Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:573

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-09-2021
Datum publicatie
14-09-2021
Zaaknummer
20/01668
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Ontvankelijkheid cassatieberoep. Brief van vertegenwoordiger als bedoeld in art. 450.1.b Sv kennelijk opgevat als bijzondere schriftelijke volmacht om namens de klager beroep in cassatie in te stellen. Conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/01668 B

Zitting 14 september 2021

CONCLUSIE

A.E. Harteveld

In de zaak

[klager],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1952,

hierna: de klager.

1 Inleiding

1.1.

De rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, heeft bij beschikking van 8 januari 2020 het klaagschrift van de klager, strekkende tot opheffing van het beslag op en teruggave aan hem van een onder een ander inbeslaggenomen personenauto, ongegrond verklaard.

1.2.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en mr. D.P. Kant, advocaat te Almelo, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2 Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

2.1.

Voorafgaand aan de bespreking van het middel, dient in deze zaak de vraag naar de ontvankelijkheid van het cassatieberoep aan de orde te worden gesteld.1

2.2.

Bij de stukken van het geding bevindt zich een akte instellen cassatie. Deze akte houdt het volgende in:

“Op 28 februari 2020 kwam ter griffie van deze rechtbank, [betrokkene 1], die - daartoe gemachtigd blijkens de aan deze akte gehechte brief welke dient te worden beschouwd als een bijzondere volmacht - verklaarde namens

[klager],

geboren op [geboortedatum] 1952 te [geboorteplaats]

(…)

beroep in cassatie in te stellen tegen de beschikking m.b.t. Klaagschrift beslag / ontoegankelijke gegevens, door de enkelvoudige raadkamer in deze rechtbank, locatie Almelo, op 08 januari 2020 gegeven.”

2.3.

Aan deze akte zijn drie stukken gehecht. Het eerste stuk betreft een brief van 10 maart 2020 van de Hoge Raad aan de strafgriffie van de rechtbank Overijssel met als onderwerp “doorsturen correspondentie”. Deze brief houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“Hierbij stuur ik u de op 28 februari 2020 bij de Hoge Raad binnengekomen brief van [betrokkene 2], namens [klager].

Uit de brief kan worden opgemaakt dat de betrokkene het niet eens is met de beschikking van de Rechtbank in de zaak met het nummer 19/9964.

Of de inhoud van de brief kan worden opgevat als een bijzondere schriftelijke volmacht tot het instellen van een rechtsmiddel als bedoeld in art. 450 Sv laat ik ter beoordeling van de griffier van uw Rechtbank.

Ik verzoek u de bijgaande brief verder af te handelen.”

2.4.

Verder is aan de akte een handgeschreven stuk gehecht dat blijkens de daarop geplaatste stempel op 28 februari 2020 bij de Hoge Raad is ingekomen en dat het volgende inhoudt:

“Hierbij machtig ik [klager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1952 en wonende aan de (…), [betrokkene 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1949, en wonende/kantoorhoudende aan de (…), om voor mij een bezwaarschrift op te stellen en te sturen aan de Hoge Raad en verder voor mij op te treden en de zaak verder te behandelen als dat nodig mocht blijken.

Almelo, 20 januari 2020

[klager]

[handtekening]”

2.5.

Ten slotte is aan de akte een brief afkomstig van [betrokkene 2] en gericht aan de Hoge Raad gehecht. Deze brief gedateerd 27 februari 2020, die blijkens de daarop geplaatste stempel op 28 februari 2020 is ingekomen bij de Hoge Raad, houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“BEROEP IN CASSATIE

Geachte [betrokkene 3],

Hierbij sturen wij u een beschikking van de Rechtbank Overijssel, locatie Almelo. Wij sturen deze te uwer attentie, omdat wij deze zaak telefonisch al met u besproken hebben.

Wij hebben de volgende opmerkingen over de beschikking.

(…)

De beschikking is dus ongeldig en het beslag onrechtmatig, met alle gevolgen van dien. De Hoge Raad kan derhalve maar één oordeel vellen.

Wij verzoeken, namens klager, de Hoge Raad het beroep, gezien de feiten, omstandigheden en (vorm)fout(en), dan ook gegrond te verklaren en het voertuig van [klager] vrij te geven.

(…)

Bijlagen:

Beschikking van 8 januari 2020, klaagschriftnr. 19/9964.

Machtiging van [klager].”

2.6.

Het voorgaande roept de vraag op of op de juiste wijze beroep in cassatie is ingesteld. In dat kader is art. 450 Sv relevant, welke bepaling als volgt luidt:

“1. Het aanwenden van de rechtsmiddelen, bedoeld in artikel 449, kan ook geschieden door tussenkomst van:

a. een advocaat, indien deze verklaart daartoe door degene die het rechtsmiddel aanwendt, bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd;

b. een vertegenwoordiger die daartoe persoonlijk, door degene die het rechtsmiddel aanwendt, bij bijzondere volmacht schriftelijk is gemachtigd.

2. Indien de overeenkomstig het eerste lid gemachtigde hoger beroep tegen de einduitspraak instelt, brengt de machtiging tevens mede dat de gemachtigde de oproeping van de verdachte voor de terechtzitting in hoger beroep in ontvangst neemt.

3. Aan een schriftelijke bijzondere volmacht, verleend aan een medewerker ter griffie, tot het voor de verdachte aanwenden van het rechtsmiddel wordt slechts gevolg gegeven indien de verdachte daarbij instemt met het door deze medewerker ter griffie van het gerecht waar het rechtsmiddel wordt ingesteld voor de verdachte aanstonds in ontvangst nemen van de oproeping. De verdachte geeft een adres op voor de ontvangst van een afschrift van de dagvaarding.

(…)”

2.7.

In zijn arrest van 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7810, NJ 2010/102, m.nt. Borgers heeft de Hoge Raad beslist dat een advocaat, hoewel dat in art. 450 Sv niet is geregeld, onder in dat arrest nader omschreven voorwaarden een rechtsmiddel kan aanwenden door middel van het verlenen van een schriftelijke bijzondere volmacht aan een griffiemedewerker. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt echter dat deze mogelijkheid om een griffiemedewerker schriftelijk te machtigen om een rechtsmiddel aan te wenden niet geldt voor een vertegenwoordiger in de zin van art. 450 lid 1 onder b Sv. In dat kader wijs ik op HR 5 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3071, NJ 2018/49, m.nt. Kooijmans.2 Daarin overwoog de Hoge Raad, voor zover hier van belang, het volgende:

“2.4.2. Ingevolge art. 450, eerste lid aanhef en onder b, Sv kan het aanwenden van een rechtsmiddel (ook) geschieden door een vertegenwoordiger van de verdachte die daartoe persoonlijk door degene die het rechtsmiddel aanwendt, bij bijzondere volmacht schriftelijk is gemachtigd. Die aldus gemachtigde vertegenwoordiger van de verdachte dient zelf ter griffie te verschijnen en aldaar die volmacht over te leggen. Is deze niet in het bezit van een volmacht dan zal het opmaken van een akte achterwege dienen te blijven. Overigens ligt het in een dergelijk geval waarin de gemachtigde vertegenwoordiger ter griffie verschijnt, op de weg van de griffieambtenaar hem te wijzen op het vereiste van een bijzondere volmacht en de daaraan te stellen eisen, waarbij dan alsnog de gelegenheid dient te worden geboden om een dergelijke volmacht tijdig ter griffie over te leggen. De wet biedt niet de mogelijkheid dat een dergelijke volmacht anders dan in persoon ter griffie wordt overgelegd. (Vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2496, NJ 2010/461).

2.4.3. Gelet hierop en in aanmerking genomen hetgeen onder 2.3.1 is weergegeven, getuigt het oordeel van het Hof dat het hoger beroep niet op de juiste wijze tijdig is aangewend en dat de verdachte om die reden niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn hoger beroep, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het ook niet onbegrijpelijk. Daarbij verdient nog opmerking dat, anders dan het middel tot uitgangspunt neemt, in dit verband niet relevant is of ter terechtzitting in hoger beroep de verdachte of een door hem op de voet van art. 279 Sv gemachtigde raadsman is verschenen en deze aldaar heeft verklaard dat de verdachte de wens had om op rechtsgeldige wijze hoger beroep in te stellen; die omstandigheid is immers specifiek van belang bij een onvolkomen volmacht door advocaten die, anders dan bijzonder gemachtigden, wel hoger beroep door middel van een schriftelijke volmacht kunnen instellen (vgl. HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV6999, NJ 2012/426). Opmerking verdient bovendien dat de hiervoor onder 2.4.2 bedoelde informatieplicht voor de griffie beperkt is tot een geval waarin de bijzonder gevolmachtigde ter griffie verschijnt.”

2.8.

Verder overwoog de Hoge Raad in zijn arrest van 31 maart 2020 over het doen van verzet tegen een strafbeschikking door een schriftelijk gemachtigde, voor zover hier van belang, het volgende:

“2.4 Op grond van artikel 257e lid 3 Sv kan het doen van verzet (ook) geschieden door een bij bijzondere volmacht door de verdachte schriftelijk gemachtigde. Die aldus schriftelijk gemachtigde dient zelf op het parket te verschijnen en aldaar die volmacht over te leggen. De wet biedt niet de mogelijkheid dat een dergelijke volmacht anders dan in persoon op het parket wordt overgelegd. (Vgl. ten aanzien van de vertegenwoordiger van de verdachte als bedoeld in artikel 450 lid 1, aanhef en onder b, Sv HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2496).

2.5 Gelet hierop en in aanmerking genomen dat het hof heeft vastgesteld dat het verzet door de gemachtigde schriftelijk is gedaan onder bijvoeging van de schriftelijke volmacht, getuigt het oordeel van het hof dat het verzet niet op de juiste wijze is gedaan en dat de verdachte om die reden niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzet, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het ook niet onbegrijpelijk. Daarbij verdient nog opmerking dat, anders dan het middel tot uitgangspunt neemt, in dit verband niet relevant is of ter terechtzitting in hoger beroep de verdachte of een door hem op de voet van artikel 279 Sv gemachtigde raadsman is verschenen en de verdachte onderscheidenlijk de gemachtigde raadsman aldaar heeft verklaard dat de verdachte de wens had om op rechtsgeldige wijze verzet te doen; die omstandigheid is immers specifiek van belang bij een onvolkomen volmacht door advocaten die een gewoon rechtsmiddel als bedoeld in de artikelen 449-452 Sv instellen of verzet als bedoeld in artikel 257e Sv doen, omdat zij, anders dan bijzonder gemachtigden, een gewoon rechtsmiddel door middel van een schriftelijke volmacht kunnen instellen en schriftelijk verzet kunnen doen bij een aan de officier van justitie gerichte brief (vgl. met betrekking tot gewone rechtsmiddelen HR 5 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3071).”3

2.9.

Uit het voorgaande volgt dat een vertegenwoordiger in de zin van art. 450 lid 1 onder b Sv thans niet door middel van een schriftelijke volmacht een rechtsmiddel kan aanwenden, maar daartoe in persoon ter griffie dient te verschijnen en aldaar de volmacht van degene die het rechtsmiddel aanwendt dient over te leggen. Daarbij verdient opmerking dat hier in het kader van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering mogelijk verandering in komt. In de ambtelijke versie van juli 2020 van het wetsvoorstel tot vaststelling van het nieuwe Wetboek van Strafvordering is in het tweede lid van art. 5.2.2 voorzien in de mogelijkheid om een rechtsmiddel in te stellen of in te dienen door een vertegenwoordiger die daartoe door degene die het rechtsmiddel aanwendt specifiek schriftelijk is gemachtigd. Verzet, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie kunnen volgens het derde lid van die bepaling worden ingesteld langs elektronische weg, via de post en door mededeling. Op al deze wijzen zou de vertegenwoordiger een rechtsmiddel kunnen instellen, aldus de memorie van toelichting.4

2.10.

Vooralsnog blijft echter staan dat een vertegenwoordiger in de zin van art. 450 lid 1 onder b Sv niet door middel van een schriftelijke volmacht een rechtsmiddel kan aanwenden, maar daartoe in persoon ter griffie dient te verschijnen. In deze zaak is de vertegenwoordiger van de klager echter niet ter griffie verschenen, maar is de brief van de vertegenwoordiger kennelijk opgevat als een bijzondere schriftelijke volmacht om namens de klager beroep in cassatie in te stellen. De wet voorziet echter niet in die mogelijkheid, zodat niet op rechtsgeldige wijze beroep in cassatie is ingesteld.

2.11.

Daarnaast volgt uit de hiervoor aangehaalde arresten dat de omstandigheid dat door de gemachtigde niet op de juiste wijze hoger beroep respectievelijk verzet was ingesteld niet nadien kon worden gerepareerd op de wijze waarop een onvolkomen volmacht door een advocaat kan worden gerepareerd. Datzelfde geldt mijns inziens indien door een vertegenwoordiger niet op de juiste wijze beroep in cassatie is ingesteld, zodat de omstandigheid dat namens de klager een cassatieschriftuur is ingediend door een advocaat die heeft verklaard daartoe door de klager bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd er niet aan afdoet dat het cassatieberoep niet op rechtsgeldige wijze is ingesteld.5

2.12.

Gelet op het voorgaande kan de klager niet in zijn beroep tot cassatie worden ontvangen. Aan een bespreking van het middel kom ik dan ook niet toe.

3 Conclusie

3.1.

Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Daarbij laat ik gelet op art. 552d lid 2 Sv de vraag of het cassatieberoep tijdig is ingesteld buiten beschouwing, aangezien uit de stukken van het geding niet kan worden opgemaakt dat de bestreden beschikking aan de klager is betekend.

2 Zie ook HR 6 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0894, NJ 1998/389, HR 24 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF8528, en HR 31 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG3458.

3 HR 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:551.

4 Memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot vaststelling van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (ambtelijke versie juli 2020), p. 851. Anders dan vertegenwoordigers kunnen advocaten (evenals officieren van justitie en advocaten-generaal) een rechtsmiddel alleen instellen of indienen langs elektronische weg, aldus het voorgestelde vierde lid van art. 5.2.2.

5 Vgl. met betrekking tot de onvolkomen volmacht door een advocaat HR 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3924, NJ 2013/416, m.nt. Borgers.