Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:576

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
07-06-2021
Datum publicatie
16-07-2021
Zaaknummer
21/01351
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1340, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Insolventierecht. Schuldsanering. Weigering bevel tot instemming met aangeboden schuldregeling (art. 287a Fw). Vraag of schuldeiser met de aangeboden regeling beter af zou zijn dan bij toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 21/01351

Zitting 7 juni 2021

CONCLUSIE

G.R.B. van Peursem

In de zaak

[verzoekster]

tegen

[verweerster] B.V.

In deze zaak heeft [verzoekster] een schuldregeling aangeboden aan haar drie schuldeisers, onder wie [verweerster] , een vennootschap van haar ex-echtgenoot. [verweerster] heeft de vordering gecedeerd gekregen van de ex-echtgenoot en vervolgens (derden)beslag gelegd onder de ex-echtgenoot op een partner-alimentatievordering van [verzoekster] op haar ex-echtgenoot. De andere schuldeisers zijn de ouders van [verzoekster] en de Belastingdienst. [verweerster] weigert als enige in te stemmen met de voorgestelde regeling. Het verzoek tot het geven van een bevel tot instemming is afgewezen door de rechtbank. Het hof komt tot dezelfde conclusie. In cassatie klaagt verzoekster – samengevat – dat haar argumenten niet goed zijn weergegeven en gewogen door het hof en dat het hof niet kon oordelen dat onvoldoende is onderbouwd dat [verweerster] met de regeling beter af zou zijn dan in de hypothetische situatie dat [verzoekster] tot de wettelijke schuldsaneringsregeling zou worden toegelaten. Ik zie de klachten niet opgaan.

1. Feiten en procesverloop1

1.1. [verzoekster] en [betrokkene 1] zijn ex-echtelieden.

1.2. De totale schuldenlast van [verzoekster] bedraagt – volgens eigen opgave2 – € 1.215.663,69 en bestaat uit een schuld aan [verweerster] van € 674.842,-, een schuld aan de ouders van [verzoekster] van € 539.736,69 en een schuld aan de Belastingdienst van € 1.085,- waarvan € 914,- preferent.

1.3. De vordering van [verweerster] op [verzoekster] betreft een door [betrokkene 1] aan [verweerster] gecedeerde vordering uit hoofde van onderbedeling in het kader van de verdeling van de beperkte huwelijksgemeenschap waarin [verzoekster] en [betrokkene 1] waren gehuwd3. [betrokkene 1] is directeur-grootaandeelhouder van [verweerster] .

1.4. Op grond van een beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden van 20 december 2016 is [betrokkene 1] tot aan 15 juli 2028 (na indexering) € 2.992,54 per maand partneralimentatie aan [verzoekster] verschuldigd. [verweerster] heeft ten laste van [verzoekster] beslag gelegd onder [betrokkene 1] op de alimentatievordering, als gevolg waarvan [verzoekster] maandelijks € 1.358,- ontvangt van [betrokkene 1] terwijl het meerdere wordt ingehouden ter aflossing van de schuld van [verzoekster] aan [verweerster] .

1.5. [verzoekster] heeft haar schuldeisers een akkoord aangeboden waarbij aan de preferente schuldeisers 0,28% en aan de concurrente schuldeisers 0,14% zal worden betaald tegen finale kwijting voor het overige. Daartoe zal [verzoekster] gedurende drie jaar haar afloscapaciteit, vastgesteld volgens de NVVK-norm, sparen. Jaarlijks wordt het gespaarde bedrag doorbetaald aan de schuldeisers. [A] (de door [verzoekster] ingeschakelde schuldhulpverleningsorganisatie) herberekent jaarlijks de afloscapaciteit en houdt toezicht op de naleving van de regeling.

1.6. [verweerster] heeft dit aanbod geweigerd, de overige schuldeisers hebben ermee ingestemd.

1.7. [verzoekster] heeft bij inleidend verzoekschrift primair verzocht [verweerster] te bevelen in te stemmen met de door [verzoekster] aangeboden schuldregeling als bedoeld in art. 287a Fw. Subsidiair heeft [verzoekster] verzocht te mogen worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.

1.8. Bij vonnis in eerste aanleg is het primaire verzoek afgewezen. Het subsidiaire verzoek is aangehouden voor verdere behandeling in afwachting van handhaving daarvan door [verzoekster] .

1.9. [verzoekster] heeft haar subsidiaire verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling vervolgens ingetrokken.

1.10. Bij beroepschrift, binnengekomen bij de griffie van het hof Arnhem-Leeuwarden op 11 februari 2021, heeft [verzoekster] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en opnieuw beslissende [verweerster] te bevelen in te stemmen met de door [verzoekster] aangeboden schuldregeling.

1.11. Het hof overwoog in het bestreden arrest van 18 maart 2021, voor zover in cassatie nog van belang, het volgende:

De gronden van het beroep van [verzoekster]

3.8 [verzoekster] betwist het belang en de hoogte van de vordering van [verweerster] . Het cederen van de vordering van [betrokkene 1] aan [verweerster] is enkel gedaan om fiscaal voordeel te behalen en het betalen van alimentatie door [betrokkene 1] aan [verzoekster] te beperken. Daarnaast staat de vordering van [verweerster] niet vast omdat de Hoge Raad het arrest van dit hof waarin de vordering van [betrokkene 1] is vastgesteld heeft vernietigd. Verder meent [verzoekster] dat de schuld aan haar ouders voldoende duidelijk is, terwijl het ontstaan daarvan te wijten is aan [betrokkene 1] . Tot slot legt [verzoekster] een medische verklaring over ter onderbouwing van haar arbeidsongeschiktheid. Het gedane aanbod is het maximaal haalbare, ook in vergelijking met de wettelijke schuldsanering. Tot slot meent [verzoekster] dat de schuld aan [betrokkene 1] weliswaar het gevolg is van een moeizame echtscheiding, maar dat de schuld aan [verweerster] het gevolg is van cessie. De rechtbank had daarom geen rekening behoren te houden met de achterliggende reden voor het ontstaan van de vordering.

Het oordeel van het hof

3.9 Op grond van artikel 287a lid 5 Fw dient het verzoek tot vaststelling van een gedwongen schuldregeling te worden toegewezen, indien de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat hij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad. Het ligt op de weg van de schuldenaar om de feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen, waaruit kan worden afgeleid dat de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met het aanbod heeft kunnen komen. Bij de beoordeling van een verzoek als het onderhavige geldt als uitgangspunt dat iedere schuldeiser de bevoegdheid toekomt te verlangen dat zijn vordering volledig wordt voldaan, voor zover hij die bevoegdheid niet misbruikt. Bij de te maken belangenafweging spelen alle omstandigheden van het geval een rol, terwijl de rechter terughoudend moet zijn om misbruik van recht, zoals dat in artikel 287a lid Fw is gedefinieerd, aannemelijk te achten.

3.10 Er is door partijen een uitgebreide voorgeschiedenis over de huidige situatie en het ontstaan van de schulden van [verzoekster] aan [verweerster] en haar ouders geschetst. Over de precieze omvang van die schulden is discussie, maar dat laat onverlet dat tussen partijen vaststaat dat die beide schulden ettelijke tonnen belopen. Rekening houdend met de tegen de omvang van de partneralimentatie ingebrachte bezwaren beloopt de vordering van [verweerster] op [verzoekster] uitgaande van de (niet nader onderbouwde) schatting door de advocaat van [verzoekster] nog steeds ongeveer € 450.000,-. Het aandeel van die schuld van [verweerster] in de totale schuldenlast kan daarmee anders zijn dan door de rechtbank is aangenomen, maar dat is voor de beslissing van het hof niet van wezenlijk, laat staan doorslaggevend belang.

3.11 Duidelijk is dat die schulden zijn terug te voeren op de beëindiging van het huwelijk van partijen en de vele procedures die in verband daarmee tussen partijen zijn gevoerd. Ook is aannemelijk dat die voorgeschiedenis weerslag heeft gehad op de gezondheid van [verzoekster] . Die constateringen over de aard, achtergrond en gevolg van die schulden zijn echter niet voldoende om [verweerster] te veroordelen met het voorstel in te stemmen. Daarvoor zijn meer, door [verzoekster] te stellen, feiten en omstandigheden nodig. De stellingen van [verzoekster] komen er in de kern op neer dat [verweerster] en [betrokkene 1] door de wijze waarop de schuld aan [verweerster] wordt afgelost aanzienlijk beter af zijn dan [verzoekster] , mede door te behalen fiscale voordelen, en dat [verzoekster] daardoor een lager bedrag aan alimentatie ontvangt dan zij zonder de vordering van [verweerster] zou ontvangen. Daargelaten dat volgens [verweerster] de geschetste theoretische fiscale voordelen feitelijk niet worden genoten, maken de door [verzoekster] genoemde omstandigheden niet dat [verweerster] – in plaats van aflossing op de schuld met een bedrag van ongeveer € 1.600,- per maand – zou moeten instemmen met een te verwaarlozen deel van haar vordering. Daar komt bij dat [verzoekster] onvoldoende heeft onderbouwd dat [verweerster] met het aangeboden akkoord beter af is, als dat wordt vergeleken met de hypothetische situatie dat [verzoekster] tot de wettelijke schuldsanering zou worden toegelaten. In dat geval immers zou het ten laste van haar door [verweerster] gelegde beslag vervallen waarna het gehele inkomen uit alimentatie ter beschikking van de boedel zou komen ter verdeling onder alle schuldeisers en een bewindvoerder. Dit alles overziende mocht [verweerster] in redelijkheid weigeren om met de aangeboden schuldregeling in te stemmen.

3.12 Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.”

1.12. Tegen deze uitspraak richt zich het op 26 maart 2021, dus binnen de wettelijke termijn van acht dagen, ingekomen cassatieberoep. Daarin is een voorbehoud gemaakt vanwege het ontbreken van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep. Het proces-verbaal is beschikbaar gesteld aan de advocaat van [verzoekster]4, maar een aanvullend verzoekschrift is binnen de daarvoor gegeven termijn niet gevolgd, zodat van genoemd voorbehoud geen gebruik is gemaakt. [verweerster] heeft in cassatie geen verweer gevoerd.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1.

Het verzoekschrift tot cassatie bevat twee “klachten”, hierna onderdelen genoemd. Deze richten zich tegen rov. 3.10 en 3.11 (de derde alinea van onderen van p. 2 van het cassatierekest en randnummers 1.6 en 1.7 noemen ook rov. 3.8, maar bevatten geen zelfstandige klacht daartegen). Het eerste onderdeel bevat de klacht dat het hof de argumenten van [verzoekster] niet voldoende correct heeft weergegeven en onvolledig heeft meegewogen in zijn oordeel, terwijl deze volgens het onderdeel wel rechtens relevant (konden) zijn en kunnen leiden tot een gunstige uitkomst voor [verzoekster] . Met het tweede onderdeel klaagt [verzoekster] dat het hof in het licht van de stellingen van [verzoekster] niet kon oordelen dat [verzoekster] onvoldoende heeft onderbouwd dat [verweerster] met het aangeboden akkoord beter af zou zijn vergeleken met de hypothetische situatie dat [verzoekster] tot de wettelijke schuldsaneringsregeling zou worden toegelaten.

2.2.

De achtergrond van de gedwongen schuldregeling kan als volgt worden geschetst5.

De gedwongen schuldregeling van art. 287a Fw

2.3.

Het uitgangspunt bij schuldsaneringen is dat een schuldenaar pas wordt toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling als alle mogelijkheden voor een minnelijke regeling zijn uitgeput. Vereist is daarom dat de schuldenaar voordat hij een beroep doet op de schuldsaneringsregeling, eerst pogingen onderneemt om een buitengerechtelijke regeling te treffen, het zogeheten minnelijk traject. Pas als gebleken is dat het treffen van een minnelijke regeling niet mogelijk is, kan de schuldenaar tot de wettelijke schuldsaneringsregeling worden toegelaten.

2.4.

Om het minnelijk traject te versterken is met ingang van 1 januari 2008 in art. 287a Fw de gedwongen schuldregeling opgenomen6. Het eerste lid van dit artikel bepaalt dat de schuldenaar in het verzoekschrift tot toepassing van de WSNP de rechtbank kan verzoeken één of meer schuldeisers die weigert of weigeren mee te werken aan een vóór indiening van het verzoekschrift aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze regeling.

2.5.

De toepassing van art. 287a Fw kan voorkómen dat schuldenaren in de wettelijke schuldsaneringsregeling terechtkomen in gevallen waarin een oplossing in het minnelijk traject mogelijk was geweest, “(…) ware het niet dat een weigerachtige crediteur wellicht zonder valide redenen zijn medewerking had geweigerd (…)”7. Daarnaast moet het dwangakkoord een tegenwicht vormen tegen de gewijzigde en bovendien strengere eisen voor toelating tot de schuldsaneringsregeling. Met art. 287a Fw moet worden voorkomen dat een te grote groep schuldenaren tussen de wal van het minnelijk traject en het schip van de wettelijke schuldsaneringsregeling (met de strenge eisen voor toelating) terecht zou komen8. Bijkomende reden voor de invoering van art. 287a Fw was de wens om de rechterlijke macht en bewindvoerders te ontlasten en de druk op het wettelijk traject te verminderen9.

2.6.

In de praktijk zijn er twee soorten onderhandse akkoorden ontstaan, te weten het percentageakkoord en het liquidatieakkoord10. Een liquidatieakkoord houdt in dat een schuldenaar zijn vermogen aanbiedt aan zijn schuldeisers. Dit vermogen wordt dan door een vereffenaar te gelde gemaakt en onder de schuldeisers verdeeld. Bij zo’n liquidatieakkoord doet een schuldenaar afstand van zijn vermogen. Dit wordt ter beschikking gesteld aan de schuldeisers om door een aangewezen vereffenaar te worden afgewikkeld en om de opbrengst onder hen te verdelen, welke rechtshandeling tegenover eenieder werkt11.

2.7.

Veel vaker komt een percentageakkoord voor12. Hiervan bestaan twee typen. De meest bekende is dat de schuldenaar zijn schuldeisers betaling ineens van een percentage van hun vordering aanbiedt. Daarbij wordt aan de preferente schuldeisers steeds een twee keer zo hoog percentage aangeboden. Dit akkoord wordt veelal gefinancierd met een saneringskrediet.

2.8.

Bij de tweede vorm doet de schuldenaar een zogenoemd prognoseaanbod13. Dit houdt in dat is uitgerekend wat de schuldenaar gedurende 36 maanden maximaal kan sparen, waarbij wordt uitgegaan van de op dat moment bestaande financiële situatie. Daarbij wordt bepaald welk deel de schuldenaar nodig heeft om van te leven. De omvang van dat bedrag wordt op dezelfde wijze berekend als het “vrij te laten bedrag” dat op grond van art. 295 Fw zou gelden indien de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing zou worden verklaard. Het meerdere dient de schuldenaar te sparen. Op basis van het bedrag dat in een periode van 36 maanden kan worden gespaard, wordt berekend welk percentage van de totale schuldenlast kan worden afgelost. Dat percentage van de vordering wordt als prognoseaanbod aangeboden. Het prognose-element zit daarin, dat niet volledig zeker is of betaling van dat percentage kan worden gerealiseerd. De financiële situatie van de schuldenaar en/of het vrij te laten bedrag zou in de periode van 36 maanden immers kunnen wijzigen. Indien de schuldenaar zijn verplichting tot afdracht van zijn inkomen boven het vrij te laten bedrag gedurende 36 maanden nakomt, is hij bevrijd van zijn (rest)schulden. De schuldhulpverlener houdt toezicht op de maandelijkse afdrachten. In beginsel vindt elk jaar, na aftrek van de kosten (meestal 9% van het gespaarde bedrag), een uitkering aan de schuldeisers plaats14. In onze zaak is ook een prognoseaanbod gedaan (vgl. hiervoor in 1.5).

2.9.

Art. 287a lid 5 Fw bepaalt dat de rechtbank het verzoek om een schuldregeling toewijst, indien de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat de schuldeiser heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad.

2.10.

Het is aan de rechter overgelaten te oordelen in welke concrete omstandigheden van het geval van een onredelijke weigering sprake is, zodanig dat schuldeisers tot medewerking gedwongen kunnen worden15. Ter toelichting op dit criterium is in de memorie van toelichting aangegeven: “Duidelijk moet zijn dat crediteuren in een gedwongen schuldregeling een hogere dan wel snellere aflossing krijgen dan in een wettelijk traject te verwachten is.”16.

2.11.

Onder verwijzing naar uitspraken van de rechtbanken Almelo17 en Zwolle18 is in de memorie van toelichting een aantal omstandigheden opgesomd die bij de belangenafweging een rol kunnen spelen19:

i. is het voorstel getoetst door een onafhankelijke en deskundige partij (bijvoorbeeld een gemeentelijke kredietbank);

ii. is het voorstel goed en betrouwbaar gedocumenteerd;

iii. is voldoende duidelijk dat het bod het uiterste is waartoe de schuldenaar financieel in staat moet worden geacht;

iv. biedt het alternatief van faillissement of schuldsanering enig uitzicht voor de schuldenaar;

v. biedt het alternatief van faillissement of schuldsanering enig uitzicht voor schuldeiser: hoe groot is de kans dat de weigerende schuldeiser dan evenveel of meer zal ontvangen;

vi. is aannemelijk dat gedwongen medewerking aan een schuldregeling voor de schuldeiser concurrentieverstorend werkt;

vii. bestaat precedentwerking voor vergelijkbare gevallen;

viii. wat is de zwaarte van het financiële belang dat de schuldeiser heeft bij volledige nakoming;

ix. hoe groot is het aandeel van de weigerende schuldeiser in de totale schuldenlast;

x. staat de weigerende schuldeiser alleen naast de overige met de schuldregeling instemmende schuldeisers;

xi. is er eerder een minnelijke of gedwongen schuldregeling geweest die niet naar behoren is nagekomen.

2.12.

In de praktijk wordt door rechters, net als in onze zaak, veel belang gehecht aan het onder v. genoemde criterium, dus de vraag of in faillissement of schuldsaneringsregeling net zo veel of meer resteert voor de schuldeiser20. Wessels noemt dit een ‘(hypothetische) resultaatsvergelijking’21.

2.13.

Een verzoek tot het opleggen van een dwangregeling moet de volgende informatie/bijlagen bevatten22:

i. een overzicht van de aangeboden schuldregeling; alsmede

ii. een overzicht van de naam/namen en adres/adressen van de weigerachtige schuldeiser(s);

iii. de reden van weigering tot instemming;

iv. de met de weigerachtige schuldeiser(s) gevoerde correspondentie over de aangeboden schuldregeling;

v. een overzicht van de schuldeisers die wel hebben ingestemd met de schuldregeling; en

vi. een berekening van het vrij te laten bedrag.

2.14.

Daarnaast moet in het verzoekschrift worden onderbouwd waarom de belangen van de schuldenaar of die van de andere schuldeisers door de weigering worden geschaad23. Het voorstel voor de dwangregeling moet goed en betrouwbaar zijn gedocumenteerd en getoetst door een onafhankelijke en deskundige partij. Art. 287a Fw bepaalt in lid 7 dat de rechtbank het verzoek afwijst indien de schuldbemiddeling niet wordt uitgevoerd door een persoon of instelling als bedoeld in art. 48 lid 1 Wet op het consumentenkrediet24.

2.15.

Bij een verzoek op grond van art. 287a Fw moet een verzoek om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling gevoegd zijn25. Het verzoekschrift bestaat dan uit een primair verzoek tot opleggen van de dwangregeling en een subsidiair verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Voor toewijsbaarheid van het verzoek om een dwangregeling is op zichzelf niet vereist dat het WSNP-verzoek toewijsbaar zou zijn. Ook als de schuldenaar niet aan alle in de WSNP gestelde voorwaarden voldoet, kan de rechter het primaire verzoek toewijzen26. Indien het 287a Fw-verzoek wordt afgewezen, stelt de rechtbank de schuldenaar in de gelegenheid om aan te geven of hij het WSNP-verzoek wenst te handhaven27. Als dat het geval is, geeft de rechtbank hierover een beslissing. De schuldenaar kan echter ook afzien van een verzoek om toelating tot de wettelijke schuldsanering, zo volgt uit art. 287a lid 8 Fw28.

2.16.

Bij toewijzing van het verzoek bepaalt de rechter dat het vonnis op grond van art. 3:300 lid 1 BW in plaats van de vrijwillige instemming zal treden, zo volgt uit art. 287a lid 5 Fw. Door het vonnis ontstaat er een overeenkomst tussen de schuldenaar en alle schuldeisers met als inhoud de in het minnelijk traject aangeboden schuldregeling29.

Bespreking van het eerste onderdeel

2.17.

Het oordeel in rov. 3.11 dat [verweerster] in redelijkheid mocht weigeren om met de aangeboden schuldregeling in te stemmen, is volgens het eerste onderdeel onjuist of onbegrijpelijk, omdat de weergave van [verzoekster] argumentatie in hoger beroep30 niet correct of onvolledig zou zijn. Voor het geval het hof zou hebben gemeend dat die niet (correct) weergegeven argumentatie niet relevant kan zijn, is dat onjuist in het licht van HR 14 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0966, rov 3.5.3 en de conclusie voor dat arrest, punten 2.9 en 2.12. Voor zover het hof vond dat die argumentatie in onze zaak niet relevant was, is het oordeel volgens onderdeel 1 onbegrijpelijk.

2.18.

Deze hoofdklachten worden in de toelichting in een aantal delen uitgewerkt, maar die toelichting begint eerst in 1.1 t/m 1.4 met een inleiding, waarin het hiervoor in 2.10-2.12 geschetste beoordelingskader wordt weergegeven. In 1.5 volgt onder a. t/m l. een weergave van een lange reeks feiten en omstandigheden die volgens de klacht niet of onvoldoende nauwkeurig zouden zijn weergegeven of besproken door het hof, telkens onder verwijzing naar vindplaatsen in de stukken in feitelijke aanleg. Mede in verband met de passage uit rov. 3.8 dat de schuld aan haar ex-echtgenoot weliswaar het gevolg is van een moeizame echtscheiding, maar dat de schuld aan [verweerster] het gevolg is van een cessie, waardoor de rechtbank geen rekening had behoeven te houden met de achterliggende reden voor het ontstaan van de vordering, aldus de nadere inleiding in 1.6, klaagt [verzoekster] vervolgens in de eerste plaats in 1.7 t/m 1.11 (met een voortbouwende klacht in 1.12) dat het hof in zijn beoordeling in rov. 3.11 niet of onvoldoende heeft betrokken de door haar gestelde handelingen van ex-echtgenoot [betrokkene 1] . Het gaat daarbij volgens [verzoekster] met name om haar stellingen dat:

- [betrokkene 1] zijn vordering op [verzoekster] aan [verweerster] heeft gecedeerd met als reden het behalen van fiscaal voordeel en het beperken van betaling van alimentatie aan [verzoekster] , hetgeen volgens de klacht gelet op de oninbaarheid van de vordering ook volgens [verweerster] “zakelijk niet kan worden verklaard” (1.7); volgens 1.8 betekent dit ook dat het hof zodoende niet kon oordelen dat de schuld aan [verweerster] is terug te voeren op de beëindiging van het huwelijk van [verzoekster] en [betrokkene 1] en de vele procedures in dat kader gevoerd, althans kon dat volgens de klacht niet zonder de door [verzoekster] aangevoerde ratio te bespreken;

- [betrokkene 1] verwijtbaar heeft gehandeld aldus 1.9, waardoor [verzoekster] geld bij haar ouders heeft moeten lenen, door gedurende een periode te weigeren alimentatie te betalen en door [verweerster] onder zichzelf en ten laste van [verzoekster] beslag te laten leggen op de alimentatievordering.

In 1.10 verwoordt de klacht hetzelfde nog eens anders: het hof heeft gelet op de aangevoerde omstandigheden niet zonder meer kunnen oordelen dat de schuld van [verzoekster] aan haar ouders is terug te voeren op handelingen waarvoor [verzoekster] als bij de scheiding betrokken partij zelf verantwoordelijkheid draagt.

De klacht besluit in 1.11 dat om de in 1.7-1.10 genoemde redenen het hof de weigering tot instemming van [verweerster] in een te beperkt kader heeft bezien en daarin de door [verzoekster] gestelde aan [betrokkene 1] verweten handelingen had behoren te betrekken.

2.19.

Die klachten treffen in mijn ogen geen doel. Ik stel voorop dat een schuldeiser in principe aanspraak heeft op volledige voldoening van zijn vordering en zich kan verhalen op alle goederen van zijn schuldenaar (art. 3:276 BW). Een slechte financiële positie van de schuldenaar is over het algemeen onvoldoende om de schuldeiser deze aanspraak (gedeeltelijk) te ontnemen31. De feitelijke beoordeling of een schuldeiser kan worden gedwongen om in te stemmen met een schuldregeling behelst bovendien een marginale toets: bezien wordt of de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen (art. 287a lid 5 Fw). Had de schuldeiser gegronde (zakelijke) redenen om medewerking aan een schuldregeling te weigeren, dan zullen die worden erkend32 en vervolgens worden meegenomen in de belangenafweging die moet plaatsvinden. Op deze manier alle omstandigheden van het geval in de afweging betrekkend, kan de rechter schuldeisers eruit filteren die zonder zakelijke redenen een schuldenaar de mogelijkheid van een minnelijke regeling willen ontnemen. Zakelijk betekent in dit verband voor onze zaak: gegrond vermoeden van een hogere uitkering in het WSNP-traject. Dat is wat de wetgever voor ogen stond bij de invoering van de regeling van het dwangakkoord33:

“Voorkomen wordt dat personen in de schuldsaneringsregeling terecht komen die in het minnelijk traject op eigen kracht in samenspraak met hun crediteuren een regeling hadden kunnen treffen waarmee alle partijen hadden kunnen leven, ware het niet dat een weigerachtige crediteur wellicht zonder valide redenen zijn medewerking had geweigerd. Vooral uit het onderzoek van het WODC (p. 68–71) is gebleken dat de redenen voor crediteuren om hun medewerking te weigeren niet altijd even zakelijk – dat wil zeggen gebaseerd op het gegronde vermoeden van een hogere uitkering in het wettelijk traject – zijn ingegeven. De invoering van een gedwongen schuldregeling versterkt het minnelijk traject met een belangrijk rechtsmiddel waarvan een preventieve werking zal uitgaan en ontlast het wettelijk traject.”34

“Ik heb er vertrouwen in dat ook schuldeisers zullen inzien dat de rechter niet gevoelig zal zijn voor hun niet-zakelijke overwegingen om medewerking aan een minnelijke schuldregeling te weigeren. De rechter kan hen juist dwingen tot medewerking als zij in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hadden kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang om te weigeren en de belangen van de schuldenaar of de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad. Ik verwacht dat enige tijd na inwerkingtreding van deze wet zal blijken hoe de rechter omgaat met deze regeling en dat deze nieuwe procedure langs de weg van de precedentwerking haar effectiviteit zal bewijzen.”35 [Onderstrepingen A-G]

De essentie van het betoog van [verzoekster] lijkt te zijn dat de weigering van [verweerster] (waarover haar ex-echtgenoot volledige zeggenschap heeft) op niet-zakelijke gronden zou berusten. Maar dat lijken mij geen niet-zakelijke gronden in vorenbedoelde zin die tot een gedwongen instemming zouden kunnen leiden. Het hof constateert in het tweede deel van rov. 3.11 volgens mij namelijk terecht (zoals verderop nader wordt uitgewerkt) dat de zakelijke grond tot weigering van instemming met het dwangakkoord voor [verweerster] hier is dat het WSNP-traject perspectief biedt (“gegrond vermoeden”) op een grotere opbrengt. Dat is het in mijn ogen uiteindelijk doorslaggevende dragende oordeel van het hof in deze zaak. Daar zou dit deel van de klachten volgens mij al op moeten stranden.

2.20.

Om op deze plaats meteen een mogelijk misverstand op te helderen of een nuancering aan te brengen: het is niet zo dat de cessie van [betrokkene 1] “overbedelings”-vordering aan [verweerster] een “truc” is om verrekening van die vordering met [betrokkene 1] partneralimentatieverplichtingen te faciliteren, die zonder die cessie niet mogelijk zou zijn, zoals mogelijk deels in de klachten besloten ligt. Ook zonder die cessie zou [betrokkene 1] zijn “overbedelings”-vordering in beginsel hebben kunnen verrekenen met zijn partneralimentatieverplichtingen aan [verzoekster] , indien en voor zover daarmee de beslagvrije voet zou worden gerespecteerd (art. 6:135 onder a BW jo. art. 475c Rv) en daarmee niet in strijd wordt gehandeld met de redelijkheid en billijkheid en er geen sprake is van misbruik van recht36. Dat is namelijk een situatie die in uitwerking niet verschilt bij de toegepaste cessie van [betrokkene 1] vordering aan [verweerster] , gevolgd door beslag van [verweerster] onder [betrokkene 1] , waarbij immers eveneens de beslagvrije voet wordt gerespecteerd, zoals we hebben gezien. Dat [betrokkene 1] en/of [verweerster] hier fiscale voordelen van zou(den) genieten en er geen ratio zou zijn voor de cessie, is door [betrokkene 1] bestreden37, zodat dat niet vast staat. Daaruit volgt ook dat de betreffende in de klacht genoemde “gemiste” argumenten hierover niet nog nader behoefde te worden geadieerd (anders dan gedaan in de uitspraak).

2.21.

Ik voeg daar aan toe dat de kern van de punten die [verzoekster] heeft aangevoerd en zegt in de hofafweging te missen, wel degelijk wordt genoemd in rov. 3.8: belang en hoogte van de vordering van [verweerster] wordt door haar betwist en de cessie is volgens [verzoekster] alleen gedaan uit fiscale motieven en om de alimentatiebetaling te beperken, terwijl na cassatie door Uw Raad in 2017 over de restschuldkwestie de vordering van [betrokkene 1] nog niet vast staat en volgens
[verzoekster] ook de schuld aan haar ouders voldoende duidelijk is en er een medische verklaring ligt over haar arbeidsongeschiktheid. Ook vermeldt het hof daar dat de schuld aan [betrokkene 1] volgens [verzoekster] het gevolg is van de moeizame echtscheiding, maar de schuld aan [verweerster] het gevolg is van de cessie, zodat de rechtbank volgens [verzoekster] geen rekening had behoren te houden met de achtergronden voor het ontstaan van de vordering.

2.22.

De klacht in 1.7 dat het hof constateert dat alleen is gecedeerd uit fiscale motieven en ter frustratie van alimentatiebetaling, mist feitelijke grondslag, omdat het hof dit in rov. 3.8 niet “constateert”, maar daar het standpunt van [verzoekster] weergeeft.

2.23.

De klachten in 1.7-1.12 focussen ook alleen op het laatste deel van rov. 3.8, terwijl het hof zich juist in het eerste deel daarvan rekenschap geeft van de argumentatie van [verzoekster] op de hiervoor aangegeven wijze. Daar ketsen de klachten uit 1.8 nader op af. Ook de klacht uit 1.9 mist doel, omdat het hof volgens mij zich wel rekenschap geeft van het feit dat [verzoekster] stelt dat de schuld aan haar ouders het gevolg is van beweerdelijk verwijtbaar handelen van [betrokkene 1] .

2.24.

Anders dan [verzoekster] in 1.10 aanvoert, oordeelt het hof niet wie de verantwoordelijkheid draagt voor de schuld van [verzoekster] aan haar ouders. Die klacht mist dan ook feitelijke grondslag. Het is een inleiding op de rest van rov. 3.11, waarin de vraag centraal staat of schuldeiser [verweerster] in redelijkheid het prognoseaanbod van [verzoekster] kon weigeren. Daar betrekt het hof de argumenten van [verzoekster] over handelingen van [betrokkene 1] bij, voor zover deze zien op de schuld van [verzoekster] aan [verweerster] . In de vijfde volzin overweegt het hof immers: “De stellingen van [verzoekster] komen er in de kern op neer dat [verweerster] en [betrokkene 1] door de wijze waarop de schuld aan [verweerster] wordt afgelost aanzienlijk beter af zijn dan [verzoekster] , mede door het behalen van fiscale voordelen, en dat [verzoekster] daardoor een lager bedrag ontvangt dan zij zonder de vordering van [verweerster] zou ontvangen.” Het hof oordeelt dat deze door [verzoekster] genoemde omstandigheden niet maken dat [verweerster] zou moeten instemmen met een te verwaarlozen deel van haar vordering. Zodoende betrok het hof volgens mij, anders dan de klacht aandraagt, de omstandigheden die in de optiek van [verzoekster] zouden wijzen op “niet-zakelijke redenen” (zij het in andere zin dan bedoeld in de parlementaire geschiedenis) voor de weigering van [verweerster] . Het hof noemt daarnaast als besproken zakelijke redenen voor de weigering van [verweerster] (huidige maandelijkse aflossing van de schuld en verval beslag bij hypothetische toepassing WSNP) en maakt vervolgens een (feitelijke) afweging. Dit is gelet op de geschetste achtergrond van de toetsing van art. 287 lid 5 Fw niet onjuist of onbegrijpelijk en van het niet in de afweging betrekken van de op dit punt relevante aangedragen argumentatie van [verzoekster] lijkt mij dan ook geen sprake. De louter voortbouwende klacht uit 1.12 is daarmee ook tevergeefs voorgesteld.

2.25.

Vervolgens klaagt [verzoekster] in 1.13-1.18 dat zij meer heeft aangevoerd dan dat [verweerster] en [betrokkene 1] door de wijze waarop de schuld aan [verweerster] wordt afgelost beter af zijn dan [verzoekster] , mede vanwege fiscale voordelen en dat [verzoekster] daardoor een lager bedrag aan alimentatie ontvangt dan zij zonder de vordering van [verweerster] zou ontvangen. Zij heeft volgens 1.14 aangevoerd dat zij de omvang van [verweerster] ’ vordering betwist en ook betwist dat [verweerster] een rechtens te respecteren belang heeft om niet aan het akkoord mee te werken. Maar dan knelt het volgens 1.15 dat het hof het bij die constatering daarover laat in rov. 3.8 en die stellingname niet in rov. 3.11 bespreekt. Voor die bespreking bestond volgens 1.16 alle aanleiding, omdat de door [verzoekster] aan de orde gestelde zwaarte van het financiële belang van [verweerster] een te bespreken factor is, net als het aandeel van de weigerende schuldeiser in de totale schuldenlast. Ook mist [verzoekster] , zo vervolgt 1.17, haar argument dat [verweerster] ervan uitgaat dat zij haar schuld aan [verweerster] nooit integraal zal kunnen voldoen. In 1.18 voegt zij daaraan toe dat wanneer de schuldeiser in de veronderstelling verkeert dat niet integraal zal kunnen worden betaald, niet zou kunnen worden geoordeeld dat diens weigering om met een akkoord in te stemmen niet onredelijk is, als die weigering is gestoeld op de wens om geheel te worden voldaan.

2.26.

Deze klachten missen grotendeels feitelijke grondslag. Weliswaar bespreekt het hof de omvang van de vordering van [verweerster] niet in rov. 3.11, maar dat gebeurt wel in rov. 3.10. Daar overweegt het hof dat tussen partijen vaststaat dat de schuld aan [verweerster] ettelijke tonnen beloopt en dat – uitgaande van de schatting van de advocaat van [verzoekster] – de vordering “nog steeds ongeveer € 450.000,-“ beloopt38. Het aandeel van de schuld in de totale schuldenlast kan daarmee dan weliswaar anders zijn dan de rechtbank heeft aangekomen, maar dat is voor het hof niet van wezenlijk of doorslaggevend belang. Daarmee is het door [verzoekster] gemaakte punt van het niet concreet vaststaan van de omvang van haar schuld aan [verweerster] voldoende geadieerd door het hof. Over de klacht in 1.14-1.15 dat het hof niet heeft meegewogen dat [verweerster] ervan uitgaat dat [verzoekster] nooit haar hele schuld aan [verweerster] kan betalen en in 1.20 dat [betrokkene 1] het negatieve saldo van de gemeenschap nauwelijks heeft gedragen, zodat van onderbedeling in wezen geen sprake zou zijn, heeft te gelden dat het hof dit volgens mij naast het voorgaande niet separaat behoefde te bespreken. Dat een schuldeiser dit vermoedt in een situatie waarin de schuldenaar een prognoseakkoord aanbiedt, ligt voor de hand39. Dat laat bovendien onverlet dat [verweerster] belang behoudt bij het zoveel mogelijk verhalen van haar vordering40 en in die zakelijke sleutel staat de door het hof uitgevoerde toets in deze procedure met betrekking tot een dwangakkoord.

2.27.

Voor zover [verzoekster] vervolgens in 1.19 klaagt dat het hof in rov. 3.10 uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting dat niet wezenlijk is hoe hoog de schuld van haar aan [verweerster] is, voldoet deze klacht niet aan de aan een cassatieklacht te stellen eisen, omdat niet wordt aangegeven waarom dat rechtens onjuist zou zijn. Ten overvloede: hoe groot het aandeel is van de weigerende schuldeiser in de totale schuldenlast, is één van de omstandigheden waarmee een rechter rekening kan houden bij de belangenafweging van art. 287a lid 5 Fw (zie hiervoor in 2.11 onder ix.). Het is aan de (feiten)rechter om per geval te bepalen hoeveel gewicht toekomt aan deze omstandigheid. Dit geldt ook voor de absolute omvang van de schuld, die als omstandigheid kan worden meegewogen (vgl. 2.11 onder viii.). Bovendien lijkt mij veeleer de gedachte van het hof te zijn in onze zaak: het gaat om een substantieel bedrag van enkele tonnen, ook volgens de eigen advocaat van [verzoekster] om in ieder geval € 450.000,- en dan moet vooral bekeken worden of [verweerster] op zakelijk houdbare gronden niet instemt met een dwangakkoord (en dat is zo, omdat zij bij toepassing van de WSNP uitzicht heeft (“gegrond vermoeden”) op voldoening van een groter percentage van deze schuld van enkele tonnen).

2.28.

Zelfs wanneer – zoals [verzoekster] betoogt in 1.20 en 1.21 – hypothetisch zou moeten worden uitgegaan van de juistheid van de stelling dat [betrokkene 1] het negatieve saldo van de gemeenschap “niet daadwerkelijk heeft gedragen”, kan het niet specifiek adiëren van dit ene punt gelet op de totale beoordeling niet tot cassatie leiden. In cassatie is namelijk niet separaat de vaststelling in rov. 4.10 bestreden dat de schuld van [verzoekster] aan [verweerster] ettelijke tonnen beslaat en naar schatting van de eigen advocaat van [verzoekster] zo’n € 450.000,-. De absolute omvang van de schuld staat daarmee in de ogen van het hof voldoende vast om de gevraagde marginale toets te kunnen verrichten, zodat de door [verzoekster] bedoelde ”feitelijke” precieze onderbedeling er niet zodanig toe doet, als de klacht ingang wil doen vinden. Ook als [betrokkene 1] de onderbedeling niet echt zou “voelen” omdat hij naderhand kennelijk bepaalde (voor hem) gunstige transacties zou zijn aangegaan, zoals wordt aangevoerd in 1.22 (maar is betreden door [betrokkene 1] ter appelzitting, zo hebben we gezien, vgl. p-v p. 3 1e alinea), blijft gelden dat [verweerster] in principe aanspraak heeft op volledige voldoening van haar vordering op [verzoekster] . [verweerster] maakt door de weigering vanwege de hier aangevoerde gronden (er is materieel geen onderbedeling) in mijn ogen geen misbruik van haar vorderingsrecht, zoals [verzoekster] in essentie betoogt in 1.23. Daarvoor ontbreken voldoende concreet gemaakte aanwijzingen, althans is niet onbegrijpelijk dat het hof niet met die stellingen is meegegaan.

2.29.

Verder klaagt [verzoekster] in 1.24-1.27 dat het hof ten onrechte niet heeft vastgesteld en besproken dat [betrokkene 1] , met behulp van zijn positie in en ten aanzien van [verweerster] , [verzoekster] in een uitzichtloze positie heeft gebracht en haar daarin, eveneens met behulp van [verweerster] , in de tang houdt, zoals de klacht het formuleert. Deze klacht kan al niet slagen, omdat met een rechtsklacht (1.24: “ten onrechte”) alleen met vrucht kan worden opgekomen tegen een rechtsoordeel, dus een oordeel over de inhoud van het recht41. [verzoekster] komt hier evenwel met een rechtsklacht op tegen (de motivering van) een oordeel van overwegend feitelijke aard. Ook voor zover de klacht moet worden gezien in de sleutel van het passeren van essentiële stellingen, gaat deze niet op. Voor zover hier in wezen wordt geklaagd dat de cessie een “truc” is om tot gedeeltelijke verrekening te komen, verwijs ik kortheidshalve naar mijn opmerkingen hierover in 2.20: daarvan is geen sprake, ook zelf had [betrokkene 1] dit kunnen doen, indien en voor zover de beslagvrije voet wordt gerespecteerd.

2.30.

Maar ook als dit anders moet worden opgevat, zie ik geen slagend cassatie-argument hier. [verzoekster] betoogt dat [betrokkene 1] haar schulden heeft veroorzaakt en dat zij zwaar gebukt gaat onder de schuldenlast, in het bijzonder door het beslag dat door [verweerster] is gelegd op haar enige inkomstenbron (de partneralimentatie die [betrokkene 1] haar moet betalen). Het moge zo zijn dat [verzoekster] zich in een penibele financiële positie bevindt (die naar stelling van [verzoekster] ook heeft geresulteerd in ernstige psychische en lichamelijke klachten, zoals de klacht aanvoert in 1.24 en hetgeen het hof ook onder ogen heeft gezien in rov. 3.11). De achtergrond van de schuld(en) en de rol van de schuldeiser daarin is een omstandigheid die een rechter kán meewegen bij de beoordeling of de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met een schuldregeling heeft kunnen komen. Hieruit kan blijken dat de schuldeiser erop uit is de schuldenaar te schaden en dat weigering in te stemmen daarmee verband houdt (een niet-zakelijke reden).

2.31.

Maar de toets van het hof pakt anders uit, zoals we al hebben gezien, en steunt met name op twee pijlers: [verzoekster] erkent bij monde van haar eigen advocaat dat de omvang van de schuld aan [verweerster] in ieder geval € 450.000,- bedraagt en [verweerster] heeft een gegrond vermoeden dat in het WSNP-traject vanwege het vervallen van het beslag op de alimentatieverplichtingen meer zal opleveren dan het aangeboden akkoord. Het hof heeft volgens mij in rov. 3.8 en 3.10-3.11 de aard, achtergrond en het gevolg van de schulden van [verzoekster] wel degelijk onder ogen gezien, maar geoordeeld dat deze onvoldoende zijn om [verweerster] te dwingen tot instemming met het door [verzoekster] aangeboden akkoord. Daarvoor zijn volgens het hof meer – door [verzoekster] te stellen – feiten en omstandigheden nodig. Daarmee is – deels impliciet – over de stellingen van [verzoekster] over het ontstaan van de schulden (en het handelen [betrokkene 1] en [verweerster] ) en het gevolg van die schulden (de penibele positie van [verzoekster] ) een oordeel gegeven. Daarbij kon het hof zich, mogelijk mede tegen de achtergrond van de eerdere cassatieprocedure over de schuld aan [verweerster]42, volgens mij beperken tot het gegeven oordeel in rov. 3.11. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, hoefde het hof met de cessie en de daaropvolgende beslaglegging geen in de klachten bedoelde doorslaggevende rekening te houden bij de beoordeling of [verweerster] de voorgestelde regeling niet in redelijkheid kon weigeren. Dat een en ander blijft een in essentie zeer feitelijke afweging, waar in cassatie niet aan kan worden gekomen.

2.32.

Anders dan [verzoekster] in 1.28 en 1.29 aanvoert, meen ik dat het hof in zijn beoordeling voldoende aandacht heeft gehad voor de penibele situatie van [verzoekster] , die het hof in de te maken feitelijke afweging als hiervoor besproken niet doorslaggevend heeft geoordeeld.

Bespreking van het tweede onderdeel

2.33.

Onderdeel 2.A. bevat de klacht dat het hof in rov. 3.11 ten onrechte klaarblijkelijk (alles) bepalend vindt of [verweerster] met het aangeboden akkoord beter af is in vergelijking met de hypothetische situatie dat [verzoekster] tot de wettelijke schuldsanering zou worden toegelaten. Ook de overige omstandigheden zijn immers van belang, waarbij [verzoekster] verwijst de feiten en omstandigheden uiteengezet in het eerste onderdeel.

2.34.

Deze klacht faalt al, omdat deze uitgaat van een verkeerde lezing van rov. 3.11. Het hof acht de “hypothetische resultaatsvergelijking” niet (alles) bepalend, alleen al omdat de betreffende passage begint met “Daar komt bij dat …”. Het hof weegt méér omstandigheden dan de klacht veronderstelt. Het hof bespreekt en beoordeelt in rov. 3.10 (i) de betwisting van [verzoekster] van de hoogte van de schuld aan [verweerster] en het aandeel van de schuld van [verweerster] in de totale schuldenlast, in rov. 3.11 (ii) de aard, achtergrond en het gevolg van de schulden, (iii) de stellingen van [verzoekster] over het fiscale voordeel dat [verweerster] zou genieten en het lage bedrag dat [verzoekster] aan alimentatie ontvangt door de vordering van [verweerster] en (iv) de vraag of [verzoekster] voldoende heeft onderbouwd dat [verweerster] met het aangeboden akkoord beter af is, als dat wordt vergeleken met de hypothetische situatie dat [verzoekster] tot de wettelijke schuldsanering zou worden toegelaten. Dat het hof al deze omstandigheden betrekt in een eindafweging omtrent de weigering van de regeling door [verweerster] , blijkt uit de laatste zin van rov. 3.11: “Dit alles overziende mocht [verweerster] in redelijkheid weigeren om met de aangeboden schuldregeling in te stemmen.” Overigens is dit hier aangevallen oordeel in de praktijk wel een belangrijk kernpunt in de marginale rechterlijke beoordeling of een aangeboden akkoord redelijkerwijs mag worden geweigerd. Ook als wel uitsluitend op dit belangrijke te wegen punt (zijn er zakelijke gronden tot weigering) zou zijn afgedaan door het hof, zou dat volgens mij houdbaar zijn geweest in dit geval, nu evident is dat onder een WSNP-regime vanwege het dan vervallen van het beslag op de alimentatievordering uitzicht bestaat op een beter resultaat dan bij het aangeboden akkoord.

2.35.

In onderdeel 2.B. klaagt [verzoekster] dat het hof in rov. 3.9 weliswaar de maatstaf van art. 287a lid 5 Fw vooropstelt, maar deze vervolgens in rov. 3.11 niet juist toepast. Dit omdat het hof het belang van [verweerster] als schuldeiser alleen heeft afgezet tegen het belang van [verzoekster] , terwijl de (wettelijke) maatstaf vereist dat het belang van de schuldeiser bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering dient te worden afgewogen tegen de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad. Deze overige schuldeisers had [verzoekster] ook in haar stellingnames in feitelijke instanties betrokken.

2.36.

Deze klacht is tevergeefs. Het hof maakt hier een hypothetische resultaatsvergelijking: biedt het alternatief van schuldsanering enig uitzicht voor [verweerster] en hoe groot is de kans dat het weigerende [verweerster] dan evenveel of meer zal ontvangen. Het gaat daarbij dus om de positie van [verweerster] in verschillende scenario’s. Bij een dergelijke vergelijking is het niet nodig de belangen van andere schuldeisers te betrekken. De uitkomst van de vergelijking moet worden meegewogen bij de beoordeling of de schuldeiser in redelijkheid tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, waarbij óók van belang is om de belangen van andere (instemmende) schuldeisers onder ogen te zien, die worden geschaad43. De klacht ziet hieraan voorbij.

2.37.

Ten slotte klaagt [verzoekster] in onderdeel 2.C. dat het hof in het laatste deel van rov. 3.11 niet ingaat op de stelling van [verzoekster] dat niet uit te sluiten valt dat in het kader van een WSNP-traject van [verzoekster] verwacht wordt dat zij alsnog een verwijzingsprocedure start tegen [verweerster] als vervolg op de vernietiging door Uw Raad in 2017 van het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden waarin de onderbedeling van [betrokkene 1] werd vastgesteld44. Uit deze stelling zou volgens [verzoekster] volgen dat [verweerster] met de acceptatie van de door [verzoekster] aangeboden regeling beter af is dan bij toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.

2.38.

Deze klacht lijkt mij ook geen doel te kunnen treffen, omdat ik niet inzie waarom uit deze stelling zou moeten volgen dat [verweerster] om deze reden beter af zou zijn bij acceptatie van het aangeboden akkoord. Zeker nu [verzoekster] in de procedure aangeeft dat zij de verwijzingsprocedure nog niet is gestart, omdat zij dit psychisch te belastend zou vinden45. De stelling van [verzoekster] is met andere woorden met onzekerheden omgeven: onzeker of die die procedure na verwijzing er ooit komt en wat daarvan de uitkomst zal zijn (al ligt inderdaad in de rede dat die een lagere schuld van [verzoekster] aan [verweerster] zal opleveren). Het hof hoefde deze stelling volgens mij niet te betrekken bij de gemaakte hypothetische resultaatsvergelijking. De overweging is om de in de klacht aangedragen reden niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, mede in het licht van het gegeven dat dat de rechter niet steeds alle door een partij aangedragen stellingen uitdrukkelijk in zijn motivering behoeft te betrekken46.

2.39.

Op deze gronden kom ik tot de slotsom dat het cassatieberoep faalt.

3 Conclusie

Ik concludeer tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 De feiten zijn gebaseerd op rov. 3.1 t/m 3.6 van het bestreden arrest: Hof Arnhem-Leeuwarden 18 maart 2021 (zaaknr. 200.290.081/01) en het procesverloop op rov. 1.1 t/m 2.1 van dat arrest en rov. 1.1 van het vonnis van in eerste aanleg: Rb. Noord-Nederland 4 februari 2021 (zaak- en rekestnummers C/17/174478 / FT RK 20/488 en C/17/174479 / FT RK 20/489).

2 Het hof noemt een afwijkende totaalschuld, nl. € 1.214.749, 69 en een € 2000 lagere schuld aan [verweerster] , maar dat zijn bedragen die ik niet kan thuisbrengen, zodat ik ben uitgegaan van de bedragen gespecificeerd in prod. 2 van het inleidende verzoekschrift.

3 “Onderbedeling” valt hier steeds tussen aanhalingstekens te lezen: het gaat om aansprakelijkheid voor een grote hypothecaire restschuld van de in de voormalige beperkte huwelijksgoederengemeenschap vallende voormalige echtelijke woning van [verzoekster] en [betrokkene 1] . De hypotheeklast was veel groter dan de begrote waarde van de hypothecair verbonden zaak.

4 Het bij het hof opgevraagde p-v is op 21 april 2021 aangetekend aan de advocaat van [verzoekster] verstuurd met een termijn voor aanvulling tot en met 4 mei 2021. Binnen die termijn is geen aanvulling ontvangen.

5 Dit is deels ontleend aan het juridisch kader dat is geschetst in de conclusie van A-G De Bock van 24 juni 2020, ECLI:NL:PHR:2020:703 (X/Gemeente Rotterdam en Wehkamp), punten 2.2 e.v. De nu volgende inleiding stemt ook deels overeen met die in mijn conclusie van 23 februari 2021, ECLI:NL:PHR:2021:160, punten 3.3-3.6.

6 Wet van 24 mei 2007, Stb. 2007, 192.

7 Kamerstukken II 2004-2005, 29 942, nr. 3 (MvT), p. 17.

8 Kamerstukken II 2004-2005, 29 942, nr. 3 (MvT), p. 3 (onder 5).

9 Kamerstukken II 2005-2006, 29 942, nr. 7 (NaV), p. 5-6.

10 Engberts, GS Faillissementswet, art. 287a Fw, aant. 5.4.4.

11 Vgl. HR 30 januari 1920, NJ 1920, p. 233.

12 Engberts, GS Faillissementswet, art. 287a Fw, aant. 5.4.4.

13 Idem.

14 Idem en Engberts, T&C Insolventierecht, art. 287a Fw, aant. 2. .

15 Kamerstukken II 2004-2005, 29 942, nr. 3 (MvT), p. 17.

16 Kamerstukken II 2004-2005, 29 942, nr. 3 (MvT), p. 18.

17 Rb. Almelo 4 februari 1998, JOR 1998/66 m.nt. A.D.W. Soedira.

18 Rb. Zwolle 2 februari 2001, ECLI:NL:RBZWO:2001:AH8399, KG 2001/136.

19 Kamerstukken II 2004-2005, 29 942, nr. 3 (MvT), p. 18.

20 Engberts, T&C Insolventierecht, art. 287a Fw, aant. 4.

21 Wessels Insolventierecht IX, 2017/9065m.

22 Art. 3.2.3.3-3.2.3.4 Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken (te vinden op www.rechtspraak.nl.

23 Kamerstukken II 2005-2006, 29 942, nr. 7 (NaV), p. 39; Wessels Insolventierecht nr. IX 2017/9065e.

24 Zie nader Engberts, GS Faillissementswet, art. 287a Fw, aant. 5.4.5.1-5.4.5.2.

25 Wessels Insolventierecht IX 2017/9065c.

26 HR 14 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0966, NJ 2013/43, JOR 2013/123 m.nt. M.Y. Nethe (X/Zorgverzekeraar DSW e.a.).

27 Art. 3.2.3.6. Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken: “De verzoeker laat uiterlijk ter mondelinge behandeling weten of hij zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wenst te handhaven, indien zijn verzoek tot het opleggen van een dwangakkoord wordt afgewezen.” Zie ook Wessels Insolventierecht IX, 2017/9065g.

28 Zie ook Kamerstukken II 2006-2007, 29 942, nr. 10 (Amendement van de leden Weekers en Noorman-Den Uyl); Kamerstukken I 2006-2007, 29 942, C (MvA), p. 6-7.

29 Kamerstukken II 2004-2005, 29 942, nr. 3 (MvT), p. 18; Wessels Insolventierecht IX, 2017/9065p.

30 Onder a. t/m d. wordt in onderdeel 1 een parafrase van de weergave door het hof van de argumenten van [verzoekster] in appel gegeven, waar de toelichting op de klachten vervolgens op aanhaakt.

31 Vgl. HR 12 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7799, NJ 2006/230 m.nt. P. van Schilfgaarde, TvI 2006/22 m.nt. C.M. Harmsen, Ondernemingsrecht 2005/184 m.nt. S.J. Spanjaard (G./Payroll), rov. 3.5.3.

32 Kamerstukken II 2004-2005, 29 942, nr. 3 (MvT), p. 18.

33 Ook in Wessels Insolventierecht IX, 2017/9065b worden deze citaten aangehaald om de ratio van de regeling van het dwangakkoord te omschrijven.

34 Kamerstukken II 2004-2005, 29 942, nr. 3 (MvT), p. 17.

35 Kamerstukken II 2005-2006, 29 942, nr. 7 (NaV), p. 77.

36 Zie uitgebreid over deze verrekeningsproblematiek (overigens in een kinderalimentatiezaak, maar dat maakt voor de relevante punten die in onze zaak aan de orde zijn hier geen verschil) de conclusie van A-G De Bock van 24 januari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:55, punten 3.10-3.32. In onze zaak is niet voldoende concreet aangevoerd dat hier sprake is van handelen in strijd met de redelijkheid en billijkheid of misbruik van recht. Mogelijk kan dat in de procedure na cassatie uit 2017 nog aan de orde komen, dat valt voor mij niet te overzien.

37 Zie o.m. zittingsp-v in appel p. 3, 1e alinea, waarin hij gemotiveerd bestrijdt dat sprake is van fiscale voordelen en aangeeft dat de ratio voor de cessie was dat [verweerster] ook hypotheekverstrekker is voor het registergoed.

38 Het hof baseert dit klaarblijkelijk op deze passage uit het zittingsp-v in appel van 10 maart 2021, p. 2, 2e alinea, waarin als uiting van de advocaat van [verzoekster] wordt opgetekend: “Ik heb destijds de hoogte van de onderdekking voor het gezamenlijke vastgoed van [verzoekster] en [betrokkene 1] onderzocht en kwam uit op een bedrag van € 900.000,- waarvan de helft van € 450.000,- voor rekening van [verzoekster] zou zijn.” In de andere stukken van het overgelegde dossier heb ik geen concrete(re) benadering van wat het restschulddeel van [verzoekster] volgens haar zou zijn aangetroffen; wel dat de in het inleidende verzoekschrift opgevoerde schuldbedrag aan [verweerster] van (inmiddels na gedeeltelijke aflossing vanaf € 725.000 teruggelopen tot) € 674.842 (t.t.v. het appelverweerschrift, vgl. onder 37, verder teruggelopen tot € 652.912,-) tonnen minder zou moeten zijn (uiteindelijk vast te stellen in de overigens nog steeds niet aangevangen procedure na verwijzing na cassatie uit 2017), maar het hof knoopt bij deze meest concrete uiting van de eigen advocaat van [verzoekster] ter zitting aan in rov. 3.10.

39 Zonder problematische schuld die niet volledig kan worden voldaan, zal het niet snel tot een gedwongen schuldregeling komen, vgl. Engberts, GS Faillissementswet, art. 287a Fw, aant. 5.4.5.5.

40 Vgl. HR 12 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7799, NJ 2006/230 m.nt. P. van Schilfgaarde, TvI 2006/22 m.nt. C.M. Harmsen, Ondernemingsrecht 2005/184 m.nt. S.J. Spanjaard (G./Payroll), rov. 3.5.3: “[…] De omstandigheid dat een schuldeiser de slechte financiële positie van de schuldenaar of diens dreigende faillissement kent of behoort te kennen, zal in het algemeen niet voldoende zijn om de gevolgtrekking te wettigen dat die schuldeiser misbruik maakt van zijn bevoegdheid te weigeren met het hem aangeboden buitengerechtelijk akkoord in te stemmen. […]”

41 B.T.M. van der Wiel, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2019/105.

42 De vordering van [verweerster] op [verzoekster] betreft een door [betrokkene 1] aan [verweerster] gecedeerde vordering uit hoofde van onderbedeling in het kader van de verdeling van de beperkte huwelijksgemeenschap waarin [verzoekster] en [betrokkene 1] waren gehuwd (zie hiervoor, 1.3). Deze verdeling is uitgesproken in een beschikking van hof Arnhem-Leeuwarden van 28 juni 2016, zaaknr. 200.170.357, waarin een aantal verwijten van [verzoekster] aan [betrokkene 1] van de hand zijn gewezen (rov. 5.6-5.7). De in cassatie door [verzoekster] tegen deze overwegingen van het hof gerichte klachten zijn door Uw Raad verworpen onder toepassing van art. 81 RO. Zie HR 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1358, RvdW 2017/874, rov. 3.4 en de aan dat arrest voorafgaande conclusie van A-G Wuisman van 12 mei 2017, ECLI:NL:PHR:2017:463, punten 2.18 e.v.

43 Voorbeelden van expliciete weging van de belangen van andere schuldeisers geeft Engberts, GS Faillissementswet, art. 287a Fw , aant. 5.4.5.7.

44 HR 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1358, RvdW 2017/874.

45 Zie bijv. haar eigen betoog overgelegd als prod. A bij het appelschrift (achter tabblad 14 van het overgelegde dossier), eennalaatste blz: “Doorprocederen kan ik niet meer aan, dat is een te zware belasting voor mij. Gevolg daarvan is wel dat niet definitief vastgesteld kan worden of mijn schuld aan [betrokkene 1] inderdaad het bedrag is waar hij vanuit gaat.” Overigens is door [verzoekster] een schikkingsvoorstel zijdens [betrokkene 1] om tot finale kwijting te komen met gesloten beurzen van de hand gewezen, vgl. overgelegde e-mailwisseling als prods. 1-3 bij de achter tabblad 7 overgelegde e-mail van mr. Van Smeden aan de rechtbank van 17 november 2020.

46 HR 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1200, NJ 2015/234 (Stokke e.a./Hauck), r.o. 3.1. Zie in dezelfde zin met betrekking tot art. 6 EVRM bijv. EHRM 19 april 1994, ECLI:CE:ECHR:1994:0419JUD001603490, NJ 1995/462, m.nt. E.A. Alkema (Van den Hurk), r.o. 61.