Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:55

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
22-01-2021
Datum publicatie
18-02-2021
Zaaknummer
20/01452
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:651
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Incident in cassatie tot zekerheidstelling voor de proceskosten (art. 414 Rv jo. art. 224 Rv). Zekerheidstelling ook voor onbetaald gebleven proceskosten uit een voorgaande instantie?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/01452

Zitting 22 januari 2021

CONCLUSIE

E.M. Wesseling-van Gent

In de zaak

Industrial Projects Management of Iran

eiseres tot cassatie in de hoofdzaak, verweerster in het incident (hierna: IPMI)

tegen

[verweerster] B.V.

verweerster in de hoofdzaak, eiseres in het incident (hierna: [verweerster])

In dit incident in cassatie wordt op de voet van art. 414 Rv in verbinding met art. 224 Rv zekerheidstelling gevorderd voor de proceskosten van [verweerster] waartoe IPMI (a) in het principaal cassatieberoep, (b) in het incident en (c) in het (mogelijk) incidenteel cassatieberoep zou kunnen worden veroordeeld. Daarnaast wordt zekerheidstelling gevorderd voor het restant van de proceskosten in eerste aanleg wegens het onbetaald laten daarvan.

1. Procesverloop 1

1.1 IPMI heeft in de hoofdzaak bij inleidende dagvaarding van 10 augustus 2016 [verweerster] (voorheen genaamd: [A] B.V.) gedagvaard voor de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda. IPMI heeft daarbij - samengevat - veroordeling van [verweerster] gevorderd tot betaling van een bedrag van € 3.256.168,40, vermeerderd met de wettelijke handelsrente en kosten.2

1.2 [verweerster] heeft daarop (onder meer) bij incidentele conclusie op de voet van art. 224 Rv gevorderd dat de rechtbank IPMI bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis veroordeelt tot het stellen van zekerheid voor de proceskosten door middel van afgifte van een bankgarantie of IPMI onherroepelijk veroordeelt in de proceskosten van in totaal € 20.157,- dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag.

1.3 De rechtbank heeft bij vonnis in het incident van 11 januari 2017, voor zover thans van belang, IPMI bevolen zekerheid te stellen voor een bedrag van € 10.524,- ter zake van de proceskosten waarin zij in de hoofdzaak kan worden veroordeeld, en wel in de vorm van een depotstorting op de derdengeldenrekening van een Nederlandse notaris.

1.4 Bij eindvonnis in de hoofdzaak van 13 juni 2018 heeft de rechtbank de vorderingen van IPMI afgewezen en haar in de proceskosten veroordeeld, begroot op € 13.536,-.

1.5 IPMI is van dit eindvonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Ook in deze appelprocedure heeft [verweerster] een incidentele vordering ingediend tot zekerheidstelling voor de proceskosten door IPMI. Zij heeft daarbij veroordeling van IPMI gevorderd:

a) tot het stellen van zekerheid voor de proceskosten van het hoger beroep voor een totaalbedrag van € 30.712,- door binnen twee weken na de datum van dit arrest een bankgarantie af te geven van een Nederlandse te goeder naam en faam bekend staande bankinstelling, althans door een depotstorting op de derdengeldrekening van een Nederlandse notaris;

b) tot het stellen van aanvullende zekerheid indien op enig moment de gestelde zekerheid niet langer toereikend is, en

c) tot betaling van de kosten van dit incident.3

1.6 Bij arrest in het incident van 25 juni 2019 heeft het hof, voor zover thans van belang,

- IPMI bevolen zekerheid te stellen voor een bedrag van € 25.754,50 voor de proceskosten waarin zij in deze zaak kan worden veroordeeld;

- bepaald dat IPMI deze zekerheid dient te stellen in de vorm van een depotstorting op de derdengeldrekening van een Nederlandse notaris;

- bepaald dat IPMI deze zekerheid op voormelde wijze moet hebben gesteld binnen een termijn van zes weken na de datum van dit arrest, derhalve uiterlijk op 6 augustus 2019, op straffe van niet-ontvankelijkheid van IPMI in de hoofdzaak, waarna [verweerster] binnen twee weken de gestelde zekerheid dient te accepteren of te weigeren.

1.7 Het hof heeft bij beschikking van 30 juli 2019 de termijn waarbinnen IPMI de bij het arrest in het incident van 25 juni 2019 aan haar opgelegde zekerheid moet hebben gesteld, met zes weken verlengd en bepaald dat IPMI derhalve uiterlijk op 17 september 2019 deze zekerheid moet hebben gesteld op straffe van niet-ontvankelijkheid van IPMI in de hoofdzaak, waarna [verweerster] binnen twee weken de gestelde zekerheid dient te accepteren of te weigeren.

1.8 Op 1 oktober 2019 heeft [verweerster] een akte weigering zekerheidstelling als bedoeld in art. 616 lid 3 onder b Rv met producties genomen, waarop IPMI bij antwoordakte van 15 oktober 2019 heeft gereageerd.

1.9 Het hof heeft bij arrest van 4 februari 2020 vastgesteld dat IPMI niet tijdig heeft voldaan aan het aan haar opgelegde bevel tot zekerheidstelling en heeft IPMI niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep van het vonnis van de rechtbank van 13 juni 2018. Het hof heeft daartoe overwogen dat, hoewel vaststaat dat op 23 augustus 2019 het bedrag van € 25.754,50 is ontvangen op de derdengeldrekening van de betreffende notaris, en het depotbedrag dus tijdig is overgemaakt, niet tijdig een depotovereenkomst is gesloten op grond waarvan de notaris in het in die overeenkomst omschreven geval een claim van [verweerster] onvoorwaardelijk dient te honoreren.4

1.10 IPMI heeft tegen dit arrest cassatieberoep ingesteld.5

1.11 Vervolgens heeft [verweerster] bij incidentele conclusie6 zekerheidstelling voor de proceskosten van het geding in cassatie gevorderd.7

1.12 IPMI heeft een verweerschrift ingediend.

2 Bespreking van de incidentele vordering tot zekerheidstelling

2.1

[verweerster] heeft op de voet van art. 414 Rv in verbinding met art. 224 Rv gevorderd dat de Hoge Raad8:

a. IPMI veroordeelt om zekerheid te stellen voor de proceskosten door middel van afgifte binnen twee weken na de datum van het in deze te wijzen arrest van een bankgarantie van een Nederlandse te goeder naam en faam bekend staande bankinstelling, die [verweerster] kan inroepen indien ten laste van IPMI en ten gunste van [verweerster] in de onderhavige cassatieprocedure een veroordeling ter zake van de proceskosten plaatsvindt, voor in totaal € 15.826,-, althans voor een door de Hoge Raad in goede justitie te bepalen bedrag, althans deze zekerheid te stellen binnen voornoemde termijn van twee weken in de vorm van een depotstorting op de derdengeldrekening van een Nederlandse notaris op de wijze zoals hierboven omschreven, alsmede

b. IPMI veroordeelt, indien de op grond van de vordering onder a gestelde zekerheid op enig moment niet langer toereikend is, aanvullende zekerheid te stellen binnen 14 dagen nadat op de rol een datum voor een proceshandeling is bepaald waardoor de zekerheid ontoereikend wordt, begroot op het forfaitair te vergoeden bedrag voor de bewuste proceshandeling, op straffe van niet-ontvankelijkheid van IPMI indien zij deze (aanvullende) zekerheid niet binnen deze termijn stelt, alsmede

c. IPMI in de kosten van dit incident veroordeelt.

2.2

De onder 2.1 omschreven vordering betreft zekerheidstelling voor de proceskosten van [verweerster] waartoe IPMI (a) in het principaal cassatieberoep, (b) in het incident en (c) in het (mogelijk) incidenteel cassatieberoep zou kunnen worden veroordeeld.9 Aan deze vordering heeft [verweerster] ten grondslag gelegd dat IPMI in Iran is gevestigd en dat geen van de uitzonderingen op de verplichting tot zekerheidstelling voor de proceskosten zich voordoen, die zijn vermeld in art. 224 lid 2 onder a tot en met d Rv. Zij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat tegen IPMI in Nederland geen verhaal mogelijk is voor de proceskosten en dat het bedrag dat IPMI in depot heeft gestort bij de Nederlandse notaris en waarop [verweerster] beslag heeft gelegd, daar niet aan afdoet.

2.3

[verweerster] heeft daarnaast zekerheidstelling gevorderd voor het restant van de proceskosten in eerste aanleg ten bedrage van € 3.169,- (proceskostenveroordeling van € 13.536,- minus gestelde zekerheid van € 10.524,- + € 157,- aan nakosten = € 3.169,-) wegens het onbetaald laten daarvan.10

2.4

IPMI heeft in haar verweerschrift geconcludeerd tot referte ten aanzien van de incidentele vordering tot zekerheidstelling voor de betaling van het griffierecht, het salaris advocaat in het principale cassatieberoep en de nakosten. Zij heeft zich akkoord verklaard met de bij de incidentele conclusie gevoegde depotovereenkomst, behoudens het daarin vermelde onder 1.11 Dat dient volgens IPMI te worden aangepast met verwijzing naar de door de Hoge Raad uitgesproken zekerheidstelling ter hoogte van het door de Hoge Raad bepaalde bedrag.12

IPMI heeft echter met betrekking tot het salaris advocaat in een mogelijk incidenteel cassatieberoep en in het incident, alsmede ten aanzien van de onbetaald gelaten proceskosten in eerste aanleg gesteld dat de vordering tot zekerheidstelling dient te worden afgewezen.

Zekerheidstelling voor proceskosten in cassatie; art. 414 en 224 Rv

2.5

Art. 224 lid 1 Rv, dat ingevolge art. 414 lid 1 Rv van toepassing is in cassatie, bepaalt dat allen zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland13die bij een Nederlandse rechter een vordering instellen of zich voegen of tussenkomen in een geding alhier, verplicht zijn op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor de proceskosten tot betaling waarvan zij veroordeeld zouden kunnen worden.

De strekking van art. 224 Rv is te voorkomen dat een in het gelijk gestelde gedaagde wordt geconfronteerd met oninbaarheid van een proceskostenveroordeling als gevolg van het ontbreken van de mogelijkheid tot tenuitvoerlegging daarvan in het land waar de eiser zijn woonplaats heeft.14

2.6

Het tweede lid van art. 224 Rv bevat een viertal uitzonderingen op de verplichting tot het stellen van zekerheid. Er bestaat geen verplichting tot het stellen van zekerheid indien a) dit voortvloeit uit een verdrag of EG-verordening; b) een veroordeling tot betaling van proceskosten ten uitvoer kan worden gelegd ter plaatse waar degene van wie zekerheid wordt gevorderd, zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft; c) redelijkerwijs aannemelijk is dat verhaal voor een veroordeling tot betaling van proceskosten in Nederland mogelijk zal zijn; of d) daardoor voor degene van wie zekerheid wordt gevorderd de effectieve toegang tot de rechter zou worden belemmerd.

2.7

Ingevolge art. 414 lid 1 Rv in verbinding met art. 224 lid 5 Rv dient de Hoge Raad bij toewijzing van de vordering het bedrag op te geven tot beloop waarvan zekerheid moet worden verstrekt.15

Op de vorm van zekerheid is art. 6:51 BW van toepassing.16 Deze staat dus in beginsel ter keuze van degene die de zekerheid moet stellen (art. 6:51 lid 1 BW).17

2.8

Op grond van art. 414 leden 2 en 3 Rv kan in cassatie alleen zekerheid worden verlangd van de partij die (i) in eerste aanleg eiser of verzoeker (of daarmee gelijk te stellen partij) was, en (ii) principaal cassatieberoep heeft ingesteld.18

Het vierde lid van art. 414 lid 4 bepaalt dat de in vroegere instanties gestelde zekerheid ook verbonden blijft voor de kosten van cassatie.19

Art. 414 lid 5 Rv tot slot schrijft voor dat de zekerheidstelling wordt gevorderd vóór alle weren van rechten.

2.9

De sanctie op het niet-stellen van zekerheid is geregeld in art. 616 lid 3 onder a Rv.20 Het niet voldoen aan het stellen van de opgelegde zekerheid leidt tot niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak.21

Beoordeling vordering zekerheidstelling

(i) voor proceskosten principaal cassatieberoep

2.10

Vast staat dat IPMI is gevestigd in Iran en geen vaste woon- of gewone verblijfplaats heeft in Nederland. IPMI is in deze procedure de oorspronkelijk eiseres en zij heeft principaal cassatieberoep ingesteld. Aan de vereisten van art. 224 lid 1 Rv in verbinding met art. 414 leden 2 en 3 Rv is dus voldaan.

2.11

Van een uitzondering op de verplichting tot het stellen van zekerheid in de zin van art. 224 lid 2 Rv is m.i. geen sprake:

a) er bestaat geen verdrag tussen Nederland en Iran dat een zodanige zekerheidstelling verbiedt. Ik merk hierbij op dat Iran geen partij is bij het Haagse Rechtsvorderingsverdrag 1954;22

b) van een verdrag tussen Nederland en Iran op grond waarvan een in Nederland uitgesproken proceskostenveroordeling in Iran ten uitvoer kan worden gelegd, is evenmin sprake;

c) [verweerster] heeft onbetwist aangevoerd dat het niet redelijkerwijs aannemelijk is dat verhaal voor een proceskostenveroordeling in Nederland mogelijk zal zijn;23 en

d) [verweerster] heeft onbetwist aangevoerd dat een zekerheidstelling de effectieve toegang tot de rechter voor IPMI niet belemmert en dat dit het geval zou zijn, is evenmin gebleken.24

2.12

Met betrekking tot het bepaalde in het vierde lid van art. 414 Rv heeft [verweerster] in haar incidentele conclusie gesteld dat er geen zekerheid uit vroegere instanties is die ook verbonden is voor de proceskosten in cassatie, nu (a) de in eerste instantie gestelde zekerheid niet toereikend was voor de uitgesproken proceskostenveroordeling, en (b) het hof heeft geoordeeld dat IPMI niet tijdig aan haar verplichting tot zekerheidstelling heeft voldaan, zodat het hof IPMI niet-ontvankelijk heeft verklaard.25

2.13

Gelet op het voorgaande voldoet de op de voet van art. 414 Rv in verbinding met art. 224 Rv ingestelde incidentele vordering tot zekerheidstelling voor de proceskosten van het principaal cassatieberoep aan alle vereisten en is deze vordering m.i. derhalve toewijsbaar.

(ii) voor proceskosten van het incident in cassatie

2.14

[verweerster] heeft in haar incidentele conclusie onder het kopje “Omvang van de zekerheid” een bedrag van € 800,- wegens salaris advocaat in het incident tot zekerheidstelling opgevoerd.26

Dienaangaande heeft IPMI aangevoerd dat [verweerster] op belangrijke punten in het incident in het ongelijk zal worden gesteld, zodat [verweerster] in beginsel in de kosten van het incident zou moeten worden veroordeeld, althans dat aanleiding bestaat om de proceskosten in het incident te compenseren omdat partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, zodat er geen aanleiding bestaat IPMI ook te gelasten zekerheid te stellen voor het salaris advocaat in het incident.27

2.15

Gelet op de bepaling van art. 414 Rv in verbinding met art. 224 Rv dat zekerheid dient te worden gesteld voor de proceskosten waartoe IPMI in de procedure in cassatie veroordeeld zou kunnen worden, dient deze post m.i. in de begroting te worden opgenomen.

(iii) voor proceskosten van een mogelijk nog in te stellen incidenteel cassatieberoep

2.16

[verweerster] vordert eveneens zekerheid voor de kosten van een eventueel incidenteel cassatieberoep. Indien de vordering niet integraal toewijsbaar is vanwege onzekerheid over de vraag of incidenteel cassatieberoep zal worden ingesteld, vordert [verweerster] – subsidiair – IPMI te veroordelen reeds nu zekerheid te stellen voor de kosten, uitgaande van een verloop van de procedure zonder incidenteel cassatieberoep en haar te veroordelen aanvullende zekerheid te stellen, indien incidenteel beroep wordt ingesteld en wel binnen veertien dagen nadat het incidenteel beroep wordt ingesteld.28

2.17

IPMI voert hiertegen aan dat de enige voor [verweerster] nadelige eindbeslissing waartegen zij mogelijk (met enige kans van slagen) incidenteel cassatieberoep zou kunnen instellen, de beslissing is van het hof in rov. 3.7 van zijn tussenarrest, waarin de incidentele vordering tot zekerheidstelling voor zover het de onbetaald gelaten proceskostenveroordeling in eerste aanleg betreft, wordt afgewezen. Volgens IPMI zal het incidentele cassatieberoep op dat punt niet tot cassatie kunnen leiden en zal dus ook geen kostenveroordeling ten gunste van [verweerster] in een mogelijk incidenteel cassatieberoep worden uitgesproken. Bovendien zal de beslissing van Uw Raad in dit incident tot zekerheidstelling al duidelijkheid bieden op dat punt en bestaat daarna voor [verweerster] ook geen aanleiding meer om incidenteel cassatieberoep in te stellen.29

2.18

Dat reeds nu zekerheidstelling wordt gevorderd voor een eventueel incidenteel cassatieberoep hangt samen met het tijdstip waarop zekerheidstelling moet worden gevorderd, te weten vóór alle weren. De keuze om incidenteel beroep in te stellen behoeft in een dergelijk stadium nog niet te zijn gemaakt. Ook hier geldt dat het aan Uw Raad is om de proceskosten in cassatie te begroten waartoe IPMI zou kunnen worden veroordeeld.

(iv) voor de onbetaalde proceskosten in eerste aanleg

2.19

[verweerster] heeft haar vordering tot zekerheidstelling voor de onbetaalde proceskosten in eerste aanleg ook in appel ingesteld. Dienaangaande heeft het hof in rov. 3.7 van zijn arrest van 25 juni 2019 het volgende geoordeeld:

“(…) Met het restant van de proceskosten eerste aanleg ad € 3.169,- zal het hof geen rekening houden omdat op grond van het bepaalde in artikel 224 lid 1 Rv de door het hof op te leggen zekerheidstelling beperkt is tot de proceskosten en de schadevergoeding tot betaling waarvan IPMI in hoger beroep veroordeeld zou kunnen worden en dit bedrag de proceskosten van de eerste aanleg betreft waarin IPMI in het eindvonnis van 13 juni 2018 reeds veroordeeld is. (…).”

2.20

In haar incidentele conclusie heeft [verweerster] gesteld dat zij dit onderwerp ook in een cassatieberoep tegen het arrest in het incident van 25 juni 2019 had kunnen aanvoeren, maar dat zij, gelet op het beperkte financiële belang, daarvoor niet heeft gekozen en thans opnieuw zekerheid vraagt. Volgens [verweerster] is de rechtspraktijk gediend met een inhoudelijke uitspraak op deze vordering.30

[verweerster] heeft met betrekking tot haar vordering tot zekerheidstelling voor de onbetaalde proceskosten in eerste aanleg onder meer gesteld dat het in overeenstemming met de doelstelling van art. 224 Rv is dat IPMI ook zekerheid dient te stellen voor een reeds bestaande betalingsverplichting ten aanzien van proceskosten. Volgens [verweerster] is sprake van een reeds bestaande betalingsverplichting uit hoofde van een rechterlijke uitspraak, die willens en wetens niet wordt nagekomen, waarmee de verplichting tot zekerheidstelling, bij gebreke van betaling, zelfs meer in de rede ligt dan bij de zekerheid voor een nog uit te spreken proceskostenveroordeling, die nog afhankelijk is van de inhoudelijke beoordeling van het rechtsmiddel.31

2.21

IPMI heeft zich achter het oordeel van het hof geschaard en onder meer aangevoerd dat aanstonds duidelijk is dat de wetgever zekerheidstelling slechts van toepassing wil laten zijn op de kosten van de op het moment van het vragen van zekerheidstelling aanhangige instantie. De partij ten aanzien van wie zekerheidstelling wordt gevraagd kan immers alleen in die instantie in de proceskosten worden veroordeeld. Dat geldt niet voor de eerste aanleg omdat degene ten aanzien van wie zekerheidstelling is gevraagd daartoe al is veroordeeld en daartoe dus niet meer veroordeeld zou kunnen worden, aldus IPMI.32

2.22

M.i. geldt ten aanzien van de gevorderde zekerheidstelling voor de onbetaalde proceskosten in eerste aanleg, het volgende. In HR 30 april 1925, NJ 1925, p. 665, W 11387 heeft de Hoge Raad met betrekking tot art. 152 (oud) Rv, de voorloper van art. 224 Rv, als volgt overwogen:

“dat artikel 152 Rv. enkel betreft de rechtstreeks uit de instantie voortvloeiende kosten, schaden en interessen;

dat immers het recht om daarvoor zekerheidsstelling te verzoeken is gegeven in en dus met het oog op een bepaald geding en de slotwoorden van het eerste lid van artikel 152 „in welke zij zouden kunnen worden verwezen", alleen kunnen doelen op datgene, waarin de vreemdeling zou kunnen worden verwezen door den rechter, voor wien de instantie wordt gevoerd en die daarin een beslissing heeft te geven.”33

2.23

Deze uitspraak heeft nog steeds gelding, nu het huidige art. 224 Rv slechts een samenvoeging is van de art. 152 en 153 Rv (oud) en op dit punt niet meer dan redactionele wijzigingen bevat.34 De proceskosten waarvoor zekerheid moet worden gesteld, waren destijds, en zijn dus nog steeds, de rechtsreeks uit de instantie voortvloeiende proceskosten als bedoeld in art. 237 Rv e.v.35

Dit brengt mee dat, nu in cassatie zekerheidstelling voor de proceskosten wordt gevorderd waarin IPMI in cassatie veroordeeld zou kunnen worden, geen zekerheid kan worden gevorderd voor onbetaald gebleven proceskosten van vorige instanties.

Deze vordering dient derhalve te worden afgewezen.

Slotsom

2.24

De slotsom is dat de incidentele vordering tot veroordeling van IPMI om zekerheid te stellen dient te worden afgewezen voor zover de vordering betrekking heeft op de nog onbetaalde proceskosten in eerste aanleg waartoe IPMI door de rechtbank is veroordeeld en dat de vordering voor het overige voor toewijzing thans in aanmerking komt.

De hoogte van het bedrag tot beloop waarvan de zekerheid moet worden verstrekt - de te verwachten proceskosten in cassatie - zal door Uw Raad worden begroot.

Het is gelet op art. 6:51 lid 1 BW m.i. aan IPMI om de vorm van zekerheidstelling te bepalen.

3 Conclusie in het incident

De conclusie strekt tot:

- afwijzing van de incidentele vordering tot veroordeling van IPMI om zekerheid te stellen voor de proceskosten van het geding in cassatie, voor zover de vordering betrekking heeft op de nog onbetaalde proceskosten in eerste aanleg waartoe IPMI door de rechtbank is veroordeeld;

- toewijzing van de vordering tot zekerheidstelling voor het overige.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Voor zover in het incident van belang. Zie rov. 2 van het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 25 juni 2019 en rov. 5 van het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 4 februari 2020.

2 Zie ook het tussenvonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 31 januari 2018, rov. 2.1.

3 Zie rov. 3.1 van het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 25 juni 2019.

4 Zie rov. 6.6 van het arrest van het hof van 4 februari 2020.

5 Zie de procesinleiding, p. 2 bij de vermelding van de bestreden uitspraak. Het cassatiemiddel richt zich blijkens p. 3 evenwel ook tegen het arrest van 25 juni 2019.

6 Incidentele conclusie tot zekerheid[]stelling ex art. 414 juncto art 224 Rv van 11 september 2020 (hierna: de incidentele conclusie).

7 Een afschrift van de op 13 februari 2017 ondertekende depotovereenkomst is als prod. 1 aan de incidente conclusie gehecht.

8 Zie het petitum van de incidentele conclusie.

9 Zie de incidentele conclusie onder 3. Zie over de gevorderde zekerheidstelling voor de kosten van een eventueel incidenteel cassatieberoep de incidentele conclusie onder 14.

10 Zie de incidentele conclusie onder 10-13.

11 In genoemde paragraaf is het volgende opgenomen: “Bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van elf januari tweeduizend zeventien in de zaak met zaaknummer/rolnummer C/02/320542/ HA ZA 16-651, waarvan een kopie aan deze akte wordt gehecht, is IPMI veroordeeld om voor de proceskosten, waarin zij in de tussen IPMI en [verweerster] lopende hoofdzaak veroordeeld zou kunnen worden, ten behoeve van [verweerster] zekerheid stelt door bijschrijving van een bedrag van tienduizend vijfhonderdvierentwintig euro (€ 10.524,00) op een derdenrekening van een Nederlandse notaris.”

12 Verweerschrift in het incident, onder 2.1.

13 De stelplicht en bewijslast van het feit dat (oorspronkelijk) eiser geen vaste woon- of verblijfplaats heeft in Nederland, rust bij de eiser in het incident. Aldus HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0731, RvdW 2013/889, rov. 3.5. Zie over het begrip ‘zonder woonplaats of gewone verblijfplaats’ G. Snijders, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 224 Rv, aant. 4.

14 HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1580, NJ 2019/426, rov. 3.2.1 en HR 11 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:36, NJ 2019/51, rov. 3.3.2, onder verwijzing naar Parl. Gesch. Herz. Rv, p. 392 (en zie p. 393). Zie over de strekking ook Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2016/203 en G. Snijders, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 224 Rv, aant. 2.

15 Winters, T&C Rv, commentaar op art. 414 Rv, aant. 2.e.

16 G. Snijders, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 224 Rv, aant.11; Van Dam-Lely, T&C Rv, commentaar op art. 224 Rv, aant. 1.d.

17 Zie in dit verband (in het kader van een vordering op grond van art. 235 Rv) HR 18 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1607, NJ 2019/411, rov. 3.3.6, waarin is geoordeeld dat, gelet op de vrijheid die art. 6:51 lid 1 BW biedt aan degene die zekerheid dient te stellen, niet anders zal worden bepaald dan dat de te stellen zekerheid aan de eisen van art. 6:51 lid 2 BW dient te voldoen.

18 E. Korthals Altes, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 414 Rv, aant. 1; G. Snijders, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 224 Rv, aant. 3; Winters, T&C Rv, commentaar op art. 414 Rv, aant. 2.b.

19 Zie voor een soortgelijke regeling voor hoger beroep art. 353 lid 2 Rv.

20 Zie G. Snijders, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 224 Rv, aant. 12.

21 Zie HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:592, rov. 2.4. Zie voor toepassing in cassatie HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1580, NJ 2019/426.

22 Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering (Trb. 1954, 40).

23 Zie in dit kader Van Dam-Lely, T&C Rv, commentaar op art. 224 Rv, aant. 2.d., die – met verwijzing naar Parl. Gesch. Herz. Rv, p. 394 - vermeldt dat de eiser die zich ter afwering van de incidentele vordering op deze uitzondering wenst te beroepen, specifieke verhaalsinformatie zal moeten verschaffen. Zie eveneens Kamerstukken II 2000/01, 26 855, nr. 8, p. 3 en 4 (Derde NvW), waarin in dit kader wordt opgemerkt dat het uiteraard aan degene van wie zekerheid wordt gevorderd is om terzake voldoende (specifieke) gegevens te verschaffen.

24 De stelplicht en bewijslast met betrekking tot het feit dat het recht op toegang wordt aangetast, berust bij de verweerder die zich hierop beroept, aldus G. Snijders, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 224 Rv, aant. 8 onder verwijzing naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11 augustus 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:5954, JBPr 2015/51.

25 Incidentele conclusie onder 4.

26 Incidentele conclusie onder 10.

27 Verweerschrift in het incident, onder 5.

28 Incidentele conclusie onder 14.

29 Zie het verweerschrift in het incident, onder 4.2.

30 Incidentele conclusie onder 13.

31 Incidentele conclusie onder 11.

32 Verweerschrift in het incident, onder 3.3.

33 HR 30 april 1925, NJ 1925, p. 665, W 11387, m.nt. C.W. Star Busmann.

34 Zie de memorie van toelichting, Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 391.

35 G. Snijders, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 224 Rv, aant. A4 en aant. 5; Van Dam-Lely, T&C Rv, commentaar op art. 224 Rv, aant. 1.b; Hugenholtz/Heemskerk, 2018, p. 172.