Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:502

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-03-2021
Datum publicatie
25-05-2021
Zaaknummer
19/04378
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:757
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplegen mensenhandel door gedurende zes weken een kwetsbare, verstandelijk beperkte vrouw in de prostitutie te laten werken en financieel uit te buiten (art. 273f.1.1, 273f.1.4 en 273f.1.6 Sr) en poging tot oplichting (art. 326 Sr). Klachten t.a.v. 1. vordering b.p. en 2. omzetting vervangende hechtenis in gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr. Ad 1: HR: art. 81.1 RO. Ad 2: HR bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast. Samenhang met 19/04336, 19/04337 en 19/04507.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/04378

Zitting 2 maart 2021 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

B.F. Keulen

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 20 september 2019 door het Gerechtshof Amsterdam wegens 1. ‘mensenhandel, terwijl het in artikel 273f, eerste lid onder 1o van het Wetboek van Strafrecht omschreven feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en mensenhandel, terwijl het in artikel 273f, eerste lid onder 4° van het Wetboek van Strafrecht omschreven feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en mensenhandel, terwijl het in artikel 273f, eerste lid onder 6° van het Wetboek van Strafrecht omschreven feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen’ en 2. ‘poging tot oplichting’ veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27(a) Sr. Het hof heeft voorts de teruggave aan de verdachte van een in beslag genomen voorwerp gelast, de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

  2. Er bestaat samenhang met de zaken 19/04336, 19/04337 en 19/04507. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Namens de benadeelde partij heeft mr. A. Koopsen, advocaat te Alkmaar, een verweerschrift ingediend.

  4. Het eerste middel klaagt dat het gerechtshof de vordering van de benadeelde partij tot een hoger bedrag heeft toegewezen dan de schade die aan de verdachte op grond van de bewezenverklaarde onrechtmatige gedragingen daadwerkelijk kan worden toegerekend en/of dat het gerechtshof zijn oordeel ten aanzien van de materiële en immateriële schade in het licht van hetgeen daaromtrent door de raadsman is aangevoerd onvoldoende met redenen heeft omkleed. Het middel ziet zowel op de beslissing op de vordering van de benadeelde partij als op de opgelegde schadevergoedingsmaatregel.

  5. In het op 24 november 2016 gedateerde voegingsformulier dat door de benadeelde partij is ingediend wordt immateriële schade gevorderd tot een bedrag van € 6818,18 en materiële schade tot een bedrag van € 2710,60.

  6. Bij deze vordering is een op 25 november 2016 gedateerde schriftelijke toelichting gevoegd. Daarin is onder meer het volgende vermeld:


TOELICHTING IMMATERIËLE SCHADE VAN [slachtoffer]

is een kwetsbare vrouw die heel gemakkelijk is te beïnvloeden. Zij was net ontsnapt aan een gewelddadige echtgenoot en verbleef in een "Blijf van m'n Lijf Huis". Bij haar is bovendien sprake van een verstandelijke beperking en zij had schulden. Onder deze omstandigheden kwam zij verdachten [medeverdachte 4] en [verdachte] tegen. Ze was op zoek naar warmte en veiligheid en deze verdachten leken haar dit te kunnen bieden. Zij was verliefd op verdachte [medeverdachte 4] en hij wist haar met mooie praatjes aan zich te binden. (…) Toch heeft ze in die periode ook een suïcidepoging gedaan, ergens voelde ze wel aan dat het niet goed zat, maar ze kon dit niet benoemen en ze voelde zich hierdoor heel machteloos en moedeloos.

Verdachten hebben doelbewust misbruik gemaakt van haar kwetsbare positie en zij hebben het vertrouwen dat zij in hen had enorm geschaad. Dit heeft haar zelfvertrouwen en haar vertrouwen in anderen zeer ernstig beschadigd.

Cliënte voelt zich hierdoor zeer ernstig aangetast in haar lichamelijke en geestelijke integriteit. Ze geeft aan dat ze alle vertrouwen in mensen is verloren; was ze eerst te goed van vertrouwen, nu durft ze niemand meer te vertrouwen. Ze heeft erg veel moeite om haar leven weer op de rails te krijgen en ze heeft dagelijks begeleiding nodig, ik wil hierbij verwijzen naar het evaluatieverslag van maatschappelijk werkster [betrokkene 1] , d.d. 24-11-2016.

Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijk ingrijpende gebeurtenissen ernstige psychische schade veroorzaken. Ik wil hierbij ook uitdrukkelijk verwijzen naar de schriftelijke slachtofferverklaring.

Cliënte woont tot op heden in een beschermde opvang voor slachtoffers van mensenhandel waar ze begeleiding krijgt, maar helaas ontvangt zij tot op heden geen therapie terwijl ze aangeeft dit heel hard nodig te hebben. Volgens haar begeleiders is haar problematiek te groot waardoor het tot nog toe niet is gelukt om passende hulpverlening voor haar in te schakelen. Onlangs is zij doorverwezen naar Mediant, zie bijgevoegde oproepen en zal behandeling eindelijk worden gestart. Cliënte is hier heel boos en verdrietig over, hetgeen bleek tijdens het laatste getuigenverhoor bij de rechter commissaris. Zij heeft het gevoel dat haar leven niets meer waard is en zij heeft aangegeven dit jaar verscheidene suïcidepogingen te hebben ondernomen.

Gezien bovenstaande en verwijzend naar de hierboven genoemde jurisprudentie lijkt een bedrag van € 15000,- als voor immateriële schade ten minste redelijk. Hierbij is rekening gehouden met de zeer kwetsbare positie van cliënte en de gevolgen die het gebeurde tot op de dag van vandaag hebben. Het bedrag is hierdoor bepaalbaar en vormt geen onevenredige belasting voor de strafzaak.

Ik wil hierbij verwijzen naar een uitspraak de Rechtbank Amsterdam d.d. 22 april 2016, met parketnummer: 13/728131-15 (bijgevoegd) waarbij aan een jong meisje dat gedurende zes maanden was uitgebuit in de prostitutie een bedrag van €15.000,- is toegekend voor immateriële schade.

Nu kan er discussie ontstaan of alle psychische schade kan worden toegeschreven aan de ten laste gelegde feiten. In dit verband wil ik u wijzen op een uitspraak van de rechtbank Almelo van 16 december 2009 met rolnummer: 09-301, opgenomen in de Smartengeldgids 2015 onder nummer: 756 (bijgevoegd) waarbij ten aanzien van de immateriële schade ten gevolge van bedreiging het volgende wordt overwogen: “Deze bedreiging heeft haar psychische situatie niet veroorzaakt, maar wel verslechterd. Om die reden is er meer immateriële schade ontstaan van een bedreiging dan ‘normaal’ het geval is."

Cliënte acht alle verdachten hoofdelijk aansprakelijk voor haar immateriële schade, waarbij [medeverdachte 4] voor de hele periode (11 weken), € 15000,- en de overige verdachten voor de periode waarin zij door hen is uitgebuit; Verdachte [verdachte] (5 weken), hoofdelijk voor € 6818,18) [betrokkene 2] en [medeverdachte 2] (2 weken), hoofdelijk voor € 2727,27 en [medeverdachte 3] (6 weken), hoofdelijk voor € 8181,18

TOELICHTING MATERIELE SCHADE VAN [slachtoffer]

Cliënte heeft haar inkomsten uit prostitutiewerkzaamheden afgestaan. Zij heeft prostitutiewerk gedaan in de periode vanaf eind augustus 2015 tot 18 december 2016 (BFK: 2015).

Uit de jurisprudentie blijkt dat afgedragen inkomsten uit prostitutiewerkzaamheden vaak lastig zijn te berekenen, daarom moet zoveel mogelijk worden uitgegaan van objectieve gegevens die zich in het dossier bevinden. Ik wil hierbij verwijzen naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 juli 2014 (ECLI:NL:RBAMS:2014:4783). In deze uitspraak overweegt de rechtbank als volgt:

Noodzakelijkerwijs is het toe te kennen bedrag een inschatting van de geleden schade. Harde gegevens met betrekking tot het aantal uren dat gewerkt is, het aantal klanten dat per dag werd ontvangen en de inkomsten die daarmee werden verdiend, zijn immers niet voorhanden.

De rechtbank gaat er van uit dat het aantal klanten per dag wisselend is geweest, er zullen ‘goede’ en ‘slechte’ dagen tussen hebben gezeten. Het vaststellen van een forfaitair bedrag kan daarom slechts met een ruime marge en moet met de nodige voorzichtigheid geschieden.”

Ook in dit geval ontbreken harde gegevens. Uit de stukken komt het volgende naar voren;

Cliënte geeft aan dat zij in de ten laste gelegde periode dagelijks lange dagen werkte en gemiddeld drie klanten per dag had, maar dat er ook dagen waren dat ze geen klanten had. Een klant betaalde € 60,- voor een half uur, € 100,- per uur en € 20,- extra voor pijpen zonder condoom. Soms bleef een klant enkele uren. In Rotterdam werden weer andere bedragen genoemd.

Uitgaande van een minimumbedrag van € 100,-- per dag komt dit over de gehele periode neer op € 5500,-. (uitgaande van 5 dagen per week, vier weken per maand, gedurende tenminste 11 weken). Dit is een inschatting op het minimum waarbij zowel voor wat betreft het aantal gewerkte dagen als het afgedragen bedrag een conservatieve inschatting is gemaakt en er derhalve geen ingewikkelde berekening hoeft te worden gemaakt met betrekking tot kosten voor levensonderhoud.

(…)

Afgaande op bovenstaande berekening lijkt een bedrag van € 5500,- tenminste redelijk.

Ik wil hierbij verwijzen een uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 10 december 2010 LJN: BO7662 waarin een bedrag van € 100.000,- is toegekend voor afgedragen inkomsten uit prostitutiewerkzaamheden. In deze uitspraak wordt verwezen naar beide hieronder genoemde uitspraken waarbij het Hof heeft bepaald dat de berekening van € 100,- per dag voor afgestane inkomsten uit prostitutiewerkzaamheden een schatting op het minimum betreft. Deze uitspraak is bij arrest van 3 januari 2013 van het Gerechtshof Arnhem, zittinghoudende te Leeuwarden bevestigd (LJN;BV0005) voor wat betreft de vordering benadeelde partij en vervolgens ook door de Hoge Raad (Verwezen wordt naar (…) het arrest van het Gerechtshof Arnhem van 15 juli 2009 waarbij aan de benadeelde partij een bedrag van € 45.000,- voor afgestane inkomsten uit prostitutiewerkzaamheden is toegekend, waarbij is uitgegaan van € 100,- per dag. Het Hof acht het aannemelijk dat het gevorderde bedrag van materiële schade een schatting op het minimum betreft. Voorts wordt verwezen naar een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 18 februari 2010 waarbij een bedrag van € 45000,- is toegekend voor zowel immateriële als materiële schade, € 40.000,- voor afgedragen inkomsten en € 5000,- voor immateriële schade. Ook hier is het Hof uitgegaan van € 100,- per dag.)

In een recent arrest van het Gerechtshof Den Haag van 15 september 2016 (ECLI:NL:GHDHA:2016:2681) wordt dit nogmaals bevestigd waarbij het Hof aangeeft;

"Het hof is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep genoegzaam is gebleken dat de benadeelde partijen als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade hebben geleden.

De vorderingen van de benadeelde partijen zijn door twee van hen slechts onderbouwd met geschatte inkomsten en geschatte kosten, en in een geval met jaarinkomsten volgens de belastingdienst en voor het overige met geschatte inkomsten en geschatte kosten. De onderbouwing van de vorderingen van de drie benadeelde partijen laat daarmee ernstig te wensen over.

Het hof acht evenwel in de lijn van de staande jurisprudentie in mensenhandelzaken aannemelijk dat de aangeefsters per dag dat zij in de prostitutie werkten ieder €100,- per gewerkte dag hebben afgedragen aan de verdachte en zijn mededader. De bewezen verklaarde periode betreft ten aanzien van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] respectievelijk 38 maanden, 69 maanden en 106 maanden. Het hof gaat er hierbij - in het voordeel van de verdachte - van uit dat de aangeefsters vijf dagen per week werkten, dat een maand vier weken omvat en dat de aangeefsters gemiddeld zes weken per jaar niet hebben gewerkt in de prostitutie."

Cliënte is gedurende de gehele periode door verschillende verdachten op verschillende plaatsen uitgebuit.

Uitgaande van de volgende gegevens, Amsterdam van 31 augustus 2015 tot 7 oktober 2015, Ridderkerk van 25 oktober tot 13 november en Rotterdam van 13 november tot 18 december 2015, komt de berekening van de afgedragen inkomsten neer op het volgende.

Cliënte acht verdachte [medeverdachte 4] aansprakelijk voor dit gehele bedrag van € 5500,- en medeverdachte [verdachte] , hoofdelijk aansprakelijk voor een bedrag van € 2500,- voor de periode van 31 augustus 2015 tot 7 oktober 2015, verdachte [medeverdachte 2] en [betrokkene 2] hoofdelijk aansprakelijk voor een bedrag van € 1000,- voor de periode van 25 oktober 2015 tot en met 13 november 2015 en verdachte [medeverdachte 3] hoofdelijk aansprakelijk voor een bedrag van € 3000,- voor de periode van 25 oktober 2015 tot en met 17 december 2015.

Hier komt voor verdachte [verdachte] nog een bedrag bij van € 210,60 voor de sieraden van [slachtoffer] die zij heeft verkocht. (…)’

7. Bij het voegingsformulier is een ‘Evaluatieverslag [slachtoffer] ’ gevoegd, opgemaakt door genoemde maatschappelijk werkster [betrokkene 1] , en gedateerd 24 november 2016. Daarin is onder meer het volgende vermeld:


‘Voortgang gedrag

(…) Client heeft erg veel last van aanvallen. Tijdens deze aanvallen is cliënt niet aanspreekbaar. Dit zijn psychotische verschijnselen. Client heeft hier vooral last van als er te veel in haar hoofd omgaat. (…) Client vertrouwde mensen altijd erg snel en zag alleen het goede in iedereen. Er zijn veel mensen die hier misbruik van hebben gemaakt hierdoor is de cliënte nu erg wantrouwend naar mensen. (…) Ze is erg bang dat ze dingen fout doet en andere mensen daarom niet meer met haar om willen gaan. Al deze verschijnselen belemmeren de cliënte in haar dagelijkse leven. Cliënte heeft erg last van angsten. Angst om alleen naar buiten te gaan. (…) Cliënte is niet in staat om alleen naar afspraken te gaan. Ze heeft angst om met mannen te communiceren vanwege haar verleden. De traumas van de cliënt die er zitten zijn nog niet verwerkt. Hierdoor heeft cliënte erg vaak last van flashbacks. Cliënte staat op dit moment ingeschreven bij Mediant en gaat hier binnenkort therapie volgen. (…)

Sociale vaardigheden

(…)

Seksualiteit en intimiteit

Cliënte heeft in het verleden een seksueel trauma's meegemaakt. Dit maakt dat cliënte alles omtrent seksualiteit vermijdt. Wanneer cliënte in aanraking komt met iets dat met seksualiteit in verband staat wordt ze getriggerd. Herbelevingen aan haar trauma's treden dan op waardoor allerlei stress en psychotische klachten ontstaan. (…)

Informatie vrijetijdsbesteding/deelname activiteiten

Vrijetijdsbesteding

(…) De angst om naar buiten te gaan wordt steeds groter waardoor cliënte steeds minder naar buiten gaat en activiteiten onderneemt. De mentale toestand van cliënte gaat hierdoor steeds verder achteruit. (…)

Medisch/gezondheid

Voor de aanwezige posttraumatische stressstoornis met bijkomende psychotische symptomen en de depressieve stoornis is psychologische begeleiding noodzakelijk. Anders blijven klachten verergeren. Traumaverwerking gericht op verwerking is van belang om slaapklachten, nachtmerries, herbelevingen af te laten nemen. Daarnaast is het van groot belang dat cliënte gezien blijft worden door een psychiater die haar antipsychotica voorschrijft, cliënte is aangemeld bij Mediant GGZ (…). Hier wordt voorlichting en consultatie gegeven en wordt behandeling gericht op het verminderen van risico. Ook wordt cliënte hier gezien door een psychiater die haar medicatie voorschrijft. Cliënte heeft de volgende medicatie: 1x per dag Quetiapine ACC 50 MG TAB MVA, 1x per dag Quetiapine ACC 25 MG TABL FO, 1x per dag Pantoprazol, PEN 40 MG TB MSR, 1x per dag Sertraline RANB 50 MG TAB FO, 1x per dag Haloperidol SDZ1 MG Tablet

(…)

Thuissituatie

(…)

Werken naar zelfstandig wonen

Cliënte wil graag zelfstandig wonen. (…) Echter is het op dit moment onmogelijk voor cliënte om zelfstandig te wonen gezien haar huidige toestand. Haar zelfstandigheid en zelfverzorging gaan achteruit en maken dat het nog niet mogelijk is voor cliënte om zelfstandig te wonen. Wanneer cliënte zonder begeleiding komt te wonen is het risico op gevaar voor cliënte te groot. Wanneer ze in een psychose beland en zelfstandig woont, kan ze zich helemaal isoleren waardoor de klachten steeds meer zullen verergeren waardoor ze op ten duur een gevaar voor de omgeving en zichzelf kan worden.

Incidenten/drugs en alcohol:

Incidenten

Cliënte maakt vaak gebruik van het noodnummer. Client voelt aan als ze zich niet goed voelt en het leven niet meer ziet zitten. Client heeft de afgelopen maanden veel suïcide pogingen gedaan.

(…)

Doelen

(…)

Doel 3: Cliënte bouwt een sociaal netwerk op.

Doordat de psychotische klachten verergeren is cliënte niet in staat gebleken sociale contacten te leggen.

Doel 4: De psychische toestand van cliënte is meer stabiel.

De psychische toestand van cliënte is niet verbeterd. Client wacht op dit moment op passende therapie om aan dit doel te werken.’

8. Bij het voegingsformulier bevindt zich voorts een brief van 7 augustus 2015 van psychiater [betrokkene 3] , verbonden aan de GGZ, ten behoeve van de indicatiecommissie. Deze schrijft daarin:


‘ [slachtoffer] is al langdurig bij onze instelling in behandeling. Zij is altijd door de combinatie van een recidiverende depressieve stoornis in combinatie met zwakzinnigheid en een borderline persoonlijkheidsstoornis in een wankel evenwicht. Zij heeft onder stress regelmatig last van suïcidale gedachten en heeft ook regelmatig suïcidepogingen gedaan. De behandeling vond plaats in nauw overleg met [betrokkene 4] . Nu zij uit haar relatie is gestapt en tijdelijk in het blijf van mijn lijf huis verblijft voorzie ik dat zij niet in staat zal zijn om zelfstandig te wonen nadat haar verblijf daar beëindigd is. Ook zal het risico op een suïcide toenemen.

Om die reden wil ik er sterk voor pleiten om haar een indicatie te geven voor 24 uurs zorg en dag besteding zodat zij in de nabije toekomst niet verder zal ontregelen.

Psychiatrische diagnose

DSM IV Classificatie

As 1 296.30 (Hoofddiagn.) Depressieve stoornis: Recidiverend, Niet-gespecificeerd

As 2 319 Zwakzinnigheid, ernst niet gespecificeerd

As 2 301.83 Borderline persoonlijkheidsstoornis

As 3 V71.09 Geen diagnose/aandoening op As III’

9. Tot de bijlagen bij het voegingsformulier behoort ook een brief van Mediant Geestelijke gezondheidszorg van 24 augustus 2016 waaruit blijkt dat de benadeelde partij is aangemeld bij het Centrum voor Ontwikkelingsstoornissen, waar zij op 5 oktober 2016 is uitgenodigd voor een intakegesprek met een GGZ-arts en een psycholoog, en een week later voor een adviesgesprek met dezelfde psycholoog.

10. In de bij het voegingsformulier gevoegde schriftelijke slachtofferverklaring is onder meer het volgende opgenomen:


‘Elke dag zie ik in gedachten voor me wat er gebeurd is. De herinneringen zijn zo sterk dat ik ze niet van me af kan zetten, ik draag ze 24 uur per dag in mijn hoofd. Ze malen continu rond in mijn gedachten waardoor er bijna geen ruimte meer is om aan andere dingen te denken. Of ik nou televisie kijk of met iemand aan het praten ben, het dringt niet tot me door. Het is alsof ik er lichamelijk wel ben, maar geestelijk ben ik steeds ergens anders. Ik doe mijn best om afleiding te zoeken, maar wat ik ook doe, mijn gedachten gaan steeds terug naar wat er gebeurd is.

Door die herinneringen is het ook moeilijk om 's avonds in slaap te vallen. Ook al voel ik me doodmoe, toch zorgt de drukte in mijn hoofd ervoor dat het niet lukt om in slaap te vallen. Als ik uiteindelijk toch in slaap val heb ik vaak nachtmerries. Zelf weet ik daar ‘s ochtends niets van maar mijn huisgenote zegt dat ik regelmatig schreeuw in mijn slaap.

Ik voel me zo gespannen dat er weinig voor nodig is om me totaal in paniek te doen raken. Als ik plotseling een hard geluid hoor of iemand doet een deur dicht, dan schiet ik meteen in de stress.

Soms gaat het zelfs zo ver dat ik helemaal over mijn toeren raak. Dan krijg ik een paniekaanval waardoor ik begin te hyperventileren en niet meer tot rust kan komen. Laatst was het een keer zo erg dat er zelfs een ambulance moest komen om me te doen kalmeren.

Op het moment lijkt niets meer de moeite waard. Het liefst trek ik me terug op mijn kamer, kruip ik in bed en trek ik de dekens over me heen. Ik heb bijna geen eetlust meer en moet mezelf dwingen om toch af en toe wat te eten. Ook heb ik geen zin meer om naar buiten te gaan want ik ben veel te bang dat iemand me iets aandoet. Ik voel me opgejaagd. Vooral 's avonds durf ik niet in mijn eentje over straat. Als ik toch een stukje buiten loop kijk ik steeds om me heen want ik voel me nergens veilig meer. Ik ben mijn vrijheid kwijt om lekker naar buiten te gaan. In plaats daarvan leef ik als een gevangene, opgesloten in mijn kamer.

(…)

Wat mij extra pijn doet is dat ik al in een kwetsbare positie zat toen deze mensen mij benaderden. Al zes jaar gebruikte ik medicijnen vanwege een depressie en zij waren hiervan op de hoogte. Ze hebben misbruik gemaakt van mijn kwetsbaarheid en dat kan ik gewoon niet begrijpen. Ik snap niet dat mensen daartoe in staat zijn. Daar heb ik geen woorden voor. Ik probeer hier niet teveel over te piekeren want ik raak er alleen maar van overstuur en ik zal het toch nooit begrijpen.

Hoe kan ik nou ooit nog iemand vertrouwen? Door wat ik heb meegemaakt is mijn laatste restje vertrouwen in mensen verdwenen. Ik heb nu een muur om me heen gebouwd die zo hoog is dat niemand meer misbruik van mijn vertrouwen kan maken. Ik laat andere mensen niet meer toe, behalve mijn ouders en mijn broer.

Deze mensen hebben mij zo diep gekwetst, mij zoveel pijn gedaan, dat ik daarmee een groot deel van mijn gevoel van zelfwaarde ben kwijtgeraakt. Door hun voel ik mezelf nu niets meer waard, alsof ik geen persoon ben die er mag zijn. Dat is misschien nog wel het ergste; dat ik mijn zelfrespect kwijt ben. Ik voel geen liefde meer voor mezelf.

Soms voel ik me zo somber dat ik me afvraag wat het leven mij nog waard is. Dan voel ik me zo moe dat ik gewoon geen fut meer heb om nog door te gaan. Het enige dat me op die momenten op de been houdt is mijn familie. Ik weet dat ik kan rekenen op de steun van mijn ouders en mijn broer, en voor hun zal ik mijn best doen om door te zetten.’

11. De advocaat van de benadeelde partij heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 9 december 2016 de vordering als volgt toegelicht:


‘Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade merk ik het volgende op. Het ene moment lijkt het goed te gaan met [slachtoffer] en het andere moment totaal niet. Als ik haar dan zag was ze graatmager. Ze heeft een aantal suïcidepogingen gedaan. Ze heeft een gevoel van machteloosheid en boosheid. Haar problematiek is te complex om goede hulpverlening te krijgen. Ze schreeuwt om hulp, maar krijgt die niet. Dat er psychische schade is, daar hoeven we niet over te discussiëren. Deels waren de psychische problemen al aanwezig. Ze verbleef in een ‘Blijf van mijn lijfhuis’ toen ze [medeverdachte 4] en verdachte leerde kennen. Ze kwam uit een gewelddadig huwelijk. Ze was depressief en heel kwetsbaar. In plaats van de ontstane schade als gevolg van het feit te matigen, omdat er al sprake is van psychische problemen, zou de schade juist groter moeten worden geacht, juist vanwege haar kwetsbare positie en de klachten die zij had. Verdachten waren op de hoogte van haar situatie. Als je ziet hoe groot de problematiek is, dan is het gevorderde bedrag een inschatting op het minimum.

Ten aanzien van de gevorderde materiële schade merk ik het volgende op. Deze schade is lastig te bepalen, omdat er niet veel informatie in het dossier beschikbaar is. [slachtoffer] heeft overzichten gemaakt van de bedragen die zij vroeg voor bepaalde handelingen. Als ik daar een berekening op los laat kom ik in totaal uit op € 5.500,-. Ook dit bedrag is echt een inschatting op het minimum. Het werkelijk verdiende geld moet daar een veelvoud van zijn geweest, maar daar zijn geen harde bewijzen voor in het dossier. Het betreft een conservatieve inschatting, conform de benadering van het Hof ’s Hertogenbosch, van een minimum van € 100,- per dag.

Verdachte wordt aansprakelijk geacht voor de periode in Amsterdam. Ik verzoek u dit bedrag hoofdelijk op te leggen, wettelijke rente toe te wijzen en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.’

12. Daaraan voegde de advocaat van de benadeelde partij ter terechtzitting in eerste aanleg van 12 december 2016 onder meer het volgende toe:


‘We weten niets van de klachten van cliënte van voor het ten laste gelegde. Uit het rapport van de psychiater van 7 augustus 2015 blijkt dat cliënte al langdurig in behandeling is. Cliënte is zwakbegaafd en heeft een borderline persoonlijkheidsstoornis in een wankel evenwicht. Dit betreft een kwetsbaar uitgangspunt. Als mensenhandel wordt bewezen verklaard dan is evident sprake van een causaal verband, tussen de schade en het bewezen verklaarde. Er is zeker ernstige psychische schade ontstaan na en door het ten laste gelegde.

De verdediging heeft aangevoerd dat de materiële schade te ingewikkeld is om in deze procedure te behandelen. Ik wil nogmaals benadrukken dat de gevorderde schade beperkt is en een inschatting op het minimum, € 100,- per dag.’

13. Ter terechtzitting in hoger beroep van 4 september 2019 heeft de advocaat van de benadeelde partij een schriftelijke slachtofferverklaring van de benadeelde partij aan het hof overgelegd. Deze verklaring houdt onder meer in:

‘In 2015 is alles begonnen en tot op heden ondervind ik nog steeds heel veel problemen met het normaal functioneren in mijn dagelijkse leven.

(…)

Voordat ik in deze situatie was gekomen, was ik erg vrolijk en had ik plezier in het leven, mijn leven is door dit trauma erg veranderd.

Tot op heden ben ik nog steeds onder behandeling van een psycholoog en psychiater, en via mijn mentor proberen we de dagelijks dingen weer op te pakken. Wat met vallen en opstaan gaat.

Zoals het er nu voorstaat sta ik erg somber in het leven omdat de vooruitzichten om zelfstandig te gaan wonen door deze situatie waar ik ben terecht gekomen erg klein zijn.

Pas heb ik nieuwe testen ondergaan bij de GGZ en daaruit is gebleken dat ik nog steeds in het proces zit van traumaverwerking en daaruit is gebleken dat ik te maken heb met het posttraumatische stressstoornis (PTSS), daaraan zal ik gaan werken samen met mijn psychiater en psycholoog.’

14. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 5 september 2019 heeft de raadsman van de verdachte het woord gevoerd overeenkomstig zijn overgelegde pleitnotities. Deze houden inzake de vordering van de benadeelde partij onder meer in:


‘De vordering benadeelde partij van [slachtoffer] is evident niet van eenvoudige aard en de schade is niet voldoende onderbouwd. Het gaat hier om een civiele vordering van de benadeelde partij binnen deze strafzaak.

Materiële schade

Uit de jurisprudentie blijkt dat afgedragen inkomsten uit prostitutiewerkzaamheden vaak lastig te zijn berekenen. Daarom moet er zoveel mogelijk worden uitgegaan van objectieve gegevens die zich in het dossier bevinden.

In het onderhavige dossier zijn er objectieve gegevens beschikbaar. In de periode dat [slachtoffer] in Amsterdam werkzaam was, gaf [slachtoffer] en [verdachte] allebei door aan [medeverdachte 4] via de App wanneer een klant was geweest, hoe lang de klant was geweest en nagenoeg altijd welk bedrag daarmee werd verdiend. (…)

Volgens de berichten heeft [slachtoffer] haar eerste klant gehad op 3 september 2015 en de laatste op 29 september 2015 in Amsterdam. In deze periode waren in totaal 15 klanten, waarvan 2 klanten voor een heel uur (100 euro), 6 klanten voor een half uur (60 euro), 1 klant voor een vluggertje (50 euro) en 1 klant voor anderhalf uur (150 euro).

Het lijkt erop dat klanten voornamelijk vragen om een half uurtje. Bij 5 klanten is niet duidelijk hoe lang deze zijn geboekt, maar als we uitgaan van een uur per klant voor deze klanten. Dan komt men in totaal uit op maximaal € 1.260,- aan opbrengsten in Amsterdam op basis van objectief bewijs.

[slachtoffer] heeft verder zelf verklaard dat van haar opbrengsten aankopen werd gedaan, waaronder verzorgingsspullen, kleding, make-up, shampoo etc. Verder heeft [slachtoffer] nog € 100,- besteed aan de verjaardagscadeau aan [medeverdachte 4] en heeft zij reiskosten gehad die werden betaald van haar eigen geld. [verdachte] heeft de OV kosten betaald als zij gestrand dreigde te worden door het feit dat zij nog tijdig geld had gekregen van [medeverdachte 4] om terug te reizen naar Blijf van mijn Lijf huis. Per saldo is er van de opbrengsten van Amsterdamse periode niet veel overgebleven. [slachtoffer] heeft ook bij de politie verklaard over de periode Amsterdam dat er gewoon niet veel geld was. Ze zegt zelf dat het uiteindelijk 1000 euro was wat zij had verdiend. (…)

Dat [slachtoffer] in Amsterdam nog niet zoveel verdiende, is heel begrijpelijk. Zij was immers nog in opbouw c.q. opstart van haar activiteiten en bekendheid. Dat is dus niet te vergelijken met de periodes na Amsterdam. Bovendien was [slachtoffer] in Amsterdam zeer beperkt in haar uren om te kunnen werken, nu bij [verdachte] moeilijk doordeweeks kon worden gewerkt wegens het feit dat zij in een HVO Querido begeleid-wonen-traject zat en daarmee regelmatig hulpverleners over de vloer kreeg.

Het is dan ook onredelijk om [verdachte] te veroordelen voor een bedrag van € 2.500,-, nu [slachtoffer] aantoonbaar niet 5 dagen in de week werkte en dat bedrag ook niet is verdiend in Amsterdam. Uiteindelijk heeft zij het verdiende geld in Amsterdam ook naar eigen zeggen teruggekregen van [medeverdachte 4] .

(…)

Het moge duidelijk zijn dat het bewijsrisico hieromtrent rust bij de benadeelde partij ex artikel 150 Rv.

Immateriële schade

De verdediging acht de vordering van € 15.000,- niet redelijk en onvoldoende onderbouwd. Het moge duidelijk zijn dat [slachtoffer] al leed aan ernstige psychische problematiek. Zij was al bekend om suïcidepogingen om het minste geringste naar eigen zeggen van [slachtoffer] . Daarnaast had [slachtoffer] al een zeer belaste voorgeschiedenis met gebruik en misbruik van haar persoon door haar ex-man en ex-vriendjes in haar leven. [verdachte] was hiervan overigens van het overgrote deel aan voorgeschiedenis niet op de hoogte.

Er is geen direct causaal verband aangetoond tussen de handelingen van [verdachte] en de immateriële schade die [slachtoffer] heeft opgegeven. Indien u dat wel aanneemt, dan is het ook nog de vraag in welke mate. Dat zal dan door een onafhankelijke deskundige moeten worden vastgesteld, nu [verdachte] uitdrukkelijk ontkend en betwist dat zij de oorzaak is van deze immateriële schade. Om dit concreet en deskundig vast te stellen is geen ruimte in een strafprocedure. Daarmee zal het strafproces onevenredig worden belast.

Het moge duidelijk zijn dat het bewijsrisico hieromtrent rust bij de benadeelde partij ex artikel 150 Rv.

Conclusie

De verdediging verzoekt uw Gerechtshof dan ook om de vordering benadeelde partij af te wijzen, dan wel niet-ontvankelijk te verklaren wegens de complexiteit van de civiele vordering.’

15. De advocaat van de benadeelde partij heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 6 september 2019 in tweede termijn het woord gevoerd overeenkomstig haar overgelegde notities. Deze houden onder meer in:


Immateriële schade


(…)

Zoals ook de AG heeft opgemerkt is het een feit van algemene bekendheid dat dergelijke ernstige feiten psychische schade veroorzaken.

Uit de overgelegde stukken van de psycholoog en de psychiater blijkt dat er bij [slachtoffer] sprake is van ernstige psychische problemen, zó ernstig dat zij vier jaar na dato nog altijd intensieve therapie en begeleiding nodig heeft en zij niet zelfstandig kan wonen.

Dat haar predispositie maakt dat niet al haar psychische problemen zijn veroorzaakt door de ten laste gelegde feiten, maar deze haar situatie wel hebben verslechterd, moge duidelijk zijn. Verwijzend naar de uitspraak van de rechtbank Almelo waarnaar is verwezen in eerste aanleg, kan dan ook worden gesteld dat er meer immateriële schade is ontstaan dan “normaal” het geval is. Vandaar ook dat het gevorderde bedrag van € 15.000,- in dit geval ten minste redelijk is te noemen.

De verdediging is er niet in geslaagd om te bewijzen dat de schade van [slachtoffer] niet mede het gevolg is van een gebeurtenis waarvoor hij of zij zelf aansprakelijk is, zoals uw Hof overweegt in het aangehaalde arrest van 18 mei 2017.

Materiële schade


(…)

De advocaat van verdachte [verdachte] daarentegen geeft aan dat het geschatte bedrag in de Amsterdamse periode te hoog is, dit zou niet boven een bedrag van € 1260,- uitkomen. Hij baseert zich hierbij op de whattsapp-berichten, deze zijn echter onvolledig en er worden niet altijd bedragen in genoemd. Zoals in het aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 21 mei 2019 wordt overwogen, hoeft de materiële schade niet te worden bewezen, de rechter heeft de bevoegdheid om schade aannemelijk te achten.’

16. Het gerechtshof heeft in het bestreden arrest onder meer het volgende overwogen:


Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair bepleit dat de benadeelde partij niet in haar vordering kan worden ontvangen vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de vordering voor wat betreft de materiële schade af te wijzen, dan wel het bedrag te matigen tot € 1.260,00, nu dat bedrag op grond van objectief bewijs kan worden vastgesteld. (…) De immateriële schade is eveneens onvoldoende onderbouwd en bovendien niet redelijk. Er kan geen causaal verband worden aangetoond tussen de handelingen van de verdachte en de gestelde immateriële schade. Een dergelijk verband kan enkel door een deskundige worden vastgesteld, waarvoor in de strafprocedure geen ruimte bestaat, aangezien het strafproces alsdan onevenredig zou worden belast, aldus de verdediging. Dit leidt ertoe dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering verklaard dient te worden.

(…)

Het oordeel van het hof

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde tot een bedrag van € 20.500,00, bestaande uit immateriële schade (€ 15.000,00) en materiële schade (€ 5.500,00). Voorts is een bedrag gevorderd van € 210,60 uit de verkoopopbrengst van haar sieraden, dit alles vermeerderd met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 7.884,23, met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Tevens is opnieuw de wettelijke rente gevorderd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden een bedrag van € 2.500,00 aan materiële schade (gederfde prostitutieinkomsten) en tot een bedrag van € 5.769,23 aan immateriële schade. De vordering is – anders dan gesteld door de verdediging – voldoende onderbouwd en de behandeling van de vordering levert in haar totaliteit geen onevenredige belasting van het strafgeding op. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente, zal worden toegewezen.

De schade wordt op na te melden wijze – overeenkomstig de overwegingen van de rechtbank – gewaardeerd.

Het hof gaat bij het bepalen van de door de benadeelde partij geleden materiële en immateriële schade uit van de volgende drie periodes. Hoewel er aanwijzingen zijn dat op meer dagen is gewerkt gaat het hof schattenderwijs uit van vijf werkdagen per week.

Periodes

- de periode in Amsterdam van 29 augustus 2015 tot en met 7 oktober 2015 (afgerond 5 weken). Het aantal door de benadeelde partij gewerkte dagen wordt door het hof, uitgaande van 5 werkdagen per week, geschat op 25 dagen;

- de periode in Ridderkerk van 24 oktober 2015 tot en met 13 november 2015 (3 weken). Het aantal door de benadeelde partij gewerkte dagen wordt door het hof, uitgaande van 5 werkdagen per week, geschat op 15 dagen en

- de periode in Rotterdam van 14 november 2015 tot en met 18 december 2015 (5 weken). Het aantal door de benadeelde partij gewerkte dagen wordt door het hof, uitgaande van 5 werkdagen per week, geschat op 25 dagen.

Vordering tot materiële schade

Inkomsten uit prostitutiewerkzaamheden

In de vordering tot materiële schadevergoeding wordt ervan uitgegaan dat de benadeelde partij per dag een minimumbedrag van € 100,00 moet hebben verdiend. Het hof sluit zich hierbij aan en benadrukt dat het gevorderde bedrag van € 100,00 per dag een schatting is op het minimum en dat het ervan uitgaat dat de benadeelde partij meer inkomsten uit prostitutie moet hebben gegenereerd. De vordering is voor het maken van deze schatting voldoende onderbouwd.

Voor de periode in Amsterdam betekent dit dat de benadeelde partij 25 (dagen) x € 100,00 = € 2.500,00 heeft verdiend en dat zij deze verdiensten aan de verdachte en haar mededader heeft afgestaan. Dit bedrag ligt naar het oordeel van het hof dan ook voor toewijzing gereed en acht de verdachte hoofdelijk met haar mededader ( [medeverdachte 4] ) aansprakelijk. Het bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade (in elk geval) is geleden, te weten op 7 oktober 2015.

(…)

Vordering tot immateriële schade

De benadeelde partij heeft € 15.000,00 aan immateriële schade gevorderd. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de benadeelde partij in haar vordering ten aanzien van de immateriële schade overweegt het hof dat – wat er ook zij van de door de verdediging gestelde mogelijke predispositie dan wel pre-existentiële klachten van de benadeelde partij – aannemelijk is dat de psychische problematiek van het slachtoffer door de bewezen verklaarde feiten is verergerd. De vordering is naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwd. Rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, acht het hof de vordering ook billijk en derhalve voor toewijzing vatbaar.

Uitgaande van de hiervoor gehanteerde periodes komt het hof tot de volgende verdeling.

Voor de periode in Amsterdam geldt dat 5/13 van € 15.000,00, zijnde € 5.769,23 voor toewijzing vatbaar is. Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte zich in deze periode samen met [medeverdachte 4] schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel. Het hof acht derhalve zowel de verdachte als [medeverdachte 4] hoofdelijk aansprakelijk voor dit bedrag van € 5.769,23. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade (in elk geval) is geleden, te weten op 7 oktober 2015.

Conclusie gehele vordering

Het hof stelt het totaal toe te wijzen schadevergoedingsbedrag vast op € 8.269,23 en het bedrag van € 185,60, derhalve op € 8.454,83. De verdachte is voor het bedrag van € 8.269,23 hoofdelijk aansprakelijk met haar mededader, zoals hierboven is weergegeven.

Ten aanzien van de € 25,00 die gevorderd is in verband met de verkoop van sieraden, wordt de vordering afgewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.’

17. De steller van het middel voert in verband met de toewijzing van materiële schade aan dat de ‘op schattingen gebaseerde vaststelling van het gerechtshof contrasteert met de concrete berekening van de raadsman in de pleitnota’, die ‘preciezer’ zou zijn en uitgaat ‘van in totaal 14 klanten waarbij de door hen concreet betaalde bedragen voor de werkzaamheden, berekend naar de tijdsduur van die werkzaamheden, zijn weergegeven’. Nu op basis van de bewijsmiddelen niet ondubbelzinnig zou kunnen worden vastgesteld hoe vaak de benadeelde partij werkte dan wel of zij elke dag klanten ontving toen zij in Amsterdam werkte, zou het gerechtshof met de vaststelling van de materiële schade op basis van een schatting onvoldoende inzicht hebben gegeven in de grondslag van zijn beslissing en/of deze onvoldoende hebben gemotiveerd, meer in het bijzonder in het licht van wat door de raadsman is aangevoerd.

18. In HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. Vellinga, het overzichtsarrest inzake de benadeelde partij, heeft Uw Raad onder meer het volgende overwogen (met weglating van een voetnoot):


‘2.4.2 Vermogensschade kan zowel geleden verlies als gederfde winst omvatten (art. 6:96, eerste lid, BW). Zij bestaat uit de daadwerkelijke verandering die het vermogen van de benadeelde partij door het strafbare feit heeft ondergaan. Uitgangspunt is dus de vergoeding van de concreet geleden schade.

(…)

2.8.7 Met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 2.4 reeds is overwogen, begroot de rechter de schade op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Indien de omvang van de schade zonder nader onderzoek dat een onevenredige vertraging van het strafgeding zou opleveren, niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, kan die omvang in veel gevallen worden geschat (art. 6:97 BW). De rechter dient in zijn motivering van die schatting zoveel mogelijk aan te sluiten bij de vaststaande feiten.’

19. Het hof heeft in de eerste plaats een aantal door aangeefster afgelegde verklaringen tot het bewijs gebezigd. In een informatief gesprek mensenhandel heeft aangeefster verteld dat zij [medeverdachte 4] via Badoo heeft leren kennen, dat hij haar in contact heeft gebracht met de verdachte en dat de verdachte haar heeft verteld dat zij met klanten naar bed moest. Aangeefster moest lang werken, ze begon om 11.00 uur en werkte tot soms 22.00 uur. Soms had zij één klant per dag maar soms ook vier. Het tarief was € 60,- voor een half uur; € 20,- erbij voor pijpen zonder condoom, € 100,- voor een uur en € 20,- erbij voor pijpen zonder condoom. Aangeefster geeft aan dat zij altijd klanten heeft gehad in de woning van de verdachte. Op 7 oktober 2015 is aangeefster door haar vader opgehaald in Amsterdam. In een verhoor door de politie op 18 december 2015 heeft aangeefster verteld dat zij twee à drie dagen nadat de site op 31 augustus 2015 was aangemaakt voor de eerste keer seks had met een klant. Zij had seks met de klanten op de slaapkamer van de verdachte en gaf daarna het geld aan de verdachte of [medeverdachte 4] . Aangeefster kreeg van het geld wat zij ‘nodig had. Verzorgingsspullen, kleding. Zoals make-up, shampoo’. In een verhoor door de politie op 19 december 2015 verklaart aangeefster dat zij soms 3, 4 klanten, ‘soms meer, soms niks’ kreeg. In de ‘laatste dagen’ kreeg aangeefster van [medeverdachte 4] € 600,- als haar ‘deel’, maar daarvan moest ze € 500,- ‘betalen voor de huur’. Aangeefster verklaart dat zij na de 13e (BFK: ik begrijp november 2015) twee klanten heeft gehad en dat zij er in Amsterdam meer had: ‘4 of 6 per dag. Ik had ook een klant van 23.00 tot 06.00 uur. Hij heeft 400 euro betaald’. In een verhoor door de rechter-commissaris van 3 maart 2016 verklaart aangeefster tevens dat de afspraak ‘was dat ik niet op zondag werkte, maar dat werd al snel veranderd’. En zij geeft aan dat ‘het klopt dat ik één of twee klanten per dag had’. De vraag ‘of er ook dagen waren dat er geen klanten waren’ beantwoordt aangeefster ontkennend. Er kwamen volgens haar gemiddeld ‘2 klanten per dag soms meer. Deze betaalden dan ongeveer 50 tot 70 euro’.

20. Het hof heeft voorts informatie tot het bewijs gebezigd die is ontleend aan een onderzoek naar de appberichten in de gsm van [medeverdachte 4] . Daarin appt [medeverdachte 4] op 3 september 2015 dat aangeefster net haar eerste klant heeft gehad. Op 4 september 2015 appt aangeefster naar [medeverdachte 4] over een klant om half vier en een klant om half negen. Op 6 september 2015 appt [medeverdachte 4] aan aangeefster dat zij een klant heeft ‘2 uur, tot 3’. Op 7 september 2015 appt de verdachte aan [medeverdachte 4] over een klant om 15.45 uur en een klant om half vijf. Op 8 september 2015 appt de verdachte aan [medeverdachte 4] over een klant om half vier en een klant ‘7 tot 8’, beiden € 100,-. Op 9 september 2015 appt de verdachte aan [medeverdachte 4] dat er vier mensen hebben gebeld vandaag. Op 11 september 2015 appt de verdachte aan [medeverdachte 4] over een klant van een half uur en een klant van 7 uur tot half negen, € 150,-. Op 16 september 2015 appt de verdachte aan [medeverdachte 4] over een klant die ‘morgen ofzo’ wil, op 18 september 2015 appt [medeverdachte 4] aan aangeefster dat er een klant onderweg is, en op 19 september 2015 appt de verdachte aan [medeverdachte 4] dat er een klant is geweest voor ‘een vluggertje 50 euro’. Tussen 26 en 30 september 2015 appt aangeefster aan [medeverdachte 4] op enig moment over twee klanten.

21. Het hof heeft verder onder meer een verklaring die de verdachte op 22 december 2015 bij de politie heeft afgelegd tot het bewijs gebezigd. Daarin geeft zij aan dat [medeverdachte 4] toen aangeefster naar haar ouders was gegaan tegen haar had gezegd: ‘Je komt me nog wel tegen want je hebt mijn geldbom laten vallen’.

22. Uit deze bewijsmiddelen heeft het hof kunnen afleiden dat aangeefster op een groot aantal dagen in de periode van 3 september 2015 tot 7 oktober 2015 klanten heeft gehad. Tegelijk kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat, zoals ter terechtzitting in hoger beroep ook namens de benadeelde partij is aangevoerd, de appberichten geen volledig overzicht geven van de klanten die aangeefster heeft gehad. Aangeefster spreekt over gemiddeld twee klanten per dag, soms meer, terwijl op een groot aantal dagen geen appberichten zijn verstuurd. Daarvoor is ook een eenvoudige verklaring: niet alle informatie over bezoek van klanten aan aangeefster behoeft via appberichten gedeeld te zijn. Ik wijs er in dat verband op dat aangeefster verklaart dat zij het geld aan de verdachte of [medeverdachte 4] gaf; beiden waren blijkbaar regelmatig in de woning van de verdachte aanwezig.

23. Een en ander brengt mee dat het niet onbegrijpelijk is dat het hof niet, zoals door de raadsman van de verdachte is bepleit, alleen uit is gegaan van contacten met klanten die uit de appberichten blijken. In aanmerking genomen dat aangeefster onder meer heeft verklaard over een gemiddelde van twee klanten per dag, en mede in het licht van de andere gegevens die uit de bewijsmiddelen blijken, in het bijzonder ook de prijzen die daaruit naar voren komen, heeft het hof met de gekozen berekeningsmethode niet in strijd gehandeld met de regel dat de rechter in zijn motivering van de schatting zoveel mogelijk dient aan te sluiten bij de vaststaande feiten.

24. De deelklacht die betrekking heeft op de berekening van de materiële schade faalt. Het hof heeft voldoende inzicht gegeven in de grondslag van zijn beslissing en deze toereikend gemotiveerd.1

25. De steller van het middel voert in verband met de toewijzing van immateriële schade aan dat de overwegingen van het gerechtshof niet de gronden bevatten waarop zijn beslissing rust. De overweging dat ‘aannemelijk is dat de psychische problematiek van het slachtoffer door de bewezen verklaarde feiten is verergerd’ en de overweging dat de vordering ‘naar het oordeel van het hof voldoende (is) onderbouwd’ zouden bezwaarlijk als toereikende gronden kunnen gelden. En dat zou ook gelden voor de overweging met betrekking tot de hoogte van het bedrag, inhoudend dat het gerechtshof dit ‘billijk’ en ‘derhalve voor toewijzing vatbaar’ oordeelt, ‘(r)ekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden opgelegd’. Het hof zou daarmee onvoldoende inzicht hebben gegeven in de grondslag van zijn beslissing. Dat zou te meer gelden nu de raadsman heeft gewezen op de belaste voorgeschiedenis van de benadeelde partij, waarbij de vraag rijst of de gevorderde schade aan de verdachte kan worden toegerekend, en het hof dit gegeven zonder nadere motivering zou hebben gepasseerd. Het hof zou zich bovendien niet hebben uitgelaten over het verzoek van de raadsman tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in haar vordering. In het licht van de betwisting van de (hoogte van de) vordering en de omstandigheid dat in de strafrechtelijke procedure maar in beperkte mate ruimte is voor bewijslevering inzake de civiele vordering en daardoor ook voor de betwisting daarvan zou ’s hofs oordeel nadere motivering behoeven zonder welke dat oordeel onbegrijpelijk is. De steller van het middel wijst daarbij op de overwegingen 2.1, 2.8.1 t/m 2.8.4 en 2.8.6 van het overzichtsarrest van 28 mei 2019 inzake de benadeelde partij. Uit eerstgenoemde overweging zou voortvloeien dat het hof inzichtelijk diende te maken dat en waarom de belaste voorgeschiedenis niet van invloed kon zijn op de hoogte van de gevorderde immateriële schade en deze volledig aan de verdachte kon worden toegerekend.

26. In het overzichtsarrest inzake de benadeelde partij heeft Uw Raad onder meer het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):

Inleiding

2.1 Art. 51f Sv bepaalt dat diegene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, zich als benadeelde partij kan voegen in het strafproces met een vordering tot vergoeding van die schade. (…)

Met de mogelijkheid tot het instellen van een vordering door benadeelde partijen heeft de wetgever beoogd binnen het strafproces te voorzien in – kort gezegd – een eenvoudige en laagdrempelige procedure die ertoe leidt dat personen die schade hebben geleden als gevolg van een strafbaar feit zoveel mogelijk schadeloos worden gesteld. (…)

De aldus voorziene eenvoudige procedure biedt aan de benadeelde partij en de verdachte niet dezelfde processuele waarborgen als een gewone civielrechtelijke procedure, onder meer omdat in de context van de strafrechtelijke procedure ingevolge art. 334 Sv slechts in beperkte mate plaats is voor bewijslevering. Dit bezwaar wordt echter in afdoende mate ondervangen door (…) art. 361, derde lid, Sv, welke bepaling mede in het licht van art. 6, eerste lid, EVRM aldus moet worden uitgelegd dat zij de strafrechter tot niet-ontvankelijkverklaring verplicht indien hij niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen hetgeen zij ter staving van de vordering, onderscheidenlijk tot verweer tegen de vordering kunnen aanvoeren en, voor zover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren.

(…)

Schade

2.4.1 Voor vergoeding aan de benadeelde partij komt overeenkomstig de regels van het materiële burgerlijk recht slechts in aanmerking de schade die de benadeelde partij heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van de verdachte, voor zover deze schade op de voet van art. 6:98 BW aan de verdachte kan worden toegerekend. (…)

b) Ander nadeel dat voor vergoeding in aanmerking komt: immateriële schade
(art. 6:106 BW)

2.4.4 Art. 6:106 BW geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, te weten in geval van:

a. (…);

b. aantasting in de persoon: 1) door het oplopen van lichamelijk letsel, 2) door schade in zijn eer of goede naam of 3) op andere wijze;

c. (…).

2.4.5 Van de onder b.3) bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.

(…)

2.8.7 (…) De begroting van immateriële schade geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt (…). Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.’

27. Het hof heeft geoordeeld dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot een bedrag van € 5769,23. De behandeling van de vordering levert naar het oordeel van het hof in zoverre geen onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof heeft voorts inzake de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de immateriële schade overwogen ‘dat – wat er ook zij van de door de verdediging gestelde mogelijke predispositie dan wel pre-existentiële klachten van de benadeelde partij – aannemelijk is dat de psychische problematiek van het slachtoffer door de bewezen verklaarde feiten is verergerd’. Het hof oordeelt de vordering ‘voldoende onderbouwd’.

28. In deze overwegingen ligt besloten dat het hof van oordeel is dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze in de zin van art. 6:106, onder b, BW doordat de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Het hof heeft in het licht van het voegingsformulier, de bijgevoegde stukken en de toelichting op de vordering die de advocaat van de benadeelde partij ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft gegeven kunnen oordelen dat de benadeelde partij voldoende concrete gegevens heeft aangevoerd ‘waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan’. Ik wijs er in dat verband op dat in de toelichting op de vordering is aangevoerd dat de benadeelde partij ‘in een beschermde opvang voor slachtoffers van mensenhandel (woont) waar ze begeleiding krijgt’ en dat volgen haar begeleiders ‘haar problematiek te groot (is) waardoor het tot nog toe niet is gelukt om passende hulpverlening voor haar in te schakelen’. Ik wijs voorts op het evaluatieverslag opgemaakt door [betrokkene 1] , waarin onder het kopje ‘Medisch/gezondheid’ wordt gesproken over een ‘posttraumatische stressstoornis met bijkomende psychotische symptomen en de depressieve stoornis’ en waaruit blijkt dat de benadeelde partij gezien wordt ‘door een psychiater die haar antipsychotica voorschrijft’. Het hof heeft daarbij ook kunnen oordelen dat ‘de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen’. Ik wijs er in dit verband op dat in de toelichting als ‘feit van algemene bekendheid’ wordt aangemerkt ‘dat dergelijk ingrijpende gebeurtenissen ernstige psychische schade veroorzaken’, waarbij wordt verwezen naar de schriftelijke slachtofferverklaring.2

29. Het hof heeft uit de door de benadeelde partij aangevoerde gegevens ook kunnen afleiden dat de klachten van de benadeelde partij door het onder 1 bewezenverklaarde zijn verergerd. Ik wijs daarbij in het bijzonder op de brief die psychiater [betrokkene 3] op 7 augustus 2015, en daarmee voor de bewezenverklaarde periode, stuurde. Daarin wordt gesproken over het door een ‘recidiverende depressieve stoornis in combinatie met zwakzinnigheid en een borderline persoonlijkheidsstoornis’ verkeren in ‘een wankel evenwicht’. De psychiatrische diagnose is daarmee in lijn. Het hof heeft uit het evaluatieverslag dat is opgemaakt door [betrokkene 1] kunnen afleiden dat de psychische situatie van de benadeelde partij (ernstig) is verslechterd. Gesproken wordt van een posttraumatische stressstoornis en psychotische symptomen, over niet naar buiten durven gaan en een mentale toestand die achteruit gaat. Er is ook therapie nodig; psychiater [betrokkene 3] spreekt daar niet over. Mede in aanmerking genomen de aard en ernst van het bewezenverklaarde (mensenhandel in vereniging, waarbij sprake was van misleiding, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie, gedurende ruim vijf weken) is het oordeel van het hof dat aannemelijk is dat de problematiek van de benadeelde partij door het bewezenverklaarde is verergerd – waarin besloten ligt dat in zoverre sprake is van immateriële schade die is geleden als gevolg van het bewezenverklaarde en die aan de verdachte kan worden toegerekend – niet onbegrijpelijk. Dat oordeel behoefde ook in het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd geen nadere motivering.

30. Wat de hoogte van het toegewezen bedrag betreft, geldt dat de benadeelde partij een bedrag van € 6818,18 aan immateriële schade heeft gevorderd. Die vordering is gebaseerd op een totaalbedrag van € 15.000, voor de gehele periode, waarbij de vordering op de verdachte gebaseerd is op het deel van die periode waarin de benadeelde partij bij de verdachte werkte. De hoogte van het totale bedrag is onderbouwd met een verwijzing naar een vonnis van de Rechtbank Amsterdam. Namens de verdachte is de hoogte van de vordering inzake immateriële schade niet gemotiveerd betwist. Gesteld is alleen dat de vordering ‘niet redelijk en onvoldoende onderbouwd’ is; daarbij is aangevoerd dat de benadeelde partij ‘al leed aan ernstige psychische problematiek’. In dat licht kon het hof het bedrag van € 15.000,- tot uitgangspunt nemen. Door te overwegen dat het hof rekening heeft gehouden ‘met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden opgelegd’, heeft het hof laten blijken te hebben gelet ‘op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend’. Tot nadere motivering was het hof in het licht van het aangevoerde niet gehouden.

31. Het hof heeft, als gezegd, geoordeeld dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij ter zake van immateriële schade tot het bedrag van € 5769,23 niet een onevenredige belasting van het strafgeding opleverde. Kennelijk is het hof van oordeel dat de hoogte van de immateriële schade zonder tussenkomst van een onafhankelijke deskundige kan worden vastgesteld, en dat daaraan niet afdoet dat de verdachte uitdrukkelijk ontkent en betwist dat zij de oorzaak is van deze immateriële schade. Dat is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat de begroting van immateriële schade naar billijkheid volgens het overzichtsarrest (rov. 2.8.7) geschiedt ‘met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt’.3 Ik neem daarbij in aanmerking dat de voorafgaande psychische problematiek van de benadeelde partij enerzijds mogelijk heeft bijgedragen aan het geestelijk letsel na de bewezenverklaarde periode, doch dat anderzijds de ernst van het verwijt dat aan de aansprakelijke persoon kan worden gemaakt toeneemt in het licht van die voorafgaande psychische problematiek. Ik wijs in dit verband op de toelichting op de vordering, waar wordt gesproken over doelbewust misbruik maken van de kwetsbare positie van de benadeelde partij, en op de schriftelijke slachtofferverklaring, waarin de benadeelde partij aangeeft dat en waarom het haar ‘extra pijn’ doet dat misbruik is gemaakt van haar kwetsbaarheid. En ik attendeer erop dat het hof in de strafmotivering heeft overwogen dat de verdachte wist van de ‘problematieken’ van de benadeelde partij.

32. Het hof heeft tegen deze achtergrond kennelijk geoordeeld en kunnen oordelen dat zich niet het geval voordoet waarin door de beperkingen van het strafproces niet verzekerd is ‘dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen hetgeen zij ter staving van de vordering, onderscheidenlijk tot verweer tegen de vordering kunnen aanvoeren en, voor zover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren’ (overzichtsarrest, rov. 2.1). En dat de behandeling van de vordering derhalve niet op die grond een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tot nadere toelichting was het hof niet gehouden. Ik neem daarbij in aanmerking dat uit (onder meer) de strafmotivering volgt dat het hof ervan uitgaat dat de verdachte (voldoende) weet had van de ‘voorgeschiedenis’ van de benadeelde partij. Tegen die vaststelling worden in cassatie geen klachten geformuleerd. Ik wijs er voorts op dat het oordeel of de behandeling van de vordering een onevenredige belasting voor het geding oplevert een feitelijk oordeel is dat in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst.4

33. Het eerste middel faalt.

34. Het tweede middel houdt in dat het sanctierecht sinds 1 januari 2020 ten gunste van de verdachte is veranderd, ‘meer in het bijzonder door opneming van art. 6:4:20 Sv’. De steller van het middel verzoekt Uw Raad de beslissing van het gerechtshof te casseren voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel vervangende hechtenis is toegepast en te bepalen dat met toepassing van voornoemd artikel gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.

35. Het middel slaagt, gelet op HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914, NJ 2020/409 m.nt. Ten Voorde.

36. Het eerste middel faalt en kan worden verworpen met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Het tweede middel slaagt. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

37. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel vervangende hechtenis is toegepast, tot het bepalen dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De steller van het middel wijst in deze context nog op HR 17 november 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1398, NJ 1999/151. Die vergelijking gaat evenwel mank, nu het hof de beslissing op de vordering van de (toen nog) beledigde partij in die zaak ondanks betwisting slechts in zeer algemene bewoordingen had gemotiveerd. Ik wijs er voorts op dat uit de motivering niet kon worden afgeleid welke schadeposten waren toegewezen.

2 Zie in dit verband ook de conclusie van P-G Silvis voor HR 19 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:253 (art. 81 RO), randnummers 17-19.

3 Vgl. reeds HR 17 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8358, NJ 2001/215 m.nt. Bloembergen, rov. 3.2. Uit HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7539, NJ 2009/598, rov. 3.6 kan worden afgeleid dat de omstandigheid dat de vergoeding voor immateriële schade door de rechter naar billijkheid wordt vastgesteld impliceert dat voor de eiser slechts beperkte eisen gelden wat betreft de onderbouwing van de hoogte van deze vordering. Zie ook de conclusie van A-G Langemeijer voor dit arrest, randnummer 2.23.

4 Zie onder meer HR 2 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:933, NJ 2020/284 m.nt. Vellinga, rov. 3.4.1; HR 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:476, NJ 2014/281 m.nt. Schalken, rov. 4.3 (niet opgenomen in publicatie in NJ).