Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:569

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
15-06-2021
Datum publicatie
15-06-2021
Zaaknummer
19/04368
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1237
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie A-G. Medeplichtigheid vervaardigen van amfetamine (art. 48 Sr jo. 2.D Opiumwet) door terbeschikkingstelling woning waar amfetaminelaboratorium is aangetroffen. Middel klaagt o.a. over ontoereikende motivering van dubbel opzet vereist voor medeplichtigheid. Volgens A-G zijn door het hof geen feiten of omstandigheden vastgesteld waaruit blijkt dat verdachte wetenschap had of kon hebben van een amfetaminelaboratorium in zijn woning. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 19/04267, 19/04263, 19/04445, 19/04296 en 19/04339.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/04368

Zitting 15 juni 2021

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

hierna: de verdachte.

1 Het cassatieberoep

1.1.

De verdachte is bij arrest van 16 september 2019 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder D van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot 23 maanden gevangenisstraf, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest.

1.2.

Er bestaat samenhang met de zaken 19/04267 ( [medeverdachte 1] ), 19/04263 ( [medeverdachte 6] ), 19/04445 ( [medeverdachte 3] ), 19/04296 ( [medeverdachte 4] ) en 19/04339 ( [medeverdachte 5] ). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

1.3.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. A.B.E. van Kan en mr. A. Çinar, beide advocaat te Heerlen, hebben één middel voorgesteld dat zich richt tegen de bewezenverklaring.1

2 Samenvatting feiten en procesverloop

2.1.

In deze zaak gaat het om het volgende. Op 26 maart 2015 omstreeks 16:20 uur hebben twee buurtbewoners de politie gemeld dat zij vier mannen hebben zien lopen vanuit de Bergweg te Well in de richting van de Knikkerdorpweg naar het bos. Deze mannen droegen allemaal minimaal één tas bij zich. In het bos zijn deze vier mannen, te weten [medeverdachte 6] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] (medeverdachten in onderhavige zaak), in de nabijheid van elkaar aangehouden. Daar werden tevens verschillende goederen aangetroffen, waaronder (big shopper) tassen met daarin diverse zwarte latex handschoenen, lege blikjes, halfgelaatsmaskers, kleding, een filter, veiligheidsbrillen en werkhandschoenen. Een andere getuige heeft de politie gemeld dat hij twee mannen had gezien bij een woning aan de [a-straat 1] te Well (hierna: de woning). Dat vond hij vreemd omdat de woning volgens de getuige al een aantal jaren leeg stond. Daarop heeft de politie om 21:35 uur in deze woning een amfetaminelaboratorium aangetroffen. De verdachte had met de (voormalig) eigenaar van de woning een voorlopige koopovereenkomst gesloten en kon vanaf september 2014 over de woning beschikken.

2.2.

De verdachte is in eerste aanleg door de rechtbank vrijgesproken omdat op grond van het voorhanden liggende bewijsmateriaal niet kon worden vastgesteld dat de verdachte opzet had op het gronddelict: het opzettelijk vervaardigen van amfetamine en met het oog daarop de woning ter beschikking had gesteld voor het vervaardigen van amfetamine. Van de verdachte zijn geen DNA sporen aangetroffen die hem konden linken aan de productie van amfetamine. De ruimte waar de goederen voor het produceren van amfetamine waren aangetroffen was bovendien afgesloten. De verklaringen van de verdachte omtrent ene ‘ [betrokkene 4] ’ die voor hem de woning zou opknappen achtte de rechtbank weliswaar oncontroleerbaar, maar dat maakte de verdachte volgens de rechtbank nog geen medeplichtige.

2.3.

Door het openbaar ministerie is hoger beroep ingesteld en het hof is tot een veroordeling van de verdachte gekomen.

3 Het middel

3.1.

In het middel wordt geklaagd dat de verdachte ‘ten onrechte is veroordeeld voor medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet’.

3.2.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“ [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] op 26 maart 2015 te Well, gemeente Bergen, tezamen en in vereniging, opzettelijk hebben vervaardigd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, bij het plegen van welk misdrijf verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest door de woning gelegen aan [a-straat 1] aan die [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] ter beschikking te stellen.”

3.3.

De bewezenverklaring is door het hof met gebruik van de Promis-werkwijze gemotiveerd (p. 3-8 van het bestreden arrest). Daarnaast heeft het hof, mede naar aanleiding van het gevoerde verweer in hoger beroep, nadere bewijsoverwegingen opgenomen in het arrest. Deze bewijsoverwegingen houden het (met weglating van voetnoten) volgende in:

“Algemene overweging

Het hof stelt voorop dat selectie en waardering van het bewijs aan de feitenrechter is voorbehouden. Dit betekent dat ingeval het tenlastegelegde bewezen wordt geacht, het aan het hof is voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot bewijs te bezigen wat deze uit het oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven weergegeven bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Verweer van de verdediging strekkende tot vrijspraak van het subsidiair ten laste gelegde

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van hetgeen subsidiair aan de verdachte ten laste is gelegd. Daartoe is - zakelijk weergegeven en op gronden zoals verwoord in de overgelegde pleitnota - het navolgende aangevoerd. Er zijn geen sporen(drager) aangetroffen op grond waarvan de verdachte in verband kan worden gebracht met het amfetaminelaboratorium. De ruimtes waarin dit laboratorium was aangetroffen, waren afgesloten. Dat er op voorwerpen (niet direct het laboratorium) DNA-sporen van de verdachte zijn aangetroffen, wekt geen bevreemding omdat de verdachte - zoals hij zelf heeft verklaard - bij tijd en wijle in de woning verbleef. De verklaring van de verdachte over zijn verblijf omstreeks 23 maart 2015 - inhoudende dat hij in Veldhoven is geweest om betalingsverplichtingen betreffende de aankoop van de woning na te komen en dat hij naar de familie [...] is gegaan, die op geringe afstand van het pand in Well wonen - is weliswaar niet controleerbaar, maar op basis daarvan kan niet worden vastgesteld dat hij als medeplichtige betrokken is geweest bij de productie van amfetamine. Aan de verdachte kan wellicht een bepaalde mate van naïviteit worden verweten, maar er is geen sprake van opzet. Bovendien is de verdachte niet samen met de andere verdachten aangehouden, rook de verdachte niet naar amfetamine, kunnen geen van de aangetroffen voertuigen aan de verdachte worden gelinkt, bevindt zich in het dossier geen belastende verklaring en vindt de lezing van de verdachte voor wat betreft het opknappen van de woning steun in de verklaring van [betrokkene 5] .

Oordeel van het hof

Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte als medeplichtige betrokken is geweest bij de productie van amfetamine in de woning gelegen aan de [a-straat 1] te Well.

Het hof stelt voorop dat voor de bewezenverklaring van medeplichtigheid aan een misdrijf is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op de behulpzaamheid als zodanig - in het onderhavige geval het beschikbaar stellen van de woning - maar ook dat het opzet van de verdachte - al dan niet in de vorm van voorwaardelijk opzet - was gericht op het door de dader(s) gepleegde misdrijf(het gronddelict), in deze zaak de productie van amfetamine. Daarbij geldt dat het opzet van de medeplichtige niet gericht behoeft te zijn op de precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan. Onder die precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan, is ook begrepen of het gronddelict al dan niet in deelneming wordt begaan.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte met de eigenaar van de woning gelegen aan de [a-straat 1] te Well een voorlopig koopcontract is overeengekomen. Voorts blijkt daaruit dat de verdachte vanaf september 2014 de beschikking had over deze woning.

Het standpunt van de verdediging is, dat de verdachte géén weet had van wat zich in de woning bevond, omdat iemand anders, buiten zijn medeweten, het aangetroffen drugslaboratorium had opgebouwd. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij - teneinde de taxatiewaarde van de woning te verhogen - de muren in de woning wilde laten stukadoren.

De verdachte was destijds eigenaar van een kartbaan en de verdachte raakte aldaar met ene [betrokkene 4] in gesprek over het opknappen van de woning te Well. [betrokkene 4] is vervolgens een aantal keer in Well geweest om de woning te bekijken. [betrokkene 4] zou op 23 maart 2015 beginnen en had drie weken de tijd om de woning op te knappen. De verdachte heeft voorts verklaard dat hij zelf op 17 maart 2015 voor de laatste keer bij de woning aan de [a-straat 1] te Well is geweest. De verdachte weet niet wat de achternaam van [betrokkene 4] is. Het telefoonnummer van [betrokkene 4] stond, aldus verdachte, in de telefoon van de verdachte onder de naam ‘ [betrokkene 4] ’.

De verdachte heeft later bij de politie verklaard dat hij nog geen geld aan [betrokkene 4] had betaald voor het opknappen van de woning. De verdachte zou achteraf – contant – betalen. Voorts heeft de verdachte – in tegenstelling tot zijn eerdere verklaring – verklaard dat [betrokkene 4] niet alleen de muren zou stukadoren, maar ook dat hij de kozijnen van de buitendeur zou vervangen, de keuken opgehangen moest worden en een poort rechtgezet diende te worden.

De telefoon van de verdachte is in beslag genomen. Naar aanleiding van de door de verdachte gegeven verklaring betreffende het contact ‘ [betrokkene 4] ’ heeft de politie in de telefoon van de verdachte naar deze naam gezocht, waarbij rekening is gehouden met verschillende schrijfwijze van deze naam. Er is evenwel geen contact met de naam ‘ [betrokkene 4] ’ aangetroffen. Evenmin werd een contact aangetroffen dat was opgeslagen onder de naam ‘ [betrokkene 4] ’. De verdachte heeft later bij de rechter-commissaris hieromtrent verklaard dat hij via de telefoon contact had met [betrokkene 4] en dat hij het nummer van [betrokkene 4] niet meer heeft. De verdachte heeft het nummer van [betrokkene 4] gewist, omdat hij - op het moment dat hij hoorde van het aangetroffen amfetaminelaboratorium - alles uit paniek heeft gewist. De verdachte wil geen antwoord geven op de vraag over welke naam hij het telefoonnummer van [betrokkene 4] in zijn mobiele telefoon had opgeslagen.

Het hof acht de door de verdachte afgelegde verklaring niet aannemelijk geworden en schuift die terzijde. Aan dit oordeel ligt in het bijzonder ten grondslag dat de verdachte geen nadere gegevens van [betrokkene 4] bekend zijn, dit terwijl de verdachte - volgens zijn eigen verklaring - [betrokkene 4] al langer kent. De verdachte heeft bovendien - naar hij zegt - het telefoonnummer dat van [betrokkene 4] zou zijn uit zijn telefoon verwijderd. De door de verdachte afgelegde verklaring kan dus op geen enkele wijze worden geverifieerd. Bovendien heeft de verdachte wisselende verklaringen afgelegd betreffende de werkzaamheden die [betrokkene 4] aan de woning gelegen aan de [a-straat 1] te Well zou gaan verrichten. Zo heeft de verdachte eerst verklaard dat (alleen) stucwerkzaamheden zouden plaatsvinden. Later heeft de verdachte verklaard dat - naast het laten uitvoeren van stucwerkzaamheden - ook werkzaamheden aan kozijnen, de keuken en een poort moesten worden verricht.

Het hof is van oordeel dat in het algemeen degene die beschikt over een woning en de toegang tot die woning, weet heeft van wat er zich in die woning bevindt. De verdachte had een (voorlopig) koopcontract gesloten betreffende de woning gelegen aan de [a-straat 1] te Well. De verdachte kwam ook in de woning. Hij had beschikkingsmacht over die woning. Daarnaast had de verdachte - als toekomstig eigenaar van de betreffende woning - zeggenschap over hetgeen in en rondom woning zou plaatsvinden.

In de woning van de verdachte is op 26 maart 2015 een drugslaboratorium aangetroffen, ter zake waarvan is gerelateerd dat het zeer aannemelijk is dat de betreffende productieplaats meerdere dagen in de woning gelegen aan de [a-straat 1] te Well aanwezig is geweest.

Gelet op het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte op de hoogte is geweest, althans een zekere mate van wetenschap had, van hetgeen in de woning gelegen aan de [a-straat 1] te Well heeft plaatsgehad en dat hij opzettelijk behulpzaam is geweest door de woning aan [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] ter beschikking te stellen voor de productie van synthetische drugs. Hetgeen subsidiair ten laste is gelegd, is in zoverre wettig en overtuigend bewezen.

Het hof verwerpt mitsdien het verweer van de verdediging.”

3.4.

Uit de toelichting op het middel blijkt dat het uiteen valt in de volgende vijf onderdelen:

i) uit de gebezigde bewijsmiddelen kan niet volgen dat de verdachte opzettelijk betrokken is geweest bij het vervaardigen van amfetamine door het ter beschikking stellen van de woning (het vereiste van dubbel opzet);

ii) het hof heeft het verweer dat iemand anders, buiten zijn medeweten, het aangetroffen drugslaboratorium heeft opgebouwd ontoereikend gemotiveerd verworpen, nu het hof ten onrechte niet is ingegaan op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat er meerdere sleutels waren en er meerdere mensen de toegang hadden tot de woning;

iii) het hof heeft de verklaring van de verdachte met betrekking tot [betrokkene 4] ontoereikend gemotiveerd ter zijde geschoven en ten onrechte de eis van verifieerbaarheid gesteld om tot het oordeel van geloofwaardigheid van verdachtes verklaring te komen;

iv) er is gebruik gemaakt van de Promis-werkwijze hetgeen tot gevolg heeft dat de bewijsmiddelen waarop de veroordeling is gestoeld dusdanig zijn gedenatureerd dat deze de veroordeling niet kunnen dragen zodat deze onvoldoende is gemotiveerd en

v) er is sprake van een innerlijke tegenstrijdige bewijsvoering: het hof heeft enerzijds vastgesteld dat de verdachte de woning aan derden ter beschikking heeft gesteld voor verbouwingswerkzaamheden terwijl het anderzijds tot een afwijzing komt van het verweer dat de woning aan derden ter beschikking is gesteld voor deze verbouwingswerkzaamheden.

3.5.

Voordat ik verder ga met de bespreking van het middel merk ik op dat de stellers van het middel in de toelichting – vooral in aanvulling op het verweer in hoger beroep – nadere feiten aanvoeren waarom het niet de verdachte is geweest die de woning ter beschikking heeft gesteld, maar dat dit een van de andere personen moet zijn geweest die ook de sleutels van de woning hadden. Hierop kan in cassatie geen acht worden geslagen. De kernklachten zijn mijns inziens verwoord in het eerste en het vierde onderdeel van het middel en ik zal mij tot een bespreking hiervan beperken. Daarbij zal ik beginnen met het vierde onderdeel, omdat dit het meest verstrekkend is.

3.6.

Als ik het goed begrijp komt de toelichting van het vierde onderdeel er in de kern op neer dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat sprake is geweest van feitelijke bewoning van de woning door de verdachte, terwijl dit wel redengevend is geweest om tot een bewezenverklaring te komen. De stellers van het middel wijzen er in dit verband op dat onder het kopje ‘Bewijsmiddelen’ door het hof wordt vermeld “Hij heeft hier zelf ook gewoond”, waarbij het hof in de voetnoot verwijst naar dossierpagina 140, de getuigenverklaring van [betrokkene 6] (de voormalige eigenaar van de woning). Deze verklaring is volgens de stellers van het middel door het hof gedenatureerd. Uit die verklaring volgt weliswaar dat er sprake is geweest van een voorlopig koopcontract en dat de verdachte beschikking heeft gehad over de woning, maar hieruit volgt niet dat er sprake is geweest van een feitelijke bewoning. Voor de betekenis die moet worden gegeven aan het begrip ‘wonen’ wijzen de stellers van het middel op art. 1.1 onder o sub 1 jo. sub 2 van de Wet basisregistratie personen.

3.7.

Als uitgangspunt voor de beoordeling van dit onderdeel van het middel geldt dat de feitenrechter de vrijheid heeft datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht en een gedeelte van een (in een proces-verbaal vervatte) verklaring tot het bewijs mag bezigen en het andere gedeelte daarvan ter zijde mag stellen.2 Deze vrijheid van de feitenrechter wordt begrensd door het verbod tot denatureren van een verklaring. Van denatureren is sprake wanneer het wél tot het bewijs gebezigde onderdeel van een verklaring een wezenlijk andere betekenis krijgt dan degene die de verklaring aflegde aan dat tot het bewijs gebezigde onderdeel van zijn verklaring (blijkens de onderliggende bron) kennelijk heeft bedoeld te geven.3

3.8.

De bestreden bewijsoverweging van het hof op p. 7. van het arrest luidt (met weglating van voetnoten):

“Uit het onderzoek blijkt dat de verdachte met de (voormalige) eigenaar van de woning gelegen aan de [a-straat 1] te Well - [betrokkene 7] - een voorlopige koopovereenkomst is overeengekomen en dat de verdachte vanaf september 2014 over de woning kon beschikken. Hij heeft hier ook zelf gewoond.”

3.9.

De getuigenverklaring van [betrokkene 6] op p. 140 van het dossier houdt onder meer het volgende in:

“Hij vroeg aan mij of hij de woning al mocht betrekken. Hij wilde vast beginnen met verbouwen. Ik ben hiermee ingestemd. Ik ben toen uit de woning gegaan en [verdachte] is erin getrokken. Dit was per 1 september 2014. We zijn toen ook overeengekomen dat hij geen huur zou betalen, enkel de vaste laten. Van september tot en met december heeft hij de eindafrekening betaald.

[…]

[verdachte] gaf aan dat hij een rustpunt wilde hebben. Hij zou eigenaar zijn van een kartcentrum in Valkenswaard. Ik weet verder niet hoe dit heet. Op de maandag en dinsdag zou hij vrij zijn. Om wat rust te hebben, wilde hij deze dagen in de woning in Well zijn.

[…] Een aantal weken geleden, in de carnavalsvakantie, heeft [verdachte] mij laten weten dat hij een week met zijn vriendin en haar kind in de woning in Well wilde doorbrengen. Hij wilde wat privacy en vroeg mij deze week niet te komen.”

3.10.

Ik ben het met de stellers van het middel eens dat de conclusie die het hof hieraan verbindt, dat de verdachte hier ook zelf heeft gewoond niet helemaal op zijn plaats is. Ik ga er echter vanuit dat het hof bedoeld heeft tot uitdrukking te brengen dat de verdachte regelmatig in de woning heeft verbleven. Deze lezing wordt ondersteund door hetgeen het hof onder het hoofd “Oordeel van het hof” heeft overwogen, namelijk dat “de verdachte ook in de woning [kwam]”. Dat het hof het begrip ‘wonen’ niet heeft gebruikt conform de definitie zoals gegeven in art. 1.1. onder o sub 1 en 2 Wet basisregistratie personen, doet daar niet aan af.4

3.11.

Het middel faalt in zoverre.

3.12.

Dan kom ik nu toe aan het eerste onderdeel van het middel. Dat houdt in dat het hof ontoereikend gemotiveerd tot een bewezenverklaring is gekomen van de tenlastegelegde medeplichtigheid aan het vervaardigen van amfetamine, nu uit zowel de gebezigde bewijsmiddelen als uit de nadere bewijsoverwegingen het vereiste van dubbel opzet niet kan worden afgeleid.

3.13.

Wil er sprake zijn van medeplichtigheid dan is inderdaad vereist dat niet alleen bewezen wordt dat het opzet van de verdachte was gericht op het bevorderen dan wel vergemakkelijken van het betrokken misdrijf in de zin van art. 48 Sr, maar ook dat het opzet van de verdachte – al dan niet in voorwaardelijke vorm – was gericht op het door een derde gepleegde misdrijf, in onderhavige zaak het vervaardigen van amfetamine.5Opzet op de precieze wijze van uitvoering van het misdrijf is daarbij geen vereiste.6 Het hof heeft dit beoordelingskader toegepast en daarover klaagt dit onderdeel van het middel (terecht) ook niet.

3.14.

In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat door het hof geen enkele bewijsoverweging is gewijd aan het vereiste van dubbel opzet. De overweging dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte van hetgeen in de woning heeft plaatsgevonden op de hoogte is geweest althans daarvan een zekere mate van wetenschap heeft gehad, is zonder enige nadere concretisering onvoldoende om aan te nemen dat de verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest bij het vervaardigen van amfetamine.

3.15.

Over het dubbel opzet dat vereist is voor medeplichtigheid in de vorm van het ter beschikking stellen van ruimte voor de productie van drugs is rijkelijk jurisprudentie voorhanden. Het gaat dan voornamelijk om medeplichtigheid aan het telen van hennep door middel van het (ver)huren van een woning of de eigen woning daarvoor ter beschikking te stellen. Hoewel deze jurisprudentie casuïstisch is, kan hieruit worden afgeleid dat de lat om tot een veroordeling te komen wegens medeplegen of medeplichtigheid wanneer de verdachte eigenaar of huurder is van een pand waarin een hennepkwekerij (en naar ik meen in vergelijkbare zin een drugslaboratorium) wordt aangetroffen redelijk hoog ligt. Nienke Seijlhouwer-de Visser heeft in 2020 de jurisprudentie van de Hoge Raad op dit gebied uitgebreid geanalyseerd.7 Over de vraag welke mate van kennis/behulpzaamheid minimaal nodig is wil medeplichtigheid om de hoek komen kijken merkt Seijlhouwer-de Visser op dat:

“voor dat aannemen niet telkens voldoende [is] dat de (ver)huur plaatsvond onder – op zijn zachts gezegd – nogal verdachte omstandigheden. Hiermee is het bewijs van opzet op het grond, de hennepteelt, immers nog niet bewezen”.

Om een dergelijk ‘bewijsgat’ te dichten zijn nadere feiten en omstandigheden nodig.

3.16.

Ter illustratie kunnen de volgende uitspraken dienen waarin de Hoge Raad de bewezenverklaring van het opzet van de verdachte op de medeplichtigheid aan het telen van hennep onvoldoende gemotiveerd achtte:

(i) In HR 19 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1812, NJ 2020/38, m. n.t. Vellinga, had de verdachte samen met haar man (medeverdachte) als hoofdbewoner en mede-eigenaar van de gezamenlijke woning de beschikking over die woning. De man van de verdachte was betrokken bij een hennepkwekerij die was gevestigd in twee ruimtes in die woning waar hij ook de gekweekte planten verzorgde. De verdachte wist van de kwekerij en heeft de situatie in stand gelaten. Op basis van deze vaststellingen oordeelde het hof dat de verdachte aan haar man opzettelijk gelegenheid had verschaft tot het telen van hennep. De Hoge Raad achtte dat oordeel niet toereikend gemotiveerd en overwoog daartoe als volgt:

“2.3. (…) Het Hof heeft immers geen omstandigheden vastgesteld die erop duiden dat actieve gedragingen van de verdachte gelegenheid verschaften tot de hennepteelt door [medeverdachte] in de woning. De enkele, niet nader geconcretiseerde overweging van het Hof dat de verdachte de ruimtes aan [medeverdachte] ter beschikking heeft gesteld, maakt dat niet anders, in aanmerking genomen dat zij met [medeverdachte] hoofdbewoner en mede-eigenaar van de gezamenlijke woning was zodat [medeverdachte] kennelijk die ruimtes reeds ter beschikking had. Daarbij komt dat ook bekendheid met het telen van hennep door [medeverdachte], anders dan het Hof met de verwijzing naar het in stand laten van de situatie kennelijk voor ogen stond, niet zonder meer voldoende is voor het doen ontstaan van een rechtsplicht voor de verdachte tot het beletten of (doen) beëindigen daarvan.”

(ii) In HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:964 had de verdachte zijn bedrijfspand verhuurd aan een vriend. In het bedrijfspand werd later een hennepkwekerij aangetroffen. De verdachte had verklaard dat hij geen wetenschap had van de kwekerij totdat hij werd gebeld, naar het pand toe is gegaan en daar een kwekerij aantrof. Vervolgens heeft hij contact opgenomen met degene aan wie hij het pand onderverhuurde. Dat de verdachte zich als medeplichtige schuldig had gemaakt aan het kweken van hennep achtte de Hoge Raad onvoldoende gemotiveerd:

“2.4. Het Hof heeft geen nadere bewijsoverweging over het voor medeplichtigheid vereiste opzet opgenomen. Aangezien de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte "opzettelijk gelegenheid heeft verschaft" tot het in de bewezenverklaring genoemde misdrijf, niet zonder meer kan worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen, is de bestreden uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat uit de gebezigde bewijsmiddelen naar voren komt dat de verdachte in het korte tijdsverloop tussen de datum waarop de verdachte op de hoogte is geraakt van de aanwezigheid van de hennepkwekerij in het door hem onderverhuurde pand en het tijdstip waarop die hennepkwekerij door de politie is aangetroffen, contact heeft opgenomen met degene aan wie hij dat pand onderverhuurde, en het Hof geen nadere vaststellingen heeft gedaan met betrekking tot de strekking van dat contact.”

(iii) In het arrest van HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:226, NJ 2017/107 werd de verdachte door iemand die hem bij de voedselbank had aangesproken verzocht om een contract van een huurwoning op zijn naam te zetten. Nadat de verdachte samen met die persoon bij de woning had gekeken heeft hij het huurcontract ondertekend. Er werd vervolgens huisraad in de woning geplaatst en de verdachte moest af en toe langskomen bij de woning en doen ‘alsof’ de woning werd bewoond. In de kelder van de woning mocht hij niet komen. In de woning werd later een hennepkwekerij aangetroffen. Het hof oordeelde dat “de verdachte zich onder deze omstandigheden, in het bijzonder het verzoek om een huurcontract met een huurprijs van € 1.100,- per maand op zijn naam te zetten, de opdracht daarbij om te doen alsof het pand werd bewoond en het vooruitzicht op een vergoeding van twee- tot drieduizend euro per halfjaar, ervan [had] moeten vergewissen dat er in het betreffende pand (bijvoorbeeld in de kelder) geen strafbare feiten zouden worden gepleegd. Nu verdachte dat heeft nagelaten, heeft hij naar het oordeel van het hof bewust de aanmerkelijke kans op de koop toegenomen dat er in (de kelder van) het pand sprake zou kunnen zijn van het plegen van een misdrijf, zoals de teelt van hennep”. De Hoge Raad ging hier niet in mee en overwoog daartoe als volgt:

“2.4. Aangezien de bewezenverklaring, voor zover behelzende dat de verdachte opzet heeft gehad op de medeplichtigheid aan het telen van hennep niet zonder meer uit 's Hofs bewijsvoering kan worden afgeleid, is de uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed.”

3.17.

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat:

(i) op 26 maart 2015 in de woning gelegen aan de [a-straat 1] te Well een amfetaminelaboratorium is aangetroffen;

(ii) dit laboratorium was verdeeld over zes verschillende ruimtes in de woning, waaronder in de woonkamer, de keuken en in een douche;

(iii) in totaal in de woning 207, 6 liter amfetaminebase (olie) is aangetroffen waarmee het mogelijk is om tussen de 269,8 (onversneden/zuiver/droog) en 415-622 kilogram natte en mogelijk versneden amfetaminesulfaat/pasta te vervaardigen;

(iv) het aannemelijk is dat het laboratorium langer dan drie dagen vóór 23 maart 2015 in de woning aanwezig was;

(v) in een nabijgelegen bos vier medeverdachten zijn aangehouden en bij hen spullen zijn aangetroffen die in verband kunnen worden gebracht met de productie van synthetische drugs;

(vi) in het amfetaminelaboratorium meerdere DNA-sporen zijn aangetroffen van de medeverdachten [medeverdachte 5] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] ;

(vii) de verdachte met de (voormalig) eigenaar van de woning een voorlopige koopovereenkomst is overeengekomen en dat de verdachte vanaf september 2014 over de woning kon beschikken en

(viii) de verdachte in de woning kwam.

3.18.

Het hof heeft geen omstandigheden vastgesteld die erop kunnen duiden dat de verdachte enige wetenschap had die in verband kan worden gebracht met het vervaardigen van amfetamine in de woning. Door het hof is immers niets overwogen over de eventuele aanwezigheid van de verdachte in de woning rond of tijdens de opbouw van het amfetaminelaboratorium of over omstandigheden waaruit zou kunnen worden afgeleid dat hem de aanwezigheid van het laboratorium niet kon zijn ontgaan. Uit de gebezigde bewijsmiddelen wordt evenmin duidelijk wanneer de verdachte ‘in de woning kwam’ en hoe vaak dit dan is geweest.

3.19.

In onderhavige zaak komt het oordeel van het hof er kort gezegd op neer dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte op de hoogte is geweest, althans een zekere mate van wetenschap heeft gehad, van hetgeen in de woning heeft plaatsgevonden en dat hij daardoor opzettelijk behulpzaam is geweest door die woning aan zijn medeverdachten ter beschikking te stellen voor het vervaardigen van amfetamine. Afgezien van de omstandigheid dat de verdachte de woning ter beschikking had, de algemene overweging dat dit met zich brengt dat hij op grond daarvan verondersteld wordt ervan op de hoogte te zijn wat zich in die woning afspeelt en dat het hof de verklaring omtrent de werkzaamheden die “ [betrokkene 4] ” in de woning zou verrichten niet geloofwaardig acht, bevat het arrest geen concrete nadere bewijsoverwegingen waarop dit oordeel gestoeld is.

3.20.

De redenering van het hof dat de verklaring van de verdachte dat [betrokkene 4] in de woning bouwwerkzaamheden zou gaan uitvoeren niet aannemelijk is geworden, kan het gat in de bewijsvoering niet dichten. Het hof heeft met deze redenering nog altijd niet genoegzaam gemotiveerd of en waarom de verdachte wetenschap heeft gehad, of had kunnen hebben, van de aanwezigheid van het laboratorium in de woning.

3.21.

Ik kom gelet op het voorgaande tot de conclusie dat dit onderdeel van het middel slaagt waardoor bespreking van de overige onderdelen buiten beschouwing kunnen worden gelaten.

4 Conclusie

4.1.

Het middel slaagt.

4.2.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

4.3.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Bij brief van 30 november 2020 hebben de stellers van het middel een aanvulling op de toelichting van de reeds ingezonden cassatieschriftuur ingediend.

2 HR 25 oktober 1949, ECLI:NL:HR:1949:38, NJ 1950/127, m.n. Röling.

3 Van Dorst, a.w., p. 176 en 177 en G.J.M. Corstens, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Het Nederlands strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 806 en 807 en zie verder ook HR 17 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU4211, HR 27 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY2073, NJ 2012/698 en HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5377.

4 Blijkens artikel 1.1. onder o sub 1 en 2 Wet basisregistratie personen is van een ‘woonadres’ sprake wanneer gedurende een half jaar op een adres de meeste malen wordt overnacht. Of hiervan sprake is moet volgens de bijbehorende memorie van toelichting blijken ‘uit het geheel van waarneembare omstandigheden’ waarbij de plaats waar de betrokkene slaapt, het zogenaamde nachtrustcriterium, van grote betekenis is, zie Kamerstukken II 2011/12, 33 219, nr. 3, p. 115.

5 HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:964 en HR 13 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4372, NJ 2002/245.

6 HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:67.

7 N. (Nienke) Seijlhouwer-de Visser, “De strafrechtelijke aansprakelijkheid van de eigenaar of huurder van een henneppand”, in: NTS 2020/109, nr. 5, p. 349-357 en zie ook de recente conclusie van mijn ambtgenoot Hofstee van 20 april 2021, ECLI:NL:PHR:2021:414 onder 10 en 11.