Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:535

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
01-06-2021
Datum publicatie
02-06-2021
Zaaknummer
20/01951
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1141
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Art. 300 en 350 Sr. Falende klachten over afwijking van LOVS-oriëntatiepunten bij de strafmotivering, over het aannemen van meerdaadse samenloop in plaats van voortgezette handeling en over het gebruik voor de bewezenverklaring van een schriftelijk stuk dat door een benadeelde partij is aangeleverd in het kader van een vordering tot schadevergoeding. Conclusie strekt tot verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/01951

Zitting 1 juni 2021

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,

hierna: de verdachte.

Inleiding

  1. De verdachte is bij arrest van 29 juni 2020 door het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch wegens in de zaak met parketnummer 03-252761-17 onder 1 “mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft”, in de zaak met parketnummer 03-252761-17 onder 2 “mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft” en in de zaak met parketnummer 03-241506-16 onder 1 “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van voorarrest zoals bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr. Daarnaast heeft het hof de verdachte een contactverbod opgelegd voor de duur van drie jaren en heeft het hof beslist op de vorderingen van benadeelde partijen.

  2. Namens de verdachte heeft mr. J.Y. Taekema, advocaat te Den Haag, drie middelen van cassatie voorgesteld.

Eerste middel

3. Het eerste middel richt zich tegen de strafmotivering. Deze geeft naar het oordeel van de steller van het middel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel wekt – net zoals de hoogte van de bestraffing – verbazing, dan wel is niet zonder meer begrijpelijk. Daartoe wordt aangevoerd dat het hof aansluiting heeft gezocht bij LOVS-oriëntatiepunten die zijn bedoeld voor zwaardere delicten dan de delicten die het hof heeft bewezenverklaard. Daarmee zou bij de strafoplegging sprake zijn van grondslagverlating. In het bijzonder wordt daarbij geklaagd dat het hof bij de straftoemeting het bestanddeel “opzettelijk” heeft ingelezen terwijl dit niet ten laste is gelegd en als zodanig is gekwalificeerd, en dat het hof ten onrechte de gedragingen heeft vergeleken met “kopstoten en trappen tegen het hoofd”.

4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“Parketnummer 03-252761-17:

1.

hij op 14 november 2017 te Nederweert [slachtoffer 1] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 1] meermalen met gebalde vuist tegen het hoofd te slaan en vast te pakken en vervolgens op de grond te gooien, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een verbrijzeld sleutelbeen, ten gevolge heeft gehad;

2.

hij op 14 november 2017 te Nederweert [slachtoffer 2] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 2] meermalen tegen het hoofd te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten licht traumatisch hersenletsel en/of een hersenschudding ten gevolge heeft gehad;

Parketnummer 03-241506-16:

1.

hij in de periode van 4 maart 2016 tot en met 14 mei 2016 te Nederweert meermalen opzettelijk en wederrechtelijk een camera die aan een ander dan aan hem, verdachte, toebehoorde onbruikbaar heeft gemaakt”.

5. De strafmotivering luidt als volgt:

“Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandelingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], terwijl de feiten zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebben gehad. De verdachte enerzijds en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] anderzijds hadden al jarenlang een slechte verhouding met elkaar. [slachtoffer 2] heeft als curator van haar vader [betrokkene 1], eigenaar van de betreffende panden, de verdachte voor het ontruimen van het perceel van [betrokkene 1] en de staat van de boom op de erfgrens van de percelen in rechte moeten betrekken omdat partijen na onderling overleg niet tot overeenstemming konden komen.

Uit het vonnis van de voorzieningenrechter d.d. 9 november 2017 blijkt dat [slachtoffer 2] het recht aan haar kant had. De voorzieningenrechter had [betrokkene 1] gemachtigd om de beuk te laten rooien en daartoe alle handelingen te verrichten die noodzakelijk waren en de verdachte geboden tot het verlenen van zijn onvoorwaardelijke medewerking hieraan.

En zelfs als de verdachte op 14 november 2017 nog niet op de hoogte zou zijn geweest van voornoemde rechterlijke uitspraak, zoals hij dat ter terechtzitting heeft aangevoerd, dan nog gaf hem dat op geen enkele wijze het recht om zijn woede en frustraties omtrent de kap van de boom op de slachtoffers te botvieren zoals hij heeft gedaan.

De verdachte heeft met zijn handelen ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en voor hen een zeer angstige situatie in het leven geroepen. Naar het oordeel van het hof mogen de slachtoffers en de verdachte, gelet op het gewelddadige karakter van de mishandelingen, van geluk spreken dat de gevolgen voor de slachtoffers niet veel ernstiger zijn geweest. De verdachte heeft [slachtoffer 1], terwijl verdachte hem al tegen het gezicht had geslagen en deze inmiddels met zijn rug naar de verdachte toe stond, opgetild en tegen de grond gesmeten en vervolgens, terwijl [slachtoffer 1] weerloos op de grond lag, nogmaals tegen het hoofd geslagen.

Vervolgens liep hij naar de toegesnelde [slachtoffer 2] toe en heeft hij haar tegen de grond geslagen en, toen zij op de grond lag, nog meermalen met gebalde vuisten tegen het hoofd geslagen. Hoe ernstig de situatie was volgt verder nog uit de verklaring van [betrokkene 2], die op dat moment op het erf aanwezig was om daar een hek te plaatsen en de mishandelingen van dichtbij heeft gezien. Hij heeft verklaard dat hij in een shock raakte en dacht dat [slachtoffer 1] dood was toen hij hem bewegingsloos op de grond zag liggen.

De mishandelingen hebben ernstige (lichamelijke en psychische) gevolgen gehad voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], zoals onder meer blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaringen in eerste aanleg en in hoger beroep. [slachtoffer 2] is volledig ingestort en nog altijd niet volledig hersteld van de gevolgen van de mishandeling. Zij heeft als gevolg van haar voortdurende klachten haar werkzaamheden nog steeds niet volledig kunnen hervatten, kampt met een posttraumatische stressstoornis als gevolg van de mishandeling en loopt nog altijd bij een ergotherapeut om aan haar herstel te werken.

Het hof rekent het de verdachte aan dat hij op geen enkele wijze verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen, berouw heeft getoond of blijk heeft gegeven de ernst van zijn handelen in te zien. Integendeel, ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij zijn eigen handelen gebagatelliseerd, [slachtoffer 2] afgeschilderd als een ‘toneelspeelster’ en de schuld daarmee wederom telkens voornamelijk buiten zichzelf gelegd.

Blijkens het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 11 december 2019, betrekking hebbende op het justitieel verleden van de verdachte, is hij eerder onherroepelijk ter zake van strafbare feiten veroordeeld. Daaronder bevinden zich drie veroordelingen (in 1986, 1999 en 2004) ter zake van mishandeling. Deze veroordelingen dateren weliswaar van langer geleden, maar tonen wel aan dat hij geen onbeschreven blad is als het gaat om delicten met een geweldscomponent.

Het hof heeft verder acht geslagen op de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten (LOVS-oriëntatiepunten), dienende als indicatie voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid. In het Landelijk Overleg Strafrecht (LOVS) is géén oriëntatiepunt vastgesteld voor het bestraffen van ‘mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft’. Wel zijn in het LOVS oriëntatiepunten vastgesteld voor het bestraffen van mishandeling met behulp van een slagwapen of door een kopstoot, enig lichamelijk letsel ten gevolge hebbende en voor het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door middel van één of meer kopsto(o)t(en) en/of schoppen/trappen tegen het hoofd. Deze strafbare feiten worden - indien aansluiting wordt gezocht bij de oriëntatiepunten - bestraft met respectievelijk een taakstraf voor de duur van 120 uren dan wel een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

Hoewel ‘zware mishandeling’ ex artikel 302 Sr niet ten laste is gelegd, ziet het hof in de onderhavige zaak, gelet op de hiervoor beschreven aard en ernst van de mishandelingen, reden om aansluiting te zoeken bij het oriëntatiepunt dat is vastgesteld voor het bestraffen van het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door middel van bijvoorbeeld één of meer kopsto(o)t(en) en/of schoppen/trappen tegen het hoofd.

Naar het oordeel van het hof kan in verband met het vorenoverwogene niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Het hof stelt vast dat de verdachte zich naast voornoemde mishandelingen ook schuldig heeft gemaakt aan het meermalen onbruikbaar maken van een camera, waarmee hij ergernis en overlast heeft bezorgd bij de eigenaar, maar voor de hoogte van de straf ligt het zwaartepunt bij de mishandelingen.

Alle omstandigheden afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van voorarrest, passend en geboden. Het hof legt hiermee een hogere straf op dan door de advocaat-generaal is gevorderd, nu het hof van oordeel is dat de ernst van de bewezen verklaarde feiten onvoldoende tot uitdrukking komen in de door de advocaat-generaal gevorderde straf.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

[…]”

6. Sinds 9 maart 2018 gelden met betrekking tot mishandeling de volgende LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting:

Art. 300/304 Sr (eenvoudige mishandeling)

a. Droge klap of schop (alleen pijn, geen letsel): € 500,--

b. Mishandeling, lichamelijk letsel ten gevolge hebbend: € 750,--

c. Mishandeling met behulp van een slagwapen of door een kopstoot, lichamelijk letsel ten gevolge hebbend: 120 uur taakstraf

Art. 302 Sr (zware mishandeling)

a. Opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel zonder gebruik te maken van een wapen: 3 maanden gs ov

b. Opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door middel van bijvoorbeeld één of meer kopsto(o)t(en) en/of schoppen/trappen tegen het hoofd: 6 maanden gs ov

c. Opzettelijk toebrengen van middelzwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen (niet zijnde een vuurwapen): 7 maanden gs ov

d. Opzettelijk toebrengen van zeer zwaar lichamelijk letsel, zonder gebruik te maken van een wapen: 8 maanden gs ov

e. Opzettelijk toebrengen van zeer zwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen (niet zijnde een vuurwapen): 1 jaar gs ov

7. In de toelichting daarbij zijn de volgende begripsomschrijvingen opgenomen:

“Het in art. 300 Sr bedoelde letsel kan worden onderscheiden in beperkt en aanzienlijk lichamelijk letsel. Onder beperkt lichamelijk letsel moet worden begrepen letsel dat bestaat uit één of meer schrammen, schaafwonden of blauwe plekken. Het gaat hier bijvoorbeeld ook om een tand door de lip of lichte kneuzingen. Deze verwondingen eisen geen medisch ingrijpen. Onder aanzienlijk lichamelijk letsel moet worden begrepen letsel waarvan volledig herstel mogelijk is binnen een periode van zes weken na de mishandeling. Het gaat hier bijvoorbeeld om forse kneuzingen, breuken die zonder een operatie herstellen en te hechten wonden.

Het in art. 302 Sr bedoelde zwaar lichamelijk letsel kan worden onderscheiden in zwaar lichamelijk letsel en zeer zwaar lichamelijk letsel. Onder zwaar lichamelijk letsel moet worden begrepen zwaar lichamelijk letsel, als bedoeld in art. 302 Sr, waarvan volledig herstel valt te verwachten binnen zes maanden na de gebeurtenis. Medisch ingrijpen zal in het algemeen geïndiceerd zijn. Het gaat bijvoorbeeld om ingrijpende breuken. Onder zeer zwaar lichamelijk letsel moet worden begrepen zwaar lichamelijk letsel, als bedoeld in art. 302 Sr, dat levensbedreigend is of waarvan een zeer langdurige herstelperiode (meer dan zes maanden) of geen volledige genezing wordt verwacht.”

8. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld. In cassatie kan niet worden onderzocht of de juiste straf is opgelegd en evenmin of de straf beantwoordt aan alle daarvoor in aanmerking komende factoren.1 De keuze van de factoren die voor de strafoplegging van belang zijn, is voorbehouden aan de feitenrechter en behoeft geen motivering.2 De LOVS-oriëntatiepunten zijn geen recht in de zin van art. 79 RO reeds omdat zij niet afkomstig zijn van een instantie die de bevoegdheid heeft rechters te binden wat betreft het gebruik dat zij maken van de hun door de wetgever gelaten ruimte.3 Hoewel de feitenrechter niet is gebonden aan de LOVS-oriëntatiepunten en de uitleg hiervan aan hem is voorbehouden, kan in gevallen waarin hij die oriëntatiepunten uitlegt en/of toepast in cassatie worden getoetst of die uitleg en toepassing door de rechter begrijpelijk is.4 Die toetsing heeft echter, gelet op de rechterlijke straftoemetingsvrijheid en de aard van die oriëntatiepunten, een beperkt karakter.5

9. In het bestreden arrest heeft het hof de verdachte veroordeeld wegens eenvoudige mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg (art. 300, tweede lid, Sr), maar voor de strafoplegging aansluiting gezocht bij de LOVS-oriëntatiepunten voor zware mishandeling (art. 302 Sr). De keuze van de factoren die het hof daarvoor redengevend heeft geacht, kan in cassatie niet worden getoetst. Wel zijn de factoren relevant bij de beantwoording van de vraag of de redenering van het hof begrijpelijk is.

10. Volgens de strafmotivering heeft het hof, gelet op de aard en ernst van de mishandelingen, aansluiting gezocht bij het oriëntatiepunt voor het bestraffen van het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door middel van bijvoorbeeld één of meer kopsto(o)t(en) en/of schoppen/trappen tegen het hoofd.

11. Het hof heeft met betrekking tot die aard en ernst van de mishandelingen vastgesteld:

(i) dat de verdachte eerst [slachtoffer 1] tegen het gezicht heeft geslagen, heeft opgetild, tegen de grond heeft gesmeten en vervolgens, terwijl [slachtoffer 1] weerloos op de grond lag, hem nogmaals tegen het hoofd heeft geslagen;

(ii) dat de verdachte vervolgens naar [slachtoffer 2] is gelopen, haar tegen de grond heeft geslagen en haar, toen zij op de grond lag, meermalen met gebalde vuisten tegen het hoofd heeft geslagen;

(iii) dat de getuige [betrokkene 2], die de mishandelingen van dichtbij heeft gezien, heeft verklaard dat hij in een shock raakte en dacht dat [slachtoffer 1] dood was toen hij hem bewegingsloos op de grond zag liggen;

(iv) dat de mishandelingen ernstige (lichamelijke en psychische) gevolgen hebben gehad voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2];

(v) dat [slachtoffer 2] volledig is ingestort, nog altijd niet volledig is hersteld van de gevolgen van de mishandeling, als gevolg van haar voortdurende klachten haar werkzaamheden nog steeds niet volledig heeft kunnen hervatten, met een posttraumatische stressstoornis kampt als gevolg van de mishandeling, en nog altijd bij een ergotherapeut loopt om aan haar herstel te werken.

12. Het hof heeft vastgesteld dat géén oriëntatiepunt is vastgesteld voor het bestraffen van ‘mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft’. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat de aard en ernst van de mishandelingen reden zijn om aansluiting te zoeken bij het oriëntatiepunt voor zware mishandeling en dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. In dat oordeel van het hof ligt het oordeel besloten dat de ten laste van de verdachte bewezenverklaarde gedragingen – die onder meer inhouden dat de verdachte een van de slachtoffers meermalen met gebalde vuisten tegen het hoofd heeft geslagen toen zij op de grond lag – naar hun aard en mate van gevaarzetting vergelijkbaar zijn met “één of meer kopsto(o)t(en) en/of schoppen/trappen tegen het hoofd”. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk en voor een verdere toetsing is in cassatie geen plaats.

13. Daarbij kan nog worden opgemerkt dat het hof heeft vastgesteld dat het slachtoffer [slachtoffer 2] ruim tweeënhalf jaar na de mishandeling nog altijd niet volledig was hersteld. Bij het oriëntatiepunt voor zware mishandeling zou het letsel daarmee vallen onder ‘zeer zwaar lichamelijk letsel’, namelijk zwaar lichamelijk letsel “dat levensbedreigend is of waarvan een zeer langdurige herstelperiode (meer dan zes maanden) of geen volledige genezing wordt verwacht”, waarbij het oriëntatiepunt voor straftoemeting – als het opzet bewezen zou zijn verklaard – zou uitkomen op acht maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Ook in het licht daarvan acht ik niet onbegrijpelijk dat het hof in de onderhavige zaak, waarin een bewezenverklaring van het opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel ontbreekt, voor de drie bewezenverklaarde feiten een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, waarvan drie voorwaardelijk, heeft opgelegd.

14. Het middel faalt.

Tweede middel

15. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof bij de strafoplegging ten aanzien van de als feit 1 en feit 2 in de zaak met parketnummer 03-252761-17 bewezenverklaarde mishandelingen is uitgegaan van meerdaadse samenloop in plaats van voortgezette handeling, waardoor het hof is uitgegaan van een te hoog strafmaximum.

16. In het bestreden arrest heeft het hof als toepasselijk wettelijk voorschrift art. 57 Sr genoemd, terwijl art. 56 Sr ontbreekt. Daarin ligt als oordeel van het hof besloten dat ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten sprake is van meerdaadse samenloop en dat geen sprake is van voortgezette handeling.

17. Indien met de steller van het middel zou worden aangenomen dat ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten 1 en 2 in de zaak met parketnummer 03-252761-17 sprake is van een voortgezette handeling in plaats van meerdaadse samenloop, dan zou in verband met feit 1 in de zaak met parketnummer 03-241506-16 nog steeds sprake zijn van meerdaadse samenloop. Het toepasselijke strafmaximum zou daarmee niet veranderen. De verdachte heeft dus onvoldoende belang bij cassatie.6

18. Het middel faalt.

Derde middel

19. Het derde middel bevat de klacht dat het hof voor de bewezenverklaring ten onrechte een schriftelijk stuk heeft gebruikt dat door een benadeelde partij is aangeleverd in het kader van een vordering tot schadevergoeding. Het gaat om de brief van de ergotherapeut van 25 mei 2020, die door het hof is gebruikt ter onderbouwing van het zwaar lichamelijk letsel. Volgens het middel is met het stelsel van de wet onverenigbaar dat processtukken ingebracht ter onderbouwing van de geleden schade zonder meer worden gebruikt door de rechter in de strafzaak als bewijs van het tenlastegelegde. Het middel stelt dat de rechter eerst dient na te gaan of het schriftelijk bescheid daadwerkelijk via art. 51b, tweede lid, Sv tot het strafdossier is gaan behoren, en dat in de onderhavige zaak niet blijkt van voeging van het schriftelijk stuk in het strafdossier.

20. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld:

“Op grond van art. 51b, tweede lid, Sv kan het slachtoffer - waaronder mede is te verstaan degene die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit vermogensschade of ander nadeel heeft ondervonden (art. 51a, eerste lid, Sv) - verzoeken stukken aan het dossier toe te voegen die hij relevant acht voor de beoordeling van de zaak tegen de verdachte of van zijn vordering op de verdachte. Krachtens art. 51d Sv staat die mogelijkheid ook open voor de in art. 51f, tweede lid, Sv bedoelde personen die zich als benadeelde partij in het strafproces voegen. Geen rechtsregel staat eraan in de weg dat een aldus aan het dossier toegevoegd stuk - waaronder begrepen het formulier voor voeging als bedoeld in art. 51g, eerste lid, Sv - voor het bewijs wordt gebruikt indien het voldoet aan de bewijsvoorschriften.”7

21. In tegenstelling tot wat door de steller van het middel is aangevoerd, is volgens het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 15 juni 2020 aldaar door de voorzitter medegedeeld dat de brief van de ergotherapeut van 25 mei 2020 aan het dossier is toegevoegd. De brief is daardoor deel uit gaan maken van het strafdossier. Dat de brief niet aan de bewijsvoorschriften voldoet, is noch tijdens het onderzoek ter terechtzitting noch in cassatie ter discussie gesteld. In cassatie moet het er daarom voor worden gehouden dat het hof de door de benadeelde partij aangeleverde brief mocht gebruiken voor de bewezenverklaring.

22. Het middel faalt.

Slotsom

23. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

24. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

25. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 265.

2 HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7805, r.o. 3.3, HR 23 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9252, NJ 2010/393 m.nt. P.A.M. Mevis, r.o. 2.5, HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN1711, r.o. 2.3, HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY4837, r.o. 2.3, HR 16 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7145, r.o. 2.3 en HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1943, NJ 2019/239 m.nt. T. Kooijmans, r.o. 5.3.

3 HR 29 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2745, NJ 2011/410 m.nt. M.J. Borgers, r.o. 2.5, HR 29 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6702, NJ 2011/411 m.nt. M.J. Borgers, r.o. 2.5, HR 27 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1236, NJ 2014/364 m.nt. M.J. Borgers, r.o. 2.5 en HR 11 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1542, NJ 2018/416 m.nt. W.H. Vellinga, r.o. 4.2.

4 HR 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2067, r.o. 3.5, HR 31 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:114, NJ 2017/199 m.nt. F. Vellinga-Schootstra, r.o. 3.4.1 en HR 13 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:320, r.o. 3.3.1.

5 HR 31 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:114, NJ 2017/199 m.nt. F. Vellinga-Schootstra, r.o. 3.4.1 en HR 13 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:320, r.o. 3.3.1.

6 Vgl. HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1111, NJ 2019/111 m.nt. P.A.M. Mevis, r.o. 3.4 en HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1115, NJ 2019/115 m.nt. P.A.M. Mevis, r.o. 3.3.

7 HR 22 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:91, r.o. 2.3.