Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:536

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
01-06-2021
Datum publicatie
01-06-2021
Zaaknummer
20/00751
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1139
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Caribische zaak. “afkomstig is uit enig misdrijf” ex art. 435a en 435b Sr Nederlandse Antillen. Vervolg op HR 13 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:329. Middel met vijf klachten over de bewijsvoering dat baren of broodjes goud tot een totaal van ca. 1.258 kg “afkomstig waren uit enig misdrijf”. Strekt tot verwerping. Samenhang met 20/01749 C.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/00751 C

Zitting 1 juni 2021

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955,

hierna: de verdachte.

Inleiding

  1. De verdachte is bij vonnis van 20 februari 2020 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, wegens onder 9a en 10a “De eendaadse samenloop van het medeplegen van gewoontewitwassen en het feitelijk leiding geven aan gewoontewitwassen, gepleegd door een rechtspersoon”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 540 dagen met aftrek van voorarrest. Tevens heeft het Hof in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen verbeurd verklaard, een en ander zoals in het vonnis is aangegeven.[1] Het vonnis is gewezen nadat de Hoge Raad in zijn arrest van 13 maart 2018, het vonnis van het Hof van 31 maart 2016 in de onderhavige zaak had vernietigd en de zaak had teruggewezen opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.[2]

  2. Er bestaat samenhang met de zaak [medeverdachte], nr. 20/01749 C. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Namens de verdachte hebben mr. R.J. Baumgardt, mr. P. van Dongen en mr. S. van den Akker, advocaten te Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

4. Het middel komt met vijf klachten op tegen onderdelen van de bewijsvoering voor zover die betrekking heeft op de bewezenverklaring dat baren of broodjes goud tot een totaal van circa 1.258 kilogram “afkomstig waren uit enig misdrijf”. De eerste klacht richt zich tegen de overweging van het Hof dat uit het dossier blijkt van de strafbaarheid en strafbaarstelling van het exporteren van Venezolaans goud zonder exportvergunning. Aangevoerd wordt dat dit niet uit de bewijsmiddelen kan volgen, terwijl het Hof “niet met de vereiste mate van nauwkeurigheid het bewijsmiddel heeft aangeduid waaraan het Hof dit heeft ontleend”. De tweede klacht houdt in dat uit het oordeel van het Hof, dat bij het exporteren van dat goud gebruik is gemaakt van strafbare feiten, niet betekent “dat het goud daardoor uit misdrijf afkomstig is”. Bij deze strafbare feiten gaat het niet om het exporteren van Venezolaans goud zonder exportvergunning, waarop de eerste klacht betrekking heeft, maar om het plegen van valsheid in geschrift en het gebruik maken van vervalste geschriften nu op het certificaat (telkens) staat vermeld dat het goud afkomstig is uit Colombia, terwijl is gebleken dat het goud afkomstig is uit Venezuela. De derde klacht richt zich tegen de overweging van het Hof dat de verdachte zijn stelling, dat hij het getransporteerde goud heeft betrokken bij de Colombiaanse firma [A], niet met stukken heeft onderbouwd. De vierde klacht houdt in dat het Hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting in zijn overweging dat “met voldoende zekerheid kan worden uitgesloten” dat de geldbedragen en goederen een legale herkomst hebben en dat daarmee een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. Aangevoerd wordt dat deze door het Hof toegepaste maatstaf, bij het beantwoorden van de vraag of de baren of broodjes goud afkomstig waren uit enig misdrijf, “een beduidend lagere graad is dan dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is”. De vijfde klacht richt zich tegen de overweging van het Hof dat uit onder meer de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] kan worden afgeleid dat het geld dat met de goudtransporten werd verdiend weer werd geherinvesteerd in vervolgtransporten, en dat dit betekent dat het in dergelijke vervolgtransporten betrokken goud werd aangeschaft met geld dat (geheel of gedeeltelijk) uit enig misdrijf afkomstig was, zodat dat goud zelf hierdoor ook middellijk afkomstig was uit misdrijf.

De bewezenverklaring, de gebruikte bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen

5. Ten behoeve van de bespreking van het middel geef ik eerst de bewezenverklaring weer, gevolgd door de door het Hof gebruikte bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen.

6. Ten laste van de verdachte heeft het Hof bewezenverklaard:

“9a

dat hij in de periode van 31 oktober 2008 tot en met 08 september 2009 in de Nederlandse Antillen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen een gewoonte heeft gemaakt van het opzettelijk witwassen van voorwerpen, immers hebben verdachte en zijn mededaders toen en aldaar:

- baren of broodjes goud tot een totaal van circa 1258 kilogram verworven en voorhanden gehad en overgedragen en

- een of meer geldbedragen tot een totaal van $ 36.788.306, 46 Amerikaanse dollar verworven en voorhanden gehad en

- een vliegtuig merk Cessna 335 met staartnummer [001] verworven en voorhanden gehad

terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders wisten en begrepen dat deze voorwerpen afkomstig waren uit enig misdrijf.

10a.

dat [B] NV (io) in de periode van 31 oktober 2008 tot en met 08 september 2009 in de Nederlandse Antillen, een gewoonte heeft gemaakt van het opzettelijk witwassen van voorwerpen, immers heeft [B] NV (io) toen en aldaar:

- baren of broodjes goud tot een totaal van circa 1258 kilogram verworven en voorhanden gehad en overgedragen en

- een of meer geldbedragen tot een totaal van $ 37.801.076 Amerikaanse dollar verworven en voorhanden gehad en

- een vliegtuig merk Cessna 335 met staartnummer [001] verworven en voorhanden gehad

terwijl [B] NV (io) wist en begreep dat deze voorwerpen afkomstig waren uit enig misdrijf,

tot het plegen van welk feit hij verdachte opdracht heeft gegeven en aan welke verboden gedraging hij verdachte feitelijk leiding heeft gegeven.”

7. Aan de bewezenverklaring heeft het Hof de volgende bewijsmiddelen ten grondslag gelegd:

Overneming van het door het Hof in zijn vonnis van 31 maart 2016 gebezigde bewijs (voor zover thans nog aan de orde)

Het Hof verenigt zich ten aanzien van de thans nog aan de orde zijnde feiten met de door het Hof gemaakte selectie van de bewijsmiddelen, zoals die door het Hof in bijlage 2 aan het vonnis van 31 maart 2016 zijn gehecht. Het Hof neemt deze bewijsmiddelen dan ook over, verwijst daarnaar en legt deze ten grondslag aan zijn bewezenverklaring.

Het Hof vult deze bewijsmiddelen voorts aan met de bewijsmiddelen zoals deze volgen uit de hierna vermelde voetnoten.”

8. De selectie van de bewijsmiddelen die zijn gehecht aan het vonnis van 31 maart 2016, is als volgt:

28. Een proces-verbaal van politie d.d. 4 december 2009, ordner 18, p. 40.011 en 40.014, op ambtseed en -belofte opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], brigadier respectievelijk buitengewoon agent van politie, voor zover inhoudende de volgende bevindingen:

In de periode van 8 december 2008 tot en met 26 maart 2009 zijn door [B] NV de hieronder genoemde goudtransporten uitgevoerd via de route Venezuela - Aruba- Nederland- België. In de periode van 29 (het Hof leest: 24) april 2009 tot en met 5 september 2009 zijn er door [B] NV de hieronder genoemde goudtransporten uitgevoerd via de route Venezuela-Curaçao-Nederland-België.

Aankomst Aruba

Gewicht (gram)

9-12-2009 (het Hof leest 2008)

36.907,91

21-12-2009 (het Hof leest 2008)

97.481,29

7-1-2009

71.309,83

9-1-2009

75.783,78

18-1-2009

98.925,50

25-01-2009

121.527,85

8-2-2009

116.213,40

1-3-2009

73.533,81

6-3-2009

95.316,15

26-3-2009

77.018,73

 

864.018,25 (totaal Aruba)

Aankomst Curaçao

Gewicht (gram)

24-2-2009

80.512,35

29-4-2009

57.694,40

30-04-2009

45.847,50

03-06-2009

52.659,72

08-06-2009

52.848,75

23-06-2009

30.872,13

16-7-2009

34.757,67

29-07-2009

40.082,17

12-08-2009

38.303,44

 

433.578,13 (Totaal Curaçao)

Totaal

1.297.596,38

29. Een proces-verbaal van politie d.d. 10 september 2009, ordner 20, p. 41.277 t/m 41.284, op ambtseed opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 3] en [verbalisant 4], beiden buitengewoon agent van politie, voor zover inhoudende de volgende verklaring van verdachte [verdachte]:

Ik heb alleen maar inkomsten uit mijn bedrijf [B]. Op dit moment ontvangen wij gemiddeld 40 kilogram per twee weken. Als er een zending goud is in Curaçao maak ik de papieren klaar op mijn computer.

V: Hoe ging de start van de goudhandel met [betrokkene 3]?

[betrokkene 3] vroeg mij of ik hem kon helpen omdat hij gevraagd was door [betrokkene 2] en [betrokkene 1]

V: Waar komt het goud vandaan?

A. Op het certificaat staat dat het uit Colombia komt maar volgens mij komt het maar voor een deel uit Colombia. Een deel komt volgens mij ook uit Venezuela. Op de grote blokken die wij ontvangen staat een stempel met de letters ‘PMG’. Een dergelijk stempel betekent dat het uit de Venezolaanse goudmijnen komt. Ik herinner mij dat ik in april van dit jaar ben opgepakt door de Direction Intelligencia Militar en dat ik daar toen voor het eerst de naam PMG heb gehoord en dat dit goud afkomstig is uit Venezuela. Dat zei iemand van de DIM mij.

V: U heeft het al eerder gehad over het vliegtuig, de Cessna 335, waarover u beschikt. Van wie is dit vliegtuig daadwerkelijk?

Het is eigendom van [C] Inc. In Cheyenne Wyoming. Ik ben directeur van deze rechtspersoon. Het bedrag van het vliegtuig is overgemaakt over de rekening van [B].

30. Een proces-verbaal van politie d.d. 22 september 2009, ordner 20, p. 41288 t/m 41292, op ambtseed opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 3] en [verbalisant 4], beiden buitengewoon agent van politie, voor zover inhoudende de volgende verklaring van verdachte [verdachte]:

Het eerste contact over het uitzoeken hoe het zit met goudhandel dateert van begin 2008. Uiteindelijk in juni 2008 heeft [betrokkene 4] [B] opgericht. Ongeveer in oktober 2008 kregen we toestemming van de Centrale Bank en in december 2008 is de bankrekening bij de Girobank geopend. Ik heb zelf dit jaar van [betrokkene 4] alle aandelen op mijn naam gekregen. Ik was al ultimate beneficial owner van [B], dat is gebruikelijk bij een trustcompany.

31. Een proces-verbaal van politie d.d. 26 november 2009, ordner 18, p. 40040 t/m 40049, op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 1], buitengewoon agent van politie, voor zover inhoudende de volgende bevindingen:

Op 10 juni 2008 werd in opdracht van [D] NV (hierna ook [D] NV) gevestigd op Curaçao door notaris Eshuis opgericht het bedrijf: [B] NV (hierna ook [B] NV genoemd)

Daartoe gemachtigd door de directeur van [D] NV, [betrokkene 4], werd [D] bij de oprichting van [B] NV vertegenwoordigd door [betrokkene 5].

Uit de oprichtingsakte blijkt dat als managing directors zijn aangesteld/benoemd [E] NV en [betrokkene 5] voornoemd.

Door [betrokkene 4] , namens [B] NV is op 22 augustus 2008 middels een zogenoemde power of attorney bepaald dat [verdachte] aangewezen en benoemd als wettelijk vertegenwoordiger van [B] NV. Deze power of attorney is geldig tot 21 augustus 2009.

Door [betrokkene 4], namens [B] NV is op 22 januari 2009 middels een zogenoemde power of attorney wederom bepaald dat [verdachte] is aangewezen en benoemd als wettig vertegenwoordiger van [B] NV. Deze power of attorney is geldig tot 22 januari 2010.

Op 23-12-2008 is er bij de Girobank op Curaçao door [B] NV rekeningnummer [002] geopend. Gemachtigden van die rekening zijn [verdachte] en [E] NV. [verdachte] voornoemd is daarbij gemachtigd om met betrekking tot dat rekeningnummer te intemetbankieren.

Uit de aanvraagformulieren voor die rekening blijkt dat [verdachte] wordt opgegeven als zijnde de Ultimate Beneficial Owner van [B] NV.

32. Een proces-verbaal van politie van 24 november 2009, ordner 20, p. 4.1115 e.v., op ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1], buitengewoon agent van politie, voor zover inhoudende de volgende bevindingen:

Uit onder meer afgeluisterde telefoongesprekken en uit documenten afkomstig van Girobank op Curaçao is gebleken dat [verdachte] omstreeks 10 februari 2009 in de Verenigde Staten het volgende vliegtuig heeft gekocht:

Merk: Cessna

Type: 335

Registratienummer: [001].

Door de Girobank op Curaçao werden overzichten van transacties van het rekeningnummer op naam van [B] uitgeleverd.

Na onderzoek bleek dat vanaf die rekening op 29 januari 2009 $ 70.000 werd overgemaakt naar een rekening ten name van Insured Aircraft Title Service Inc onder vermelding van onder meer: [001].

In de woning van verdachte werd aangetroffen een FAA-registratieformulier. Uit dat formulier blijkt dat [C] Inc te Wyoming in de Verenigde Staten de eigenaar is van de Cessna 335 met registratienummer [001].

In beslag werden genomen documenten met betrekking tot [C] Inc:

- een nota van Wyoming Corporate Services Inc aan [verdachte] voornoemd waaruit blijkt dat [verdachte] het bedrijf [C] Inc. heeft gekocht;

- een oprichtingsakte van [C] Inc. Met begeleidende brief dat de daarin genoemde directeuren en secretarissen vervangen worden door [verdachte]

- een brief van 05-02-2009 van Wyoming Corporate Services Inc. directeur van [C] Inc. dat [verdachte] hierbij is aangesteld als directeur van [C] Inc.

33. Een proces-verbaal van verhoor d.d. 19 oktober 2010, ordner 29, tabblad 8, van de getuige [betrokkene 6] door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in het Gerecht Curaçao, voor zover inhoudende als verklaring van die getuige:

Hoe bent u met [B] in aanraking gekomen?

De eerste keer via [betrokkene 2] en [betrokkene 1]. Zij vroegen mij om goud van Venezuela naar Curaçao te exporteren. [B] heeft contact met mij opgenomen via e-mail. [betrokkene 2] en [betrokkene 1] betaalden mijn rekening.

Waar komt het goud dat u transporteerde vandaan?

Het komt of uit de mijnen van Venezuela of het is gesmolten door juweliers.

Ik weet niet van bedrijven die openlijk waarde transporten verzorgen van Venezuela naar Curaçao. Als we het kunnen vermijden de douane te vertellen over het goud transport dan doen we dat. In Venezuela wordt 25 procent van de misdrijven door de politie gepleegd.

Als de douane merkt dat je goud bij je hebt dan moet je steekpenningen betalen en ze vragen wanneer je weer komt. Je moet steekpenningen betalen om te voorkomen dat je exportrechten moet betalen. Als je het op de juiste manier doet moet je en de uitvoerrechten en de steekpenningen betalen. Als je het op de foute manier doet betaal je alleen de steekpenningen, of helemaal niets als je niet gepakt wordt.

34. Een proces-verbaal van verhoor d.d. 27 januari 2014, ordner 29, tabblad 8, van de getuige [betrokkene 6] door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in het Gerecht Curaçao, voor zover inhoudende als verklaring van die getuige:

Heeft u cliënten die goud transporteerden met toestemming van de centrale bank en de douane van Venezuela?

Nee geen enkele.

35. Een proces-verbaal van verhoor d.d. 17 december 2012, ordner 29, tabblad 22, van de

getuige [betrokkene 7] door de rechter-commissaris belast

met de behandeling van strafzaken in het Gerecht Curaçao, voor zover inhoudende als

verklaring van die getuige:

Het bedrijf [F] NV is mijn bedrijf sinds 18 jaar.

Dit bedrijf koopt en verkoopt volgens het KvK uittreksel goud vanuit Curaçao maar in welke landen wordt het goud ingekocht?

Van Venezuela, Colombia en Peru.

De laatste tien jaar liet ik de verkoper van het goud in Venezuela het goud naar Curaçao brengen. Hier zorgde ik zelf voor de invoer. Het goud werd in het geheim uit Venezuela uitgevoerd. Officieel wordt er geen goud vanuit Venezuela uitgevoerd. Niemand geeft dat aan.

36. Een proces-verbaal van verhoor d.d. 15 november 2012, ordner 30, tabblad 25, van de getuige [betrokkene 2] in het kader van een internationaal rechtshulpverzoek, voor zover inhoudende als verklaring van die getuige:

Vraag: kent u het bedrijf [B] ([B])?

Ja, dat is het bedrijf van [verdachte], wij verkochten goud. De commerciële relatie was sinds eind 2008 tot september 2009.

Het goud kwam uit de Venezolaanse mijnen, de staat heeft enkele terreinen ten zuiden van de staat Bolivar in concessie gegeven aan de bedrijven PMG (PB: Promotoro Minera Guyana), Rusoro en de coöperatieven, deze bedrijven extraheren het oud materiaal.

Het goud werd door ons verkocht aan [B] en het was goud uit de mijnen van Venezuela.

Vraag: hoe weet u dat het goud uit de Venezolaanse mijnen kwam?

Antwoord: Opdat de bedrijven het materiaal konden bezorgen was nodig een leidraad voor vervoer, uitgegeven door het Ministerie van Industrie en Mijnbouw op dat moment. De Inspecteur van Mijnbouw die de leidraad ondertekent als hij wel aanwezig was op het moment van de productie was het voor mij meer dan logisch dat dat goud geproduceerd werd in Venezuela.

Vraag: Niettegenstaande heeft [B] altijd aan de Antilliaanse autoriteiten certificaten van oorsprong gepresenteerd van een Colombiaanse entiteit, die lieten zien dat het gekochte goud voor [B] afkomstig was van een Colombiaanse mijn. Hebt u uitleg hiervoor?

Ik koop goud in Venezuela en verkoop goud in Venezuela. Ik ben 99,99% zeker dat het goud dat ik verkocht goud uit Venezuela was, wat [B] doet is niet mijn zaak.”

9. De bewijsoverwegingen van het Hof, houden het volgende in:

Bewijsoverwegingen

Het Hof neemt de bewijsoverwegingen van het Hof in zijn vonnis van 31 maart 2016 (op de pagina's 11 en 12) over onder schrapping van de volgende overweging op pagina 12 van dat vonnis:

‘Verder heeft de verdachte betoogd – kort samengevat - dat het goud niet van misdrijf afkomstig is. Dit betoog faalt eveneens. Vaststaat dat het goud afkomstig is uit Venezuela en zonder exportvergunning uit Venezuela is geëxporteerd. Uit het dossier blijkt van de strafbaarheid en strafbaarstelling van het exporteren van Venezolaans goud zonder exportvergunning. Verder heeft de verdachte bij het exporteren van Venezolaans goud gebruik gemaakt van strafbare feiten, te weten het plegen van valsheid in geschrift en het gebruik maken van vervalste geschriften. Deze drie misdrijven maken dat het goud afkomstig is van misdrijf.’

Deze overweging wordt vervangen door de navolgende overwegingen.

Uit misdrijf afkomstig

Met betrekking tot het verweer van de verdachte dat het goud niet uit misdrijf afkomstig is, overweegt het Hof als volgt:

Vanaf december 2008 zijn er door [B] NV ([B]) goudtransporten uitgevoerd via de route Venezuela-Curaçao-Nederland-België. Vaststaat dat het goud afkomstig is uit Venezuela en zonder exportvergunning uit Venezuela is geëxporteerd. Uit het dossier blijkt van de strafbaarheid en strafbaarstelling van het exporteren van Venezolaans goud zonder exportvergunning. Verder is bij het exporteren van Venezolaans goud gebruik gemaakt van strafbare feiten, te weten het plegen van valsheid in geschrift en het gebruik maken van vervalste geschriften. Deze drie misdrijven leveren evenwel nog niet zonder meer de conclusie op dat het goud zelf afkomstig is uit enig misdrijf.

Het eerste goudtransport

Ten aanzien van het eerste goudtransport is onvoldoende duidelijkheid gekregen omtrent de precieze afkomst van dat goud en over de vraag of die afkomst is gelegen in een specifiek misdrijf. Het Hof gaat er om die reden vanuit dat - in ieder geval met betrekking tot dat eerste goudtransport - het directe bewijs voor het gronddelict ontbreekt.

In een dergelijk geval dient de zittingsrechter ter toetsing de volgende stappen te doorlopen. (a) Allereerst zal moeten worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. (b) Indien daarvan sprake is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld of de goederen. (c) Een dergelijke verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn. (d) Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld en de goederen. (e) Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen en de goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

a.

Ervan uitgaande dat het directe bewijs voor het gronddelict ontbreekt, ziet het Hof zich geplaatst voor de vraag of de uit de bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Naar het oordeel van het Hof is dit het geval. Hiertoe neemt het Hof de navolgende feiten en omstandigheden in aanmerking:

- Het bedoelde goud is afkomstig uit Venezuela en zonder exportvergunning uit Venezuela geëxporteerd.

- Bij het exporteren van dat goud is gebruik gemaakt van strafbare feiten, te weten het plegen van valsheid in geschrift en het gebruik maken van vervalste geschriften.

- Op het certificaatstaat (telkens) vermeld dat het goud afkomstig is uit Colombia, terwijl is gebleken dat het goud afkomstig is uit Venezuela.

- De verdachte onderhield veel contacten met personen met criminele antecedenten.[3]

- De verdachte deed geen onderzoek of stelde geen vragen naar de herkomst van het goud.[4] [5]

- Er werd gebruik gemaakt van 'schimmige' tussenpersonen, waardoor het zicht op de geldstromen werd belemmerd. Immers, een groot gedeelte van de verkoopopbrengst werd overgemaakt naar een zestal Panamese 'money brokers' met bankrekeningen in de Verenigde Staten van Amerika, waarna de verdere geldstroom naar de achterliggende en belanghebbende partijen financieel/bancair niet verder kon worden getraceerd.[6]

- Het fysiek vervoeren van het goud vond niet plaats met behulp van zwaar beveiligde goudtransporten, zoals te doen gebruikelijk is, maar zonder veiligheidsmaatregelen, hetgeen een aanzienlijk veiligheidsrisico met zich bracht.[7] [8]

- De afspraken rondom het vervoer van het goud vonden plaats op basis van vertrouwen en (dus) niet door middel van schriftelijke overeenkomsten.[9]

b.

Indien, zoals in casu, zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het goud. Daarover heeft de verdachte slechts gezegd dat hij het getransporteerde goud heeft betrokken bij de Colombiaanse firma [A]. Over de financiering van het goud heeft de verdachte verklaard dat hij geld afkomstig van een rijke supermarktfamilie, vertegenwoordigd door de man [betrokkene 8], in de goudhandel heeft gestoken. Ook heeft de verdachte verklaard dat hij over eigen vermogen beschikte.

c.

De door de verdachte gegeven verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn. De verdachte heeft echter zijn bewering dat hij het getransporteerde goud heeft betrokken bij de Colombiaanse firma [A] niet met stukken onderbouwd. Ook heeft de verdachte geen geldstromen inzichtelijk gemaakt van of naar de man [betrokkene 8], noch stukken die betrekking hebben op de opbouw van het eigen vermogen van de verdachte. Naar het oordeel van het Hof heeft de verdachte daarmee geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven.

d.

Desalniettemin heeft het openbaar ministerie onderzoek verricht naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld en het goud. Blijkens hetgeen ter terechtzitting door de procureur-generaal naar voren is gebracht, is uit dat onderzoek gebleken dat de Colombiaanse firma [A] geen bemoeienis heeft gehad met het getransporteerde goud, sterker nog, eens te meer is gebleken dat het goud uit Venezolaanse goudmijnen afkomstig is. Voorts is uit dat onderzoek gebleken dat de man [betrokkene 8] niet bestaat.

e.

Gelet op het vorenstaande kan met voldoende mate van zekerheid worden uitgesloten dat het genoemde goud een legale herkomst heeft en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

De vervolgtransporten

Het Hof stelt voorop dat de voorgaande redenering ook opgaat voor de goudtransporten die na het eerste transport zijn gevolgd. Ook hier kan derhalve met voldoende mate van zekerheid worden uitgesloten dat het goud een legale herkomst heeft en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. Echter, naar het oordeel van het Hof is ook zonder deze vaststelling voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden dat het goud uit deze transporten uit misdrijf afkomstig is.

De witwasbepalingen kunnen immers in zeer uiteenlopende gevallen toepassing vinden. Daarbij kan worden onderscheiden tussen (i) de situatie waarin het vermogen ‘gedeeltelijk’ van misdrijf afkomstig is, aldus dat legaal vermogen is ‘besmet’ doordat daaraan van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen zijn toegevoegd (vermenging), en (ii) de situatie waarin het vermogen ‘middellijk’ van misdrijf afkomstig is, dus bestaat uit vermogensbestanddelen die afkomstig zijn van (vervolg)transacties die zijn uitgevoerd met van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen. Dit onderscheid sluit niet uit dat beide situaties zich ten opzichte van een bepaald vermogen voordoen. Denkbaar is dat in zulke situaties een vermogensbestanddeel met een criminele herkomst zich binnen het na vermenging gevormde vermogen niet meer laat individualiseren. In het bijzonder in die situatie kan zich het geval voordoen dat het vermogen - en nadien elke betaling daaruit - wordt aangemerkt als (middellijk) gedeeltelijk van misdrijf afkomstig in de zin van de witwasbepalingen.

Uit onder meer de verklaringen van [betrokkene 1][10] en [betrokkene 2][11] kan worden afgeleid dat het geld dat met de goudtransporten werd verdiend weer werd geherinvesteerd in vervolgtransporten. Dat betekent dat het in dergelijke vervolgtransporten betrokken goud werd aangeschaft met geld dat (geheel of gedeeltelijk) uit enig misdrijf afkomstig was, zodat dat goud zelf hierdoor ook middellijk afkomstig was uit misdrijf.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande, in onderlinge samenhang bezien, is het Hof van oordeel dat al het in de bewezenverklaring bedoelde goud afkomstig was uit misdrijf, zoals bewezen verklaard.

Hetgeen door de raadsman overigens is aangevoerd, leidt niet tot andere oordelen dan hier gegeven.

Het verweer wordt mitsdien verworpen.”

10. De bewijsoverwegingen van het Hof in zijn vonnis van 31 maart 2016 houden het volgende in (waarbij ik het door het Hof in zijn vonnis van 20 februari 2020 geschrapte deel heb weggelaten):

“Bewiisoverwegingen

Met betrekking tot de onder 9a tot en met 14 bewezenverklaarde feiten (de goudfeiten) heeft de verdachte de volgende verweren gevoerd.

De verdachte heeft met betrekking tot de feiten 11 tot en met 14 (het plegen van valsheid in geschrift en het gebruik maken van een vervalst geschrift) betoogd dat een certificate of origin geen bewijsbestemming heeft. Dit betoog faalt. Uit de verklaringen van [betrokkene 9], hoofd douane luchthaven, [betrokkene 10], werkzaam bij Swissport, en [betrokkene 11], douanier te Aruba, blijkt dat een certificate of origin aanwezig moet zijn bij in-, door- en uitvoer van goud. Het maakt onderdeel uit van de standaardprocedure samen met de shippers letter of instruction, invoice en packing list en gaat mee met de vracht. Het certificate of origin is van belang om de herkomst van het goud te verantwoorden en eventueel onderzoek te verrichten naar de oorsprong van het goud. Ook de verdachte zelf wist blijkens zijn eigen verklaring dat een certificate of origin nodig was voor de bevestiging van waar het goud vandaan komt. De stelling van de verdachte dat bij de in-, door- en uitvoer van goud geen onderzoek wordt gedaan naar de oorsprong van goud, maakt niet dat het certificate of origin geen bewijsbestemming heeft. […]

Tot slot heeft de verdachte ontkend dat hij wist dan wel redelijkerwijs moest weten dat het exporteren van Venezolaans goud zonder exportvergunning strafbaar is. Het Hof overweegt hieromtrent als volgt. De wijze waarop het transport van het goud vanuit Venezuela heeft plaatsgevonden (het betalen van smeergeld, het vervoeren van het goud buiten het zicht van de autoriteiten om via een bootje dan wel een vliegtuigje) en het opmaken en gebruiken door de verdachte van vervalste documenten om de oorsprong van het goud te verhullen, kan niet anders worden begrepen dan zijnde erop gericht om de exportvergunning te omzeilen. Dit in combinatie met het door de verdachte erkende gebrek aan enig onderzoek naar de voorwaarden waaronder Venezolaans goud kan worden geëxporteerd, maakt dat het Hof tot het oordeel komt dat de verdachte wist en begreep dat het exporteren van Venezolaans goud zonder exportvergunning strafbaar is.”

De bespreking van het middel

De feiten en omstandigheden die samenhangen met de export van Venezolaans goud

11. De eerste en tweede klacht hebben betrekking op feiten die het Hof heeft aangenomen in verband met de export van Venezolaans goud. De eerste klacht richt zich tegen het oordeel van het Hof dat uit het dossier blijkt van de strafbaarheid en strafbaarstelling van het exporteren van Venezolaans goud zonder exportvergunning. Aangevoerd wordt dat dit niet, althans niet zonder meer, uit de bewijsmiddelen kan volgen terwijl het Hof “niet met de vereiste mate van nauwkeurigheid het bewijsmiddel heeft aangeduid waaraan het Hof dit heeft ontleend”. De tweede klacht houdt in dat uit het oordeel van het Hof, dat bij het exporteren van dat goud gebruik is gemaakt van strafbare feiten, niet betekent “dat het goud daardoor uit misdrijf afkomstig is”. Bij deze strafbare feiten wordt gedoeld op het plegen van valsheid in geschrift en het gebruik maken van vervalste geschriften nu op het certificaat (telkens) staat vermeld dat het goud afkomstig is uit Colombia, terwijl is gebleken dat het goud afkomstig is uit Venezuela.

12. Voor de beoordeling van beide klachten zijn de overwegingen van de Hoge Raad van belang waarmee hij het eerder in deze zaak gewezen vonnis van het Hof van 31 maart 2016 heeft vernietigd. In zijn vonnis van 31 maart 2016 had het Hof onder 9a en 10a woordelijk hetzelfde bewezenverklaard als in zijn vonnis van 20 maart 2020.

13. De Hoge Raad overwoog in zijn arrest van 13 maart 2018, het volgende:

“3.1. Het middel klaagt onder meer over het oordeel van het Hof dat de in de bewezenverklaring onder 9a en 10a genoemde baren en/of broodjes goud afkomstig waren uit enig misdrijf. 3.2. Art. 435a en 435b van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen luidden ten tijde van de tenlastegelegde feiten:

‘Artikel 435a

1. Als schuldig aan witwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van ten hoogste een miljoen gulden:

a. hij die van een voorwerp de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verbergt of verhult, dan wel verbergt of verhult wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft, terwijl hij weet of begrijpt dat het voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig is uit enig misdrijf;

b. hij die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij weet of begrijpt dat het voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig is uit enig misdrijf.

2. Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten.

Artikel 435b

Hij die van het plegen van witwassen een gewoonte maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zestien jaren of geldboete van ten hoogste een miljoen en tweehonderdduizend gulden.’

3.3.1. De tenlastelegging onder 9a en 10a is toegesneden op de art. 435a en 435b van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen. Het in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende begrip ‘afkomstig uit enig misdrijf’ moet derhalve geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in die bepalingen.

3.3.2. De delictsomschrijving in art. 435a, eerste lid, Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen is gelijkluidend aan die in art. 420bis, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht van Nederland. Ten aanzien van laatstgenoemde delictsomschrijving geldt dat voorwerpen in beginsel slechts kunnen worden aangemerkt als ‘uit enig misdrijf afkomstig" indien deze afkomstig zijn uit een misdrijf gepleegd voorafgaand aan de daarin genoemde delictsgedragingen (vgl. HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3046, NJ 2015/324). Voorwerpen met betrekking tot welke een misdrijf is begaan, zijn bovendien niet reeds daardoor ‘afkomstig’ uit enig misdrijf.

3.4.1. Blijkens 's Hofs bewijsvoering heeft [B] NV (io), waarvan de verdachte ‘ultimate beneficial owner’ was, goudtransporten verzorgd onder andere tussen Venezuela en Aruba alsmede tussen Venezuela en Curaçao. De export van dat goud heeft plaatsgevonden zonder exportvergunning, terwijl bij de export strafbare feiten - het plegen van valsheid in geschrift en het gebruik maken van vervalste geschriften - hebben plaatsgevonden teneinde de exportvergunning te omzeilen.

3.4.2. Blijkens hetgeen hiervoor onder 2.2 is weergegeven, heeft het Hof geoordeeld dat de in de bewezenverklaring onder 9a en 10a vermelde baren of broodjes goud "afkomstig waren uit enig misdrijf" omdat de verdachte bij de transporten van het goud uit Venezuela "gebruik [heeft] gemaakt" van misdrijven, te weten de export zonder de daarvoor vereiste vergunning, het plegen van valsheid in geschrift en het gebruik maken van vervalste geschriften, en dat "[d]eze drie misdrijven maken dat het goud afkomstig is van misdrijf". Hierin ligt als oordeel van het Hof besloten dat de baren of broodjes goud reeds van misdrijf afkomstig waren omdat voornoemde misdrijven zijn begaan om de ter zake van het transporteren door [B] NV (io) van die baren of broodjes goud benodigde exportvergunning te omzeilen. Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.3.2 is vooropgesteld en in aanmerking genomen dat het Hof omtrent de herkomst van het goud uitsluitend heeft vastgesteld dat het goud afkomstig is uit Venezuela, is het oordeel van het Hof dat de baren of broodjes goud van misdrijf afkomstig waren, niet toereikend gemotiveerd.”[12]

14. In zijn thans bestreden vonnis heeft het Hof overwogen dat vaststaat dat het betreffende goud afkomstig is uit Venezuela en zonder exportvergunning uit Venezuela is geëxporteerd, alsook dat uit het dossier blijkt van de strafbaarheid en strafbaarstelling van het exporteren van Venezolaans goud zonder exportvergunning. Verder is bij het exporteren van Venezolaans goud gebruik gemaakt van strafbare feiten, te weten het plegen van valsheid in geschrift en het gebruik maken van vervalste geschriften, aldus het Hof. Het exporteren van goud uit Venezuela zonder exportvergunning en het daarbij gebruik maken van het plegen van valsheid in geschrift en het gebruik maken van vervalste geschriften leveren naar het oordeel van het Hof evenwel nog niet zonder meer de conclusie op dat het goud zelf afkomstig is uit enig misdrijf. Het Hof refereert hiermee in feite aan het arrest van de Hoge Raad waarmee het eerdere vonnis van het Hof is vernietigd. De bewijsconstructie van het Hof voor het oordeel dat het goud van misdrijf afkomstig is, is dit keer een andere.

15. Het Hof overweegt in zijn thans bestreden vonnis dat ten aanzien van het eerste goudtransport het directe bewijs van het gronddelict ontbreekt, maar dat uit de bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden wel zonder meer blijkt van een vermoeden van witwassen. Dit vermoeden baseert het Hof op de navolgende feiten en omstandigheden:

(i) Het bedoelde goud is afkomstig uit Venezuela en zonder exportvergunning uit Venezuela geëxporteerd.

(ii) Bij het exporteren van dat goud is gebruik gemaakt van strafbare feiten, te weten het plegen van valsheid in geschrift en het gebruik maken van vervalste geschriften.

(iii) Op het certificaat staat (telkens) vermeld dat het goud afkomstig is uit Colombia, terwijl is gebleken dat het goud afkomstig is uit Venezuela.

(iv) De verdachte onderhield veel contacten met personen met criminele antecedenten.

(v) De verdachte deed geen onderzoek of stelde geen vragen naar de herkomst van het goud.

(vi) Er werd gebruik gemaakt van ‘schimmige’ tussenpersonen, waardoor het zicht op de geldstromen werd belemmerd. Immers, een groot gedeelte van de verkoopopbrengst werd overgemaakt naar een zestal Panamese ‘money brokers’ met bankrekeningen in de Verenigde Staten van Amerika, waarna de verdere geldstroom naar de achterliggende en belanghebbende partijen financieel/bancair niet verder kon worden getraceerd.

(vii) Het fysiek vervoeren van het goud vond niet plaats met behulp van zwaar beveiligde goudtransporten, zoals te doen gebruikelijk is, maar zonder veiligheidsmaatregelen, hetgeen een aanzienlijk veiligheidsrisico met zich bracht.

(viii) De afspraken rondom het vervoer van het goud vonden plaats op basis van vertrouwen en (dus) niet door middel van schriftelijke overeenkomsten.

Vervolgens stelt het Hof vast dat de verdachte geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven, zoals onder de gegeven omstandigheden van hem mocht worden verlangd, en dat voor zover de verdachte heeft verklaard over een alternatieve herkomst van het goud, de inhoud van die verklaring door het openbaar ministerie is onderzocht en – kort gezegd – onjuist is gebleken. Op grond hiervan komt het Hof tot het oordeel dat een criminele herkomst van het goud “als enige aanvaardbare verklaring kan gelden”.

16. Ten aanzien van de vervolgtransporten stelt het Hof vast dat voorgaande redenering ook daarvoor opgaat, alsook dat het in vervolgtransporten betrokken goud werd aangeschaft met geld dat (geheel of gedeeltelijk) uit enig misdrijf afkomstig was, zodat dat goud zelf hierdoor ook middellijk afkomstig was uit misdrijf.

17. De eerste klacht richt zich tegen het oordeel van het Hof dat uit het dossier blijkt van de strafbaarheid en strafbaarstelling van het exporteren van Venezolaans goud zonder exportvergunning omdat dit niet, althans niet zonder meer, uit de bewijsmiddelen kan volgen terwijl het Hof “niet met de vereiste mate van nauwkeurigheid het bewijsmiddel heeft aangeduid waaraan het Hof dit heeft ontleend”. Zoals blijkt uit de feiten en omstandigheden waarop het Hof het vermoeden van witwassen baseert, die ik hierboven bij randnummer 15 heb weergegeven, heeft het Hof in zijn thans bestreden vonnis bij het vaststellen dat sprake is van een vermoeden van witwassen, meegewogen dat het Venezolaanse goud zonder exportvergunning is geëxporteerd. Daarbij is het Hof ervan uitgegaan dat dit strafbaar is (gesteld). Dit volgt niet uit de genoemde feiten en omstandigheden, maar wel uit het vonnis als het Hof vaststelt dat uit het dossier blijkt van de strafbaarheid en strafbaarstelling van het exporteren van Venezolaans goud zonder exportvergunning.

18. In zijn vonnis van 31 maart 2016 heeft het Hof op basis van daar uiteengezette feiten en omstandigheden gemotiveerd dat en waarom het ervan uitgaat dat het exporteren van Venezolaans goud zonder exportvergunning strafbaar is en dat de verdachte dit wist. In zijn vonnis van 20 februari 2020 heeft het Hof deze bewijsoverweging overgenomen. Omwille van de leesbaarheid van de conclusie herhaal ik hier de overwegingen die ik hierboven bij randnummer 10 al heb weergegeven:

“Tot slot heeft de verdachte ontkend dat hij wist dan wel redelijkerwijs moest weten dat het exporteren van Venezolaans goud zonder exportvergunning strafbaar is. Het Hof overweegt hieromtrent als volgt. De wijze waarop het transport van het goud vanuit Venezuela heeft plaatsgevonden (het betalen van smeergeld, het vervoeren van het goud buiten het zicht van de autoriteiten om via een bootje dan wel een vliegtuigje) en het opmaken en gebruiken door de verdachte van vervalste documenten om de oorsprong van het goud te verhullen, kan niet anders worden begrepen dan zijnde erop gericht om de exportvergunning te omzeilen. Dit in combinatie met het door de verdachte erkende gebrek aan enig onderzoek naar de voorwaarden waaronder Venezolaans goud kan worden geëxporteerd, maakt dat het Hof tot het oordeel komt dat de verdachte wist en begreep dat het exporteren van Venezolaans goud zonder exportvergunning strafbaar is.”

19. Aan deze overwegingen wordt in de schriftuur voorbijgegaan. Voor zover erover wordt geklaagd dat het Hof “daartoe slechts geoordeeld [heeft] dat uit het dossier blijkt van de strafbaarheid en strafbaarstelling van het exporteren van Venezolaans goud zonder exportvergunning”, faalt het dus bij gebrek aan feitelijke grondslag. Hetzelfde geldt voor de klacht dat het Hof niet met de vereiste mate van nauwkeurigheid het bewijsmiddel heeft aangeduid waaraan het Hof deze gevolgtrekking heeft ontleend. In zoverre merk ik ten overvloede op dat ter terechtzitting van het Hof van 30 januari 2020 de nadruk is gelegd op de strafbaarheid van de invoer van Venezolaans goud in Curaçao, terwijl in cassatie wordt geklaagd over de strafbaarheid van de export uit Venezuela zonder exportvergunning. In het bijzonder is ter terechtzitting aangevoerd dat de strafbaarheid van de invoer van goud van Venezolaanse oorsprong, herkomst of afkomst, in Curaçao pas strafbaar is gesteld door middel van een ministeriële regeling die op 21 juni 2019 is ondertekend.[13] Door of namens de verdachte is niet uitdrukkelijk het verweer voorgedragen dat en waarom de strafbaarheid van Venezolaans goud zonder exportvergunning, naar Venezolaans recht ontbreekt.[14] Ook daarom faalt de klacht. Hier komt bij dat de uitleg die het Hof heeft gegeven aan Venezolaans recht in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst gelet op art. 79, tweede lid aanhef en onder b, RO waarin is bepaald dat de Hoge Raad vonnissen vernietigt “wegens schending van het recht met uitzondering van het recht van vreemde staten”. Onbegrijpelijk is de uitleg niet. Daarmee faalt de eerste klacht.

20. De tweede klacht faalt eveneens. Deze klacht mist feitelijke grondslag omdat het Hof, zoals blijkt uit de bewijsvoering, niet heeft geoordeeld dat het exporteren van het betreffende goud met gebruikmaking van strafbare feiten betekent “dat het goud daardoor uit misdrijf afkomstig is”.

21. De eerste en tweede klacht falen.

De onderbouwing van de stelling van de verdachte over de herkomst van het getransporteerde goud

22. De derde klacht richt zich tegen de overweging van het Hof dat de verdachte zijn stelling, dat hij het getransporteerde goud heeft betrokken bij de Colombiaanse firma [A], niet met stukken heeft onderbouwd. Voordat ik de klacht nader weergeef, herhaal ik hier omwille van de leesbaarheid van de conclusie, de overweging van het Hof waartegen de klacht zich richt en die ik hierboven bij randnummer 9 heb weergegeven:

“b.

Indien, zoals in casu, zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het goud. Daarover heeft de verdachte slechts gezegd dat hij het getransporteerde goud heeft betrokken bij de Colombiaanse firma [A]. Over de financiering van het goud heeft de verdachte verklaard dat hij geld afkomstig van een rijke supermarktfamilie, vertegenwoordigd door de man [betrokkene 8], in de goudhandel heeft gestoken. Ook heeft de verdachte verklaard dat hij over eigen vermogen beschikte.

c.

De door de verdachte gegeven verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn. De verdachte heeft echter zijn bewering dat hij het getransporteerde goud heeft betrokken bij de Colombiaanse firma [A] niet met stukken onderbouwd. Ook heeft de verdachte geen geldstromen inzichtelijk gemaakt van of naar de man [betrokkene 8], noch stukken die betrekking hebben op de opbouw van het eigen vermogen van de verdachte. Naar het oordeel van het Hof heeft de verdachte daarmee geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven.”

d.

Desalniettemin heeft het openbaar ministerie onderzoek verricht naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld en het goud. Blijkens hetgeen ter terechtzitting door de procureur-generaal naar voren is gebracht, is uit dat onderzoek gebleken dat de Colombiaanse firma [A] geen bemoeienis heeft gehad met het getransporteerde goud, sterker nog, eens te meer is gebleken dat het goud uit Venezolaanse goudmijnen afkomstig is. Voorts is uit dat onderzoek gebleken dat de man [betrokkene 8] niet bestaat.

23. Aangevoerd wordt dat de overweging van het Hof, dat de verdachte heeft gesteld het getransporteerde goud te hebben betrokken bij de Colombiaanse firma [A] niet met stukken is onderbouwd, tekort schiet “in het licht van hetgeen de verdediging ter terechtzitting heeft aangevoerd, te weten dat de goudeigenaren die het goud hebben geëxporteerd en die in het kader van deze export via het rechtshulpverzoek van het OM in Venezuela door de Venezolaanse autoriteiten zijn gehoord niet zijn vervolgd, terwijl deze eigenaren zelfs zowel civiele zaken als strafrechtelijke procedures tegen het OM hebben ingesteld om hun goud terug te krijgen.”

24. Met hun klacht verwijzen de stellers van het middel kennelijk naar de ter terechtzitting van het Hof overgelegde pleitnota waar vanaf randnummer 21 wordt gereageerd op de stelling van het OM “dat het feit dat het goud zonder de nodige exportvergunning is geexporteerd, […] een strafbaar feit oplevert.” Met betrekking tot de “goudeigenaren”, houdt de pleitnota het volgende in:

“[…] verdachte meent dat het feit dat de goudeigenaren die het goud dus hebben geexporteerd en die in het kader van deze export via het rechtshulpverzoek van het OM in Venezuela door de Venezolaanse autoriteiten zijn gehoord niet zijn vervolgd, juist bewijst dat de in 2008-2009 verrichte handelingen in Venezuela geen strafbaar feit kunnen zijn geweest.

28. Het gaat zover dat deze eigenaren vervolgens zowel civiele zaken als strafrechtelijke procedures tegen het OM alhier hebben ingesteld om hun goud terug te krijgen, zo zeker zijn zij van het standpunt dat zij met de export van dit goud geen strafbaar feit in Venezuela hebben gepleegd. Het is verder verbazingwekkend dat het OM verdachte vervolgd voor het illegaal exporteren van het goud uit Venezuela maar de eigenaren van het goud die het goud -zoals het OM stelt- zonder het bezitten van een exportvergunning hier niet eens aan houdt, laatstaan vervolgt.”

25. Als ervan mag worden uitgegaan dat ter terechtzitting is aangevoerd dat de Colombiaanse firma [A] de eigenaar is van goud dat is geëxporteeerd, dan is daarmee nog niet gegeven of onderbouwd dat de verdachte het getransporteerde goud van die firma heeft betrokken. De eigendomsaanspraken van [A] onderbouwen dus niet zonder meer de bewering van de verdachte dat hij het getransporteerde goud van die firma heeft betrokken. Gelet op hetgeen ter terechtzitting van het Hof is aangevoerd, is de overweging van het Hof, dat de verdachte “zijn bewering dat hij het getransporteerde goud heeft betrokken bij de Colombiaanse firma [A] niet met stukken [heeft] onderbouwd”, niet onbegrijpelijk, zodat deze ook niet “tekort schiet” zoals wordt aangevoerd. Zeker niet bezien in het licht van de uitkomst van nader onderzoek dat door het openbaar ministerie is verricht, te weten dat deze firma geen bemoeienis heeft gehad met het getransporteerde goud.

26. De klacht faalt.

De door het Hof aangelegde maatstaf bij het beantwoorden van de vraag of de goudstaven afkomstig waren uit enig misdrijf

27. De vierde klacht houdt in dat het Hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting in zijn overweging dat “met voldoende zekerheid [kan] worden uitgesloten” dat de geldbedragen en goederen een legale herkomst hebben en dat daarmee een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. Aangevoerd wordt dat deze door het Hof toegepaste maatstaf, bij het beantwoorden van de vraag of de baren of broodjes goud afkomstig waren uit enig misdrijf, “een beduidend lagere graad” is dan dat “het niet anders kan zijn” dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als ik het goed begrijp dan zou het Hof daarmee hebben blijk gegeven van een verkeerde rechtsopvatting van het bestanddeel “afkomstig is uit enig misdrijf” als bedoeld in art. 435a jo. 435b Sr Nederlandse Antillen zoals die luidden ten tijde van de bewezenverklaarde feiten.[15]

28. De overweging van het Hof waarop de klacht betrekking heeft, is een onderdeel van het kader aan de hand waarvan de vraag wordt beoordeeld of een voorwerp (in de onderhavige zaak: de baren en/of broodjes goud) afkomstig is uit enig misdrijf. Dit kader sluit aan bij het volgende kader dat de Hoge Raad heeft gegeven in zijn arrest van 18 december 2018 voor de beoordeling van de bewijsvoering van het bestanddeel “afkomstig is uit enig misdrijf”, waarop ook in de schriftuur een beroep wordt gedaan:

“2.3.2.

Dat een voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’, kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.

2.3.3.

Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

Indien de verdachte voormelde verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs.”[16]

29. De overweging van het Hof waarop de klacht betrekking heeft, komt inhoudelijk op hetzelfde neer als de maatstaf dat het “niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is”. Anders gezegd: in de overweging van het Hof dat “met voldoende mate van zekerheid [kan] worden uitgesloten dat het genoemde goud een legale herkomst heeft en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden”, ligt besloten dat het “niet anders kan zijn dan dat” de baren en/of broodjes goud, “uit enig misdrijf afkomstig” zijn.

30. De klacht faalt.

De herinvestering in vervolgtransporten

31. De vijfde klacht richt zich tegen de overweging van het Hof, dat uit onder meer de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] kan worden afgeleid dat het geld dat met de goudtransporten werd verdiend weer werd geherinvesteerd in vervolgtransporten, en dat dit betekent dat het in dergelijke vervolgtransporten betrokken goud werd aangeschaft met geld dat (geheel of gedeeltelijk) uit enig misdrijf afkomstig was, zodat dat goud zelf hierdoor ook middellijk afkomstig was uit misdrijf. Aangevoerd wordt dat dit oordeel onbegrijpelijk is omdat uit het vonnis en de bewijsmiddelen “niet, althans niet zonder meer, kan volgen hoe groot het aandeel was van het verdiende geld in de vervolgtransporten geïnvesteerde geldbedragen”.

32. Omwille van de leesbaarheid van de conclusie herhaal ik hier de overwegingen van het Hof waartegen de vijfde klacht zich richt. De overwegingen vormen een onderdeel van de bewijsoverweging die het Hof heeft gewijd aan de zogenoemde vervolgtransporten die ik hierboven bij randnummer 9 heb weergegeven.

De vervolgtransporten

Het Hof stelt voorop dat de voorgaande redenering ook opgaat voor de goudtransporten die na het eerste transport zijn gevolgd. Ook hier kan derhalve met voldoende mate van zekerheid worden uitgesloten dat het goud een legale herkomst heeft en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. Echter, naar het oordeel van het Hof is ook zonder deze vaststelling voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden dat het goud uit deze transporten uit misdrijf afkomstig is.

De witwasbepalingen kunnen immers in zeer uiteenlopende gevallen toepassing vinden. Daarbij kan worden onderscheiden tussen (i) de situatie waarin het vermogen ‘gedeeltelijk’ van misdrijf afkomstig is, aldus dat legaal vermogen is ‘besmet’ doordat daaraan van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen zijn toegevoegd (vermenging), en (ii) de situatie waarin het vermogen ‘middellijk’ van misdrijf afkomstig is, dus bestaat uit vermogensbestanddelen die afkomstig zijn van (vervolg)transacties die zijn uitgevoerd met van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen. Dit onderscheid sluit niet uit dat beide situaties zich ten opzichte van een bepaald vermogen voordoen. Denkbaar is dat in zulke situaties een vermogensbestanddeel met een criminele herkomst zich binnen het na vermenging gevormde vermogen niet meer laat individualiseren. In het bijzonder in die situatie kan zich het geval voordoen dat het vermogen - en nadien elke betaling daaruit - wordt aangemerkt als (middellijk) gedeeltelijk van misdrijf afkomstig in de zin van de witwasbepalingen.

Uit onder meer de verklaringen van [betrokkene 1][17] en [betrokkene 2][18] kan worden afgeleid dat het geld dat met de goudtransporten werd verdiend weer werd geherinvesteerd in vervolgtransporten. Dat betekent dat het in dergelijke vervolgtransporten betrokken goud werd aangeschaft met geld dat (geheel of gedeeltelijk) uit enig misdrijf afkomstig was, zodat dat goud zelf hierdoor ook middellijk afkomstig was uit misdrijf.”

33. Bij de beoordeling van de klacht stel ik voorop dat deze zich richt tegen een overweging ten overvloede die immers volgt nadat het Hof voorop stelt dat “de voorgaande redenering ook opgaat voor de goudtransporten die na het eerste transport zijn gevolgd.” Alleen al om die reden kan de klacht niet slagen.[19]

34. In zoverre wijs ik er ten overvloede op dat de herinvesteringen die het Hof heeft vastgesteld kunnen worden aangemerkt als zogenoemde “(vervolg)transacties” met van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen. Deze situatie moet worden onderscheiden van de situatie waarin legaal vermogen is “besmet” doordat daaraan van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen zijn toegevoegd en dus legaal en illegaal vermogen zijn “vermengd”.[20] Met zijn overweging dat het in de vervolgtransporten “betrokken goud werd aangeschaft met geld dat (geheel of gedeeltelijk) uit enig misdrijf afkomstig was, zodat dat goud zelf hierdoor ook middellijk afkomstig was uit misdrijf” heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat het in de vervolgtransporten betrokken goud “als ‘gedeeltelijk’ — onmiddellijk of middellijk — van misdrijf afkomstig moet worden aangemerkt”.[21] Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.

35. Ook de vijfde klacht faalt.

36. Het middel faalt in alle onderdelen.

Slotsom

37. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

38. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

39. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------

[1] ECLI:NL:OGHACMB:2020:43.

[2] HR 13 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:329.

[3] Zie het tapgesprek tussen medeverdachte [medeverdachte] en [betrokkene 12] van 12 januari 2009, ZD Goud, p. 40 316: “[dat verdachte] vier partners heeft, twee in Venezuela, een in Isla Margerita en een Duitser [...] en [dat verdachte] met zijn leven speelt, want hij gaat met criminelen om. Als er iets fout gaat is het voor Swissport Aruba, alles wat daarvoor gebeurt kost Wout zijn leven.”

[4] De formeel directeur van [B], [betrokkene 4], verklaarde niets te weten “van de regelgeving met betrekking tot de handel en export van goud vanuit Venezuela [...] naar de Nederlandse Antillen, Aruba, Nederland en België” (ZD Goud, p.41705 e.v.).

[5] Op de vraag welke documenten nodig zijn bij de legale goudhandel vanuit Venezuela, antwoordde de verdachte zelf met “geen flauw idee.” (ZD Goud, p. 41277 e.v.).

[6] Het proces-verbaal analyse van de bankrekening van [B], ZD Goud, p. 41690.

[7] Het goud werd in Venezuela in tassen in een eenmotorige boot geladen om over zee overgebracht te worden. (ZD Goud, p. 41367 e.v.).

[8] [betrokkene 1] verklaarde dat het goud, nadat het was afgeleverd, verder werd getransporteerd in anonieme voertuigen (verklaring van [betrokkene 1], afgelegd bij de rechter-commissaris op 16 januari 2013).

[9] Zie ZD Goud, p. 41277 e.v.

[10] [betrokkene 1] verklaarde dat “zolang de zaak draaide, namen we nooit geld op vanuit de handel, we investeerden weer opnieuw” (verklaring van [betrokkene 1], afgelegd bij de rechter-commissaris op 16 januari 2013).

[11] [betrokkene 2] verklaarde: “Het geld van de inkomsten werd geherinvesteerd in de handel, [...] de winst werd geherinvesteerd in de handel (ZD Goud, p. 41902).

[12] HR 13 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:329.

[13] Onder verwijzing naar de Tijdelijke regeling in, uit- en doorvoerverbod Venezolaans goud, P.B. Curaçao 2019, no. 25.

[14] Vgl. HR 29 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3766, NJ 2008/482 m.nt. A.H. Klip, r.o. 4.5 jo. 4.4 onder b.

[15] Art. 435a en 435b Sr NA zoals ingevoerd bij art. I onder MM Landsverordening strafbaarstelling terrorisme, terrorismefinanciering en witwassen, P.B. Nederlandse Antillen 2008, no. 46, i.w.tr. 21 juni 2008 (art. III). De tekst van beide bepalingen is weergegeven in r.o. 3.2 van het hierboven bij randnummer 13 weergegeven arrest van de Hoge Raad van 13 maart 2018.

[16] HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352, NJ 2019/298 m.nt. N. Rozemond, m.b.t. heling. Herhaald in HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:668, NJ 2019/299 m.nt. N. Rozemond onder NJ 2019/298, r.o. 2.3 m.b.t. gewoontewitwassen ex art. 420bis/420ter Sr.

[17] [betrokkene 1] verklaarde dat “zolang de zaak draaide, namen we nooit geld op vanuit de handel, we investeerden weer opnieuw” (verklaring van [betrokkene 1], afgelegd bij de rechter-commissaris op 16 januari 2013).

[18] [betrokkene 2] verklaarde: “Het geld van de inkomsten werd geherinvesteerd in de handel, [...] de winst werd geherinvesteerd in de handel (ZD Goud, p. 41902).

[19] A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 183.

[20] Vgl. HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0578, NJ 2011/44 m.nt. N. Keijzer, r.o. 3.6.1.

[21] Vgl. HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0578, NJ 2011/44 m.nt. N. Keijzer, r.o. 3.8.1.