast kan uit rechtspraak van de Hoge Raad worden afgeleid dat het enkele feit dat een beoordeling van het beklag op grond van de voorhanden stukken niet goed mogelijk is, in beginsel onvoldoende reden is om het beklag gegrond te verklaren. De onderzoekstaak van de beklagrechter brengt in een dergelijk geval mee dat hij zich aanvullend laat informeren. Dit kan bijvoorbeeld door het geven van een bevel aan het openbaar ministerie om stukken over te leggen of door het honoreren van een aanhoudingsverzoek van de officier van justitie teneinde het dossier te kunnen aanvullen met ontbrekende stukken. Pas als dat geen resultaat heeft, komt er een moment waarop op grond van een afweging van belangen kan worden geoordeeld dat verder uitstel zich niet verdraagt met beginselen van een goede procesorde.5

3.5.

In onderhavige zaak heeft de rechtbank vastgesteld dat de processtukken slechts summiere en fragmentarische informatie bevatten over de objecten die in beslag zijn genomen en dat zij daardoor onvoldoende gedetailleerde informatie heeft om te kunnen vaststellen onder wie welk beslag rust. Daarbij is tevens overwogen dat sprake is van een grote verwevenheid tussen de bezittingen van de klaagster en haar ex-partner [medeverdachte] . Verder heeft de rechtbank geconstateerd dat onduidelijk is op welke grondslag het beslag rust. Uit het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer blijkt dat dit gebrek aan informatie in raadkamer aan de orde is geweest, waarop de officier van justitie heeft aangegeven in de veronderstelling te verkeren dat er zich bij de processtukken een overzicht van het beslag bevindt. Toen bleek dat dit niet het geval was heeft de officier van justitie dit overzicht alsnog per e-mail aan zowel de verdediging als de rechtbank doen toekomen. De rechtbank heeft geen acht geslagen op dit overzicht vanwege de late verstrekking hiervan en omdat de verdediging daardoor niet in de gelegenheid is geweest om hier een standpunt over in te nemen. Vervolgens is de rechtbank overgegaan tot een inhoudelijke beoordeling van het beklag.

3.6.

De rechtbank heeft het beklag - voor zover dit ziet op de huuropbrengsten vanaf 1 juli 2020 van de onder klaagster in beslag genomen panden - gegrond verklaard gelet op de volgende feiten en omstandigheden:

(i) de (op dit moment) niet onderbouwde berekening van de officier van justitie dat het wederrechtelijk verkregen voordeel € 2.200.000 bedraagt.

(ii) de stelling van de officier van justitie dat de waarde van het beslag (uitgezonderd de huuropbrengsten) in evenwicht is met het op dit moment geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel.

(iii) de aangevoerde persoonlijke omstandigheden van klaagster.

(iv) de verwachting dat een eindoordeel in de hoofdzaak en de ontnemingszaak nog geruime tijd op zich laat wachten.

3.7.

Met dit oordeel heeft de rechtbank in het midden gelaten op grond van welke bepaling of bepalingen het beslag is gelegd en achterwege gelaten (één van) de toepasselijke maatstaven aan te leggen, terwijl bovendien niet duidelijk was onder wie welk beslag was gelegd. Het middel (beide deelklachten) klaagt daarover terecht. Nu de rechtbank expliciet heeft overwogen dat zij onvoldoende informatie had over het beslag, had het – in het licht van eerder genoemde taakuitoefening als beklagrechter – op de weg van de rechtbank gelegen de behandeling van de zaak aan te houden teneinde zich nader te laten informeren door het openbaar ministerie. Dat klemt te meer nu de officier van justitie in raadkamer al kenbaar had gemaakt dat het openbaar ministerie beschikte over nadere informatie over het beslag. De afweging van de rechtbank om daarvan geen kennis te nemen omdat de verdediging zich hier niet op heeft kunnen voorbereiden is in dit verband niet begrijpelijk, omdat dit eenvoudig had kunnen worden ondervangen met een aanhouding van de behandeling van het klaagschrift.

3.8.

Nu naar mijn mening het eerste middel slaagt, behoeft het tweede middel geen bespreking. Indien de Hoge Raad hierover anders oordeelt, dan ben ik uiteraard bereid aanvullend te concluderen.

4 Conclusie

4.1.

Het eerste middel is terecht voorgesteld.

5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

5.1.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing naar de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden beoordeeld en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Conclusie AG Knigge 28 augustus 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BX6930 (voorafgaand aan HR 23 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX6930).

2 HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 m.nt. Mevis, rov. 2.7

3 art. 94 Sv (beslag met oog op de waarheidsvinding of het aantonen van wederrechtelijk verkregen voordeel en beslag op voorwerpen waarvan de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer kan worden bevolen) en/of 94a Sv (conservatoir beslag met het oog op verhaal van een op te leggen geldboete of betalingsverplichting ex art. 36e dan wel 36f Sr)

4 Vgl. HR 6 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6174, HR 12 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2565, HR 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5723, HR 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6712 en HR 3 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV6978.

5 Vgl. o.m. HR 23 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX6930, HR 17 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:341 en HR 24 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:72.