Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:540

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-05-2021
Datum publicatie
16-07-2021
Zaaknummer
20/03786
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1147, Gevolgd
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Personen- en familierecht. Ondercuratelestelling; mentorschap. Proportionaliteit en subsidiariteit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/03786

Zitting 28 mei 2021

CONCLUSIE

E.M. Wesseling-van Gent

In de zaak

[de vader]

tegen

[huidige bewindvoerder] B.V.

Belanghebbende: [de moeder]

In cassatie wordt het oordeel van het hof omtrent de ondercuratelestelling als nadere beschermingsmaatregel bestreden en wordt geklaagd over de benoeming van de persoon van de curator.

1 Feiten1en procesverloop2

1.1

Partijen, betrokkene en belanghebbende zijn als volgt aangeduid:
- verzoeker tot cassatie: de vader;
- verweerster in cassatie: [huidige bewindvoerder] B.V.3: huidige bewindvoerder of curator;
- betrokkene: [rechthebbende] : [rechthebbende] of rechthebbende;
- belanghebbende: [de moeder] , verzoekster in eerste aanleg: de moeder.

1.2

Bij beschikking van 21 december 2016 is door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant een bewind als bedoeld in art. 1:431 BW ingesteld over alle goederen die (zullen) toebehoren aan [rechthebbende] als rechthebbende, met benoeming van [huidige bewindvoerder] B.V. tot bewindvoerder.4

1.3

Bij inleidend verzoekschrift, op 2 september 2019 ingekomen ter griffie van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, heeft de moeder een verzoek tot ondercuratelestelling van [rechthebbende] ingediend, onder gelijktijdige benoeming van de bewindvoerder tot curatrice.
De moeder heeft aan dit verzoek ten grondslag gelegd dat [rechthebbende] als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand, tijdelijk of duurzaam zijn belangen niet behoorlijk waarneemt, althans zijn eigen veiligheid of die van anderen in gevaar brengt en dat met de bestaande beschermingsmaatregel de belangen van rechthebbende niet afdoende worden behartigd.5

1.4

De vader heeft verweer gevoerd en gesteld dat ondercuratelestelling geen meerwaarde heeft en er een mentorschap dient te worden ingesteld.6

1.5

De kantonrechter heeft de zaak op 2 oktober 2019 mondeling behandeld. Van het ter zitting verhandelde is proces-verbaal opgemaakt.

1.6

Bij beschikking van 23 oktober 2019 heeft de kantonrechter, voor zover thans van belang, [rechthebbende] onder curatele gesteld met benoeming van de bewindvoerder tot curator.

1.7

Zowel de vader als de curator is van deze beschikking in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.7
De vader heeft het hof daarbij verzocht de beschikking van de kantonrechter te vernietigen en – opnieuw rechtdoende – primair te bepalen dat het verzoek tot omzetting bewindvoering naar een ondercuratelestelling wordt afgewezen; subsidiair te bepalen dat zowel de vader als de moeder wordt benoemd als curator van [rechthebbende] ; en meer subsidiair dat het hof beslist zoals het hof onder de gegeven omstandigheden juist acht.

1.8

De curator heeft een verweerschrift ingediend en het hof verzocht om de verzoeken van de vader af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

1.9

Het hof heeft de zaak mondeling behandeld op 6 juli 2020 in aanwezigheid van de vader, bijgestaan door zijn advocaat, de moeder en [huidige bewindvoerder] namens de curator, bijgestaan door haar advocaat.
Van het ter zitting verhandelde is proces-verbaal opgemaakt.

1.10

Bij beschikking van 27 augustus 2020 heeft het hof, voor zover thans van belang, de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd.

1.11

De vader heeft van deze beschikking tijdig8 beroep in cassatie ingesteld. In het verzoekschrift tot cassatie is het voorbehoud gemaakt tot aanvulling van het cassatiemiddel zodra het proces-verbaal van de zitting van het hof is ontvangen. Van dit voorbehoud is geen gebruik gemaakt.
De curator en de moeder zijn in de gelegenheid gesteld om verweer te voeren. Er is geen verweer ontvangen.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel bevat in de eerste plaats klachten tegen het oordeel van het hof omtrent de ondercuratelestelling als nadere beschermingsmaatregel. Dienaangaande heeft het hof in rov. 3.7.2 als volgt overwogen:

“Niet ter discussie staat dat [rechthebbende] onvoldoende in staat is om zijn belangen zelfstandig te behartigen.

Op 23 maart 2019 is [rechthebbende] betrokken geraakt bij een ongeval en heeft hij ernstig, blijvend letsel opgelopen. Hij heeft enige tijd in coma gelegen en hij zal als gevolg van zijn letsel afhankelijk blijven van vierentwintiguurs-zorg.

Ten tijde van het ongeval stond [rechthebbende] reeds onder bewind bij de huidige curator. Er was bij [rechthebbende] sprake van een verstandelijke beperking, een visuele beperking en er was sprake van overige problematiek, waaronder middelengebruik.

Ten gevolge van het ongeval volstaat het bewind niet meer en dienen de niet-financiële belangen van [rechthebbende] eveneens te worden behartigd. Het is daarbij van belang dat er effectief en kordaat kan worden opgetreden. Wanneer zou worden volstaan met het opleggen van een bewind en mentoraat is [rechthebbende] namelijk nog handelingsbekwaam en kan hij zelfstandig rechtshandelingen verrichten die liggen buiten het terrein van zijn vermogen, zoals bijvoorbeeld een huwelijk aangaan. Gelet op [rechthebbende] ’s beperkingen kan hij echter zijn wil niet zelfstandig bepalen en kan hij de (financiële en andere) gevolgen van zijn handelingen niet overzien. Met de rechtbank is het hof dan ook van oordeel dat [rechthebbende] onder curatele moet worden gesteld.”

2.2

Het middel klaagt dat, hoewel de bestreden rov. 3.7.2 juist is, deze overweging niet ter zake doet dan wel onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd nu het verzoek tot het treffen van een nadere beschermingsmaatregel niet is ingegeven door het al dan niet zijn van handelingsbekwaam, maar door de wens om wat betreft de medische begeleiding en behandeling van [rechthebbende] één gesprekspartner te hebben. Daarnaast wordt geklaagd dat het hof ten onrechte tot ondercuratelestelling in plaats van mentorschap is overgegaan en dat het hof aldus met betrekking tot het in acht te nemen proportionaliteits- en/of subsidiariteitsbeginsel van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, dan wel de beschikking onjuist, dan wel onvoldoende heeft gemotiveerd.

2.3

Bij de beoordeling van de klachten dient het volgende.
De geestelijke of lichamelijke toestand kan onder omstandigheden grond opleveren voor het opleggen van een beschermingsmaatregel, zoals curatele, beschermingsbewind en mentorschap. Beschermingsmaatregelen moeten voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Proportionaliteit geeft een glijdende schaal weer; de reikwijdte van de maatregel moet stroken met het daarmee nagestreefde doel. Gaat een maatregel te ver, dan moet hij worden beperkt. Subsidiariteit betekent dat als een maatregel te ver gaat, hij moet worden afgewezen of beëindigd, en zo mogelijk worden vervangen door een lichter alternatief.9

2.4

De wetgever heeft zich bij de wijziging van de regeling voor curatele, beschermingsbewind en mentorschap zoals die op 1 januari 2014 respectievelijk 1 april 2014 in werking is getreden in hoge mate door deze beginselen laten leiden en deze geconcretiseerd in het begrip ‘passende maatregel’.10 Blijkens de memorie van toelichting dienen de beschermingsmaatregelen passend te zijn en, waar mogelijk, de zelfredzaamheid van de betrokkene te bevorderen.11

2.5

Beschermingsbewind wordt wel gezien als een lichtere vorm van curatele. Juridisch zijn deze rechtsfiguren echter geheel verschillend. Het is de persoon die onder curatele wordt gesteld, met als gevolg zijn handelingsonbekwaamheid. De taak van de curator betreft dan ook niet alleen de goederen, maar tevens de persoon van de onder curatele gestelde.12

2.6

Uit rov. 3.7.2 blijkt dat het hof heeft afgewogen of ondercuratelestelling nodig is (eis van proportionaliteit) en of een minder zware maatregel volstaat (eis van subsidiariteit). Volgens het hof staat niet ter discussie dat [rechthebbende] onvoldoende in staat is om zijn belangen zelfstandig te behartigen. Het is, aldus het hof, ten gevolge van het ongeval van [rechthebbende] noodzakelijk dat een andere, effectieve, maatregel nodig is om ook zijn niet-financiële belangen te kunnen behartigen. Uit het proces-verbaal blijkt dat de curator heeft gesteld dat een mentorschap niet volstaat. Zij heeft in dit verband gewezen op een risico ten aanzien van het vermogen van [rechthebbende] in de persoon van zijn vriendin en op het verzoek vanuit de zorg (artsen en ziekenhuizen) om een professional in te zetten.13

2.7

Nu [rechthebbende] naar het oordeel van het hof zijn wil niet zelfstandig kan bepalen en hij de financiële en andere gevolgen van zijn handelen niet kan overzien, komt het hof, met de rechtbank, tot de slotsom dat [rechthebbende] onder curatele moet worden gesteld.
Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is voldoende begrijpelijk gemotiveerd. De klachten tegen rov. 3.7.2 falen dus.

2.8

Het middel richt zich daarnaast tegen het oordeel van het hof over de vraag wie als curator moet worden benoemd. Daarover heeft het hof in rov. 3.7.3 het volgende geoordeeld:

“(…) Uit de stukken en hetgeen ter mondelinge behandeling is verklaard is gebleken dat de behandeling en verzorging van [rechthebbende] de afgelopen maanden niet geheel naar behoren is verlopen, terwijl het voor [rechthebbende] van belang is dat hij optimaal kan revalideren en de gevolgen van zijn ongeluk zoveel mogelijk worden beperkt.

De ouders zijn terecht kritisch ten aanzien van de behandeling (geweest) en zij hebben een belangrijke signaalfunctie (gehad) in het herstelproces van [rechthebbende] . Het blijft dan ook van belang dat de ouders, die [rechthebbende] als geen ander kennen, serieus worden genomen.

Het hof ziet echter ook dat de ouders vanwege hun emotionele betrokkenheid bij hun zoon onvoldoende in staat zijn om hoofdzaken van bijzaken te onderscheiden en zij vanwege deze betrokkenheid niet goed in staat zijn om met de hulpverlening en instanties samen te werken en als gesprekspartner van [rechthebbende] te fungeren.

Hierdoor bestaat het risico dat [rechthebbende] niet de noodzakelijke zorg krijgt die hij nodig heeft. (curs. A-G).

[rechthebbende] verblijft op dit moment nog op een tijdelijke behandelplek en het revalidatietraject komt moeizaam op gang. Er dient dan ook een goede regie te worden gevoerd zodat [rechthebbende] optimaal kan revalideren en er een geschikte woon-/zorgvoorziening kan worden gevonden.

Een professional kan niet alleen voornoemde regie voeren, maar is ook in staat om de hetgeen de ouders signaleren op de juiste wijze en naar de juiste instanties te verwoorden en om te zetten in acties.

Het hof heeft er voldoende vertrouwen in dat de huidige curator in staat is om de hulp voor [rechthebbende] te organiseren en in goede banen te leiden. Daarbij werkt de curator samen met mr. Stappaerts en mevrouw Hoogland14 en is ter mondeling[e] behandeling ook gebleken dat mr. Stappaerts nog recent een klacht bij Thebe heeft ingediend over de behandeling van [rechthebbende] , hetgeen dit vertrouwen versterkt en waaruit blijkt dat de ouders wel degelijk serieus worden genomen in hun terechte zorgen.”

2.9

Onder verwijzing naar Lieber15 stelt het middel voorop dat de eis van proportionaliteit ook betrekking heeft op de persoon van de curator en dat daarbij de persoon aan wie betrokkene zelf de voorkeur geeft en personen uit zijn naaste en vertrouwde omgeving de voorkeur genieten. Verder bepaalt art. 1:383 BW, aldus het middel, dat de rechter bij de benoeming van de curator de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene volgt, tenzij gegronde redenen zich tegen een zodanige benoeming verzetten (lid 2) en dat, indien geen sprake is van een uitdrukkelijke voorkeur, zoals in dit geval, bij voorkeur één van de ouders tot curator wordt benoemd (lid 3).
Het middel richt zich vervolgens tegen het door mij gecursiveerde gedeelte van de geciteerde rov. 3.7.3 en klaagt dat de beslissing van het hof om niet tot benoeming van de ouders (de vader) tot curator over te gaan, onvoldoende is gemotiveerd. Het middel betoogt daarbij – zakelijk weergegeven – dat het hof zich bij het gecursiveerde oordeel ogenschijnlijk heeft gebaseerd op de brieven van Thebe van 21 februari 2020 en 13 februari 2020, zoals bij het verweerschrift van 12 maart 2020 gevoegd, maar dat de beslissing van het hof niet uit die brieven kan worden afgeleid.

2.10

De klacht voldoet m.i. niet aan de aan een middel te stellen eisen nu slechts wordt gesteld dat het hof zich “ogenschijnlijk” op genoemde brieven baseert, maar niet wordt uitgelegd op welke passages wordt gedoeld en waarom het hof zijn oordeel alleen daarop zou hebben gebaseerd.
Bovendien berust de klacht op een onjuiste lezing van de beschikking.

2.11

In zijn beroepschrift heeft de vader – kort weergegeven – aangevoerd dat de ouders van mening zijn dat de curatele niet noodzakelijk is omdat zij zelf voldoende de belangen van [rechthebbende] kunnen behartigen. Gelet op het laatste verzoekt de vader, voor het geval het hof toch de maatregel van curatele in het belang van [rechthebbende] acht, de ouders als curator te benoemen.16 Ter zitting heeft de vader onder meer verklaard dat hij zich door iedereen tegengewerkt en buitengehouden voelt; dat hij nog steeds bereid is om met Thebe of andere artsen/instanties in gesprek te gaan en dat het juist is dat hij niet met alles akkoord gaat, maar dat hij opkomt voor de rechten van [rechthebbende] .17

2.12

Namens de curator is ter zitting verklaard dat het verzoek om een professional in te zetten vanuit de zorg is gekomen; dat de artsen en ziekenhuizen er moeite mee hebben om met de vader te communiceren en dat zij de vader als lastig ervaren; dat de ouders er verder soms moeite mee hebben om de medische informatie goed te interpreteren, en dat dat ook zijn weerslag heeft op [rechthebbende] , die hier onrustig van wordt. Verder heeft de curator toegelicht dat [betrokkene 1] , die medisch onderlegd is, als zorgcoördinator van Trevium is ingezet in het kader van de letselschadezaak. [betrokkene 1] heeft de familiegesprekken bijgewoond, zij onderhoudt contact met Thebe, koppelt alle informatie terug aan de ouders en zij spant zich in om een goede (revalidatie)plek voor [rechthebbende] te vinden. Als die plek is gevonden, valt zij er evenwel tussenuit.18

2.13

Het hof heeft onder meer uitdrukkelijk overwogen dat de ouders terecht kritisch zijn (geweest) ten aanzien van de behandeling van [rechthebbende] en dat het van belang is en blijft dat de ouders serieus worden genomen. Het hof ziet echter ook dat er een risico is dat [rechthebbende] niet de noodzakelijke zorg krijgt die hij nodig heeft omdat de ouders niet goed in staat zijn met de hulpverlening en instanties samen te werken en als gesprekspartner van [rechthebbende] te fungeren.
Dit feitelijke oordeel is – gelet op het vorenstaande – gebaseerd op de stukken en het verhandelde ter terechtzitting en dus niet uitsluitend op de brieven van Thebe. De klacht faalt daardoor.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Het hof heeft, evenals de rechtbank, geen feiten vastgesteld.

2 Voor zover thans van belang. Zie voor het volledige procesverloop in eerste aanleg de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 oktober 2019, rov. 1. Zie voor het procesverloop in hoger beroep de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 27 augustus 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:2655 (hierna: de bestreden beschikking), rov. 2.

3 De schrijfwijze is verschillend in de bestreden beschikking, de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 oktober 2019 en het verzoekschrift tot cassatie. Ik ga uit van de schrijfwijze in het verzoekschrift tot cassatie.

4 Zie de bestreden beschikking, rov. 3.1.

5 Zie de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 oktober 2019, rov. 3.2.

6 Afgeleid uit rov. 3.3 van de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 oktober 2019.

7 Gelet op de inhoud van het cassatieberoep laat ik het appel van de curator verder achterwege.

8 Het verzoekschrift tot cassatie is op 18 november 2020 door de griffie van de Hoge Raad ontvangen.

9 Asser/De Boer, Kolkman en Salomons 1-I 2020/653.

10 J.H. Lieber, De verhouding tussen curatele, mentorschap en meerderjarigenbewind en de invloed van alternatieve beschermingsmaatregelen, WPNR 2015/7064, p. 467; in voetnoot 8 verwijst hij daarbij naar art. 12 lid 4 van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, New York 13 december 2006, Trb. 2007/169.

11 Kamerstukken II 2011/12, 33 054, nr. 3, p. 3.

12 Asser/De Boer, Kolkman en Salomons 1-I 2020/691.

13 Proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 6 juli 2020, p. 3.

14 Vermoedelijk bedoelt het hof: “ [betrokkene 1] ”.

15 Lieber, t.a.p., p. 468.

16 Beroepschrift, onder 7 en 9.

17 Zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 6 juli 2020, p. 2.

18 Zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 6 juli 2020, p. 3.