Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:511

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
21-05-2021
Datum publicatie
11-06-2021
Zaaknummer
20/03134
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Draagkracht man na tweede huwelijk. Klacht dat het hof te hoge eisen stelt aan stelplicht man dat nieuwe echtgenote niet in eigen levensonderhoud kan voorzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/03134

Zitting 21 mei 2021

CONCLUSIE

M.L.C.C. Lückers

In de zaak

[de man],

(hierna: de man),

advocaat: mr. K. Aantjes,

tegen

[de vrouw],

(hierna: de vrouw),

advocaat: mr. R.K. van der Brugge.

1 Inleiding en samenvatting

1.1

De rechtbank heeft in de echtscheidingsbeschikking bepaald dat de man aan de vrouw € 1.149,- bruto per maand dient te betalen als uitkering tot haar levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie). De man heeft in deze procedure verzocht om wijziging dan wel nihilstelling van de vastgestelde partneralimentatie, onder meer omdat hij inmiddels is getrouwd met een nieuwe partner. De klachten van de man betreffen het oordeel van het hof dat het niet aannemelijk is dat de nieuwe partner van de man in het geheel niet in haar levensonderhoud zou kunnen voorzien en in elk geval in staat moet worden geacht een inkomen op bijstandsniveau te verdienen. Geklaagd wordt onder meer dat het hof teveel van de stelplicht van de man heeft verlangd en is voorbijgegaan aan door de man verwoorde essentiële stellingen die betrekking hebben op de medische klachten van zijn nieuwe partner.

2 Feiten en procesverloop

2.1

In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:1

2.2

Partijen zijn op 30 januari 1998 met elkaar gehuwd. Hun huwelijk is op 1 november 2017 ontbonden door inschrijving van de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 29 juni 2017 in de registers van de burgerlijke stand. In die beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, bepaald dat de man aan de vrouw € 1.149,- bruto per maand dient te betalen als uitkering tot haar levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie).

2.3

De man heeft verzocht de bij de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 29 juni 2017 bepaalde partneralimentatie met ingang van 1 november 2017 vast te stellen op € 229,- bruto per maand en met ingang van 1 januari 2018 op nihil, dan wel op een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist acht. De rechtbank Gelderland (hierna: de rechtbank) heeft bij beschikking van 1 juli 2019 het verzoek van de man afgewezen en geoordeeld – kort gezegd – dat geen sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden.

2.4

De man is tegen de beschikking van de rechtbank in hoger beroep gekomen en heeft verzocht de partneralimentatie met ingang van 1 november 2017 vast te stellen op € 229,- bruto per maand en vanaf 1 januari 2018 op nihil, dan wel de partneralimentatie te verlagen en op nihil te stellen overeenkomstig de draagkracht van de man, met ingang van data die het hof juist acht.

De vrouw heeft verzocht de man in zijn verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren althans deze af te wijzen en de partneralimentatie vast te stellen op een door het hof te bepalen bedrag met een door het hof te bepalen ingangsdatum.

2.5

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het hof) heeft in verband met het (beleid ten aanzien van) het coronavirus partijen de mogelijkheid geboden om te kiezen voor een schriftelijke afdoening van de zaak. Beide partijen hebben het hof bericht dat zij van deze mogelijkheid gebruik wensen te maken. Het hof heeft vervolgens partijen de gelegenheid gegeven stukken en spreekaantekeningen in het geding te brengen. Beide partijen hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

2.6

Het hof heeft bij beschikking van 18 augustus 2020 de beschikking van de rechtbank vernietigd en, opnieuw beschikkende, de partneralimentatie gewijzigd zodat de man aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud zal betalen:

- met ingang van 1 januari 2019: € 822,- per maand;

- met ingang van 1 januari 2020: € 842,55 per maand,

de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

2.7

Het hof heeft hiertoe - voor zover in cassatie van belang - als volgt overwogen:

“wijziging van omstandigheden: huwelijk

5.14

5.14 Grief 2 betreft het nieuwe huwelijk van de man en de gevolgen die dit volgens de man moet hebben voor de berekening van de partneralimentatie. De man is op 16 juli 2018 getrouwd met [betrokkene 1]. Zij is 60 jaar. Zij is Amerikaanse en heeft gewerkt in de VS, verblijft op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning in Nederland en mag hier werken. Zij spreekt volgens de man echter onvoldoende Nederlands om hier te kunnen werken. Haar professionele licenties zijn niet geldig in Nederland en zij heeft gezondheidsproblemen: zij had een goedaardige tumor in haar rechterbeen. Deze is in februari 2019 verwijderd. [betrokkene 1] heeft haar onderneming [A] (gevestigd 17 juli 2018) per 7 januari 2019 opgeheven. Zij heeft nog steeds pijnklachten in haar been, is gebonden aan bed en krijgt een medische keuring. Volgens de man rechtvaardigt dit [dat] bij de berekening van zijn draagkracht wordt gerekend met de bijstandsnorm van een gezin en de volledige woonlast, die thans € 955,- per maand bedraagt.

5.15

5.15 De vrouw voert hiertegen verweer. Zij voert aan dat [betrokkene 1] in haar eigen levensonderhoud kan voorzien, zoals de rechtbank ook heeft geoordeeld.

5.16

5.16 Het hof is het met de vrouw (en de rechtbank) eens dat gelet op de opleiding en werkervaring van [betrokkene 1] niet aannemelijk is dat zij in het geheel niet in haar levensonderhoud zou kunnen voorzien. De man heeft op dat punt te weinig aangevoerd om zijn stelling te onderbouwen. Uit de overgelegde informatie blijkt ook niet, althans onvoldoende dat [betrokkene 1] nog te veel hinder ondervindt van de operatie aan haar been en daarom niet in staat kan worden geacht in ieder geval enig inkomen te genereren. Het hof gaat ervan uit dat [betrokkene 1] in staat moet worden geacht in elk geval een inkomen op bijstandsniveau te verdienen. Met dat inkomen kan zij echter niet de helft van de huurlasten van de man dragen, maar slechts € 226,- per maand, het bedrag van de gemiddelde basishuur die een bijstandsgerechtigde geacht wordt uit het bedrag van de bijstandsnorm te kunnen voldoen. Gelet hierop slaagt grief 2 gedeeltelijk.”

2.8

Namens de man is tegen deze beschikking van het hof (tijdig) cassatieberoep ingesteld.

Namens de vrouw is een verweerschrift ingediend.

3 Bespreking van het cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen. Het eerste onderdeel richt zich tegen rov. 5.16 van de bestreden beschikking van het hof en klaagt dat deze overweging rechtens onjuist danwel onbegrijpelijk is. Het klaagt dat het hof teveel van de stelplicht van de man heeft verlangd, is voorbijgegaan aan door de man verwoorde essentiële stellingen, en dat het onbegrijpelijk is dat het hof, ondanks al hetgeen de man heeft aangevoerd, tot het oordeel komt dat niet aannemelijk is dat [betrokkene 1] in het geheel niet in haar levensonderhoud zou kunnen voorzien en in elk geval in staat moet worden geacht een inkomen op bijstandsniveau te verdienen. Het onderdeel wijst hierbij onder meer op de volgende door de man bij het hof aangevoerde stellingen (verkort weergegeven), die met name blijken uit productie 23 (door hem bij het hof overgelegd) en uit zijn beroepschrift onder 41 - 46:

- uit de aangifte IB van [betrokkene 1] blijkt dat zij in 2018 geen inkomen uit arbeid of uitkering uit vermogen heeft gegenereerd;

- de arbeidsmogelijkheden voor [betrokkene 1] zijn ongunstig, omdat zij de Nederlandse taal niet machtig is;

- gelet op de leeftijd van [betrokkene 1], is de kans dat zij weer gedeeltelijk in haar levensonderhoud kan voorzien feitelijk nihil;

- ook na de operatie aan een tumor in haar been (in februari 2019), heeft zij pijnklachten en (andere) medische klachten waardoor zij niet kan werken. Dit blijkt onder meer uit een overgelegd overzicht van gedeclareerde ziektekosten en een afsprakenoverzicht op de afdelingen Heelkunde, Longgeneeskunde, Radiologie, Interne geneeskunde, Revalidatiegeneeskunde en Orthopedie van het Deventer Ziekenhuis;

- uit berichten van haar huisarts en longarts in het Deventer ziekenhuis en het medisch advies inzake ontheffing inburgeringsexamen volgt dat [betrokkene 1] kampt met locomotorische en energetische beperkingen en beperkingen in het concentreren en onthouden van kennis. Zij heeft PTSS klachten, depressies, astma, obesitas en (mogelijk) COPD en slaapapneu. Voorts is een onderzoek naar longkanker gestart;

- [betrokkene 1] kan door de pijnklachten in haar been overdag niet meer functioneren;

- [betrokkene 1] heeft tot 30 april 2018 een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangen van de verzekeringsmaatschappij State Bar of Michigan, zij voldeed niet aan de vereisten om in aanmerking te komen voor een invaliditeitsuitkering en zij ontvangt (dus) geen inkomsten uit de Verenigde Staten.

3.2

Onderdeel II bouwt voort op het eerste onderdeel en klaagt dat gegrondbevinding van onderdeel I ertoe leidt dat rov. 5.17, 5.18, 5.19 en 7 van de bestreden beschikking van het hof dan evenmin in stand kunnen blijven.

3.3

Bij de bespreking van de klachten staat voorop dat de vaststelling en de weging van de factoren die de draagkracht van de onderhoudsplichtige bepalen, voorbehouden zijn aan de rechter die over de feiten oordeelt. Hetzelfde geldt voor de factoren die de behoefte van de onderhoudsgerechtigde bepalen. Deze oordelen kunnen in cassatie niet op juistheid worden onderzocht. Ook kunnen aan deze oordelen geen hoge motiveringseisen worden gesteld. Zij moeten voldoende inzicht geven in de gedachtegang die aan de beslissing ten grondslag ligt, in het bijzonder hoe de rechter, gelet op het partijdebat, tot zijn beslissing is gekomen, zonder dat de rechter op alle stellingen van partijen behoeft in te gaan.2 Wel dient ook een beslissing over alimentatie ten minste zodanig te worden gemotiveerd, dat zij voldoende inzicht geeft in de aan haar ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden — de hogere rechter daaronder begrepen — controleerbaar en aanvaardbaar te maken.3

3.4

Het hof heeft overwogen dat de man te weinig heeft aangevoerd om zijn stelling – dat [betrokkene 1] in het geheel niet in haar levensonderhoud kan voorzien – te onderbouwen. Zoals ik hiervoor onder 2.3 heb weergegeven, hoeft de feitenrechter niet op alle stellingen van partijen in te gaan, maar zijn gedachtegang moet wel duidelijk zijn. Uit voornoemde overweging van het hof kan worden afgeleid dat het hof uit de door de man ingenomen stellingen en overgelegde producties4 niet heeft kunnen opmaken dat [betrokkene 1] niet in staat zou zijn om enige vorm van arbeid te verrichten (waarmee zij in haar levensonderhoud zou kunnen voorzien). Dit is geen onbegrijpelijk oordeel, nu in de door de man overgelegde producties5 niet is opgenomen dat [betrokkene 1] (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt is of niet in staat is tot het verrichten van (bepaalde vormen van) betaald werk.6 Hierbij merk ik op dat het onafhankelijk medisch onderzoek7 waar de man naar heeft verwezen, (slechts) verricht is om tot een advies over een eventuele ontheffing voor het inburgeringsexamen (dat [betrokkene 1] moet voltooien) te kunnen komen. Met name uit productie 23, door de man overgelegd bij het hof op 20 mei 2020, zou kunnen worden afgeleid dat [betrokkene 1] niet alleen te kampen heeft met klachten aan haar been, maar ook met andere gezondheidsklachten. Het hof heeft hier echter kennelijk niet uit afgeleid dat deze medische klachten dusdanig ernstig zijn dat zij de mogelijkheden van [betrokkene 1] om een inkomen op bijstandsniveau te verdienen, verhinderen. Nu de vaststelling en de weging van de factoren die de draagkracht van de onderhoudsplichtige bepalen, voorbehouden zijn aan de feitenrechter en hieraan geen hoge motiveringseisen mogen worden gesteld (zie 2.3 hierboven), is het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, te meer nu, zoals ik reeds opmerkte, niet is vermeld dat [betrokkene 1] geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt is.

Dit leidt ertoe dat onderdeel I faalt.

3.5

Nu onderdeel II voortbouwt op het eerste onderdeel, kan dit (eveneens) niet slagen.

Dit leidt tot de volgende conclusie.

4 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Ontleend aan de bestreden beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 augustus 2020, rov. 3 – 4.3.

2 HR 4 december 2015, NJ 2016/124, m.nt. S.F.M. Wortmann; vgl. HR 19 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5803, NJ 2007/563.

3 HR 7 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:262, RvdW 2014/292.

4 In het verzoekschrift tot cassatie weergegeven op blz. 2 t/m 5 en hierboven samengevat onder 2.1.

5 Idem.

6 Overigens heeft de toenmalige huisarts van [betrokkene 1] in een ‘Attending physician’s statement – progress report’, ondertekend op 22 juni 2018 en kennelijk opgesteld t.b.v. AIG Benefit Solutions (de verzekeringsmaatschappij gevestigd in de VS die (in september 2018) een invaliditeitsuitkering aan [betrokkene 1] geweigerd heeft, productie 22) het volgende opgenomen: “Based on my examination of the medical history and interview, patient is currently unable to work.” (productie 23). De man heeft echter niet expliciet hierop gewezen in de procedure bij het hof. Daarbij merk ik (ten overvloede) nog op dat een huisarts in het algemeen niet de mate van arbeidsgeschiktheid van een patiënt beoordeelt.

7 Medisch advies inzake ontheffing inburgeringsexamen van 4 november 2019, overgelegd door de man als productie 23 bij het gerechtshof.