Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:578

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-06-2021
Datum publicatie
08-06-2021
Zaaknummer
18/05490
Formele relaties
Oorspronkelijke conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:1024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1224
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Redelijke termijn in de cassatiefase. Na intrekking van een middel over het ontbreken van een pleitnota bij de aan de HR toegezonden stukken, resteert slechts de klacht over overschrijding van de inzendtermijn. Belang bij cassatie? De AG adviseert het beroep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk te verklaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/05490

Zitting 8 juni 2021 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

E.J. Hofstee

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,

hierna: de verdachte.

Inleiding

  1. De verdachte is bij arrest van 20 december 2018 door het gerechtshof Amsterdam wegens 1 “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, met aftrek van het voorarrest.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. M.A.C. de Bruijn, advocaat te Amsterdam, heeft aanvankelijk bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld. Bij schrijven van 23 februari 2021 heeft hij te kennen gegeven dat het eerste middel wordt ingetrokken en het tweede middel onverkort wordt gehandhaafd.

Het procesverloop in cassatie

3. Het procesverloop in de cassatiefase is, voor zover hier van belang, als volgt geweest:

(i) Namens de verdachte is cassatieberoep ingesteld op 21 december 2018.

(ii) De stukken van het geding zijn ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen op 5 november 2019.

(iii) De aanzegging van de binnenkomst van de stukken is een eerste maal betekend op 20 december 2019.

(iv) Omdat vervolgens niet binnen de in art. 437, tweede lid, Sv voorziene termijn een schriftuur is ingediend, heeft de Hoge Raad de verdachte bij arrest van 12 mei 2020 niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde cassatieberoep.

(v) Namens de verdachte heeft mr. De Bruijn de Hoge Raad bij brief van 18 augustus 2020 verzocht te bepalen dat het arrest van 12 mei 2020 zijn kracht heeft verloren en aan de verdachte een termijn te geven voor het indienen van een cassatieschriftuur omdat de aanzegging in cassatie niet op rechtsgeldige wijze was betekend.

(vi) Bij (rol)conclusie van 8 september 2020 heeft mijn ambtgenoot Paridaens zich op het standpunt gesteld dat de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv niet op de juiste wijze aan de verdachte was betekend en dat het arrest van 12 mei 2020 daarom diende te worden ingetrokken.

(vii) Bij beslissing van 3 november 2020 heeft de Hoge Raad het arrest van 12 mei 2020 ingetrokken en aan de verdachte de gelegenheid gegeven om binnen twee maanden na het uitspreken van de beslissing door zijn raadsman een schriftuur te doen indienen, inhoudende zijn middelen van cassatie.

(viii) Op 26 november 2020 is ten behoeve van mr. De Bruijn een afschrift van de kernstukken in het webportaal geplaatst.

(ix) Bij portaalbericht van 26 november 2020 heeft de raadsman verzocht om aanvulling van de stukken met het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 december 2018.

(x) Op 2 december 2020 is ten behoeve van de raadsman een afschrift van het betreffende proces-verbaal in het webportaal geplaatst.

(xi) Diezelfde dag heeft de raadsman via het webportaal verzocht om een afschrift van de pleitnota die blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 6 december 2018 op die terechtzitting is overhandigd.

(xii) Op 18 december 2020 heeft een medewerker van de administratie van de Hoge Raad aan de raadsman te kennen gegeven dat de pleitnota niet is aangetroffen in het aan de Hoge Raad op de voet van art. 434 Sv toegezonden procesdossier en dat het stuk zal worden opgevraagd bij het hof.

(xiii) Bij schrijven van 30 december 2020 heeft de voorzitter van het hof aan de Hoge Raad laten weten dat het opgevraagde stuk niet voorhanden is en dus niet aan de Hoge Raad kan worden toegezonden.

(xiv) Op 3 januari 2021 heeft de raadsman een cassatieschriftuur ingediend. Het eerste middel bevatte de klacht dat de pleitnota zich niet bij de gedingstukken bevond.

(xv) Op 4 januari 2021 is de raadsman in kennis gesteld van het schrijven van de voorzitter van het hof van 30 december 2020 en is aan de raadsman medegedeeld dat de termijn voor het indienen van een schriftuur is verlengd tot 19 januari 2021.

(xvi) De raadsman heeft binnen deze nadere termijn een aanvullende schriftuur d.d. 19 januari 2021 ingediend waarin hij zich op het standpunt heeft gesteld dat het schrijven van de voorzitter van het hof de relevantie van het eerste middel “des te meer duidelijk” maakt.

(xvii) Op 18 februari 2021 is aan de raadsman van de verdachte bericht dat de opgevraagde pleitnota alsnog in het aan de Hoge Raad toegezonden dossier is aangetroffen en dat tevens is gebleken dat het stuk eerder reeds ten behoeve van de raadsman in het digitaal dossier in het webportaal is geplaatst, maar onder een onjuiste documentnaam, namelijk ‘Aanvulling dossier RB d.d. 6 december 2018’. Daarop is de raadsman wederom een nadere termijn verleend voor de wijziging, aanvulling of (gedeeltelijke) intrekking van de schriftuur.

(xviii) Bij schrijven van 23 februari 2021 heeft de raadsman aan de Hoge Raad bericht dat het eerste middel wordt ingetrokken en dat in het tweede middel wordt volhardt. De raadsman stelt zich op het standpunt dat het procesverloop in cassatie niet een situatie oplevert waarin de verdachte tot op zekere hoogte door zijn eigen proceshouding langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging heeft moeten leven.

Het middel

4. Geklaagd wordt dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden doordat het hof de gedingstukken te laat heeft ingezonden.

5. Als hierboven opgemerkt, is namens de verdachte op 21 december 2018 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 5 november 2019 bij de Hoge Raad binnengekomen. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden inderdaad overschreden. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken sinds het cassatieberoep werd ingesteld.

6. Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.

7. Aangezien echter het eerste middel niet is gehandhaafd, resteert slechts de klacht over schending van de redelijke termijn in de cassatiefase. De vraag rijst daarom of deze klacht in de omstandigheden van het onderhavige geval voldoende belang bij het cassatieberoep tot uitdrukking brengt.

8. In zijn arrest van 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241, m.nt. Bleichrodt heeft de Hoge Raad immers het volgende overwogen:

“2.2.4. Aandacht verdient in dit verband het in de memorie van toelichting op p. 19 genoemde voorbeeld dat een cassatieberoep voortaan met art. 80a RO kan worden afgedaan indien dat enkel ertoe strekt te klagen dat als gevolg van het instellen van het cassatieberoep na de bestreden uitspraak de redelijke termijn in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. In zo een geval, waarin de betrokkene kennelijk geen (cassatie)klachten heeft over de bestreden uitspraak noch over de behandeling van de zaak door de feitenrechter, en hij tot op zekere hoogte zelf ervoor heeft gekozen door het instellen, althans het niet-intrekken van het cassatieberoep langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging te moeten leven, is een beroep op schending van genoemde verdragsbepaling geen klacht die voldoende belang bij het cassatieberoep tot uitdrukking brengt. Van een verzuim dat invloed heeft gehad op de bestreden beslissing, is hier immers geen sprake. Dit is niet anders indien naast het middel betreffende de redelijke termijn slechts middelen zijn voorgesteld die aan toepassing van art. 80a RO niet in de weg staan.”

9. Evenals in de onderhavige zaak was in de zaak die leidde tot HR 22 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1458, NJ 2020/361 naast het middel dat klaagde over de inzendtermijn aanvankelijk een ander middel voorgesteld dat later is ingetrokken. In die zaak werd in eerste instantie geklaagd dat het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof in strijd met art. 327 Sv, in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv, niet was ondertekend door de griffier, terwijl de griffier evenmin tot ondertekening buiten staat was verklaard. Mijn ambtgenoot Bleichrodt overwoog in zijn conclusie dat die klacht “bepaald niet kansloos” was en aan toepassing van art. 80a RO in de weg stond. Meer dan twee jaren na het instellen van het cassatieberoep was aan dit middel de feitelijke grondslag komen te ontvallen doordat van de griffier van het hof nieuwe informatie was ontvangen. In een geval als dit, waarin een (aanvankelijk) kansrijk middel was voorgesteld, voerde het volgens Bleichrodt te ver om deze situatie gelijk te stellen aan die waarin van begin af aan slechts over de overschrijding van de inzendtermijn wordt geklaagd. De Hoge Raad volgde de advocaat-generaal in dat standpunt en overwoog:

“2.3. Opmerking verdient het volgende. Gelet op de omstandigheden genoemd in de conclusie van de advocaat-generaal — die er in de kern op neer komen dat het verzuim waarop het eerste cassatiemiddel zich richtte, na indiening van de cassatieschriftuur is hersteld, en dat als gevolg daarvan dit cassatiemiddel door de verdachte is ingetrokken — is naar het oordeel van de Hoge Raad in dit geval geen sprake van de situatie als bedoeld in zijn arrest van 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146. Daarin heeft de Hoge Raad overwogen dat de verdachte niet met succes kan klagen over een overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase indien de verdachte kennelijk geen (cassatie)klachten heeft over de bestreden uitspraak noch over de behandeling van de zaak door de feitenrechter, en hij tot op zekere hoogte door de eigen proceshouding langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging moet leven.”

10. De onderhavige zaak vertoont zekere gelijkenis met de zaak die leidde tot het bovengenoemde arrest van 22 september 2020. Ook in de onderhavige zaak was naast het (tweede) middel dat klaagt over de overschrijding van de inzendtermijn aanvankelijk een (eerste) cassatiemiddel voorgesteld dat, indien het terecht was gebleken, zou hebben moeten leiden tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het hof. Nadat de griffie van de Hoge Raad had geconstateerd dat de pleitnota zich niet bij de stukken bevond en bij navraag bleek dat ook het hof over die pleitnota niet beschikte, leek dat aanvankelijk eerste middel enige tijd goede kans van slagen te hebben. Hier is eveneens meer dan twee jaren na het instellen van het cassatieberoep alsnog gebleken dat het aanvankelijk eerste middel feitelijke grondslag ontbeert en heeft mr. De Bruijn daarop namens de verdachte dit middel ingetrokken.

11. Er bestaan echter ook verschillen en die wegen naar mijn inzicht zwaarder dan de overeenkomsten, zodat ik tot de conclusie kom dat het middel tevergeefs is voorgesteld. Ik licht dit hieronder toe.

12. Het ingetrokken middel in de zaak die leidde tot het arrest van 22 september 2020 klaagde over de ondertekening van het proces-verbaal van de terechtzitting. Aldus behelsde dat middel de klacht dat bij de behandeling van de zaak door het hof vormen waren verzuimd en wel zodanig dat zulks tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting diende te leiden. Alleen door het inwinnen van inlichtingen kon het verzuim in cassatie alsnog worden hersteld. Het ingetrokken middel in de onderhavige zaak bevatte daarentegen geen klacht over de bestreden uitspraak of over de wijze waarop het hof de zaak had behandeld. Het ontbreken van een pleitnota bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken strijdt met een behoorlijke procesorde, omdat het verhindert dat in cassatie wordt nagegaan welke verweren, uitdrukkelijk onderbouwde standpunten en verzoeken de verdediging ten overstaan van de feitenrechter naar voren heeft gebracht. Als dat verzuim onherstelbaar is, brengt het om die reden nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak mee.1 De klacht dat de pleitnota ontbreekt is dus niet gericht tegen de bestreden uitspraak of de behandeling van de zaak door de feitenrechter, maar heeft de strekking dat in de cassatieprocedure die uitspraak en behandeling niet naar behoren kunnen worden gecontroleerd.

13. De Hoge Raad heeft zijn hier bedoelde rechtspraak aldus toegelicht dat de verdachte die kennelijk geen cassatieklachten heeft over de bestreden uitspraak en de behandeling van de zaak door de feitenrechter tot op zekere hoogte zelf ervoor heeft gekozen om door het instellen, althans het niet-intrekken van het cassatieberoep langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging te moeten leven.2 De Hoge Raad is van oordeel dat dit niet anders is als naast het middel over de inzendtermijn andere middelen zijn voorgesteld die aan niet-ontvankelijkverklaring op de voet van art. 80a RO niet in de weg staan.3 Aan deze rechtspraak doet naar het oordeel van de Hoge Raad kennelijk niet af dat de raadsman die de verdachte in de cassatieprocedure bijstaat soms pas nadat de inzendtermijn reeds is overschreden een inschatting kan maken of een of meer voor te stellen middelen gerede kans hebben om tot cassatie te zullen leiden. Het komt immers regelmatig voor dat de voor de indiening van de middelen verantwoordelijke raadsman niet op voorhand over de relevante gedingstukken beschikt maar daarover eerst komt te beschikken doordat de Hoge Raad hem een afschrift van die stukken verstrekt.

14. Nadat alsnog was gebleken dat de pleitnota zich wel degelijk bij de stukken van het geding in cassatie bevond (en bevindt), is de raadsman van de verdachte opnieuw in de gelegenheid gesteld om mede op basis van deze pleitnota klachten over de bestreden uitspraak en/of over de behandeling van de zaak door het hof naar voren te brengen. Toen de raadsman vanaf 18 februari 2021 over alle relevante stukken beschikte, is hem opnieuw een nadere termijn gegeven en hem de gelegenheid geboden middelen van cassatie voor te stellen. Uiteindelijk zijn namens de verdachte geen (cassatie)klachten over de bestreden uitspraak, noch over de behandeling van de zaak door de feitenrechter gepresenteerd. Volgens de vaste rechtspraak van de Hoge Raad heeft de verdachte daarmee tot op zekere hoogte door de eigen proceshouding langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging moeten leven, zodat een beroep op schending van de redelijke termijn bij de toezending van de gedingstukken geen klacht betreft die voldoende belang bij het cassatieberoep tot uitdrukking brengt. De enkele omstandigheid dat de raadsman pas meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep over alle relevante stukken kwam te beschikken en daarover werd geïnformeerd, maakt dat naar mijn inzicht niet anders.

Slotsom

15. Het middel kan niet tot cassatie leiden.

16. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

17. Deze conclusie strekt ertoe dat het beroep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk wordt verklaard.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie bijv. recent HR 2 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:243.

2 Het EHRM heeft zich over deze situatie uitgesproken in de zaak EHRM 27 augustus 2013, nr. 12810/13, dec. (Çelik/Nederland). De klager werd op de voet van art. 35, derde lid, aanhef en onder b, en vierde lid, EVRM niet-ontvankelijk verklaard.

3 Zie over deze situatie in EVRM-perspectief nader de conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld vóór HR 29 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1635 (HR: art. 80a RO). Vgl. voorts de conclusie van mijn ambtgenoot Keulen vóór HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:918 (in dit verband HR: art. 81 RO), waarin hij betoogt dat het al dan niet toepassen van strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn “enigszins [zou] kunnen worden losgemaakt” van de toepassing van art. 80a RO.