Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:52

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-01-2021
Datum publicatie
26-01-2021
Zaaknummer
21/00117
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:332
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Vordering herziening AG. In deze zaak is volgens de AG sprake van een novum in de zin van art. 457 lid 1 aanhef en onder c Sv. De vader had aangifte gedaan van zaaksvernieling tegen zijn zoon, die een schuifpui van de woning van zijn ouders en een luxaflex had vernield. Mede gezien art. 353 Sr betreft dit een klachtdelict. De vader heeft de klacht tijdig ingetrokken, maar het daarvan opgemaakte proces-verbaal is abusievelijk niet in het strafdossier opgenomen. Zou deze intrekking de politierechter bekend zijn geweest, dan was de officier van justitie ongetwijfeld niet-ontvankelijk in de vervolging verklaard, aldus de AG. De vordering strekt tot vernietiging van de uitspraak van de politierechter en de AG geeft de Hoge Raad in overweging de zaak zelf af te doen door de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/00117 H

Zitting 26 januari 2021

VORDERING TOT HERZIENING

E.J. Hofstee

In de zaak

[veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

hierna: de veroordeelde.

Inleiding

  1. Bij deze wend ik mij tot de Hoge Raad der Nederlanden met een vordering tot herziening van de onherroepelijke uitspraak van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland d.d. 18 mei 2020, parketnummer 16-067048-20, gewezen ten laste van [veroordeelde], geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] (verder: de veroordeelde).

  2. Aanleiding tot het indienen van deze vordering is de brief van 23 november 2020 waarin de hoofdofficier van justitie mr. R.T.C.N. Jeuken zich heeft gewend tot de procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden met het verzoek in de onderliggende zaak een vordering tot herziening in te dienen.

De uitspraak waarvan herziening wordt gevorderd

3. De veroordeelde is door de politierechter bij verstek veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 24 uren subsidiair 12 dagen hechtenis, waarvan 12 uren subsidiair 6 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, wegens het op 14 maart 2020 opzettelijk en wederrechtelijk vernielen van enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort.

Het procesverloop

4. De vader van de veroordeelde deed op 14 maart 2020 aangifte van vernieling tegen zijn zoon, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Volgens de aangifte leed de veroordeelde destijds aan een schizofrene affectieve stoornis type bipolair en bonkte en schopte hij die dag in een boze bui buiten aan de achterzijde van de woning van zijn ouders meermalen tegen de schuifpui ten gevolge waarvan het glas brak en trok hij de luxaflex kapot. Door het ontstane gat kwam de veroordeelde naar binnen, waarna de ouders het huis uit vluchtten.

5. Van de klacht die de vader van de veroordeelde tegen zijn zoon heeft gedaan, is een afzonderlijk proces-verbaal (d.d. 14 maart 2020) opgemaakt.

6. De vader van de veroordeelde heeft de klacht echter op 20 maart 2020 ingetrokken. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal (d.d. 20 maart 2020) wilde de vader geen strafrechtelijke vervolging omdat dit zijns inziens niet de oplossing voor het probleem was; volgens hem had zijn zoon hulp nodig van de gezondheidszorg.

7. Het openbaar ministerie besloot na beoordeling van het strafdossier de veroordeelde (toen nog verdachte) te dagvaarden. Als gezegd is de veroordeelde ter zake van die vernieling veroordeeld tot de taakstraf als hiervoor vermeld. Deze uitspraak is op 3 juni 2020 onherroepelijk geworden. Door de officier van justitie is daarvan op 8 juni 2020 mededeling gedaan aan de veroordeelde.

8. Na ontvangst van een afschrift van de uitspraak heeft de vader van de veroordeelde op 12 juni 2020 een schrijven gericht aan het openbaar ministerie, waarin de vader erop wijst dat hij de klacht tegen zijn zoon tijdig – binnen acht dagen na de aangifte – had ingetrokken en zich afvraagt waarom het toch tot een rechtszaak tegen zijn zoon was gekomen.

9. In zijn brief aan de procureur-generaal deelt de hoofdofficier van justitie mee dat het proces-verbaal van 20 maart 2020 inzake de intrekking van de klacht wel was nagezonden naar het openbaar ministerie, maar abusievelijk niet in het dossier was terechtgekomen. Als gevolg daarvan is het dossier beoordeeld alsof de klacht niet was ingetrokken. Indien bedoeld proces-verbaal van 20 maart 2020 wel in het dossier was opgenomen, zou het openbaar ministerie niet tot vervolging zijn overgegaan, dan wel zou het openbaar ministerie ter terechtzitting niet-ontvankelijk zijn verklaard, aldus de hoofdofficier van justitie. Daarin is de reden gelegen dat de procureur-generaal wordt verzocht een vordering tot herziening bij de Hoge Raad in te dienen.

10. De veroordeelde is vooraf over – kort gezegd – het volgen van deze procedurele route geïnformeerd door het openbaar ministerie en heeft daarmee ingestemd in zijn aan BJZ adm. (AP Midden-Nederland) verzonden e-mailbericht van 18 november 2020.

Het wettelijk kader met betrekking tot het klachtdelict

11. De voor deze zaak relevante bepalingen luiden:

Art. 350 Sr

“1. Hij die opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielt, beschadigt, onbruikbaar maakt of wegmaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.”

Art. 353 Sr

“De bepaling van artikel 316 is op de in deze titel omschreven misdrijven van toepassing.”

Art. 316 Sr

“2. Indien hij zijn van tafel en bed of van goederen gescheiden echtgenoot is of zijn bloed- of aanverwant, hetzij in de rechte linie, hetzij in de tweede graad van de zijlinie, heeft de vervolging, voor zover hem betreft, alleen plaats op een tegen hem gerichte klacht van degene tegen wie het misdrijf is gepleegd.”

Art 64 Sr

“Inzake een misdrijf dat alleen op klacht wordt vervolgd, is degene tegen wie het feit is begaan, tot de klacht gerechtigd.”

Art. 67 Sr

“Hij die de klacht indient, blijft gedurende acht dagen na de dag der indiening bevoegd deze in te trekken.”

De beoordeling van het verzoek

12. Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot onder meer de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie.

13. Uit de stukken van het geding volgt dat de vader de klacht tegen zijn zoon overeenkomstig het bepaalde in art. 67 Sr tijdig heeft ingetrokken en dat de veroordelende politierechter op het moment van het nemen van zijn beslissing niet bekend was met het proces-verbaal van 20 maart 2020 inhoudende de intrekking van deze klacht.

14. Voorts kan aan de gedingstukken het ernstige vermoeden worden ontleend dat de politierechter, ware hij ten tijde van de uitspraak d.d. 18 mei 2020 met dit proces-verbaal bekend geweest, het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zou hebben verklaard in de vervolging.

Slotsom

15. Daarom vorder ik op de gronden als hiervoor vermeld de herziening van de ten laste van de veroordeelde gewezen uitspraak van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland d.d. 18 mei 2020, parketnummer 16-067048-20.

16. Omdat na verwijzing geen ander oordeel mogelijk zal zijn dan dat de officier van justitie niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn strafvervolging, komt het mij voor dat de Hoge Raad om redenen van doelmatigheid deze verwijzing achterwege kan laten en de zaak zelf ten principale kan afdoen door de uitspraak waarvan herziening wordt gevorderd te vernietigen en de officier van justitie alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van de veroordeelde.1

17. Deze vordering strekt daartoe.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 3 maart 1987, ECLI:NL:HR:1987:AB8325, NJ 1987/865, m.nt. Corstens; HR 24 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0782; HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9215; HR 1 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2432; HR 11 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2296 en HR 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:553.