Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:525

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
01-06-2021
Datum publicatie
01-06-2021
Zaaknummer
20/02430
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1406
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Gold voor het hof de absolute verplichting om een getuige, die haar belastende verklaring bij de rechter-commissaris had ingetrokken, voor de terechtzitting op te roepen? Middel klaagt niet over de motivering van de afwijzende beslissing van het hof op een daartoe strekkend verzoek. De AG geeft de Hoge Raad in overweging het cassatieberoep te verwerpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/02430

Zitting 1 juni 2021

CONCLUSIE

A.E. Harteveld

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,

hierna: de verdachte.

  1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 6 augustus 2020 het vonnis van de rechtbank Gelderland van 13 februari 2018 bevestigd. Bij dat vonnis is de verdachte wegens “poging tot zware mishandeling, terwijl tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan”, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank beslissingen genomen omtrent een vordering van de benadeelde partij, een schadevergoedingsmaatregel en een vordering tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf, een en ander als nader in het vonnis bepaald.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. K. Kok, advocaat te Zwolle, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het gaat in deze zaak om het volgende. Op de avond van 14 oktober 2017 is in [plaats] ruzie ontstaan tussen een groep jongens en een groep meisjes. Op enig moment is een auto ter plaatse gekomen met daarin meerdere inzittenden, waaronder de verdachte. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte uit die auto is gestapt en tegen één van de aldaar aanwezige jongens, de toen veertienjarige [benadeelde] , geweld heeft gepleegd. Dit geweld heeft de rechtbank gekwalificeerd als poging tot zware mishandeling. Dat de verdachte in de auto zat die ter plaatse kwam, leidt de rechtbank af uit meerdere bewijsmiddelen, waaronder de ter zitting afgelegde verklaring van de verdachte zelf. Dat de verdachte degene is die geweld heeft gepleegd, volgt slechts uit één bewijsmiddel, te weten de verklaring die [getuige 1] heeft afgelegd bij de politie. Deze [getuige 1] is op een later moment, tijdens een verhoor bij de rechter-commissaris, op deze verklaring teruggekomen. Daar heeft zij – kort gezegd – verklaard dat haar verklaring bij de politie niet klopt en dat zij niet heeft gezien wie sloeg. De rechtbank heeft echter besloten meer waarde toe te kennen aan de verklaring die [getuige 1] bij de politie heeft afgelegd. [getuige 1] is in eerste aanleg niet ter zitting gehoord, dit is in dat stadium ook niet door de verdediging verzocht. In hoger beroep is door de raadsman van de verdachte ter zitting een voorwaardelijk verzoek gedaan om [getuige 1] ter zitting als getuige op te roepen, opdat het hof zelf de betrouwbaarheid van deze getuige zou kunnen toetsen. Het hof heeft oproeping evenwel niet noodzakelijk bevonden en het verzoek afgewezen.

3.1.

Over deze afwijzende beslissing van het hof klaagt het middel. De steller van het middel beroept zich daarbij op een arrest van 6 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4834. In dit arrest heeft de Hoge Raad het kader herhaald dat hij eerder uiteen zette in het arrest van 1 februari 1994, ECLI:NL:HR:AB7528, een arrest dat in de literatuur bekend staat onder de naam “grenzen getuigenbewijs” (NJ 1994/427, m.nt. Corstens). De strekking van dit arrest is in latere rechtspraak (HR 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2753, NJ 2014/488, m.nt. Borgers) op onderdelen genuanceerd.

4. Voordat ik nader inga op deze rechtspraak, geef ik hieronder eerst de bewezenverklaring, de (PROMIS-)bewijsoverwegingen en, voor zover relevant, de gang van zaken tijdens het onderzoek ter terechtzitting van het hof weer.

4.1.

De rechtbank heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:


“hij op 14 oktober 2017 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde] (14 jaar oud) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet, die [benadeelde] (nadat verdachte hem had geduwd en hij daardoor ten val was gekomen) met kracht meermalen, met de vuist op/tegen de schouders en/of het lichaam heeft geslagen en (terwijl die [benadeelde] in een kwetsbare positie op de grond lag) meermalen, op/tegen het hoofd en/of het lichaam heeft getrapt en/of geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, terwijl tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijfjaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan (PR Arnhem 22/11/2016, i.k.v.g. 07/12/2016 1 week vv gevangenisstraf i.v.m. art. 300 Sr).”

4.2.

De rechtbank heeft ten aanzien van de bewijsvoering het volgende overwogen (met voetnoten als opgenomen in het arrest):

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat vastgesteld.
Aangever [benadeelde] (geboren op [geboortedatum] 2003) bevond zich op 14 oktober 2017 samen met zijn vrienden in [plaats] . Op enig moment ontstond er ruzie tussen aangever en zijn vrienden met een groep meisjes. Op enig moment kwam er een kleine rode auto (merk Hyundai, type Atos2) aan. Uit deze auto stapte een mannelijke bijrijder. Toen aangever weg wilde rennen, kreeg hij van de man een forse duw in zijn rug waardoor hij ten val kwam. Aangever lag in elkaar gekropen op de grond terwijl de man aan het schoppen was tegen zijn hoofd.3 Ook is aangever geslagen.4 Aangever had hierdoor pijn aan zijn hoofd en knie en last van hoofdpijn, misselijkheid en duizeligheid.5 Hij had drie hematomen op zijn schouder.6 Voornoemde man was de bijrijder van een rode Hyundai Atos en had een ontbloot bovenlichaam.7 Verdachte is ter plaatse gekomen met een rode Hyundai Atos.8


Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de poging tot zware mishandeling, zoals primair ten laste is gelegd.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Volgens de verdediging bevinden zich in het dossier onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen vaststellen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan. De door de verdediging gevoerde verweren zullen hierna bij de beoordeling besproken worden.
Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte de persoon is geweest die aangever heeft geduwd, getrapt en/of geschopt en geslagen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Getuige [getuige 1] heeft ten overstaan van de politie verklaard dat de jongen wegrende en dat de vader van [betrokkene 1] hem te pakken kreeg. De jongen probeerde los te komen, maar de vader van [betrokkene 1] greep de jongen vast. [getuige 1] zag dat de vader van [betrokkene 1] de jongen twee à drie keer sloeg ter hoogte van zijn schouders en zijn zij, terwijl hij op de grond lag. De ouders van [betrokkene 1] kwamen met een rood autootje.9 De vader van [betrokkene 1] droeg die avond een korte broek en had een blote buik. Volgens [getuige 1] zit de vader van [betrokkene 1] er altijd zo bij.10
Verdachte heeft verklaard dat hij de vader van [betrokkene 1] is.11
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaring die [getuige 1] bij de politie heeft afgelegd onjuist is. Volgens de verdediging is de verklaring die [getuige 1] bij de rechter-commissaris heeft afgelegd wel juist.
De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt. De verklaring die [getuige 1] bij de politie heeft afgelegd is gedetailleerd en stemt bovendien op doorslaggevende punten overeen met de aangifte en de verklaringen van getuigen [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] . De rechtbank vindt het opvallend dat [getuige 1] haar verklaring bij de rechter-commissaris heeft gewijzigd, nadat zij de dochter van verdachte (een vriendin van [getuige 1] ) heeft gesproken en samen met haar stukjes uit haar verklaring heeft gelezen. De rechtbank hecht daarom meer waarde aan de door [getuige 1] bij de politie afgelegde verklaring en zal deze verklaring aan het bewijs van het ten laste gelegde feit laten bijdragen.
Voorts heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat verdachte de bestuurder was en [betrokkene 2] de bijrijder. De verdediging heeft daartoe verwezen naar de tweede verklaringen van verdachte en de getuigen [getuige 5] en [betrokkene 2] . Nu door getuigen is verklaard dat de bijrijder de geweldpleger was, kan dit volgens de verdediging niet verdachte zijn geweest.
De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt.
De rechtbank acht de verklaringen van verdachte en getuigen [getuige 5] en [betrokkene 2] , waarin zij verklaren dat verdachte de bestuurder was, niet geloofwaardig. Niet alleen hebben zij in hun eerste verklaring gelogen over hun aanwezigheid op de plaats delict, ook staan hun tweede verklaringen lijnrecht tegenover de verklaringen van de getuigen [getuige 2] , [getuige 6] en [getuige 7] .12 Allen verklaren dat de bijrijder een ontbloot bovenlichaam had. De rechtbank heeft geen enkele reden om aan hun verklaringen te twijfelen. Bovendien heeft getuige [getuige 4] verklaard dat er naast de man met het ontbloot bovenlichaam een man stond die een Ajax-shirt aan had en dat deze man niets deed.13 [betrokkene 2] droeg die avond een Ajax-trainingspak.14 De rechtbank ziet de verklaringen van verdachte en getuigen [getuige 5] en [betrokkene 2] niet anders dan als op elkaar afgestemde verklaringen en schuift hun verklaringen terzijde. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat verdachte de bijrijder met het ontblote bovenlichaam was en dat verdachte degene is geweest die aangever heeft geduwd, getrapt en/of geschopt en geslagen.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld hoe het handelen van verdachte gekwalificeerd moet. worden, De rechtbank overweegt als volgt.
Het hoofd is een kwetsbaar gedeelte van het lichaam. Door aangever te mishandelen zoals omschreven, daarbij kijkend naar de kwetsbare -liggende- positie waarin aangever zich bevond, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank de opzet gehad om aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De rechtbank acht dan ook het primair tenlastegelegde bewezen, te weten de poging tot zware mishandeling.
Strafverzwarende omstandigheid
Aan verdachte is op grond van artikel 43a van het Wetboek van Strafrecht de recidive als strafverzwaringsgrond ten laste gelegd. Blijkens het uittreksel justitiële documentatie is verdachte op 22 november 2016 door de politierechter te Arnhem onherroepelijk veroordeeld voor mishandeling tot een gevangenisstraf voor de duur van één week voorwaardelijk.15 Dit betreft een veroordeling voor een soortgelijk misdrijf. Nu er sinds deze veroordeling nog geen vijf jaren zijn verlopen, acht de rechtbank artikel 43a van het Wetboek van Strafrecht van toepassing”

4.3.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte net als in eerste aanleg ontkend dat hij degene was die de tenlastegelegde geweldshandelingen heeft begaan. Zijn raadsman heeft hier bovendien het voorwaardelijk geformuleerde verzoek gedaan om [getuige 1] op te roepen als getuige. Dit verzoek is door de raadsman blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting gehechte pleitnota als volgt gemotiveerd:


“6.
[getuige 1]
Heeft heel duidelijk bij de RC verklaard dat haar verklaring bij de politie niet klopt en ze heeft ook uitgelegd hoe dat zo is gekomen. Bij de RC heeft ze verklaard dat ze niet weet wie het gedaan heeft.
Dat deze getuige voor haar verklaring bij de RC beïnvloed zou zijn of sterker nog bedreigd zou zijn, is suggestie en speculatie. Daar is niets van gebleken.
7.
Verklaring van [getuige 1] staat op zich zelf
Ook indien u de verklaring van [getuige 1] bij de politie wel overeind laat, dan nog is het zo dat zij de enige is die rechtstreeks mijn cliënt aanwijst als de dader. Dus zelfs in dat geval, meen ik dat het bewijs nog te mager is voor een veroordeling.
8.
Voorwaardelijk verzoek tot het horen van getuige [getuige 1]
Mocht u in Raadkamer zo ver komen en overwegen dat de verklaring van [getuige 1] bij de politie voor het bewijs kan worden gebezigd dan doe ik, in dat geval, het verzoek haar nogmaals als getuige te mogen horen ten overstaan van Uw Hof. Zij is een getuige die een belastende verklaring bij de RC heeft ingetrokken en zij kan van doorslaggevende betekenis zijn.
Ik meen dat u zelf dan haar betrouwbaarheid nog dient te toetsen door haar te horen. Daarna kan dat dan leiden tot een zorgvuldig rechterlijk bewijsoordeel.”

4.4.

Het hof heeft dit verzoek als volgt verworpen:


“Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist. Het hof zal daarom het vonnis met overneming van die gronden bevestigen.
Het door de raadsman ter terechtzitting gedane voorwaardelijke verzoek om [getuige 1] ter terechtzitting te horen wijst het hof af nu dit verzoek onvoldoende is onderbouwd. Het hof ziet de noodzaak tot het horen van deze getuige niet nu deze getuige al bij de rechter-commissaris is gehoord en de verdediging toen in de gelegenheid is geweest de getuige te bevragen.”

5. Het arrest waar de steller van het middel een beroep op doet (HR 6 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4834) bevat de volgende overwegingen:


“i.

Afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals de aard van de zaak en de omstandigheid of en in hoeverre het tenlastegelegde door de verdachte wordt ontkend, kunnen beginselen van een behoorlijke procesorde meebrengen dat het openbaar ministerie bepaalde personen als getuige ter terechtzitting dient op te roepen dan wel dat de rechter zodanige oproeping ambtshalve dient te bevelen bij gebreke waarvan processen-verbaal voorzover inhoudende de door die personen in het opsporingsonderzoek afgelegde verklaringen niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd.


ii.

Het onder (i) overwogene zal in ieder geval gelden indien een ambtsedig proces-verbaal inhoudende een in het opsporingsonderzoek afgelegde belastende verklaring van een persoon, het enige bewijsmiddel is waaruit verdachtes betrokkenheid bij het tenlastegelegde feit rechtstreeks kan volgen en die persoon nadien door een rechter is gehoord en ten overstaan van deze die verklaring heeft ingetrokken of een op essentiële punten ontlastende nadere verklaring heeft afgelegd, dan wel heeft geweigerd te verklaren omtrent de feiten en omstandigheden waarover hij eerder heeft verklaard.

Indien dit is geschied ter gelegenheid van een verhoor van de bedoelde persoon door de rechter-commissaris behoort deze persoon ter terechtzitting in eerste aanleg en in geval van appel ook ter terechtzitting in hoger beroep als getuige te worden gedagvaard of opgeroepen, opdat de rechter zich door eigen waarneming van de getuige een oordeel zal kunnen vormen omtrent de betrouwbaarheid van diens verklaringen dan wel omtrent de redenen van diens weigering aldaar een verklaring af te leggen. Bedoelde persoon zal eveneens ter terechtzitting in hoger beroep als getuige moeten worden opgeroepen indien hij ter terechtzitting in eerste aanleg voor het eerst is teruggekomen op zijn eerder in het voorbereidend onderzoek afgelegde verklaring dan wel heeft geweigerd een verklaring af te leggen.


iii.

Indien in de onder (ii) omschreven gevallen een getuige, die ter terechtzitting is opgeroepen, hetzij aldaar verschijnt, hetzij aldaar niet verschijnt en verdere oproeping zinloos is gebleken, staat het de rechter vrij de in het opsporingsonderzoek afgelegde verklaring voor het bewijs te bezigen.”

5.2.

Na daar eerder toe te zijn uitgenodigd,16 is de Hoge Raad in het arrest van 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2753 (NJ 2014/488, m.nt. Borgers) gedeeltelijk op bovenstaand kader teruggekomen. Onder verwijzing naar de op 1 maart 2007 in werking getreden Wet stroomlijnen hoger beroep besloot de Hoge Raad in dit arrest het bovenstaande kader voor wat betreft de appelfase te nuanceren. De belangrijkste overweging luidt als volgt:


“Met een 'voortbouwend appel' valt immers niet goed te verenigen dat de rechter in hoger beroep steeds ambtshalve ter terechtzitting in hoger beroep als getuige moet oproepen de persoon wiens in het opsporingsonderzoek afgelegde belastende verklaring welke tijdens een verhoor door de rechter-commissaris of tijdens de terechtzitting in eerste aanleg is ingetrokken, het enige bewijsmiddel is waaruit de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde feit rechtstreeks kan volgen. Het ligt bij een voortbouwend appel in de rede dat het aan de procespartijen en de appelrechter wordt overgelaten te beoordelen of een zorgvuldige totstandkoming van het rechterlijk bewijsoordeel eist dat die persoon op de terechtzitting als getuige wordt gehoord.”

5.3.

De steller van het middel gaat ervan uit dat de strekking van bovengenoemde overweging is dat de ambtshalve verplichting weliswaar is komen te vervallen, maar dat, wanneer (ter zitting) door de verdediging een verzoek wordt gedaan om een getuige op te roepen die bij de politie belastend heeft verklaard en deze verklaring later ten overstaan van een rechter heeft ingetrokken dan wel heeft geweigerd te verklaren, terwijl de verklaring bij de politie het enige bewijsmiddel is waaruit verdachtes betrokkenheid bij het tenlastegelegde feit rechtstreeks blijkt, de appelrechter alsnog – wil hij de belastende verklaring voor het bewijs kunnen gebruiken – geen andere keuze heeft dan deze getuige op te roepen. Wanneer die interpretatie zou worden gevolgd, heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 23 september slechts het ambtshalve-karakter van de oproepingsplicht geschrapt. Uitgaande van de juistheid van die interpretatie zou door een verzoek tot oproeping van de verdediging de voorheen ambtshalve bestaande verplichting als het ware herleven; de appelrechter komt dan alsnog te verkeren in een situatie zonder eigen beoordelingsvrijheid.

5.4.

Een andere interpretatie van het arrest zou zijn dat met de aangebrachte nuancering niet slechts het ambtshalve-karakter, maar de optie van verplichte oproeping in haar geheel is komen te vervallen. Die verplichting kan dan dus ook niet meer door de verdediging worden geactiveerd door het doen van een verzoek. Uitgaande van deze lezing verschilt de situatie waarin de verdediging verzoekt een getuige op te roepen als hierboven bedoeld niet meer wezenlijk van de situatie waarin de verdediging verzoekt om een willekeurige andere getuige op te roepen. De appelrechter heeft dan een eigen beoordelingsvrijheid om op dit verzoek te beslissen en kan het afwijzen met toepassing van het criterium dat in dat stadium van het geding geldt, dus op de gronden genoemd in het eerste lid van art. 288 Sv of op de grond dat hem de noodzakelijkheid als bedoeld in art. 315 Sv niet is gebleken.

5.5.

Voor wat betreft de toepassing van het “noodzakelijkheidscriterium” gelden dan in beginsel de algemene kaders zoals die uiteengezet zijn in het arrest van 1 juli 2014. Deze houden onder meer in dat geen algemene regels bestaan omtrent de gevallen en de mate waarin een afwijzende beslissing nader dient te worden gemotiveerd.17 Overigens lijkt mij dat in situaties als de onderhavige dan in beginsel stevige eisen aan de motivering van zo’n afwijzing mogen worden gesteld. In cassatie kan die motivering vervolgens op begrijpelijkheid worden getoetst.18 Men zie daarvoor bijvoorbeeld HR 5 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:12. In deze zaak was net als in de onderhavige een voorwaardelijk verzoek gedaan om een getuige te horen die belastend had verklaard bij de politie en hier later bij de rechter-commissaris op was teruggekomen, welk verzoek door het hof met een vrij summiere motivering was afgewezen terwijl de bij de politie afgelegde verklaring wel voor het bewijs was gebruikt. De Hoge Raad achtte de beslissing van het hof om de getuige niet ter zitting te horen niet zonder meer begrijpelijk en nam daarbij onder meer in aanmerking dat (i) de aangeefster – als getuige gehoord door de Rechter-Commissaris en ter terechtzitting van de Politierechter – haar bij de politie afgelegde verklaringen heeft ingetrokken en (ii) het hof de verdachte had veroordeeld op grond van een bewezenverklaring die in belangrijke mate steunde op de - ingetrokken - aangifte van de aangeefster (r.o. 2.3).

5.6.

Ik heb in de jurisprudentie geen aanwijzingen kunnen aantreffen dat de Hoge Raad van de twee bovengenoemde interpretaties de eerstgenoemde voorstaat. Op grond van de bestaande rechtspraak lijkt mij zelfs dat de tweede interpretatie betere kaarten heeft.19 Deze interpretatie strookt wat mij betreft ook beter met de hierboven onder 5.2 aangehaalde overweging dat het aan “procespartijen en de appelrechter wordt overgelaten te beoordelen of een zorgvuldige totstandkoming van het rechterlijk bewijsoordeel eist dat die persoon op de terechtzitting als getuige wordt gehoord” – deze zinsnede lijkt mij te suggereren dat de appelrechter een eigen beoordelingsvrijheid toekomt. Ook sluit deze interpretatie beter aan op de commentaren op de rechtspraak van vóór 23 september 2014. Zo bijvoorbeeld mijn oud-ambtgenoot Knigge in zijn conclusie van 7 maart 2006 (ECLI:NL:PHR:2006:AV4834), die de vraag opwerpt waarom, terwijl in tal van vergelijkbare situaties de appelrechter in staat wordt geacht zelf de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen te beoordelen, juist in één situatie hem die beoordelingsvrijheid moet worden ontnomen.20 Aangenomen dat deze argumenten mede een rol hebben gespeeld bij de beslissing van de Hoge Raad het eerdere kader te nuanceren, lijkt het niet direct voor de hand te liggen dat de situatie van geen beoordelingsvrijheid weer zou kunnen herleven door een verzoek van de verdediging.

5.7.

Tot slot kan nog gewezen worden op het arrest van de Hoge Raad van 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1943, NJ 2019/239. In dit arrest bepaalde de Hoge Raad dat op de appelrechter, indien hij een bij de politie afgelegde belastende verklaring van een getuige voor het bewijs wil gebruiken, terwijl de rechter in eerste aanleg heeft doen blijken deze verklaring niet betrouwbaar te achten, daarom niet voor het bewijs te gebruiken en mede daarom tot vrijspraak te komen, geen ambtshalve verplichting rust deze getuige ter zitting op te roepen. Wel bestaat onder zulke omstandigheden een – ambtshalve – motiverings-verplichting om te verantwoorden waarom de bij de politie afgelegde verklaring wel wordt gebruikt. Uit dit arrest meen ik te mogen afleiden dat de Hoge Raad tegenwoordig meer voelt voor motiveringsverplichtingen dan voor oproepingsverplichtingen. Al met al meen ik dus dat in situaties als de onderhavige een verzoek van de verdediging geen verplichting in het leven roept voor de appelrechter om een getuige ter zitting te doen oproepen. Het middel gaat aldus uit van een onjuiste rechtsopvatting.

5.8.

Tot slot merk ik nog op dat noch in het middel noch in de toelichting hierop wordt geklaagd over de motivering door het hof van de beslissing tot het niet oproepen van de getuige [getuige 1] . Dat aspect blijft daarom hier onbesproken.

5.9.

Het middel faalt.

6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal van voorgeleiding dossiernummer PL0600-2017476917, gesloten op23 oktober 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 52.

3 Het proces-verbaal van aangifte, p. 35 en het proces-verbaal van verhoor getuige p. 52.

4 Het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 43 en het proces-verbaal van verhoor getuige p 44.

5 Het proces-verbaal van aangifte, p. 36.

6 Bijlage 3 bij het verzoek tot schadevergoeding van [benadeelde] d.d. 13 november 2017.

7 Het proces-verbaal van aangifte, p. 35, het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 52, het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 42-43 en het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 44.

8 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 30 januari 2018.

9 Het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 84.

10 Het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 86.

11 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 30 januari 2018.

12 Het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 52, het proces-verbaal van verhoor getuige, p 54 en het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 58.

13 Het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 44.

14 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene 2] d.d. 18 januari 2018.

15 Het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte d.d. 8 december 2017, p. 2.

16 Vgl. de conclusies van mijn voormalig ambtgenoten Machielse (25 januari 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AS4681) en Knigge (7 maart 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AV4834), als ook aangehaald in de conclusie van A-G Bleichrodt voorafgaand aan het arrest van 23 september 2014.

17 HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/411, m.nt. M.J. Borgers, r.o. 2.9.

18 HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/411, m.nt. M.J. Borgers, r.o. 2.76.

19 Vgl. het hierboven onder 5.5. al aangehaalde arrest van 5 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:12. Uit het gegeven dat de Hoge Raad hier inhoudelijk ingaat op de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof zou kunnen worden afgeleid dat hij een categorisch oordeel (het inwilligen van een voorwaardelijk verzoek is in alle gevallen aangewezen indien het verzoek betrekking heeft op een getuige die – kort gezegd – bij de politie belastend heeft verklaard en hier later bij de rechter-commissaris op terugkomt) niet op zijn plaats vond. Omdat het in deze zaak ging om een verklaring waarop de bewezenverklaring “in belangrijke mate” steunde en niet om een verklaring die het enige bewijsmiddel was waaruit de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde feit rechtstreeks bleek, volgt hieruit evenwel niet dwingend dat de Hoge Raad inderdaad de tweede van de twee hierboven geschetste interpretaties voorstaat. Tot slot kan nog gewezen worden op de conclusie van mijn ambtgenoot Keulen van 26 januari jl., ECLI:NL:PHR:2021:255. Hij gaat er (onder 16.) eveneens vanuit dat de eerste interpretatie de juiste is.

20 zie ook, instemmend, Borgers in zijn noot onder NJ 2014/488.