Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:520

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-06-2021
Datum publicatie
09-06-2021
Zaaknummer
19/05776
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSHE:2019:4534
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1221
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Poging tot doodslag (art. 287 jo. 45 Sr) in het verkeer, door te Oss in de nieuwjaarsnacht van 2018 kort na middernacht met een door hem bestuurde bestelauto met hoge snelheid een voetganger aan te rijden. De verdachte, die kort tevoren al een aanrijding met een personenauto had veroorzaakt, heeft onder invloed van alcohol met 60 à 70 km per uur gereden door een vrij smalle straat waar zich woningen, winkels en horecagelegenheden bevonden, waar zich aan weerszijden van de straat fietsstroken en parkeerplaatsen bevonden en waar 30 km per uur de maximale toegestane snelheid was. Daarbij heeft hij het slachtoffer aangereden. Middel over het bewijs van (voorwaardelijk) opzet op de dood van het slachtoffer. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/05776

Zitting 8 juni 2021

CONCLUSIE

F.W. Bleichrodt

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

hierna: de verdachte.

Het cassatieberoep

1. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft de verdachte bij arrest van 18 december 2019 wegens het in de zaak met parketnummer 01-879086-18 bewezen verklaarde 1. “overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994”, 2. primair “poging tot doodslag”, 3. “overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994”, 4. subsidiair “overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994”, 5. “overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994” en het in de zaak met parketnummer 0186019018 bewezen verklaarde “een gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, in bezit hebben, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Tevens is de verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 01-879086-18 onder 2 primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vijf jaren ontzegd. Daarnaast is de verdachte ten aanzien van het onder 4 subsidiair bewezen verklaarde veroordeeld tot hechtenis voor de duur van twee weken. Voorts heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen. Tot slot heeft het hof de vorderingen van twee benadeelde partijen (gedeeltelijk) toegewezen en aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, één en ander zoals in het bestreden arrest vermeld.

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. C.W.J. Faber, advocaat te Eindhoven, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

3. Het middel is gericht tegen de bewezenverklaring van het onder 2. primair ten laste gelegde. Het middel behelst de klacht dat het hof ontoereikend gemotiveerd heeft bewezen verklaard dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op een ongeval met dodelijke afloop.

4. Ten laste van de verdachte is onder 2. primair bewezen verklaard dat:

“hij op 1 januari 2018 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, op de weg, [a-straat] , met een door hem, verdachte, bestuurde bestelauto met hoge snelheid is ingereden op die [slachtoffer 1] en met hoge snelheid met die bestelauto tegen en over die [slachtoffer 1] heen is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid”.

5. Ter terechtzitting van het hof van 4 december 2019 heeft de raadsman van de verdachte het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig zijn pleitnotities. De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit van het onder 2 ten laste gelegde. Het hof heeft het aangevoerde als volgt samengevat:

“De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit van de onder 2 primair ten laste gelegde poging tot doodslag. Daartoe heeft hij aangevoerd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet op de dood van het slachtoffer [slachtoffer 1] , nu uit de specifieke omstandigheden van het geval niet kan worden afgeleid dat de verdachte de kans dat [slachtoffer 1] zou komen te overlijden bewust heeft aanvaard. Anders dan de advocaat-generaal, meent de raadsman dat aan de uiterlijke verschijningsvorm van het onderhavige incident geen doorslaggevende betekenis dient te worden toegekend bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een bewuste aanvaarding van een aanmerkelijke kans. Immers, de verdachte heeft zeer uitgebreid en gedetailleerd verklaard over wat er ten tijde van de hem verweten gedraging in hem omging. Hij was in paniek vanwege de eerdere aanrijding. Bovendien heeft de verdachte zeer belastend over zijn aandeel verklaard, wat de bewijskracht van zijn verklaring vergroot.”

6. Het hof heeft, mede in reactie op het door de raadsman aangevoerde, de volgende bewijsoverwegingen in het arrest opgenomen:

“Aan het hof ligt de beantwoording van de vraag voor of er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag op slachtoffer [slachtoffer 1] . Daartoe is vereist dat er bij de verdachte sprake is geweest van (voorwaardelijk) opzet op de dood van het slachtoffer.

(Voorwaardelijk) opzet

Het hof stelt voorop dat niet is gebleken dat de verdachte de intentie (het volle opzet) heeft gehad om [slachtoffer 1] van het leven te beroven. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting valt immers niet op te maken dat de verdachte doelgericht op [slachtoffer 1] is ingereden of haar doelbewust heeft aangereden.

Opzet op de dood kan echter ook worden aangenomen als sprake is van voorwaardelijk opzet. Voorwaardelijk opzet is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat er een slachtoffer zou komen te overlijden als gevolg van zijn gedragingen.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, of anders gezegd om een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is bovendien vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden en dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).

Uit de enkele omstandigheid dat die wetenschap bij de verdachte aanwezig is dan wel bij hem moet worden verondersteld, kan niet zonder meer volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat in geval van die wetenschap ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die er (lichtvaardig) van is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden, kan wel worden gezegd dat hij met (grove) onachtzaamheid heeft gehandeld, en dus schuld heeft aan het ongeval, maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke vorm op dat gevolg gericht is geweest.

Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Bij de beoordeling of er in de onderhavige zaak sprake is van opzet in voorwaardelijke zin, heeft het hof het navolgende in aanmerking genomen.

Aanmerkelijke kans

Uit de inhoud van de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte tijdens de nieuwjaarsnacht van 1 januari 2018, kort na 00.00 uur, onder invloed van alcohol, zonder over een geldig rijbewijs voor categorie B te beschikken, in zijn auto is gaan rijden, terwijl hij de maximum toegestane snelheid van 30 kilometer per uur in ernstige mate overschreed, er vuurwerk werd afgestoken en zich mensen op de stoep en op de straat bevonden. De verdachte heeft gezien dat het druk was op de stoep en dat er aan weerszijden van de weg auto’s geparkeerd stonden. Hij heeft de flitsen van het vuurwerk in de lucht gezien. De verdachte heeft pas kort voor de aanrijding gezien dat het slachtoffer [slachtoffer 1] (ondanks het feit dat zij lichte kleding aanhad) zich op de rijbaan bevond. De verdachte is met hoge snelheid tegen slachtoffer [slachtoffer 1] aangereden waarna zij op de motorkap is beland. De verdachte is niet gestopt maar met hoge snelheid doorgereden en is vervolgens, nadat zij van de motorkap af gevallen was, over haar be(e)n(en) gereden.

Het hof overweegt dat het een feit van algemene bekendheid is dat door het gebruik van alcohol het reactievermogen afneemt, de waarneming slechter wordt en het derhalve moeilijker wordt om te rijden. Het risico op een ongeval neemt door het gebruik van alcohol dan ook aanzienlijk toe. Gelet op de soort weg waarop verdachte reed (te weten in een 30 kilometer zone) in een wijk met onder meer woningen en horeca, in aanmerking genomen dat het kort na twaalven in de nacht van de jaarwisseling was waardoor er veel mensen op straat verwacht konden worden die met elkaar het nieuwe jaar inluiden en op straat vuurwerk afsteken, het donker was, er langs de weg auto’s geparkeerd stonden en er sprake was van slecht zicht op de weg door de flitsen en de rook van het vuurwerk, en ook uitgaande van een situatie waarin de verdachte de ter plaatse geldende maximumsnelheid in ernstige mate (immers twee maal de toegestane snelheid) heeft overschreden (het hof acht dit een hoge snelheid), overweegt het hof dat er sprake was van een reëel risico dat een verkeersongeval zou plaatsvinden met een dodelijke afloop.

Gelet op het voorgaande overweegt het hof dat er een aanmerkelijke kans bestond dat de verdachte, door zich - onder de gegeven omstandigheden - op deze manier te gedragen, iemand zou aanrijden waardoor deze vervolgens zou komen te overlijden.

Bewustheid

De verdachte wist dat hij (te) veel alcohol had gedronken en hij wist welke negatieve effecten alcohol heeft en kan hebben op zijn rijgedrag. De verdachte is hier immers al eerder onherroepelijk voor veroordeeld door de strafrechter. Bovendien was de verdachte bekend in [plaats] , had hij vaker over de [a-straat] gereden en kende hij de situatie ter plaatse. Ook was hij zich ervan bewust dat het nieuwjaarsnacht was, kort na 00.00 uur, en heeft hij gezien dat er mensen op straat waren en dat er vuurwerk werd afgestoken. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte zich er van bewust was, dat de aanmerkelijke kans bestond dat iemand zich in een wijk met onder meer woningen en horeca op de rijweg zou bevinden en bij een aanrijding met de door hem gereden snelheid zou komen te overlijden.

Bewuste aanvaarding

Aan het hof ligt vervolgens voor de beantwoording van de vraag of door de verdachte deze kans ten tijde van de gedraging bewust is aanvaard (op de koop toe is genomen).

Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat de verdachte geen inzicht heeft gegeven wat er in hem is omgegaan ten tijde van de aan hem verweten gedraging. De verdachte heeft slechts verklaard dat hij ten tijde van de aanrijding met [slachtoffer 1] in paniek was, als gevolg van de aanrijding die kort daarvoor op de [b-straat] had plaatsgevonden. Bijrijder [betrokkene 1] heeft bevestigd dat de verdachte na de aanrijding op de [b-straat] in paniek leek te zijn, maar zijn verklaring geeft geen nader inzicht in wat er verder bij de verdachte omging. Op de vraag aan de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep om de door hem genoemde paniektoestand nader te beschrijven en uit te leggen waaruit deze bestond, heeft de verdachte geen antwoord gegeven.

Het hof zal zich ter beantwoording van de vraag of er bij de verdachte sprake is geweest van een bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans op een ongeval met dodelijke afloop, dan ook baseren op de aard en uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van de verdachte en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden. In dat verband kent het hof in het bijzonder betekenis toe aan het rijgedrag van de verdachte kort voorafgaand aan, ten tijde van en onmiddellijk na het ongeval, in het licht van de concrete omstandigheden van het geval. Het hof acht daartoe de volgende feiten en omstandigheden, die blijken uit de bewijsmiddelen, van belang.

De verdachte bevond zich op 31 december 2017 vanaf ongeveer 23.30 uur samen met een vriend, [betrokkene 1] , op een straatfeest te [plaats] . Kort na middernacht zijn zij van het straatfeest vertrokken. Zij zijn in de auto van de verdachte gestapt, een grijze bestelbus van het merk Ford, type Transit Connect. De verdachte was de bestuurder van het voertuig. De verdachte wist op dat moment dat hij niet mocht rijden omdat zijn rijbewijs sinds 2007 ongeldig is verklaard en daarnaast had hij (te) veel alcohol (minstens zes glazen bier) gedronken. Daarnaar gevraagd heeft de verdachte ter zitting van het hof verklaard dat hij de ongeldigverklaring negeert omdat hij zijn auto nodig heeft voor zijn werk. Wat betreft de alcohol ging hij naar zijn zeggen ervan uit dat het op het randje zat. Voorafgaand aan het straatfeest, vanaf ongeveer 21.00 uur, had hij in ieder geval vier flesjes bier van 30 cl op en heeft hij vervolgens op het straatfeest ook nog een bekertje bier gedronken.

Op enig moment is de verdachte de [b-straat] te [plaats] opgereden, waar hij met onverminderde snelheid tegen een auto is gebotst, die stilstond voor het rode stoplicht. Volgens de aangever [ slachtoffer 2] reed de verdachte heel hard, kon de verdachte niet meer remmen en voelde hij een enorme klap aan de achterzijde van zijn auto. Vervolgens is de verdachte een stukje achteruit gereden en is hij over het fietspad / trottoir de auto van [ slachtoffer 2] gepasseerd en daarna hard doorgereden de [a-straat] op. Volgens de bijrijder, [betrokkene 1] , gaf de verdachte daarbij flink gas bij. De verdachte heeft hierover verklaard dat hij niet heeft opgelet en dat hij de auto die voor het rode verkeerslicht stond te wachten, alsmede het verkeerslicht zelf geheel over het hoofd heeft gezien. Na de botsing is hij in paniek geraakt en in die paniek is hij hard weggereden. Op de vraag ter zitting van het hof waarom hij in paniek is geraakt heeft de verdachte geantwoord dat hij dat niet weet. Op een vervolgvraag of dit mede te maken kan hebben gehad met het feit dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard en hij alcohol gedronken had, heeft hij geantwoord dat hij denkt dat dit er wel mee te maken had.

De verdachte is verder gereden over de [a-straat] , met naar zijn zeggen een snelheid van ongeveer 60 tot 70 kilometer per uur, zonder te remmen voor de verkeersdrempels die zich op deze weg bevinden. Vervolgens is hij met hoge snelheid tegen [slachtoffer 1] aangereden, die op de [a-straat] vuurwerk stond op te rapen. [betrokkene 1] schreeuwde tegen de verdachte dat hij iemand aanreed. [slachtoffer 1] werd weggeslagen door de bestelbus. Zij belandde via de voorruit op de motorkap en viel daarna, ongeveer 20 meter verder, van de motorkap af op de grond met haar benen op de rijbaan en de verdachte is met zijn bestelbus over haar be(e)n(en) gereden. Als gevolg van dit ongeval heeft zij zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Getuigen hebben verklaard dat de bestelbus vervolgens weer gas bijgaf en met hoge snelheid wegreed. De verdachte is echter ook na deze tweede aanrijding doorgereden.

Ten aanzien van de situatie ter plaatse en de omstandigheden die nacht acht het hof het volgende van belang.

Ten tijde van het ongeval was het droog weer. Het wegdek van de rijbaan van de [a-straat] was droog. De openbare straatverlichting was aanwezig en in werking. Het wegdek van de [a-straat] verkeerde in goede staat van onderhoud.

De [a-straat] is een vrij smalle weg, met fietsstroken en parkeerplaatsen aan beide kanten van de weg. Er zijn woningen, winkels en horecabedrijven op relatief korte afstand aan de weg gesitueerd. Deze situatie dwingt tot het voorzichtig en rustig rijden op de weg. Er geldt ter plaatse dan ook een wettelijk vastgestelde maximumsnelheid van 30 kilometer per uur en er bevinden zich duidelijke verkeersdrempels in de weg. Deze maatregelen dienen ter bescherming van kwetsbare verkeersdeelnemers, zoals fietsers en voetgangers. De verdachte heeft verklaard dat hij de [a-straat] kent, daar vaker heeft gereden en weet dat er verkeersdrempels in deze straat liggen. Tevens heeft hij verklaard dat hij zag dat aan weerszijden van de [a-straat] auto’s geparkeerd stonden. Desondanks heeft hij de maximum toegestane snelheid in grove mate overschreden en heeft hij zijn rijgedrag niet aan de situatie ter plaatste aangepast.

Daar komt bij dat de nacht waarin het ongeval plaatsvond, de nacht van de jaarwisseling betrof. De verdachte reed kort na middernacht, omstreeks 00.30 uur, over de [a-straat] . Het is algemeen bekend dat mensen in de nieuwjaarsnacht, kort na middernacht, naar buiten gaan om met elkaar het nieuwe jaar in te luiden en vuurwerk af te steken. Er konden aldus mensen op straat verwacht worden en niet alleen op de stoep, maar juist ook op de rijweg. Het is een feit van algemene bekendheid dat vuurwerk vaak op de rijbaan wordt afgestoken, zodat men daarna op de stoep op veilige afstand van het aangestoken vuurwerk dit vuurwerk kan bekijken en bewonderen. Daarnaast vindt het afsteken van vuurwerk plaats in het donker. Het is algemeen bekend dat vuurwerk flitsen en rook veroorzaakt, waardoor het zicht op de weg belemmerd kan worden. Al deze omstandigheden leiden tot de conclusie dat bestuurders van motorvoertuigen gedurende de nieuwjaarsnacht extra voorzichtigheid dienen te betrachten om ongevallen te voorkomen. Ook op de [a-straat] in [plaats] werd vuurwerk afgestoken. Aldaar bevonden zich mensen op straat. Door de rook die afkomstig was van het vuurwerk was er, zoals op de camerabeelden te zien is, minder zicht op de weg. De verdachte heeft verklaard dat hij heeft gezien dat het druk was op de stoep langs de [a-straat] . Hoewel de verdachte wist dat het de nacht van de jaarwisseling was en zich bewust was van de aanwezigheid van de mensen langs en op straat door het vuurwerk dat werd afgestoken, heeft hij nagelaten zijn rijgedrag, dat sowieso al bijzonder onverantwoord was, aan te passen aan de gegeven omstandigheden en de situatie ter plaatse.

Op grond van het voorgaande in samenhang bezien, komt het hof tot het oordeel dat de verdachte een grote mate van onverschilligheid heeft getoond ten aanzien van zijn rijgedrag en de veiligheid van anderen. Onverschilligheid die al aanwezig was toen de verdachte in zijn auto stapte, ten aanzien van de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs en zijn alcoholgebruik, zoals volgt uit zijn eigen verklaring daarover. Ook uit het strafblad van de verdachte volgt dat hij het niet zo nauw neemt met het verbod op het rijden onder invloed van alcohol, nu hij daarvoor in het verleden meer dan eens door de strafrechter onherroepelijk is veroordeeld. Hoewel hij niet mocht rijden, heeft de verdachte dit toch gedaan.

Ook in het daaropvolgende rijgedrag van de verdachte komt tot uitdrukking dat het hem op meerdere momenten in een kort tijdsbestek volledig koud liet wat de gevolgen van zijn gedragingen voor derden zouden kunnen zijn. Het hof volgt hierin het standpunt van de advocaat-generaal. Na de aanrijding op de [b-straat] is de verdachte er via de stoep met hoge snelheid vandoor gegaan, zonder zich te bekommeren om de inzittende van het voertuig waartegen hij was gebotst en zonder zich iets aan te trekken van zijn bijrijder [betrokkene 1] , die hem vroeg om rustig te doen. Ondanks dat er op dat moment alle reden was om de auto aan de kant te zetten en uit te stappen, om verdere ongelukken te voorkomen. Echter zonder zijn rijgedrag aan te passen aan de omstandigheden tijdens die nacht en de situatie ter plaatse is de verdachte vervolgens met veel te hoge snelheid doorgereden over de [a-straat] . Daar heeft hij [slachtoffer 1] aangereden, maar ook deze aanrijding is voor de verdachte geen reden om te stoppen terwijl [betrokkene 1] schreeuwde dat hij iemand aanreed. Opnieuw is hij er met hoge snelheid vandoor gegaan, heeft hij het slachtoffer [slachtoffer 1] een aantal meters meegesleurd, is nadat ze op het wegdek is gevallen over haar be(e)n(en) gereden en heeft hij haar in weerloze toestand achtergelaten, zonder zich om haar te bekommeren.

Alles overziend is naar het oordeel van het hof het rijgedrag van de verdachte naar uiterlijke verschijningsvorm uitsluitend gericht geweest op het koste wat het kost ontkomen aan een aanhouding na de aanrijding die op de [b-straat] had plaatsgevonden. De verdachte heeft daarbij bewust de gevolgen van zijn rijgedrag op de koop toe genomen. Het rijgedrag van de verdachte na de aanrijding met [slachtoffer 1] alsmede de omstandigheid dat de verdachte zich na nieuwjaarsnacht niet bij de politie heeft gemeld en het dossier aanwijzingen bevat dat de verdachte zich van de auto wilde ontdoen, sterken het hof daarbij in zijn overtuiging. Op grond van het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien, concludeert het hof dan ook dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat er een fatale aanrijding zou plaatsvinden bewust heeft aanvaard en dat hij voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] .

Het hof verwerpt het verweer op alle onderdelen.”

7. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich bewust heeft blootgesteld aan zodanige kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Uit de enkele omstandigheid dat die wetenschap bij de verdachte aanwezig is dan wel bij hem moet worden verondersteld, kan niet zonder meer volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat in geval van die wetenschap ook sprake kan zijn van bewuste schuld. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.1

8. In mijn conclusie voorafgaand aan HR 19 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:384, NJ 2019/150 ben ik uitvoerig ingegaan op het bewijs van voorwaardelijk opzet op de levensberoving in geval van gevaarzettende gedragingen in het verkeer.2 Ik merkte in dit verband het volgende op.

9. De aanvaarding van de aanmerkelijke kans kan in voorkomende gevallen worden gestoeld op verklaringen van de verdachte. In veel gevallen kan de rechter evenwel niet terugvallen op verklaringen waarin de verdachte inzicht geeft in wat er in hem omging ten tijde van zijn gedrag. Daarom heeft de uiterlijke verschijningsvorm van de gedraging in het bewijs van voorwaardelijk opzet aan belang gewonnen. Het bewijs van opzet wordt in die benadering ingevuld aan de hand van de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden, waarbij ook algemene ervaringsregels een rol kunnen spelen. Daardoor is het aspect van de ‘wilsrichting', in de psychologische betekenis van dat woord, meer naar de achtergrond gedrongen. De nadruk is verschoven naar uiterlijk waarneembare factoren, waaraan gevolgtrekkingen worden verbonden ten aanzien van de vaststelling van opzet.3 Dat is bij de beoordeling of de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat een botsing met dodelijk gevolg zal plaatsvinden niet anders. De aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht zijn bij de beoordeling van belang. Daarbij valt met name te denken aan het rijgedrag in combinatie met de verkeerssituatie. Voor meer uitvoerige bespiegelingen verwijs ik naar de eerdergenoemde conclusie.

10. In de genoemde zaak uit 2019 had het hof vastgesteld dat de verdachte met zijn auto achterop een motor was gereden waarop twee personen waren gezeten, ten gevolge waarvan één van de personen overleed en de ander zwaar lichamelijk letsel opliep. De verdachte had onder invloed van een grote hoeveelheid alcohol gereden en beschikte niet over een rijbewijs voor categorie B. Ook reed hij met een aanzienlijk hogere snelheid dan de motor, maar niet was komen vast te staan dat de verdachte de maximumsnelheid had overschreden of anderszins rijgedrag had vertoond waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de verdachte zich niet had bekommerd om de mogelijke gevolgen daarvan voor andere verkeersdeelnemers. Het hof had overwogen dat het opzet van de verdachte was gelegen in het handelen van de verdachte voorafgaand aan de fatale botsing tussen de bedrijfsauto van de verdachte en de motor met daarop de beide slachtoffers. Daarbij had het hof ook in aanmerking genomen dat de verdachte, voordat hij op weg ging, vanwege zijn alcoholgebruik was gewaarschuwd niet te gaan rijden, alsmede dat hij eerder terecht heeft gestaan wegens rijden onder invloed. Ik concludeerde dat het bewezen verklaarde niet toereikend was gemotiveerd. Daarbij nam ik in aanmerking dat het hof ten aanzien van het rijgedrag van de verdachte geen nadere vaststellingen gedaan die zouden kunnen bijdragen aan het oordeel dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans had aanvaard op een ongeval met dodelijk letsel tot gevolg. Uit de bewijsvoering kon niet worden afgeleid dat de verdachte de aanmerkelijke kans op een ongeval met dodelijke afloop, zoals dat zich uiteindelijk heeft gerealiseerd, bewust heeft aanvaard. In het bijzonder werd uit de uitspraak van het hof niet duidelijk waarin de aanvaarding zou zijn gelegen van de aanmerkelijke kans op een dodelijke afloop en daarmee waarom geen sprake zou zijn van bewuste schuld maar van voorwaardelijk opzet. Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die ervan is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden, kan immers wel worden gezegd dat hij met (grove) onachtzaamheid heeft gehandeld maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke vorm op dat gevolg gericht is geweest. Daarvoor is meer nodig, zoals aanknopingspunten ontleend aan uitlatingen van de verdachte of aan de wijze van rijden ten tijde van of kort voorafgaand aan het ongeval, in het licht van de concrete omstandigheden van het geval. Die ontbraken in de desbetreffende zaak. Zo was niet vastgesteld dat de verdachte de maximumsnelheid had overschreden en/of dat hij zich niet op de juiste weghelft had bevonden. De Hoge Raad casseerde dienovereenkomstig.4

11. Ik heb iets langer stilgestaan bij de zaak uit 2019 om te kunnen illustreren waarom ik in de onderhavige zaak wel meen dat het middel faalt. Ik wijs op de volgende verschillen.

12. Anders dan in de besproken zaak, heeft het hof in de onderhavige zaak zijn oordeel ten aanzien van het voorwaardelijk opzet wel doen steunen op uitvoerig gemotiveerde vaststellingen ten aanzien van het rijgedrag van de verdachte, in combinatie met de omstandigheden ter plaatse.5 Zo heeft de verdachte in de onderhavige zaak met forse overschrijding van de toegestane maximumsnelheid gereden, te weten met een snelheid van 60 tot 70 kilometer per uur daar waar 30 kilometer per uur was toegestaan. Hij heeft zijn rijgedrag niet aangepast aan de situatie ter plaatse. Zo is hij met onverminderde snelheid over aanwezige verkeersdrempels gereden. Kort voor het in de bewezenverklaring bedoelde ongeval heeft de verdachte op de [b-straat] te [plaats] een ander ongeval veroorzaakt door met onverminderde snelheid tegen een auto te botsen, die voor het rode verkeerslicht stilstond. De verdachte is vervolgens achteruitgereden, is langs de desbetreffende auto over het fietspad / trottoir gereden en met hoge snelheid op de [a-straat] te [plaats] doorgereden, waar het in de bewezenverklaring bedoelde ongeval plaatsvond. Daarmee heeft het hof zijn oordeel dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans dat de aangeefster zou overlijden heeft aanvaard, doen steunen op uit de bewijsmiddelen volgende vaststellingen ten aanzien van de wijze waarop de verdachte ten tijde van en kort voorafgaand aan het ongeval heeft gereden. Daarin onderscheidt de zaak zich van die uit 2019.

13. Ook ten aanzien van de omstandigheden ter plaatse biedt het arrest van het hof meer aanknopingspunten. Het hof heeft vastgesteld dat het ongeval kort na middernacht (omstreeks 00.30 uur) tijdens de jaarwisseling plaatsvond, in een vrij smalle straat in [plaats] waar zich woningen, winkels en horecagelegenheden bevonden en waar zich aan weerszijden van de straat fietsstroken en parkeerplaatsen bevonden. Het behoeft geen betoog dat kort na de jaarwisseling in een drukke, vrij smalle straat mensen op de rijweg aanwezig plegen te zijn om vuurwerk af te steken en/of op te ruimen. Ter plaatse werd daadwerkelijk vuurwerk afgestoken, terwijl zich daartoe mensen op de rijweg bevonden. De verdachte was zich bewust van de jaarwisseling, de aanwezigheid van mensen op de straat en op de stoep en van het feit dat vuurwerk werd afgestoken. Hij heeft daarop zijn rijgedrag niet aangepast.

14. In de zaak uit 2019 was de verdachte tegen een motor gereden. In de onderhavige zaak ging het om een nog meer kwetsbaar slachtoffer, te weten een voetganger.

15. In beide zaken reed de verdachte zonder geldig rijbewijs en was hij onder invloed van alcohol. Anders dan in de zaak uit 2019, heeft het hof deze omstandigheden niet als dragend in de bewijsvoering gepresenteerd. Het hof heeft deze omstandigheden in samenhang bezien met het concrete rijgedrag van de verdachte, dat duidt op onverschilligheid ten aanzien van de veiligheid van anderen en op de wens “koste wat het kost” te ontkomen aan een aanhouding naar aanleiding van de aanrijding die op de [b-straat] had plaatsgevonden. Ook het gedrag van de verdachte nadat de aangeefster op de motorkap van zijn auto was terechtgekomen, duidt daarop. De verdachte heeft opnieuw gas gegeven, de aangeefster daarmee een aantal meters meegesleurd en over haar be(e)n(en) heengereden nadat zij op het wegdek was gevallen. Ook toen is hij niet gestopt maar heeft hij haar daar in weerloze toestand achtergelaten.

16. In het licht van het voorafgaande, getuigt het oordeel van het hof dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat een fatale aanrijding zou plaatsvinden bewust heeft aanvaard getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel niet onbegrijpelijk. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden.

17. Het middel faalt.

Slotsom

18. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

19. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

20. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718, HR 30 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:117, rov. 3.2, HR 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:973, rov. 3.4, HR 24 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:60, rov. 2.3, HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:862, rov. 3.2.2, HR 30 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5396, NJ 2013/111 m.nt. Keijzer, rov. 2.3, HR 13 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7123, NJ 2012/12, rov. 3.4, HR 18 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4871, rov. 3.5, HR 22 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3888, NJ 2006/123, rov. 3.3, HR 18 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR1860, NJ 2005/154 m.nt. De Jong, rov. 3.3 en HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552 m.nt. Buruma, rov. 3.6.

2 Zie in dit verband ook mijn bijdrage ‘Het gebruik van alcohol en drugs in relatie tot opzet en schuld’, in: Praktisch en Veelzijdig, vriendenboek voor Paul Vegter, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 51-60, m.n. p. 56-59.

3 Vgl. F. de Jong, Daad-schuld, Den Haag: BJU, hoofdstuk VI.

4 Zie voor het vervolg van deze zaak: gerechtshof ’s-Hertogenbosch 22 januari 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:194.

5 Vgl. In dit verband ook HR 17 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9360, NJ 2004,323.