Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:580

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
15-06-2021
Datum publicatie
17-06-2021
Zaaknummer
20/01254
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHDHA:2020:771
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1250
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Strafmotivering. Hof heeft ten nadele van de verdachte gewicht toegekend aan omstandigheid dat verdachte niettegenstaande een eerdere onherroepelijke veroordeling zich opnieuw heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit. Die eerdere veroordeling was echter nog niet onherroepelijk t.t.v. begaan van feit waarop de strafoplegging betrekking heeft. Strekt tot vernietiging wat betreft de strafoplegging en tot terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/01254

Zitting 15 juni 2021

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

hierna: de verdachte.

Inleiding

  1. De verdachte is bij arrest van 24 maart 2020 door het gerechtshof Den Haag wegens “Diefstal” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 week, met aftrek van voorarrest overeenkomstig art. 27 Sr.

  2. Namens de verdachte hebben mr. S.A.H. Vromen en mr. J.S. Nan, advocaten te 's-Gravenhage, één middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

3. Het middel bevat de klacht dat het hof de strafoplegging ontoereikend heeft gemotiveerd omdat het hof in het nadeel van de verdachte heeft overwogen dat uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 28 februari 2020 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een strafbaar feit en dat dit hem er kennelijk niet van heeft weerhouden het onderhavige feit te plegen, terwijl de onherroepelijkheid van die eerdere veroordeling dateert van na de pleegdatum van het feit in de onderhavige zaak.

4. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat:

“hij op 14 juni 2019 te [plaats] een aantal flessen wijn, die toebehoorden aan [benadeelde] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.”

5. Het hof heeft in het bestreden arrest de opgelegde straf als volgt gemotiveerd:

"Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan diefstal. Diefstal is een feit dat naast financiële schade voor de benadeelde ook onrustgevoelens en overlast met zich meebrengt.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 28 februari 2020, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt."

6. Bij de beoordeling van het middel moet, gelet op HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2391, waarin de Hoge Raad de regels voor het bij de strafmotivering in aanmerking nemen van een niet-tenlastegelegd feit verduidelijkt, het volgende worden vooropgesteld:

“2.4.1. […] Het staat de rechter vrij om bij de strafoplegging rekening te houden met een niet tenlastegelegd feit, onder meer wanneer de verdachte voor dit feit onherroepelijk is veroordeeld en de vermelding van dit feit dient ter nadere uitwerking van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. […]1 Daarbij wordt, mede gelet op het bepaalde in art. 78b Sr, met een onherroepelijke veroordeling gelijkgesteld een onherroepelijke strafbeschikking.

2.4.2. Indien in zulke gevallen het vermelden van een niet tenlastegelegd - al dan niet soortgelijk - feit aanleiding geeft tot strafverzwaring, dient de veroordeling dan wel de strafbeschikking ter zake van dat feit in beginsel onherroepelijk te zijn op het moment dat deze in het vonnis of het arrest bij de strafoplegging in aanmerking wordt genomen. Wanneer evenwel met de vermelding van het niet tenlastegelegde feit bij de strafoplegging in het bijzonder gewicht wordt toegekend aan de omstandigheid dat de verdachte niettegenstaande een eerdere veroordeling of een eerdere strafbeschikking zich opnieuw schuldig heeft gemaakt aan zo een strafbaar feit - bijvoorbeeld doordat in de strafmotivering wordt vermeld dat die veroordeling of die strafbeschikking de verdachte niet heeft weerhouden opnieuw zo een strafbaar feit te begaan - dient de veroordeling of de strafbeschikking ter zake van dat niet tenlastegelegde feit reeds onherroepelijk te zijn ten tijde van het begaan van het feit waarop de strafoplegging betrekking heeft.

2.4.3. Indien de rechter in verband met de strafoplegging melding maakt van een niet tenlastegelegd feit mag ervan worden uitgegaan dat die omstandigheid in strafverzwarende zin is betrokken in de strafoplegging. Dit kan anders zijn indien uit de strafmotivering blijkt dat de vermelding van een niet tenlastegelegd feit niet tot strafverzwaring aanleiding heeft gegeven, bijvoorbeeld omdat die vermelding is opgenomen naar aanleiding van hetgeen door de verdediging over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder begrepen de justitiële documentatie, is aangevoerd.”

7. Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken van het geding bevindt zich een uittreksel Justitiële Documentatie van 28 februari 2020. Dit uittreksel vermeldt onder het kopje “Recidiveregeling voor ernstige verkeersdelicten” een op 12 oktober 2019 onherroepelijk geworden veroordeling van 27 september 2019. Het uittreksel vermeldt geen andere onherroepelijke veroordelingen of strafbeschikkingen.

8. Het hof heeft bij de motivering van de straf in het nadeel van de verdachte acht geslagen op voormeld uittreksel Justitiële Documentatie, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. Daarbij heeft het hof overwogen dat dit hem er kennelijk niet van heeft weerhouden het onderhavige feit te plegen. Die eerdere veroordeling waarmee het hof ten nadele van de verdachte rekening heeft gehouden, was onherroepelijk op het moment dat deze door het hof bij de strafoplegging in aanmerking is genomen, maar dat is, gelet op hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 19 september 2017 onder 2.4.2. heeft overwogen, in het onderhavige geval niet voldoende. Nu het hof heeft overwogen dat die veroordeling de verdachte er kennelijk niet van heeft weerhouden het onderhavige feit te plegen, diende die eerdere veroordeling ook onherroepelijk te zijn ten tijde van het begaan van het feit waarop de strafoplegging betrekking heeft. Ten tijde van het in de onderhavige zaak bewezenverklaarde feit, te weten op 14 juni 2019, was de veroordeling waarnaar het hof kennelijk verwijst evenwel nog niet onherroepelijk. Die veroordeling is eerst op 12 oktober 2019 onherroepelijk geworden. De strafoplegging is daarom ontoereikend gemotiveerd.2

9. Het middel slaagt.

Slotsom

10. Het middel slaagt.

11. Ambtshalve heb ik geen andere grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9968, NJ 2010/586, r.o. 2.4.

2 Vgl. HR 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:486, HR 8 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1383 en HR 18 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:733.