Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:574

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
15-06-2021
Datum publicatie
16-06-2021
Zaaknummer
20/02436
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHDHA:2020:1484
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1251
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Mishandeling van 'levensgezel'. Art. 304 Sr. Bewezenverklaring van bestanddeel 'levensgezel' toereikend gemotiveerd? Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2021/145 met annotatie van Oort, C. van
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/02436

Zitting 15 juni 2021

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

hierna: de verdachte.

Inleiding

  1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 7 augustus 2020 het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 4 januari 2019 bevestigd, waarbij de verdachte wegens “poging tot zware mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met aftrek van voorarrest en tot het betalen van een schadevergoeding aan het slachtoffer.

  2. Namens de verdachte hebben mrs. R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.

Tweede middel

3. Ik begin met de bespreking van het tweede middel dat de klacht bevat dat ontoereikend gemotiveerd is bewezenverklaard dat de verdachte de mishandeling heeft begaan tegen zijn ‘levensgezel’ als bedoeld in art. 304 Sr. De stellers van het middel voeren hiertoe aan dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat tussen de verdachte en aangeefster sprake is van een zodanig nauwe persoonlijke betrekking van een zekere dichtheid dat aangeefster kan worden aangemerkt als de levensgezel van de verdachte, terwijl een nadere motivering ontbreekt. De bewezenverklaring is zodoende onvoldoende met redenen omkleed, zodat het hof het vonnis waarvan beroep ten onrechte heeft bevestigd, aldus de toelichting op het middel.

4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij, op 21 oktober 2017 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn levensgezel, [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen, met gebalde handen tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid”.

5. Voor de bewezenverklaring zijn door de rechtbank in het door het hof bevestigde vonnis de volgende bewijsmiddelen gebruikt:

1. De verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 4 januari 2019, inhoudende:

Ik heb de foto’s gezien van het letsel van aangeefster. Dat komt door mij, dat heb ik gedaan. Ik heb haar met een vlakke hand geslagen. Ik kan heel hard slaan. Ik heb haar drie, hoogstens vier klappen gegeven.

2. Het proces-verbaal van verhoor, nummer 13, pagina’s 32 tot en met 36 in het proces-verbaal met dossiernummer PL1700-2017333561, van politie eenheid Rotterdam, district Rijnmond-Oost, inhoudende als verklaring van verdachte :

Ik heb gisteren (de politierechter begrijpt: 20 oktober 2017) met mijn vriendin (de politierechter begrijpt: [slachtoffer] ) wat gedronken. Ik heb haar met mijn vlakke hand geslagen, niet met mijn vuist.

3. Het proces-verbaal van aangifte, nummer 1, pagina’s 6 tot en met 9 in het proces-verbaal met dossiernummer PL1700-2017333561, van politie eenheid Rotterdam, district Rijnmond-Oost, inhoudende als verklaring van aangeefster [slachtoffer]:

Nadat ik 22 september 2017 aangifte tegen [verdachte] heb gedaan, heeft hij zo op mij ingepraat, dat ik hem geloofde. Hij zei dat de politie ons kapot wilde maken. Ik dacht: het zal wel zo zijn omdat hij meer ervaring had met de politie. Hij weet hoe dat allemaal werkt. Hij heeft mij uiteindelijk toch weer overtuigd zodat ik weer een relatie met hem aan ben gegaan.

(...) [verdachte] begon met zijn vuisten in mijn gezicht te slaan. Voor mijn gevoel duurde het echt uren. [verdachte] bleef maar doorgaan met slaan tegen mijn hoofd. Ik denk dat hij met beide vuisten sloeg. Ik voelde alleen maar pijn aan mijn hoofd en bij elke klap leek het net of mijn hersenen schudden. Elke keer leek het of ik zwart zag. Ik weet wel dat hij tegen mij zei: “kom, opstaan”. Volgens mij dacht hij echt dat ik dood was.

Toen ik mezelf in de spiegel zag schrok ik me dood. Ik herkende mezelf niet. Ik zag dat mijn oog helemaal dicht zat. Ik bloedde uit mijn neus, had bloed op mijn gezicht. Ik had verschrikkelijke hoofdpijn.

Ik heb foto’s van mijn letsel laten maken welke bij mijn aangifte gevoegd mogen worden.

4. Het proces-verbaal van aangifte, nummer 16, pagina’s 18 en 19 in het proces-verbaal met dossiernummer PU700-2017333561, van politie eenheid Rotterdam, district Rijnmond-Oost, inhoudende als verklaring van aangeefster [slachtoffer]:

Ik denk dat het ongeveer 01.30 uur is geweest dat hij mij ging slaan.

5. Het proces-verbaal van bevindingen, nummer 2, pagina’s 24 en 25 in het proces-verbaal met dossiernummer PL1700-2017333561, van politie eenheid Rotterdam, district Rijnmond-Oost, inhoudende als relaas van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] of één van hen :

Op zaterdag 21 oktober 2017, omstreeks 09.00 uur werden wij door een centralist van het operationeel centrum van de politie eenheid Rotterdam verzocht ter plaatse te gaan aan de [a-straat 1] te [plaats] . Wij hoorden dat deze centralist ons mededeelde dat een vrouw zojuist de politie had gebeld en had verklaard dat ze gisterenavond is geslagen.

6. Een ander geschrift bevattende medische informatie betreffende letselbeschrijving van Forensisch Artsen Rotterdam Rijnmond, opgemaakt door de arts D. Strop, pagina 10 in het proces-verbaal met dossiernummer PL1700-2017333561, van politie eenheid Rotterdam, district Rijnmond-Oost, inhoudende:

Zwelling rechts onder en bovenooglid, bloeding van het oogwit en een breuk van de oogkasbodem rechts.”

6. Art. 304 Sr luidt, voor zover hier van belang:

“De in de artikelen 300-303 bepaalde gevangenisstraffen kunnen met een derde worden verhoogd:

1°. ten aanzien van de schuldige die het misdrijf begaat tegen zijn moeder, zijn vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat, zijn echtgenoot, zijn levensgezel, zijn kind, een kind over wie hij het gezag uitoefent of een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin of een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige;

[...]”

7. De betekenis van het strafverzwarende bestanddeel ‘levensgezel’ is door de Hoge Raad in eerdere arresten afgeleid uit de toelichting in de nota van wijziging bij het wetsvoorstel waarbij het bestanddeel ‘levensgezel’ aan art. 304 Sr is toegevoegd. Daarin staat het volgende over de betekenis van het bestanddeel:

“Met het begrip «levensgezel» wordt aangesloten bij de algemene aanwijzingen voor de regelgeving (AR 72a), waarin dit begrip is aangewezen voor twee meerderjarigen die, anders dan als elkaars echtgenoot, «met elkaar een nauwe persoonlijke betrekking onderhouden». Het begrip komt momenteel in ongeveer tien andere wetten voor – o.a. het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Faillissementswet en de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens –, vaak naast de begrippen echtgenoot en geregistreerde partner.

Bij de beoordeling of sprake is van een «levensgezel» zijn de volgende aspecten van belang:

- of sprake is van een gemeenschappelijke huishouding

- de duur van de gemeenschappelijke huishouding

- of er een relatie van affectieve aard is, en met name

- of betrokkenen kennelijk uitgaan van een nauwe lotsverbondenheid.

Doorslaggevend is in het begrip «levensgezel» evenwel, als gezegd, de nauwe persoonlijke betrekking van een zekere hechtheid. Het moet gaan om een relatie die qua hechtheid vergelijkbaar is met die tussen echtgenoten of geregistreerde partners. Deze is niet per se met het enkele feit van het samenwonen gegeven en vereist ook niet per se dat betrokkenen met elkaar samenwonen.”1

8. Gelet op deze wetsgeschiedenis, is de Hoge Raad in eerdere arresten betrekkelijk streng geweest bij de beantwoording van de vraag of de bestreden uitspraak voldoende inhoudt omtrent de in voormelde toelichting bedoelde aard en hechtheid van de betrekking tussen de verdachte en de aangeefster voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘levensgezel’. Zo achtte de Hoge Raad daarvoor onvoldoende dat de bewijsmiddelen slechts inhouden dat het slachtoffer en de verdachte elkaar geruime tijd kennen en het slachtoffer de verdachte als haar “vriend” aanduidt2 of dat het slachtoffer aangeeft een “relatie” te hebben met de verdachte.3 Ook onvoldoende was de bewijsvoering waaruit slechts blijkt dat het slachtoffer “klappen had gehad van haar vriend” nadat zij tegen de verdachte had gezegd dat ze niet met hem wilde trouwen.4 Wél voldoende was de bewijsvoering waaruit blijkt dat de verdachte en het slachtoffer, die beiden dakloos waren, gedurende een periode van ongeveer zes maanden dag en nacht samen hadden opgetrokken, dat de verdachte de zorg voor het slachtoffer – die gebruik maakte van een rolstoel – op zich had genomen, dat het slachtoffer zich ten opzichte van de verdachte moest verantwoorden over haar doen en laten en dat er sprake was van seksuele omgang tussen de verdachte en het slachtoffer.5

9. In de onderhavige zaak houden de bewijsmiddelen niets anders over de aard en hechtheid van de betrekking tussen de verdachte en de aangeefster in dan dat de verdachte de aangeefster als zijn “vriendin” aanduidt en dat de aangeefster aangeeft dat zij weer een relatie met de verdachte is aangegaan. In het licht van de wetsgeschiedenis en de hiervoor behandelde eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad acht ik het oordeel dat de aangeefster als ‘levensgezel’ in de zin van art. 304 Sr kan worden aangemerkt daarmee niet toereikend gemotiveerd.

10. Het middel is terecht voorgesteld.

Eerste en derde middel

11. Nu mijn conclusie ten aanzien van het tweede middel meebrengt dat de zaak dient te worden teruggewezen naar het hof, laat ik een bespreking van het eerste en derde middel achterwege. Mocht de Hoge Raad anders oordelen over het tweede middel, dan ben ik uiteraard tot nader concluderen bereid.

Slotsom

12. Het tweede middel slaagt.

13. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Kamerstukken II 2002/03, 28 484, nr. 5, p. 5, geciteerd in: HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:104, r.o. 4.3, HR 29 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1075, r.o. 3.2.2, HR 30 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:113, r.o. 3.3.2, HR 9 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1875, r.o. 3.2.2 en HR 5 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:246, r.o. 3.2.2.

2 HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:104.

3 HR 29 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1075 en HR 5 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:246.

4 HR 9 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1875.

5 HR 30 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:113.