Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:572

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-06-2021
Datum publicatie
09-06-2021
Zaaknummer
20/00327
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1413
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie plv-AG. UOS. Het hof heeft onvoldoende redenen opgegeven die hebben geleid tot afwijking van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt aangaande de betrouwbaarheid van de verklaringen van een belastende getuige. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/00327

Zitting 8 juni 2021

CONCLUSIE

P.M. Frielink

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,

hierna: de verdachte.

1 Het cassatieberoep

1.1.

De verdachte is bij arrest van 29 januari 2020 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand en tot een taakstraf voor de duur van 120 uren1 met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr. Verder heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij en de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander als bepaald in het bestreden arrest.

1.2.

Er bestaat samenhang met de zaken 20/00299 en 20/00315. In de eerste zaak zal ik vandaag ook concluderen. Het in de laatstgenoemde zaak ingestelde beroep in cassatie is niet meer aan de orde omdat het beroep is ingetrokken vóórdat de zaak voor de eerste keer ter terechtzitting van de Hoge Raad zou worden behandeld.

1.3.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat te Arnhem, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Mr. C.W. Langereis, advocaat te Arnhem, heeft namens de benadeelde partij een schriftuur ingediend houdende één middel van cassatie. Daartegen heeft mr. S.F.W. van ’t Hullenaar namens de verdachte nog een verweerschrift ingezonden.

2 Het namens de verdachte ingediende middel

2.1.

In het middel wordt geklaagd (i) dat het hof heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunten inzake de betrouwbaarheid van de belastende verklaring van [betrokkene 1] en/of (ii) dat de verwerping van het verweer van de raadsman met betrekking tot de bruikbaarheid voor het bewijs van de verklaring van [betrokkene 1] onbegrijpelijk is.

2.2.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 9 september 2015 te Arnhem openlijk, te weten op of aan de openbare weg, de Tivolilaan, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] en de auto van [slachtoffer] , welk geweld bestond uit:

- het schoppen tegen het hoofd van die [slachtoffer] (nadat die [slachtoffer] op de grond is gevallen)

- het slaan tegen het lichaam van die [slachtoffer] , en

- het springen op en trappen tegen en/of slaan op en/of tegen de auto van die [slachtoffer] ”

2.3.

Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

1. Het proces-verbaal aangifte (p. 71-72), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [slachtoffer] :

Ik doe aangifte van mishandeling en vernieling van mijn voertuig, een Audi met als kenteken [kenteken] . Op 9 september 2015 omstreeks 22.00 uur liep ik met [betrokkene 1] uit de Fit For Free-sportschool aan de Tivolilaan in Arnhem. We stonden buiten te praten bij mijn auto, die geparkeerd stond op ongeveer veertig meter afstand van de sportschool. Ik zag auto’s komen aanrijden. Ik zag dat er zeven mensen uitstapten, waaronder een aantal mannen. Ik zag dat een van de auto’s een witte Volkswagen Polo was. Ik zag dat die Polo mijn auto blokkeerde. Ik hoorde kort daarna dat er klappen op mijn auto werden gegeven. Ik zag dat iemand op mijn auto sprong en op het dak ging staan. Ik zag dat diegene in de richting van mijn hoofd schopte en mij achter op mijn hoofd raakte. Tegelijkertijd zag ik dat de overige mannen mij aanvielen en ik voelde dat ze mij sloegen tegen mijn hoofd.

2. Het proces-verbaal van verhoor aangever (p. 76-80), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van de aangever:

V: Hoe ben je weggekomen? [Het hof begrijpt: van het ten laste gelegde geweld.]

A: Ik wilde in de richting van de sportschool vluchten, maar die weg was te lang. Ik ben toen door een slootje gerend. Hierdoor was ik helemaal nat.

3. 3. Het proces-verbaal van verhoor getuige (p. 82-83), voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1] :

4. Ik ben vandaag, 9 september 2015, getuige geweest van een mishandeling van een kennis van mij, met wie ik vandaag ben gaan trainen bij Fit For Free aan de Tivolilaan in Arnhem. Omstreeks 22.40 uur liep ik samen met [slachtoffer] [het hof begrijpt: de aangever] naar buiten om naar huis te gaan. Op de parkeerplaats zag ik een witte Polo aankomen. Deze stopte voor onze auto, waardoor we niet weg konden. Uit de twee voertuigen stapten ongeveer zeven mensen uit. Deze groep bestond onder meer uit [betrokkene 2] , [verdachte] en [betrokkene 3] [het hof begrijpt: [betrokkene 3] ] [betrokkene 3] . Ik zag dat [betrokkene 3] direct ruzie zocht met [slachtoffer] . Ik zag dat [verdachte] op de auto van [slachtoffer] klom. Ik zag dat [verdachte] een ‘low kick’ gaf tegen het hoofd van [slachtoffer] . Ik zag dat [slachtoffer] op de grond viel, waarna de mannen uit de groep [slachtoffer] bleven trappen en slaan.

5. 4. Het proces-verbaal van verhoor getuige (p. 84-90), voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1] :

Na afloop van het geweld zijn we naar binnen gegaan bij de sportschool. [verdachte] schopte [slachtoffer] tegen zijn hoofd. Toen viel [slachtoffer] en daarna heeft hij van meerdere personen klappen gehad, onder anderen van [betrokkene 3] [het hof begrijpt: [betrokkene 3] ] en van [verdachte] . Iedereen schopte [slachtoffer] .

5. Het proces-verbaal van verhoor getuige, welk verhoor op 28 juni 2019 is verricht door de raadsheer-commissaris in het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1] :

Het gaat vandaag over het incident dat heeft plaatsgevonden bij Fit For Free.

Ik heb gezien dat [verdachte] op de auto sprong. Hij stond op het dak toen hij [slachtoffer] trapte. Hij trapte hem tegen zijn achterhoofd.

U, raadsheer-commissaris, vraagt mij of ik kan vertellen wat er gebeurde toen de groep naars ons toe kwam lopen. We werden door hen omsingeld. [betrokkene 3] [het hof begrijpt: [betrokkene 3] ] kwam naar voren en begon te praten. Tijdens dat gesprek sprong [verdachte] op de auto en vanaf dat moment is het geëscaleerd. U, raadsheer-commissaris, vraagt mij of ik kan vertellen welke personen actief hebben meegedaan aan de mishandeling van [slachtoffer] . Sowieso [betrokkene 2] [het hof begrijpt: [betrokkene 2] ], [verdachte] en [betrokkene 3] . Ik heb [betrokkene 2] zien slaan en trappen. [betrokkene 3] heeft [slachtoffer] gestompt, geslagen, geschopt en geduwd.

U vraagt mij hoe [slachtoffer] is gevlucht. Hij was eerst in een slootje gevallen en daarna is hij de sportschool in gerend.

6. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [verbalisant 1] (p. 91), voor zover inhoudende:

Op 9 september 2015 omstreeks 22.33 uur heb ik een aangifte opgenomen betreffende mishandeling van [slachtoffer] . Ik zag dat [slachtoffer] , op het moment waarop hij aangifte deed, een zwelling had aan de rechterzijde van zijn gezicht, boven zijn jukbeen. Ik zag bij [slachtoffer] ook twee kleine krasjes, op zijn neus en borst. Deze krasjes waren rood. Ik hoorde dat [slachtoffer] zei dat hij last had van duizeligheid.

7. Het proces-verbaal sporenonderzoek, opgemaakt door [verbalisant 2] (p. 95-96), voor zover inhoudende:

Op 10 september 2015 werd door mij een onderzoek verricht in verband een geweldsincident dat plaatsvond op 9 september 2015 tussen 22.00 uur en 22.33 uur. Ik ben gegaan naar een sleepbedrijf in Arnhem. Daar stond gestald een Audi met als kenteken [kenteken] . Ik zag deuken in de motorkap boven het linkervoorwiel. Ik zag schoenafdrukken op de motorkap en het dak. Ik zag dat de linkerbuitenspiegel alleen nog aan een draag hing.

8. Het proces-verbaal van verhoor getuige (proces-verbaalnummer: PL0600-2015443102-56), voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 4] [het hof begrijpt: de moeder van [betrokkene 1] ]:

U vertelt mij dat dit verhoor gaat over een voorval van 9 september 2015. Ik kan mij dit voorval nog heel goed herinneren. Ik weet dat die dag geweld is gepleegd tegen [betrokkene 1] en haar vriend [slachtoffer] . [betrokkene 1] vertelde mij dat zij van Fit For Free kwam en dat er geweld tegen haar is gebruikt. Gelijk nadat het gebeurd was, heeft [betrokkene 1] mij gebeld. Zij vertelde mij wat er was gebeurd en was helemaal overstuur.

9. Het proces-verbaal van verhoor getuige (PL0600-2015443102-57), voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 5] [het hof begrijpt: een zus van [betrokkene 1] ]:

Ik weet dat dit verhoor gaat over het geweld dat is gepleegd tegen mijn zus [betrokkene 1] en haar vriend [slachtoffer] . Op de bewuste avond was ik thuis op het adres [a-straat 1] in [plaats] . Ik werd gebeld door mijn zus [betrokkene 1] . Zij klonk heel overstuur. Zij vertelde mij dat zij en [slachtoffer] in elkaar waren geslagen. Ik was dus op het adres [a-straat 1] , waar ik toen woonde. In die woning woont ook [betrokkene 2] . Op 9 september 2015 was ik ’s avonds thuis. Daar waren ook onder anderen [betrokkene 2] en [verdachte] , wiens achternaam ik niet weet. Ongeveer een klein uurtje voordat ik [betrokkene 1] overstuur aan de lijn kreeg, zag ik dat de jongens opstonden. Ik zag dat ze naar buiten liepen en in een witte Volkswagen Polo stapten.

10. Het proces-Verbaal Van verhoor getuige (proces-verbaalnummer: PL0600-2015443102-58), voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 6] :

Mij wordt verteld dat ik word gehoord in verband met een geweldsincident dat heeft plaatsgevonden op 9 september 2015 aan de Tivolilaan in Arnhem. Hierover kan ik het volgende vertellen. Ik werk bij Fit For Free aan de Tivolilaan in Arnhem. Ik zag dat een jongen kwam binnenlopen. Hij was helemaal doorweekt. Ik zag dat zijn kleding helemaal nat was. Ik zag ook dat hij bloed in zijn gezicht had. Die jongen vertelde mij dat hij en zijn vriendin buiten door een groep jongens in elkaar waren geslagen. Hij vertelde dat hij was geslagen en dat hij kon vluchten en daarbij in een sloot was gevallen. Die vriendin kwam iets later. Ik zag dat zij helemaal overstuur was. Ze was aan trillen en zag er bang uit. Ik zag ook dat hij krassen in zijn gezicht had. Ik kon aan die jongen echt zien dat hij zich heeft moeten verdedigen. Ik zag namelijk de krassen en bloed.”

2.4.

Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 januari 2020 blijkt dat de raadsman van de verdachte aldaar het woord tot verdediging heeft gevoerd overeenkomstig zijn pleitnota. In deze pleitnota is te lezen:

1.

De rechtbank oordeelde op p. 4 van het vonnis onder meer dat voor een bewezenverklaring van openlijk geweld niet van belang is het vaststellen van een individuele rolverdeling, maar wel de vaststelling van een significante bijdrage en volgens de rechtbank heeft [verdachte] een wezenlijke bijdrage aan het geweld geleverd. Ik vind dat oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk omdat wil je kunnen spreken van een significante bijdrage je wel zult moeten weten waar die bijdrage min of meer uit heeft bestaan. Anders wordt het giswerk en dat kan nu ook weer niet de bedoeling zijn. Maar met de zes verklaringen die er op dit moment liggen (drie van [betrokkene 1] en drie van [slachtoffer] ) ontkomt u als rechter eigenlijk niet aan gissen, want die verklaringen zijn zo ongeveer op ieder relevant onderdeel innerlijk tegenstrijdig, en ook nog eens tegenstrijdig aan elkaar. Ik maak het wat concreter.

2.1.

Volgens [slachtoffer] in zijn eerste verklaring van 9 september 2015 zou [verdachte] bij het incident betrokken zijn geweest, want hij noemt hem op p. 72 met naam en toenaam en spreekt onder meer van een puntneus en van wallen onder de ogen (let op: hij heeft het daar niet over een litteken en ook niet over een grote neus). Belangrijk is dat hij daar zegt dat de ex-vriend van [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , op zijn auto sprong, op het dak ging staan en hem – [slachtoffer] – vanachter tegen het hoofd schopte. Dat was dus niet [verdachte] . Verder zegt hij dat hij door de overige mannen ook zou zijn aangevallen, want dat voelde hij, maar hij kon niet zien wie hem raakte omdat het donker was. Het zicht was dus beperkt. Hij heeft het daar over twee vrouwen en vijf mannen.

Op 13 oktober 2015 zegt hij dat hij door zeven mannen is omsingeld, in plaats van vijf, en zegt hij dat hij zag dat [verdachte] op zijn auto sprong en hem schopte en is dat niet langer [betrokkene 2] . Achteraf, nadat [slachtoffer] door de RHC is ondervraagd, komt de aap uit de mouw: hij heeft helemaal niet gezien wie er op de auto sprong en hem trapte (p. 3 RHC-verhoór, 4e alinea); hij heeft het geconcludeerd zo zegt hij en [betrokkene 1] had het volgens hem wel gezien. En als klap op de vuurpijl blijkt uit zijn RHC-verhoor dat hij de naam [verdachte] helemaal niet kende maar dat hij de naam [verdachte] van [betrokkene 1] heeft gehoord (p. 4 RHC-verhoor, 5e alinea).

2.2.

Als wij dan naar het verhoor van [betrokkene 1] bij de RHC kijken dan zien wij hoe op dit punt de hazen gelopen hebben: [slachtoffer] heeft na het incident met [betrokkene 1] overleg gehad. Hij gaf een beschrijving

van de persoon die hem op zijn hoofd zou hebben getrapt en dacht dat die [betrokkene 7] heette, maar d.m.v. het signalement wat [slachtoffer] gaf over die persoon, te weten een grote neus en een litteken, corrigeerde [betrokkene 1] hem en maakte hem wijs dat het ging om [verdachte] . En hiermee werd de tweede verklaring van [slachtoffer] bij de politie op 13 oktober 2015 (p. 76 e.v.) geboren: het was dus ineens [verdachte] die op zijn auto was gesprongen en hem tegen zijn hoofd trapte.

3.

Wat schort er allemaal aan de ontstaansgeschiedenis van deze rechtstreekse beschuldiging aan het adres van mijn cliënt op 13 oktober 2015 door [slachtoffer] in zijn tweede verhoor? Ten eerste heeft [slachtoffer] toegegeven dat hij helemaal niet heeft gezien wie er op zijn auto sprong en hem een trap gaf. Hij concludeerde dat, zegt hij, en na het verhoor van [betrokkene 1] weten we dat zij hem dat gewoon in de mond heeft gelegd. Reeds daarom kunnen de verklaringen van [slachtoffer] daar waar hij verklaart dat [verdachte] op zijn auto is gesprongen en een trap heeft gegeven niet voor het bewijs worden gebruikt omdat die onbetrouwbaar zijn. Het is hem in de mond gelegd, dan wel hij heeft op dit punt een conclusie getrokken, maar het is linksom of rechtsom niet een eigen waarneming geweest van hem.

Bovendien zou [slachtoffer] volgens [betrokkene 1] de personen " [betrokkene 7] " en " [verdachte] " door elkaar hebben gehaald, maar dat is niet het geval geweest. [slachtoffer] beschuldigde in zijn eerste verhoor namelijk niet [betrokkene 7] maar [betrokkene 2] van het springen op de auto en het geven van de trap. En over de persoon van [betrokkene 2] kon geen misverstand bestaan want die kende [slachtoffer] al als de ex-vriend van [betrokkene 1] door wie hij ook al eerder zou zijn bedreigd. Dus ook het excuus dat [slachtoffer] [betrokkene 7] per ongeluk met [verdachte] heeft verwisseld kan ook afgeschoten worden.

Daarnaast speelt er nog iets anders. [betrokkene 1] geeft bij de RHC aan dat zij de man die op de auto stond en een trap tegen het hoofd zou hebben gegeven heeft geïdentificeerd door middel van het signalement dat [slachtoffer] van die persoon heeft gegeven, namelijk een grote neus en een litteken, en dat was volgens haar [verdachte] ; echter in de omschrijving van [verdachte] van [slachtoffer] in zijn aangifte (p72) spreekt [slachtoffer] van een puntneus en niet van een grote neus en rept hij niet van een litteken. Derhalve is de identificatie van de persoon die op de auto sprong door [betrokkene 1] op basis van het door [slachtoffer] gegeven signalement ook onbetrouwbaar.

4.

Edelgrootachtbaar college, waaruit blijkt nu eigenlijk dat [verdachte] überhaupt ter plaatse was en dan ook nog eens heeft meegevochten en wat heeft hij dan precies gedaan? Hiervoor gaf ik al aan dat uit de verklaring van [slachtoffer] de aanwezigheid van [verdachte] noch de betrokkenheid van [verdachte] op geen enkele wijze kan worden afgeleid. De enige getuige die beweert dat [verdachte] erbij was is [betrokkene 1] en volgens haar zou [verdachte] op de auto hebben gestaan en een trap tegen het hoofd van [slachtoffer] hebben gegeven. Dat zegt zij namelijk met een zekere stelligheid bij de RHC (p. 3, alinea 4, RHC-verhoor). Echter die stelligheid waarmee zij dat nu zei was de RHC ook al opgevallen en hij confronteerde haar met haar veel minder stellige verklaring bij de politie waarin zij toen nog aangaf dat zij "dacht" dat het [verdachte] was (zie p. 84). Wat mij betreft heeft zij dit opvallende punt niet kunnen ophelderen. Zij wijdt het namelijk aan angst die zij zou hebben gehad, maar als dat echt zo was dan ligt het voor de hand dat zij helemaal geen namen zou hebben genoemd.

Bovendien rijst nog een andere vraag: waarom heeft zij [slachtoffer] om een signalement gevraagd van de persoon die op de auto zou zijn gesprongen (zie hiervoor), als zij het zelf heeft gezien? Zoiets doe je enkel omdat je het of niet gezien hebt, of omdat je niet zeker bent van wat je hebt gezien.

Dit alles betekent dat ook de verklaringen van [betrokkene 1] over het aandeel van [verdachte] (net zoals ten aanzien van [slachtoffer] ) onvoldoende betrouwbaar zijn om tot het bewijs te kunnen worden gebezigd.

5.

Dat [verdachte] op dat dak van die auto heeft gestaan en tegen het hoofd van [slachtoffer] heeft getrapt blijkt onvoldoende uit het bewijs; dat [verdachte] zich onder de andere mannen heeft begeven en [slachtoffer] in dat verband heeft geslagen of geschopt blijkt ook niet voldoende uit het bewijs. Dat heeft men niet goed kunnen waarnemen; daarvoor het was het te donker en ging het te snel. Dat [verdachte] anderszins een bijdrage aan enige vorm van geweld heeft geleverd blijkt ook nergens uit. Vrijspraak moet volgen.

6.

Bovendien rijst nog de vraag, en daar rond ik mee af, of [verdachte] er überhaupt bij is geweest. Uit de verklaringen van [slachtoffer] is dat – zoals ik zojuist aangaf – niet af te leiden. In de kern genomen is het enkel [betrokkene 1] die dat beweert. Hier staat echter de ontkenning van [verdachte] zelf tegenover (p. 125). Het is dus haar verhaal tegen dat van hem en als we dan in ogenschouw nemen dat er tussen de betrokken personen klaarblijkelijk allerlei narigheid in het verleden heeft gespeeld en er allerlei motieven kunnen hebben gespeeld bij het afleggen van de verklaringen, die ook nog eens – ook voor wat betreft [betrokkene 1] - aan alle kanten rammelen, dan zie ik niet in waarom haar verklaring voorrang zou moeten krijgen boven die van mijn cliënt.

Conclusie: het bewijsmateriaal is onvoldoende betrouwbaar om een veroordeling tegen [verdachte] op

te baseren.”

2.5.

Het hof heeft dit verweer als volgt verworpen:

“De raadsman heeft bepleit dat het hof de verdachte zal vrijspreken. Hiertoe is aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat de verklaringen van aangever [slachtoffer] en getuige [betrokkene 1] onvoldoende geloofwaardig en betrouwbaar zijn om te kunnen dienen als bewijsmiddel. Aangezien er onvoldoende bewijs is, behoort de verdachte te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe het volgende.

Aangever [slachtoffer]

Aangever [slachtoffer] is in totaal vier keren gehoord: drie keren door de politie en één keer door de raadsheer-commissaris. Met de verdediging is het hof van oordeel dat de verklaringen van de aangever tegenstrijdigheden bevatten. Zo heeft de aangever op 9 september 2015 verklaard dat [betrokkene 2] op zijn auto sprong, terwijl hij op 13 oktober 2015 heeft verklaard dat [verdachte] degene is die op zijn auto sprong. Ook heeft getuige [betrokkene 1] over de aangever verklaard dat hij haar broertje regelmatig ten onrechte ergens van beschuldigt. De voorliggende vraag is wat dit betekent voor de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangever.

Het hof stelt voorop dat de omstandigheid dat verklaringen van een getuige op onderdelen tegenstrijdig zijn, niet meebrengt dat alle onderdelen van die verklaringen onbetrouwbaar zijn. Met betrekking tot de verklaringen van de aangever is het hof van oordeel dat deze onbetrouwbaar zijn voor zover de aangever daarin bepaalde geweldshandelingen heeft toegeschreven aan bepaalde personen. In zoverre heeft het hof de verklaringen dan ook niet gebruikt voor het bewijs. Het hof acht de verklaringen van de aangever echter wel betrouwbaar voor zover deze inhouden - kort gezegd - dat door een groep personen bepaalde geweldshandelingen zijn verricht tegen hem en zijn auto. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat aangevers verklaringen op onderdelen worden ondersteund door:

- verklaringen van [betrokkene 1] ;

- bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] met betrekking tot het letsel bij de aangever;

- bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] met betrekking tot schade aan de auto van de

aangever en

- de verklaring van getuige [betrokkene 6] , met betrekking tot de wijze waarop de aangever

zijn belagers is ontvlucht.

Concluderend is het hof van oordeel dat de verklaringen van de aangever, voor zover het hof

deze gebruikt voor het bewijs, betrouwbaar zijn.

Getuige [betrokkene 1]

Met betrekking tot de verklaringen van getuige [betrokkene 1] is het hof met de raadsman van oordeel dat het opvallend is dat de getuige enerzijds op 10 september 2015 bij de politie heeft verklaard dat haar broer [betrokkene 8] deel uitmaakte van de groep door wie de aangever is aangevallen, en anderzijds op 1 december 2015 bij de politie heeft verklaard dat die broer er niet bij was. Ter toelichting van deze tegenstrijdigheid heeft de getuige verklaard dat zij aanvankelijk dacht dat haar broertje ter plaatse was omdat een gedeelte van de geweldplegers kwam aanrijden in zijn auto (een witte Volkswagen Polo) en het haar sterk leek dat hij zijn auto zou uitlenen voor dit doeleinde. Later heeft zij echter van haar zus gehoord dat haar broer niet bij het incident aanwezig is geweest, aldus de getuige. In het licht van deze toelichting ziet het hof in de besproken tegenstrijdigheid geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige, voor zover het hof deze gebruikt voor het bewijs. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat de verklaringen over de aanwezigheid van haar broer niet worden gebruikt voor het bewijs en dat deze verklaringen, hoewel ze verband houden met het geweldsincident, niet direct betrekking hebben op verdachtes betrokkenheid hierbij. Ook overigens ziet het hof geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van getuige [betrokkene 1] , voor zover deze verklaringen worden gebruikt voor het bewijs.”

2.6.

Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat het is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om tot het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat deze voor het bewijs van geen waarde acht. Deze selectie en waardering behoeft – behoudens bijzondere gevallen – geen motivering en kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden. De invoering van art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv heeft de vrijheid van de feitenrechter in dit opzicht niet aangetast, zo benadrukt de Hoge Raad. Wel zal de rechter op grond van deze bepaling zijn beslissing(en) in een aantal gevallen nader moeten motiveren, onder meer indien door de verdediging een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen ten aanzien van de betrouwbaarheid van het gebruikte bewijsmateriaal.2

2.7.

De omvang van de motiveringsplicht die door een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in het leven wordt geroepen is in het algemeen niet goed in algemene regels uit te drukken. In dit verband komt onder meer betekenis toe aan de aard van het onderwerp waarop het standpunt betrekking heeft en aan de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten.3 De motiveringsplicht gaat in elk geval niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.4

2.8.

Ik meen met de steller van het middel dat hetgeen door de raadsman bij pleidooi naar voren is gebracht met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige [betrokkene 1] , moeilijk anders kan worden verstaan dan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, dus een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het hof naar voren is gebracht. Het hof is van dit standpunt afgeweken door de verklaringen van [betrokkene 1] voor het bewijs te bezigen.

2.9.

De raadsman heeft over de door [betrokkene 1] afgelegde verklaringen aangevoerd dat en waarom uit haar verklaringen niet kan worden afgeleid dat zij zelf heeft gezien dat de verdachte degene was die op de auto stond en een trap tegen het hoofd van [slachtoffer] heeft gegeven, maar dat zij dit heeft geconcludeerd naar aanleiding van een signalement dat door [slachtoffer] was gegeven. De raadsman heeft er in dit verband op gewezen dat haar weergave van het signalement niet overeenkomt met het daadwerkelijk door [slachtoffer] opgegeven signalement van de persoon die op zijn auto stond en tegen zijn hoofd heeft getrapt. Daardoor zijn haar verklaringen over het aandeel van de verdachte in de openlijke geweldpleging volgens de raadsman onvoldoende betrouwbaar om tot het bewijs te kunnen worden gebezigd en dit raakt – zo begrijp ik – ook de betrouwbaarheidswaarde van hetgeen zij heeft verklaard over de aanwezigheid van de verdachte op de plaats delict (hetgeen de verdachte steeds heeft ontkend).

2.10.

Het hof heeft gemeend in zijn arrest in afzonderlijke bewijsoverwegingen specifiek aandacht te moeten besteden aan de gevoerde verweren. Kennelijk was het hof van oordeel dat in dit geval niet kon worden volstaan met de benadering dat de verwerping van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt ten aanzien van het bewijs geacht kon worden voldoende besloten te liggen in de gebezigde bewijsmiddelen.5 Die weg kan ook niet in alle gevallen worden bewandeld.6

2.11.

Ten aanzien van de door aangever [slachtoffer] afgelegde verklaring zet het hof omstandig uiteen dat het zijn verklaring betrouwbaar acht en voor het bewijs bezigt voor zover deze gaat over de tegen hem en zijn auto verrichte geweldshandelingen (en niet voor zover hij verdachte van die handelingen heeft beschuldigd). Tegen deze heldere en goed gemotiveerde reactie op dit onderdeel van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging wordt in cassatie niet opgekomen. Dat zou ook kansloos zijn geweest.

2.12.

Dat geldt niet voor hetgeen het hof heeft overwogen in verband met de verwerping van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt over de onbetrouwbaarheid van de verklaring van de getuige [betrokkene 1] . Daarop richt de steller van het middel zijn pijlen. In de hierop betrekking hebbende bewijsoverweging geeft het hof immers geen reactie op hetgeen door de raadsman van verzoeker is betoogd. Uit het aan de Hoge Raad ingezonden dossier van een medeverdachte – namelijk het dossier met nummer 20/00315, in welke zaak het cassatieberoep tijdig is ingetrokken – blijkt dat het hof met deze overweging in feite reageert op aspecten uit een betrouwbaarheidsverweer dat in díe zaak is gevoerd door de raadsman van díe medeverdachte. Waarom en/of waardoor die overweging ook in het tegen verzoeker gewezen arrest is opgenomen, is niet duidelijk.7

2.13.

Dat het hof in zijn arrest niet heeft kunnen en willen volstaan met een inhoudelijke reactie op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging die is beperkt tot de onbetrouwbaarheid van de aangever, is niet verwonderlijk gelet op de wijze waarop de verdediging een verband heeft gelegd niet alleen tussen de totstandkoming van de verklaring van de aangever en die van de getuige, maar (daarmee) ook over de inhoud van die beide verklaringen. Doordat het hof in het tegen verzoeker gewezen arrest in feite alleen inhoudelijk heeft gerespondeerd op het verweer dat de betrouwbaarheid van de verklaring van aangever raakt en niet op hetgeen samenhangend is betoogd over de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige, is de respons van het hof onevenwichtig en incompleet. Daarmee kan naar mijn oordeel niet worden gezegd dat het hof (voldoende) redenen heeft opgegeven die hebben geleid tot afwijking van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt ten aanzien van de getuige [betrokkene 1] .8

2.14.

Volledigheidshalve voeg ik hier nog aan toe dat in dit specifieke geval evenmin kan worden gezegd dat dit onderdeel van het verweer zijn weerlegging vindt in de gebezigde bewijsmiddelen. Dat zou wellicht nog een optie zijn geweest als de verklaring van de getuige [betrokkene 1] voor het bewezenverklaarde van ondergeschikt belang zou zijn. Maar dat is niet het geval; deze getuige is de enige die de verdachte op de plaats delict brengt.

2.15.

Het middel klaagt dan ook terecht dat het hof in strijd met art. 359 lid 2 Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt inzake de betrouwbaarheid en/of bruikbaarheid voor het bewijs van de belastende verklaring van getuige [betrokkene 1] .

2.16.

Het middel slaagt.

3 Het namens de benadeelde partij ingediende middel

3.1.

In het middel wordt geklaagd dat het hof ten onrechte de vordering benadeelde partij deels heeft afgewezen en deels niet-ontvankelijk heeft verklaard.

3.2.

Het hof heeft als volgt overwogen en beslist naar aanleiding van de vordering van de benadeelde partij:

“De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding tot het bedrag van € 87.013,43. Deze vordering bestaat uit de volgende onderdelen:

1. autoschade : €2.934,43

2. ketting : €3.880,-

3. telefoon : € 299,-

4. verlies arbeidsvermogen : € 64.400,-

5. verhuiskosten : € 7.500,-

6. immateriële schade : € 7.500,-

7. advocaatkosten : € 500,-

De rechtbank heeft de vordering toegewezen tot het bedrag van € 3.733,43 en afgewezen tot het bedrag van € 11.380,-. Wat betreft het meer gevorderde is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.

In hoger beroep heeft de benadeelde partij de volledige vordering gehandhaafd, waarbij – naar het hof begrijpt – de gestelde schade in de vorm van het verlies van arbeidsvermogen is verlaagd tot € 36.000,-. Dit brengt mee dat de vordering in totaal strekt tot schadevergoeding tot het bedrag van € 58.613,43.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezen verklaarde. Met betrekking tot de omvang van deze schade beslist en overweegt het hof het volgende.

Autoschade

Het hof stelt vast dat door het bewezen verklaarde schade is ontstaan aan de auto van de benadeelde partij. Ter onderbouwing van het gestelde schadebedrag (€ 2.934,43) heeft de benadeelde partij een offerte van garage Reijmes ingediend. Naar het oordeel van het hof bevat deze offerte een aantal punten waarvoor geldt dat niet is komen vast te staan dat deze betrekking hebben op schade die is ontstaan door het bewezen verklaarde. Het hof zal de omvang van de autoschade, voor zover veroorzaakt door het bewezen verklaarde, begroten door deze te schatten en komt daarbij tot het bedrag van € 500,-. Wat betreft het meer gevorderde is het hof van oordeel dat een goede beoordeling hiervan nader onderzoek zou vergen, waardoor de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafproces oplevert en het hof de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering.

Ketting en telefoon

Naar het oordeel van het hof is niet komen vast te staan dat de gestelde schade met betrekking tot de gouden ketting en de telefoon (iPhone) is veroorzaakt door het bewezen verklaarde. Gelet hierop zal het hof de vordering in zoverre afwijzen.

Verlies arbeidsvermogen (€ 36.000,-)

Het hof is van oordeel dat het over onvoldoende informatie beschikt om te kunnen begroten wat de schade is die de benadeelde partij heeft geleden doordat zijn arbeidsvermogen door het bewezen verklaarde is aangetast. Aangezien nader onderzoek hiernaar een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren, zal het hof de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

Verhuiskosten (€ 7.500)

Naar het oordeel van het hof is niet komen vast te staan dat de benadeelde partij door het bewezen verklaarde schade heeft geleden in de vorm van verhuiskosten. Rekening houdend met de mogelijkheid dat nader onderzoek tot een ander oordeel zou leiden, is het hof van oordeel dat de behandeling van de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafproces oplevert en zal het hof de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

Immateriële schade (€ 7.500)

Het hof is van oordeel dat € 1.000,- een billijke vergoeding is van de immateriële schade die de benadeelde partij heeft geleden ten gevolge van het bewezen verklaarde. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de benadeelde partij door het bewezen verklaarde lijdt aan angstklachten. Wat betreft het meer gevorderde is het hof van oordeel dat een goede beoordeling hiervan nader onderzoek zou vergen, waardoor de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafproces oplevert en het hof de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering.

Advocaatkosten (€ 500,-)

Het hof zal de benadeelde partij ten aanzien van dit onderdeel niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien kosten van rechtsbijstand niet worden aangemerkt als rechtstreekse schade (in de zin van art. 361, tweede lid, onder b), maar als proceskosten (als bedoeld in art. 532 Sv).”

3.3.

Het middel klaagt zoals gezegd dat het hof “ten onrechte” de vordering benadeelde partij deels heeft afgewezen en deels niet-ontvankelijk heeft verklaard. In zijn cassatieschriftuur geeft de raadsman van de benadeelde partij per kostenpost (autoschade, verlies arbeidsvermogen, verhuiskosten en immateriële schade) aan waarom de verdachte vindt dat hij recht heeft op schadevergoeding voor die kostenposten.

3.4.

Naar vaste jurisprudentie wordt slechts als cassatiemiddel in de zin der wet aangemerkt een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen.9 Met de steller van het verweerschrift meen ik dat het in de schriftuur namens de benadeelde partij naar voren gebrachte ‘middel’ grotendeels niet voldoet aan deze eis. Ten aanzien van de kostenposten “autoschade”, “verlies arbeidsvermogen” en “verhuiskosten” wordt namelijk slechts een korte feitelijke onderbouwing van de geleden schade aangegeven, die neerkomt op een herhaling van de feitelijke stellingen die de benadeelde partij reeds bij de behandeling in hoger beroep heeft ingenomen.10 Een dergelijke klacht kan niet worden aangemerkt als een cassatiemiddel in de zin der wet. Dit brengt mee dat het middel in zoverre onbesproken kan blijven.

3.5.

Wat betreft de kostenpost “immateriële schade” wordt in de cassatieschriftuur aangevoerd dat het hof een bedrag van € 1000,- billijk vond en dat om een goede beoordeling te laten maken er volgens het hof meer onderzoek nodig is en dat dit een onevenredige belasting van het strafproces zou betekenen. De steller van het middel meent dat zowel door de arts van [slachtoffer] als door [betrokkene 9] is vastgesteld dat [slachtoffer] PTSS heeft overgehouden aan de traumatische gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan en dat dit ook is geconstateerd door de regiebehandelaar [betrokkene 10] . De steller van het middel meent dat, omdat de deskundigen hierover al hebben geoordeeld, aanvullend onderzoek niet nodig is, waardoor evenmin van een onevenredige belasting van het strafproces sprake is. Welwillend gelezen – het middel klaagt immers slechts dat het hof “ten onrechte” de vordering benadeelde partij deels heeft afgewezen en deels niet-ontvankelijk heeft verklaard – begrijp ik het middel zo dat wordt geklaagd dat het oordeel van het hof in zoverre niet begrijpelijk, althans ontoereikend is gemotiveerd.

3.6.

Aangezien de steller van het middel echter niet aangeeft dat en waarom het oordeel van het hof dat een bedrag van € 1000,- een billijke vergoeding is van de immateriële schade die de benadeelde partij heeft geleden ten gevolge van het bewezenverklaarde feit onbegrijpelijk dan wel ontoereikend is gemotiveerd, meen ik dat het middel ook in zoverre geen bespreking behoeft.

3.7.

Het middel behoeft geen bespreking.

4 Slotsom

4.1.

Het eerste middel slaagt. Het tweede middel behoeft geen bespreking.

4.2.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.11

4.3.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv-AG

1 Het hof heeft verzuimd de duur van de vervangende hechtenis te bepalen.

2 Vgl. o.a. HR 21 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:780, NJ 2019/338, m.nt. Reijntjes.

3 Zie hierover ook A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 194-195.

4 Vgl. onder meer HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1072 en natuurlijk HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma.

5 Zoals bijvoorbeeld in HR 28 augustus 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX3864.

6 Zie bijvoorbeeld HR 4 maart 2008, ECLI:NL:HR:BC3748 en HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2490.

7 Mogelijk is er ongelukkig geknipt en geplakt.

8 Dat het hof de bewijsoverweging afsluit met de woorden “(o)ok overigens ziet het hof geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van getuige [betrokkene 1] , voor zover deze verklaringen worden gebruikt voor het bewijs", maakt dat niet anders. Deze passage is immers niet concreet.

9 Vgl. onder meer HR 2 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:AB7950, NJ 1999/739, m.nt. De Hullu (rov. 5) en HR 28 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9754. Zie verder A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 179.

10 Vgl. HR 4 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5844 en HR 25 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3663, rov. 3.4.

11 Zoals in voetnoot 1 is vermeld heeft het hof verzuimd het aantal dagen vervangende hechtenis dat behoort bij een taakstraf van 120 uur te bepalen. In de regel is dat 60 dagen. Indien de Hoge Raad deze conclusie niet volgt en het arrest van het hof niet vernietigt, leent dat verzuim zich ófwel voor een ambtshalve herstel door de Hoge Raad, ófwel voor een herstelarrest van het hof.