Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:499

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
21-05-2021
Datum publicatie
11-06-2021
Zaaknummer
20/01767
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Procesrecht; beslagvrije voet; woonplaats schuldenaar art. 475e Rv (oud); omvang informatieplicht schuldenaar art. 475g lid 1 Rv (oud); begrip ‘bronnen van inkomsten’; buitenlandse bronnen van inkomsten?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/01767

Zitting 21 mei 2021

CONCLUSIE

E.M. Wesseling-van Gent

In de zaak

[eiser]

tegen

[verweerder]

Eiser tot cassatie wordt hierna aangeduid als: [eiser] en verweerder in cassatie als: [verweerder] .

1 Inleiding

1.1

Het gaat in deze zaak over de beslagvrije voet. Het cassatieberoep stelt allereerst het oordeel van het hof aan de orde dat de woonplaats van de schuldenaar zich in Nederland bevindt met als gevolg dat art. 475e Rv (oud) toepassing mist. Daarnaast worden klachten gericht tegen de oordelen van het hof met betrekking tot de informatieplicht van de schuldenaar van art. 475g lid 1, eerste volzin, Rv (oud). Daarbij gaat het meer in het bijzonder om de vragen of (i) de schuldenaar ook informatie moet verstrekken over zijn vermogenspositie en voor verhaal vatbare goederen en (ii) deze informatieplicht is beperkt tot binnenlandse ‘bronnen van inkomsten’. Rechtspraak en literatuur zijn verdeeld over de beantwoording van de onder (i) en (ii) genoemde vragen.

2 Feiten en procesverloop

De feiten 1

2.1

[verweerder] is bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis van 22 april 2015 van de rechtbank Amsterdam veroordeeld tot betaling aan [eiser] van een geldbedrag van € 50.655,–, te vermeerderen met de wettelijke rente en met beslag- en proceskosten.
[verweerder] heeft niet vrijwillig aan de daarbij uitgesproken veroordeling voldaan.

2.2

Op 3 mei 2017 heeft [eiser] ten laste van [verweerder] executoriaal derdenbeslag gelegd onder de Sociale Verzekeringsbank op de periodieke uitkering die laatstgenoemde toekomt op grond van de Algemene Ouderdomswet (hierna: de AOW-uitkering). Bij deze beslaglegging is de beslagvrije voet als bedoeld in art. 475c en 475d Rv (oud) niet toegepast. De AOW-uitkering is vervolgens zonder vermindering met de beslagvrije voet uitbetaald aan de door [eiser] ingeschakelde deurwaarder, tot verhaal van de vordering van [eiser] op grond van het hierboven genoemde vonnis.

2.3

Volgens de gegevens in de Basisregistratie Personen (hierna: BRP) is [verweerder] in Nederland ingeschreven, op het [adres 1] . Na ontvangst van een melding dat [verweerder] daar niet echt woonachtig zou zijn, heeft de gemeente Amsterdam in het voorjaar van 2018 de juistheid van die inschrijving onderzocht. Bij brief van 3 mei 2018 heeft de gemeente Amsterdam aan [verweerder] geschreven dat het onderzoek naar de inschrijving was afgerond en dat hij terecht bleek te zijn ingeschreven op het in de BRP vermelde adres.

2.4

Op genoemd adres bevindt zich een appartement dat eigendom is van Woningstichting Rochdale te Amsterdam en dat [verweerder] huurt. Voor [verweerder] bestemde berichten van de Sociale Verzekeringsbank, Woningstichting Rochdale en de Belastingdienst uit december 2017 en januari 2018 zijn geadresseerd aan het hierboven genoemde adres. Dit geldt ook voor een brief van 25 maart 2019 van SEZO Maatschappelijke Dienstverlening te Amsterdam aan [verweerder] betreffende een afspraak in verband met schuldhulpverlening.

2.5

Naast zijn inschrijving op het adres dat in de BRP is vermeld, is [verweerder] ingeschreven op een adres in Turkije. Hij is eigenaar van een woning in [plaats 1] in Turkije.

2.6

[verweerder] heeft meermalen verzocht de beslagvrije voet toe te passen bij het innen van de schuld. Dit verzoek is niet ingewilligd, omdat de deurwaarder het standpunt van [eiser] volgt dat – kort gezegd – [verweerder] in Turkije woont en daar over aanvullend vermogen beschikt.

2.7

Naast de AOW-uitkering ontvangt [verweerder] een pensioen van € 55,29 per maand van pensioenfonds Horeca en Catering en krijgt hij de maximale zorgtoeslag.

Procesverloop 2

2.8

[verweerder] heeft bij inleidende dagvaarding van 14 juni 2018 [eiser] in kort geding gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam. Hij heeft daarbij – samengevat en voor zover thans van belang – gevorderd [eiser] te veroordelen:3

 om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis het onder de SVB gelegde derdenbeslag op de AOW-uitkering van [verweerder] op te heffen, althans de beslagvrije voet van art. 475d Rv toe te passen, dan wel een ander in goede justitie te bepalen bedrag vast te stellen, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

 al hetgeen in strijd met de beslagvrije voet is geïncasseerd binnen twee dagen na betekening van dit vonnis aan [verweerder] te restitueren.

2.9

[eiser] heeft ter zitting van 28 juni 2018 verweer gevoerd en in reconventie – samengevat en voor zover thans van belang – gevorderd (i) dat [verweerder] wordt veroordeeld om [eiser] binnen twee weken na betekening van het vonnis een gedetailleerde en met schriftelijke bewijsstukken gestaafde opgave te verstrekken van de omvang, samenstelling en allocatie van zijn volledige binnenlandse en buitenlandse inkomen en vermogen; (ii) primair dat aan [eiser] verlof wordt verleend om [verweerder] in gijzeling te doen stellen voor de duur van vijf dagen voor iedere dag dat hij hieraan geen volledige uitvoering geeft, en subsidiair op straffe van een dwangsom en (iii) dat indien rekening wordt gehouden met de beslagvrije voet, deze op grond van art. 475g lid 2 Rv op 50% wordt vastgesteld.4

2.10

De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 12 juli 2018 in conventie (voor zover thans van belang):

 [eiser] veroordeeld om binnen 24 uur na de betekening van het vonnis de beslagvrije voet te doen toepassen;

 [eiser] veroordeeld om aan [verweerder] een dwangsom te betalen van € 500,– voor iedere keer dat hij niet aan voorgaande veroordeling voldoet, tot een maximum van € 50.000,– is bereikt;

 het vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

 het meer of anders gevorderde afgewezen.

Daarnaast heeft de voorzieningenrechter in reconventie de gevraagde voorzieningen geweigerd.

2.11

[eiser] is, onder aanvoering van vier grieven, van dit kortgedingvonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Amsterdam. Hij heeft daarbij zijn hierboven genoemde eis in reconventie herhaald en daaraan samenlopende nevenvorderingen verbonden strekkend tot het toestaan van lijfsdwang tegen en het verbeuren van een dwangsom door [verweerder] als [verweerder] niet aan de gevorderde veroordeling voldoet5 en geconcludeerd dat het hof het kortgedingvonnis waarvan beroep zal vernietigen en alsnog de vorderingen van [verweerder] zal afwijzen voor zover deze in eerste aanleg zijn toegewezen en alsnog – voor zover thans van belang – de eis van [eiser] in reconventie zal toewijzen.

2.12

[verweerder] heeft, onder aanvoering van twee grieven waarvan één voorwaardelijk, incidenteel beroep ingesteld. Hij heeft daarbij zijn vordering tot terugbetaling van de van hem geïnde bedragen herhaald, met verklaring voor recht dat de beslagvrije voet “met terugwerkende kracht” van toepassing is.6 [verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het principale hoger beroep en in het incidentele beroep tot vernietiging van het vonnis in kort geding voor zover zijn vorderingen daarbij zijn afgewezen en tot het alsnog toewijzen van die in hoger beroep gewijzigde vorderingen, met bekrachtiging van het genoemde vonnis voor het overige.

2.13

Het hof heeft bij rolbeslissing van 22 januari 2019 op verzoek van [eiser] een comparitie van partijen bevolen. Deze heeft op 24 april 2019 plaatsgevonden, in aanwezigheid van partijen en hun advocaten en voorts van een tolk aan de zijde van [verweerder] .

2.14

Het hof heeft bij arrest van 14 april 2020 – voor zover thans van belang – in het principale beroep het beroep verworpen en de eis in reconventie van [eiser] afgewezen.
In het incidentele beroep heeft het hof het bestreden vonnis in conventie vernietigd voor zover het meer of anders door [verweerder] gevorderde is afgewezen en in zoverre opnieuw rechtdoende [eiser] veroordeeld om, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan [verweerder] terug te betalen al hetgeen hij zonder toepassing van de beslagvrije voet van [verweerder] heeft geïnd of heeft doen innen.
Het hof heeft voor het overige het vonnis waarvan beroep in conventie en reconventie bekrachtigd en het door [verweerder] meer of anders gevorderde afgewezen behoudens voor zover dat bij het vonnis is toegewezen.

2.15

[eiser] heeft tegen het arrest tijdig7 cassatieberoep ingesteld.
[verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
Partijen hebben hun standpunt schriftelijk toegelicht.
[eiser] heeft gerepliceerd. [verweerder] heeft afgezien van dupliek.8

3 Bespreking van het cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel bestaat uit drie onderdelen, in de procesinleiding aangeduid als 2.1, 2.2 en 2.3.9

3.2

Onderdeel 2.1 richt zich allereerst in twee subonderdelen tegen rov. 3.6 en 3.10, waarin het hof het volgende heeft overwogen:

“3.6. De vorderingen over en weer zijn ingesteld in een kort geding als bedoeld in artikel 438, tweede lid, Rv. Evenals de voorzieningenrechter moet het hof daarom uitgaan van de feiten en omstandigheden die partijen in het huidige geding naar voren hebben gebracht, zonder dat ruimte aanwezig is voor nader onderzoek met betrekking tot die feiten en omstandigheden. Bij de beoordeling van hetgeen partijen in hoger beroep verdeeld houdt, is het hof bovendien niet gebonden aan de wettelijke regels over de verdeling van bewijslast en de waardering van bewijs. Dit in aanmerking nemend oordeelt het hof als volgt. Op grond van de onder 3.3 genoemde inschrijving in de Basisregistratie Personen, de handhaving van die inschrijving na een door de gemeente Amsterdam ingesteld onderzoek naar de juistheid daarvan, het huren door [verweerder] van een appartement gelegen op het adres waarop hij in de Basisregistratie Personen is ingeschreven en de omstandigheid dat de onder 3.3 genoemde, voor [verweerder] bestemde, correspondentie aan dat adres is geadresseerd, terwijl de afzenders daarvan geen enkel belang hadden om een onjuist adres te gebruiken, moet ervan worden uitgegaan dat [verweerder] woonachtig is op het [adres 1] . Er moet daarom van worden uitgegaan dat de woonplaats van [verweerder] zich in Nederland bevindt. Dit wordt nog onderstreept doordat, naar tussen partijen niet in geschil is, [verweerder] in Nederland een zorgverzekering heeft afgesloten, waarvoor hij premie dient te betalen, en hem in Nederland zorgtoeslag is toegekend.

3.10. (…)

3.10. (…) De bespiegelingen van [eiser] in de memorie van grieven over de verdeling van de bewijslast en de waardering van de door hem aangedragen bewijsmiddelen, stuiten af op hetgeen onder 3.6 tot en met 3.9 is overwogen, nog afgezien van de vrijheid die het hof, evenals eerder de voorzieningenrechter oordelend in kort geding, op deze punten toekomt. (…)”

3.3

De subonderdelen 2.1-Ia en 2.1-IIa klagen – zakelijk en verkort weergegeven – dat het hof heeft miskend dat de kortgedingrechter weliswaar een grotere mate van vrijheid heeft dan de bodemrechter omdat hij niet is gebonden aan het bewijsrecht, maar zich ook heeft te richten naar de waarschijnlijke uitkomst in de bodemzaak, en in die bodemzaak wel is gebonden aan de regels van stelplicht en bewijslast zoals bedoeld in art. 149 en 150 e.v. Rv. Een prognose omtrent de uitkomst in de hoofdzaak kan niet worden gedaan zonder te beoordelen (i) wie van welk rechtsgevolg de stelplicht heeft en (ii) of in dat kader de partij die in de bodemzaak de stelplicht en bewijslast heeft in de onderhavige zaak zijn ingeroepen rechtsgevolg voldoende aannemelijk heeft gemaakt. In het onderhavige geval is het door [verweerder] ingeroepen rechtsgevolg dat de beslaglegging van aanvang onrechtmatig is wegens strijd met de beslagvrije voet van art. 475c in verbinding met 475d Rv10, zodat in de bodemprocedure in beginsel de stelplicht en bewijslast op [verweerder] rusten.

3.4

Bij de beoordeling van deze klachten stel ik het volgende voorop.
Het hof heeft in rov. 3.6 – onbestreden – overwogen dat de vorderingen over en weer zijn ingesteld in een kort geding als bedoeld in art. 438 lid 2 Rv (executiegeschil). Het betreft de tenuitvoerlegging van een tussen partijen gewezen vonnis, dat in kracht van gewijsde is gegaan. Maatstaf is of bij de uitoefening van de bevoegdheid om een dergelijke rechterlijke uitspraak te executeren misbruik wordt gemaakt.11

3.5

Voor de wijze van beoordeling van een executiegeschil gelden in beginsel geen andere maatstaven dan in andere kort gedingen.12 Verder brengt de aard van het kort geding, dat vooral is gericht op een ordenende uitspraak, mee dat de kortgedingrechter niet is gebonden aan de wettelijke bewijsregels van art. 149 e.v. Rv en evenmin aan de regels van stelplicht en bewijslastverdeling. Dat geldt ook in hoger beroep.13
Daarnaast dient de kortgedingrechter zich in het algemeen te richten naar de waarschijnlijke uitkomst van de bodemprocedure.14 Hij is daartoe echter niet in het algemeen verplicht.15

3.6

De klachten van beide subonderdelen zijn gebaseerd op Giesen16, die, uitgaande van de situatie dat het kort geding de voorloper is van een bodemprocedure en de kortgedingrechter zich naar de waarschijnlijke uitkomst van de bodemprocedure richt, van mening is dat de kortgedingrechter bij die prognose ook dient te letten op de bewijslastverdeling, nu die beslissend kan zijn in de bodemprocedure.17
Boonekamp heeft deze opvatting bestreden. Z.i. kan het antwoord op een zo wezenlijke kwestie niet alleen wordengebaseerd op enkel de consequentie die logica aan een regel verbindt en kent Giessen in de tweede plaats met zijn opvatting aan de regel dat de kortgedingrechter zich moet richten naar de waarschijnlijke uitkomst van de bodemprocedure een reikwijdte toe die hij niet heeft. Waar naar vaste en op goede gronden gebaseerde jurisprudentie van de Hoge Raad de rechter in kort geding niet aan de wettelijke bewijsregels is gebonden, kan niet tegelijkertijd worden aangenomen dat hij bij een prognose van de waarschijnlijke uitkomst van een bodemprocedure wel de wettelijke bewijsregels die in de bodemprocedure moeten worden gehanteerd, in acht moet nemen. Dat is tegenstrijdig omdat hij in feite dan toch gebonden is aan de wettelijke bewijsregels als kortgedingrechter, aldus Boonekamp. Volgens Boonekamp drukt de (afstemmings)regel van de Hoge Raad in wezen niets anders uit dan dat de kortgedingrechter zich in de eerste plaats een voorlopig oordeel moet vormen over de rechtsverhouding van de partijen aan de hand van de toepasselijke materiële rechtsregels en aan de hand daarvan over de aannemelijkheid van de vordering. Als hij dat doet, dan doet hij in dit opzicht in wezen niets anders dan de bodemrechter en mag worden verwacht dat de uitkomst daarvan in overeenstemming is met de waarschijnlijke uitkomst van de beoordeling in een eventuele bodemprocedure.18

3.7

Daargelaten dat ik mij aansluit bij het betoog van Boonekamp, meen ik dat de subonderdelen eraan voorbij zien dat het in de onderhavige zaak niet gaat om toepassing van de afstemmingsregel maar om een executiegeschil waarbij de vraag is of bij de tenuitvoerlegging van het op 22 april 2015 tussen partijen gewezen vonnis (a) [eiser] tegenover [verweerder] verplicht is de beslagvrije voet toe te passen en (b) [verweerder] tegenover [eiser] verplicht is opgave te doen van binnen- en buitenlandse inkomsten en vermogen.19 Hoewel de afstemmingsregel en het executiegeschil een zekere overlap vertonen, hebben beide figuren betrekking op verschillende situaties.20

3.8

De subonderdelen 2.1-Ia en 2.1-IIa falen dus.

3.9

Subonderdeel 2.1-Ib neemt tot uitgangspunt dat art. 21 Rv ook in kort geding geldt, en dat ook in kort geding in het kader van de domeinleer van een partij tot wiens domein bij uitstek bewijsmiddelen behoren, van die partij kan en mag worden verwacht dat die aanknopingspunten voor bewijslevering aan zijn wederpartij geeft. Volgens het subonderdeel verschilt een kortgedingprocedure in zoverre dus niet van een bodemprocedure, zodat ook in kort geding een partij die daaraan niet voldoet de (proces- en bewijstechnische) consequenties daarvan moet dragen. Hetgeen het hof dus als ‘bespiegelingen’ aanduidt had het, al dan niet met toepassing van art. 25 Rv, aldus moeten duiden en het gebrek aan concrete informatie omtrent zijn inkomens- en vermogenspositie al dan niet met toepassing van art. 21 Rv ten nadele van [verweerder] moeten laten strekken en niet van [eiser] , die het maximale heeft gedaan om aan zijn stelplicht te voldoen. Het subonderdeel klaagt vervolgens dat het hof het voorgaande in rov. 3.6 en in het bijzonder in rov. 3.10 hetzij heeft miskend, hetzij geen inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang, dan wel een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven.

3.10

Het subonderdeel bouwt grotendeels voort op de hiervoor behandelde subonderdelen 2.1-Ia en 2.1-IIa en deelt in zoverre in het lot daarvan. Daarnaast heeft het hof de stellingen van [eiser] in zijn memorie van grieven onder 31-34 over het verblijf van [verweerder] in Turkije in zijn beoordeling betrokken en deze verworpen in het licht van de in rov. 3.6 genoemde omstandigheden. Het hof heeft dienaangaande in rov. 3.7 het volgende geoordeeld:

“Dat [verweerder] ook op een adres in Turkije is ingeschreven, wat daarvan verder ook zij, en eigenaar is van een woning in [plaats 1] in Turkije, doet niet af aan de hierboven genoemde omstandigheden op grond waarvan moet worden aangenomen dat hij zijn woonplaats in Nederland heeft. Hetzelfde geldt voor de andere banden van [verweerder] met Turkije waarop [eiser] zich beroept, waaronder het aanhouden van een of meer bankrekeningen in Turkije, het hebben afgesloten van een geldlening bij een bank in dat land ten behoeve van de aanschaf van een auto en de gestelde, door [verweerder] betwiste, eigendom van andere onroerende zaken dan de woning in [plaats 1] . Afgezet tegen de onder 3.6 genoemde omstandigheden, tezamen en in onderlinge samenhang bezien, geven de gestelde banden van [verweerder] met Turkije geen blijk van gedragingen als bedoeld in artikel 1:11 BW waaruit volgt dat [verweerder] zijn woonplaats in Nederland heeft prijsgegeven en niet langer in Nederland woont of vast in Nederland verblijft. (…).”

3.11

Subonderdeel 2.1-Ib faalt.

3.12

Subonderdeel 2.1-IIb voert aan dat de omstandigheid dat het hof zich niet (kenbaar) heeft gericht tot de waarschijnlijke uitkomst van de bodemrechter temeer klemt nu de reconventionele vordering ziet op (terug)betaling van een geldsom in kort geding, die het hof zonder meer toewijst, zonder dat het zich kenbaar rekenschap geeft van de voorwaarden die gelden voor toewijzing van een geldvordering in kort geding.21 Het subonderdeel betoogt verder dat bij een geldvordering in kort geding terughoudendheid dient te worden betracht, waarbij het restitutierisico in acht moet worden genomen, zeker nu [verweerder] stelt geen andere inkomsten of vermogensbestanddelen in Nederland te hebben, waarin besloten ligt dat verder verhaal in Nederland illusoir is. Het subonderdeel klaagt vervolgens dat het hof dit hetzij heeft miskend, hetzij geen inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang, dan wel een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven, waarbij bovendien heeft te gelden dat voor toewijzing van een geldsom in kort geding hogere motiveringseisen gelden.22

3.13

Ten aanzien van de klacht over miskenning van de afstemmingsregel, volsta ik met een verwijzing naar hetgeen ik hierboven onder 3.7 heb opgemerkt.

3.14

Het hof is in rov. 3.7 tot de slotsom gekomen dat bij het beslag op de AOW-uitkering van [verweerder] de beslagvrije voet moet worden toegepast. Vervolgens heeft het hof in rov. 3.8 geoordeeld dat de strekking van de beslagvrije voet – het waarborgen van een bestaansminimum voor de schuldenaar – meebrengt dat de beslagvrije voet vanaf de beslaglegging moet worden toegepast en dat de schuldeiser geen aanspraak kan maken op gelden die zonder toepassing van de beslagvrije voet zijn uitbetaald aan de deurwaarder. Dit brengt mee, aldus het hof, dat de vordering van [verweerder] tot terugbetaling van al hetgeen zonder toepassing van de beslagvrije voet is geïnd, dus toewijsbaar is.
Volgens de tweede klacht van het subonderdeel heeft het hof bij dit oordeel ten onrechte niet het restitutierisico in acht genomen.
[eiser] heeft in eerste aanleg niets aangevoerd over een restitutierisico en in hoger beroep evenmin. Hij stelt ook niet, onder verwijzing naar vindplaatsen in de gedingstukken, dat hij dat heeft gedaan. Bij gebreke van enig processueel debat over het restitutierisico bestond er voor het hof derhalve geen noodzaak om daarop in te gaan.23 De klacht stuit reeds daarop af.

3.15

Uit het vorenstaande volgt dat de eerste twee subonderdelen van onderdeel 1 falen.

3.16

Het derde subonderdeel van onderdeel 2.1, subonderdeel 2.1-III, bevat zes klachten.
Het subonderdeel klaagt dat het hof in rov. 3.3, 3.6, 3.7 en 3.10 heeft miskend dat bij de beoordeling in het kader van art. 475e Rv, te weten dat geen beslagvrije voet geldt voor vorderingen van een schuldenaar die niet in Nederland woont of vast verblijft, de kortgedingrechter alle omstandigheden dient te betrekken die te zijner kennis in het geding komt. In dat verband vermeldt [eiser] zeventien stellingen (a tot en met q) die hij in hoger beroep heeft aangevoerd, en waaraan het hof deels ten onrechte is voorbijgegaan.

3.17

Alvorens op de klachten in te gaan, merk ik het volgende op.
Op 1 januari 2021 is de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet in werking getreden, waardoor onder meer art. 475e Rv en – het hierna bij de behandeling van onderdeel 2.2 aan de orde komende – art. 475g Rv zijn gewijzigd. Nu in cassatie slechts een beoordeling ex tunc van het bestreden arrest plaatsvindt24 en het bestreden arrest op 14 april 2020 is gewezen, is in deze zaak nog de oude wetgeving van toepassing.

3.18

Art. 475e Rv (oud) bepaalt in de eerste volzin dat geen beslagvrije voet geldt voor vorderingen van een schuldenaar die niet in Nederland woont of vast verblijft. Het eerste lid van het huidige art. 475e Rv vangt aan met de woorden: “Indien de geëxecuteerde over een niet in de basisregistratie personen opgenomen vaste woon- of verblijfplaats beschikt (…)”.
Voor de vraag of een schuldenaar niet in Nederland woont als bedoeld in art. 475e Rv (oud), kan aansluiting worden gezocht bij art. 1:10 BW.25 Het eerste lid van art. 1:10 BW schrijft voor dat de woonplaats van een natuurlijk persoon zich te zijner woonstede bevindt, en bij gebreke van een woonstede ter plaatse van zijn werkelijk verblijf. Uit het oordeel van het hof in rov. 3.7 dat de door [eiser] gestelde banden van [verweerder] met Turkije geen blijk van gedragingen geven als bedoeld in art. 1:11 BW, dat handelt over verlies en verplaatsing van de woonstede, volgt dat het hof aansluiting heeft gezocht bij art. 1:10 BW.

3.19

Volgens Kolkman en Salomons is voor de betekenis van het begrip ‘woonstede’ in art. 1:10 BW nog steeds de invulling door de Hoge Raad van het begrip ‘hoofdverblijf’ van belang dat voorheen in art. 1:10 BW was opgenomen. In zijn arrest van 19 januari 1880 (W 4475) overwoog de Hoge Raad dat onder hoofdverblijf dient te worden verstaan: de plaats waar iemand werkelijk woont met zijn gezin, waar hij de zetel van zijn fortuin heeft, zijn zaken behartigt, zijn goederen en eigendommen beheert, zodat men er niet vandaan gaat dan met een bepaald doel en voor een bepaalde tijd en tevens met het plan om als dat doel bereikt is terug te keren.26

3.20

Het bepalen door de rechter van iemands woonstede betreft een materiële en feitelijk beoordeling.27 Onder de feitelijke omstandigheden die voor de vaststelling van de woonstede van belang zijn, heeft de plaats waar iemand regelmatig ’s nachts slaapt de grootste betekenis.28

3.21

Vaste rechtspraak is dat aan de motivering van een kortgedingvonnis in het algemeen minder hoge eisen kunnen worden gesteld, wat wil zeggen minder hoge eisen dan aan een uitspraak in een bodemprocedure.29 Verder geldt, ook in kort geding, dat de rechter niet steeds alle door een partij aangedragen stellingen uitdrukkelijk in zijn motivering hoeft te betrekken, tenzij sprake is van een essentiële stelling.30 Criterium daarbij is of de stelling relevant is voor de aangevallen overweging en tevens verder van zodanig gewicht is dat het tot een andere beslissing kan leiden.31

3.22

Het hof heeft in rov. 3.3 en 3.6 met betrekking tot de woonplaats van [verweerder] het volgende geoordeeld:

 volgens de gegevens in de BRP is [verweerder] ingeschreven op het [adres 1] ;

 de gemeente Amsterdam heeft in het voorjaar van 2018 de juistheid van die inschrijving onderzocht, na ontvangst van een melding dat [verweerder] daar niet echt woonachtig zou zijn;

 bij brief van 3 mei 2018 heeft de gemeente Amsterdam aan [verweerder] geschreven dat het onderzoek naar de inschrijving was afgerond en dat hij terecht bleek te zijn ingeschreven op het in de BRP vermelde adres;

 op genoemd adres bevindt zich een appartement dat eigendom is van Woningstichting Rochdale te Amsterdam en dat [verweerder] huurt;

 voor [verweerder] bestemde berichten van de Sociale Verzekeringsbank, Woningstichting Rochdale en de Belastingdienst uit december 2017 en januari 2018 zijn geadresseerd aan het genoemde adres. Dit geldt ook voor een brief van 25 maart 2019 van SEZO Maatschappelijke Dienstverlening te Amsterdam aan [verweerder] betreffende een afspraak in verband met schuldhulpverlening;

 de afzenders van deze brieven hadden geen enkel belang om een onjuist adres te gebruiken;

 vaststaat dat [verweerder] in Nederland een zorgverzekering heeft afgesloten, waarvoor hij premie dient te betalen;

 aan [verweerder] is in Nederland zorgtoeslag toegekend;

 op grond van deze omstandigheden tezamen en in onderlinge samenhang bezien, moet ervan worden uitgegaan dat de woonplaats van [verweerder] zich in Nederland bevindt.

3.23

De door [eiser] aangevoerde stellingen onder k, p en q hebben betrekking op enkele van de hiervoor genoemde omstandigheden.
De klachten onder 2.1-III-1 en 2.1-III-2 betogen in de kern dat de inschrijving in de BRP slechts een aanwijzing oplevert dat een partij daar ook daadwerkelijk woont (stelling k). Verder klaagt [eiser] in subonderdeel 2.1-III-2 dat het hof heeft miskend dat het een feit van algemene bekendheid is dat – zeker in Amsterdam – lang niet altijd huurders ook daadwerkelijk wonen in de huurwoning waarvoor zij een huurcontract met een woningbouwvereniging hebben afgesloten, waarbij [eiser] tevens verwijst naar zijn stelling onder k.

3.24

De klacht dat het hof zou hebben miskend dat een inschrijving in de BRP slechts een aanwijzing zou opleveren berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Het hof heeft dit als één van de omstandigheden laten meewegen voor zijn oordeel dat [verweerder] woonachtig is op het [adres 1] .
De stelling dat het van algemene bekendheid is dat lang niet altijd huurders ook daadwerkelijk wonen in de huurwoning waarvoor zij een huurovereenkomst hebben gesloten, is te algemeen om als essentiële stelling te kunnen dienen met betrekking tot het huurcontract van [verweerder] .

3.25

Daarmee missen de klachten onder 2.1-III-1 en 2.1-III-2 doel.

3.26

Subonderdeel 2.1-III-3 klaagt dat het hof de essentiële stellingen onder p en q, dat het door de gemeente gedane onderzoek niet meer heeft voorgesteld dan dat de gemeente een brief heeft geschreven met de vraag of [verweerder] op het bewuste [adres 1] woonde, waarop schriftelijk door [verweerder] is geantwoord dat dit het geval zou zijn, onbesproken laat. Van een daadwerkelijke controle ter plaatse is geen sprake geweest. Uit deze essentiële stelling, onderbouwd met een productie, volgt, aldus de klacht, dat nu het louter een mededeling van [verweerder] zelf betreft, dit onderzoek in redelijkheid niet kan bijdragen aan de stelling dat [verweerder] daadwerkelijk in Amsterdam woont.

3.27

Deze stellingen, die [eiser] in zijn memorie van antwoord in incidenteel appel heeft aangevoerd32, vormen een reactie op de stellingen die [verweerder] in zijn memorie van antwoord tevens inhoudende (voorwaardelijk) incidenteel appel als verweer tegen grief 1 heeft ingenomen33, te weten (i) dat het onderzoek ruimer van opzet was onder vermelding van wat op de website staat van de gemeente Amsterdam over het uitvoeren van een adresonderzoek en (ii) dat dit onderzoek door de gemeente Amsterdam pas is ingesteld nadat (namens) [eiser] een poging heeft (is) gedaan om [verweerder] te laten uitschrijven uit de BRP.34 In zijn akte overlegging producties ten behoeve van comparitie van partijen heeft [verweerder] nog opgemerkt (iii) dat uit door [verweerder] overgelegde correspondentie afkomstig van de gemeente Amsterdam blijkt dat [verweerder] zelf bewijsstukken naar het stadsdeelkantoor heeft gebracht en dat na beoordeling van die stukken is vastgesteld dat [verweerder] inderdaad in Amsterdam woonachtig is.35

3.28

In het oordeel van het hof ligt besloten dat het de stellingen van partijen heeft gewogen en hetgeen [eiser] onder p en q heeft aangevoerd, heeft verworpen.
Het oordeel dat op grond van de in rov. 3.6 genoemde omstandigheden tezamen en in onderlinge samenhang bezien, ervan moet worden uitgegaan dat de woonplaats van [verweerder] zich in Nederland bevindt, is voldoende begrijpelijk gemotiveerd.
Subonderdeel 2.1-III-3 faalt dus.

3.29

De subonderdelen 2.1-III-4 tot en met 2.1-III-6 zijn gericht tegen rov. 3.7, waarin het hof met betrekking tot de door [eiser] gestelde banden van [verweerder] met Turkije het volgende heeft geoordeeld:

“3.7. Dat [verweerder] ook op een adres in Turkije is ingeschreven, wat daarvan verder ook zij, en eigenaar is van een woning in [plaats 1] in Turkije, doet niet af aan de hierboven genoemde omstandigheden op grond waarvan moet worden aangenomen dat hij zijn woonplaats in Nederland heeft. Hetzelfde geldt voor de andere banden van [verweerder] met Turkije waarop [eiser] zich beroept, waaronder het aanhouden van een of meer bankrekeningen in Turkije, het hebben afgesloten van een geldlening bij een bank in dat land ten behoeve van de aanschaf van een auto en de gestelde, door [verweerder] betwiste, eigendom van andere onroerende zaken dan de woning in [plaats 1] . Afgezet tegen de onder 3.6 genoemde omstandigheden, tezamen en in onderlinge samenhang bezien, geven de gestelde banden van [verweerder] met Turkije geen blijk van gedragingen als bedoeld in artikel 1:11 BW waaruit volgt dat [verweerder] zijn woonplaats in Nederland heeft prijsgegeven en niet langer in Nederland woont of vast in Nederland verblijft. Dit wordt niet anders doordat een door [eiser] ingeschakelde deurwaarder op drie verschillende data in 2016 [verweerder] niet heeft aangetroffen op het in de Basisregistratie Personen vermelde adres en dat op 22 maart 2019 op dat adres een andere persoon is aangetroffen, temeer nu [verweerder] op laatstgenoemde datum, volgens opgave van de betrokken deurwaarder, na te zijn gebeld na ongeveer vijf minuten ter plaatse was. (…)”

3.30

Subonderdeel 2.1-III-4 klaagt – samengevat – dat het hof heeft miskend dat een partij die stelt woonachtig te zijn in Nederland, en dat gemotiveerd wordt betwist36, met tot zijn domein behorende feiten en omstandigheden zal moeten komen waaruit volgt dat het aannemelijk is dat de inschrijving in Turkije pro forma is, ondanks de woningen in eigendom aldaar en de andere (economische) activiteiten zoals de aanschaf van een auto met Turks kenteken, en de inschrijving in Nederland niet pro forma is. Volgens subonderdeel 2.1-III-5 is het oordeel van het hof zonder nadere toelichting, die ontbreekt, in elk geval onbegrijpelijk omdat het door [eiser] gestelde, waarvan het hof een deel heeft behandeld in rov. 3.7, er nu juist op wijst dat het centrum van (de economische en andere) activiteiten van [verweerder] zich in Turkije bevindt en niet in Nederland.

3.31

Uit het oordeel van het hof dat de door [eiser] gestelde (i) eigendom van [verweerder] van een woning in [plaats 1] in Turkije en van andere onroerende zaken, (ii) het aanhouden van een of meer bankrekeningen in Turkije, en (iii) het afsluiten van een geldlening bij een bank in Turkije voor de aanschaf van een auto, niet afdoen aan de in rov. 3.6 genoemde omstandigheden (zie hierboven onder 3.29 en 3.2) op grond waarvan moet worden aangenomen dat [verweerder] zijn woonplaats in Nederland heeft, blijkt dat het hof de stellingen van [eiser] in zijn beoordeling heeft betrokken en van minder gewicht heeft geacht. Voor het overige is het hof als kortgedingrechter niet gebonden aan de wettelijke bewijsregels van art. 149 e.v. Rv of aan de regels van stelplicht en bewijslastverdeling (zie hierboven onder 3.5).

3.32

De subonderdelen 2.1-III-4 en 2.1-III-5 stuiten op het voorgaande af.

3.33

De procesinleiding bevat twee subonderdelen 2.1-III-6.
Beide subonderdelen 2.1-III-6 (1) en 2.1-III-6 (2) klagen dat het hof essentiële stellingen van [eiser] onbesproken heeft gelaten. Het betreft de volgende stellingen van [eiser] :

 stelling c: [verweerder] is eigenaar van 14 stuks onroerend goed, waaronder het appartement in [plaats 1] ;

 stellingen d en n: [verweerder] staat ingeschreven in één van de appartementen die [verweerder] in eigendom heeft te [plaats 1] , als zijnde daar woonachtig.

 stellingen e en n: [verweerder] heeft verschillende bankrekeningen in Turkije. Naar eigen zeggen laat hij op een van die Turkse bankrekeningen zijn AOW-uitkering storten;

 stellingen g en n: [verweerder] rijdt in een auto met een Turks kenteken en heeft voor de auto een lening afgesloten in Turkije;

 stelling o: niet de inschrijving in Turkije is pro forma, maar die in Nederland. Omdat de zoon van [verweerder] en diens echtgenote hebben gewoond op het woonadres van [verweerder] had het hof volgens [eiser] op deze stelling moeten responderen.

3.34

Dat het hof stelling c niet in zijn motivering heeft betrokken, mist gelet op rov. 3.7 feitelijke grondslag. Hetzelfde geldt voor de stellingen e/n en g/n.

3.35

Met betrekking tot stellingen d/n heeft het hof overwogen: “Dat [verweerder] ook op een adres in Turkije is ingeschreven, wat daarvan verder ook zij, (…) doet niet af aan de hierboven genoemde omstandigheden op grond waarvan moet worden aangenomen dat hij zijn woonplaats in Nederland heeft.”

3.36

[eiser] heeft in eerste aanleg gesteld en in hoger beroep herhaald dat uit onderzoek van een recherchebureau is gebleken dat “ [verweerder] als woonachtig staat ingeschreven in Turkije te [plaats 1] aan het [adres 2] en dat hij daarnaast een tweede residentie houdt te [plaats 2] aan het [adres 3] .”37
[verweerder] heeft tegen stellingen d/n van [eiser] aangevoerd dat hij als Turkse Nederlander over een Turks “inschrijfadres” dient te bezitten, omdat hij anders geen Turks paspoort kan verkrijgen, dat de inschrijving in Turkije een soort postadres betreft en dat het om een vakantiewoning gaat.38

3.37

Gelet op dit partijdebat heeft het hof met de overweging in de tussenzin “wat daarvan verder ook zij” kennelijk en niet onbegrijpelijk in het midden gelaten of sprake is van een inschrijving in Turkije waaruit blijkt dat [verweerder] woonachtig is in Turkije (stelling van [eiser] ) of dat het slechts een postadres betreft (stelling van [verweerder] ). In ieder geval heeft het hof stellingen d/n niet onbesproken gelaten.

3.38

Met betrekking tot stelling o heeft [eiser] in zijn memorie van grieven gesteld dat uit de BRP (voorheen: GBA) blijkt dat op het adres waar [verweerder] formeel staat ingeschreven ook zijn zoon Ahmed en diens vrouw inderdaad staan ingeschreven.39 Niet valt in te zien, zonder nadere toelichting die ontbreekt, wat de relevantie is van deze stellingen. Dat er twee andere personen staan ingeschreven op een adres, maakt niet dat een derde persoon, die ook op dat adres staat ingeschreven, niet daadwerkelijk daar ook woonachtig kan zijn en daarmee ook niet dat de inschrijving van die derde persoon “pro forma” zou zijn. Het hof hoefde deze stelling(en) dus niet apart te bespreken.

3.39

Uit het vorenstaande volgt dat het hof geen essentiële stellingen van [eiser] onbesproken heeft gelaten.

3.40

In subonderdeel I-III-6 (2) wordt verder nog betoogd dat indien de niet-besproken essentiële stellingen wel (kenbaar) waren meegenomen, het hof niet tot een ander oordeel had kunnen komen dan dat aannemelijk moet worden geacht dat [verweerder] in Turkije woont en voorts dat voldoende aannemelijk is dat [verweerder] op de voet van art. 1:11 BW zijn woonplaats in Amsterdam sinds 2015, toen daar immers ook zijn zoon met zijn echtgenote stond ingeschreven, heeft prijsgegeven.

3.41

Deze klachten missen gelet op het voorgaande zelfstandigheid.

3.42

Subonderdeel 2.1-IV behelst een voortbouwklacht en faalt in het voetspoor van de voorgaande subonderdelen.
Onderdeel 2.1 faalt derhalve in zijn geheel.

3.43

Onderdeel 2.2 is in de kern gericht tegen de slotzin van rov. 3.7 en tegen rov. 3.9, waarin het hof het volgende heeft overwogen:

“3.7. (…) Voor halvering van de beslagvrije voet op grond van het bepaalde in artikel 475g, tweede lid eerste volzin, Rv is geen plaats, alleen al omdat [eiser] met de enkele overlegging van een e-mail van 16 juni 2015 van een deurwaarder volgens welke destijds op het [adres 1] nog twee andere personen waren ingeschreven, niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit op de datum van de beslaglegging en daarna ook het geval was, zoals [verweerder] betwist.

3.9.

3.9. De vordering van [eiser] tot veroordeling van [verweerder] om een gedetailleerde en met bewijsstukken onderbouwde opgave te doen van ‘de omvang, samenstelling en allocatie van [diens] volledige binnenlandse en buitenlandse inkomen en vermogen’, is in hoger beroep evenmin als in eerste aanleg toewijsbaar. De vordering is kennelijk gegrond op het bepaalde in artikel 475g, eerste lid, Rv. [verweerder] heeft in ieder geval tijdens het geding in eerste aanleg opgave gedaan van zijn bronnen van inkomsten in Nederland, te weten de AOW-uitkering alsmede een aanvullend pensioen van het Pensioenfonds Horeca en Catering ten belope van € 72,82 bruto (€ 55,29 netto) per maand. [eiser] heeft de juistheid van deze opgaven niet betwist en hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat [verweerder] daarnaast over andere bronnen van inkomsten in Nederland beschikt, zoals op zijn weg had gelegen. Er moet daarom van worden uitgegaan dat [verweerder] heeft voldaan aan zijn verplichting op grond van artikel 475g, eerste lid, Rv om zijn bronnen van inkomsten op te geven, zodat voor toewijzing van de vordering geen grond bestaat. Anders dan [eiser] aanneemt, verplicht artikel 475g, eerste lid, Rv een schuldenaar tegen wie beslag wordt gelegd, niet om tevens opgave te doen van zijn ‘buitenlandse inkomen en vermogen’, waarmee [eiser] blijkens zijn stellingen het oog heeft op vermeend inkomen en vermogen van [verweerder] in Turkije, waarop hij zijn geldvordering op laatstgenoemde wil verhalen en die hij daartoe in kaart wil brengen. Op de eerste plaats bepaalt artikel 430, eerste lid, Rv, voor zover thans van belang, dat de grossen van in Nederland gewezen vonnissen in Nederland ten uitvoer kunnen worden gelegd. De ingestelde vordering om opgave te doen van buitenlands inkomen en vermogen heeft, gelet op het verhaalsoogmerk dat de vordering dient, alleen betekenis voor de tenuitvoerlegging buiten Nederland van het tussen partijen gewezen vonnis van 22 april 2015. Artikel 430, eerste lid, Rv voorziet echter niet in tenuitvoerlegging buiten Nederland, zodat dezelfde begrenzing moet worden aangenomen voor de inlichtingenplicht van een schuldenaar op grond van artikel 475g, eerste lid, Rv. Op de tweede plaats hebben de bepalingen in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering betreffende executoriaal derdenbeslag, zoals in dit geding aan de orde, uitsluitend betrekking op beslag dat kan worden gelegd door een Nederlandse deurwaarder. Diens bevoegdheid is beperkt tot het grondgebied van Nederland. Ook hierom is de inlichtingenplicht van een schuldenaar op grond van artikel 475g, eerste lid, Rv beperkt tot bronnen van inkomsten die vatbaar zijn voor beslag in Nederland, zodat deze plicht zich niet uitstrekt tot inkomen en vermogen in het buitenland.”

3.44

Subonderdeel 2.2-I klaagt dat het hof heeft miskend dat de regel van art. 475g lid 1 Rv teruggrijpt op de jurisprudentiële regel uit het Tripels/Masson-arrest40 en voorts dat die regel van art. 475g41 lid 1 Rv algemeen is geformuleerd, zodat lezing dan wel toepassing van die regel in een zin waardoor buitenlandse bronnen daar niet onder zouden vallen, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. Aldus is ook het oordeel rechtens onjuist in rov. 3.9 dat [verweerder] aan zijn verplichting op grond van art. 475g lid 1 Rv zou hebben voldaan door alleen zijn Nederlandse inkomen en vermogen op te geven.42 Volgens subonderdeel 2.2-II is het oordeel dat art. 475g lid 1 Rv niet ziet op buitenlands inkomen en vermogen, rechtens onjuist en onbegrijpelijk is.

3.45

Het hof heeft in rov. 3.9 geoordeeld dat de (reconventionele) vordering van [eiser] kennelijk is gegrond op art. 475g lid 1 Rv. Dit oordeel is in cassatie niet bestreden.

Bronnen van inkomsten

3.46

Art. 475g lid 1, eerste volzin, Rv (oud), dat is opgenomen in de Wet algemene regeling van beslag op loon, sociale uitkeringen en andere periodieke betalingen, luidt als volgt:

“Een schuldenaar is verplicht aan een deurwaarder die gerechtigd is tegen hem beslag te leggen, desgevraagd zijn bronnen van inkomsten op te geven.”

In de memorie van toelichting43 is over de informatieplicht van de schuldenaar het volgende vermeld:

“ “Tussen schuldeiser en schuldenaar bestaat, althans indien de schuld uit overeenkomst voortvloeit, een wederzijdse verplichting tot uitvoering te goeder trouw van de plichten jegens de wederpartij. Wanneer een schuldenaar, al dan niet opzettelijk, het zover heeft laten komen dat de schuldeiser beslag laat leggen, ligt het in de lijn daarvan om de schuldenaar gehouden te achten aan de deurwaarder die een opdracht heeft gekregen die beslaglegging omvat, mee te delen welke bronnen van inkomsten hij heeft. (…). Daarom bevat het eerste lid deze mededelingsplicht, die slechts geldt indien een deurwaarder die beslag mag leggen, ernaar vraagt.

“ (…)

“ De gedachte is opgekomen om de opgaveplicht te leggen op ieder van wie de schuldenaar iets te vorderen heeft, ook voor vorderingen die niet periodiek worden uitbetaald. Deze gedachte is evenwel verworpen.”

3.47

Uit de plaatsing van art. 475g Rv kan worden afgeleid dat de verplichting van de schuldenaar om zijn bronnen van inkomsten op te geven betrekking heeft op vorderingen tot periodieke betaling, zoals loon, uitkering of pensioen zoals bedoeld in art. 475c lid 1 Rv.44

3.48

De eerste volzin van art. 475g Rv (oud) is bij de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet ongewijzigd gebleven45, maar met het volgende gecursiveerde gedeelte aangevuld:

“Een schuldenaar is verplicht aan een deurwaarder die gerechtigd is ten laste van hem beslag te leggen, desgevraagd zijn bronnen van inkomsten op te geven, alsmede voor de vaststelling van de beslagvrije voet benodigde gegevens te verstrekken voor zover deze gegevens niet door de deurwaarder kunnen worden verkregen op grond van de artikelen 475ga en 475gb.”

3.49

In de literatuur en rechtspraak bestaat verdeeldheid over de beantwoording van de vraag of de informatieplicht van art. 475g lid 1 Rv (oud) is beperkt tot bronnen van inkomsten of dat uit het Tripels/Masson-arrest volgt dat de informatieplicht van art. 475g lid 1 Rv zich uitstrekt tot informatie over bronnen van inkomsten, de vermogenspositie en voor verhaal vatbare goederen.

3.50

In genoemd arrest heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:

“4.1 “4.1 Het hof heeft geoordeeld dat de vordering tot het overleggen van bescheiden in feite neerkomt op de eis dat Masson tegenover Tripels rekening en verantwoording aflegt 'met betrekking tot zijn financiele handel en wandel in het verleden en heden' en dat daarvoor in dit geval geen rechtsgrond aanwezig is, evenmin als voor de verlangde overlegging van boekhouding (r.o. 33 en 34).

“4.1 Middel I bestrijdt dit oordeel als zodanig niet, maar betoogt dat de vordering had moeten worden toegewezen op de grond dat het bepaalde bij de art. 1177 en 1178 BW ('waaruit voortvloeit dat Masson met zijn gehele vermogen heeft in te staan voor de nakoming van zijn verplichtingen') en ‘de eisen van redelijkheid en billijkheid krachtens welke partijen bij de uitvoering van een overeenkomst zich jegens elkaar hebben te gedragen' met zich brengen dat Tripels in geval van gerede twijfel aan de juistheid van het beroep op onvermogen, het recht heeft een vordering als de onderhavige in te stellen 'ter vaststelling van de juistheid van Massons mededeling en/of ter determinering van mogelijke verhaalsobjecten'.

“4.1 Dit betoog kan niet als juist worden aanvaard. Een schuldenaar is wel in beginsel verplicht een schuldeiser die een veroordeling tot betaling van een geldsom jegens hem verkreeg, inlichtingen omtrent zijn inkomens- en vermogenspositie en omtrent voor verhaal vatbare goederen te verschaffen. Zulks is aanvaard bij de parlementaire behandeling van het eerste gedeelte van de Invoeringswet van de Boeken 3, 5 en 6 NBW (memorie van antwoord Bijl. Hand. II 1981–1982, 16 593, nr 5, p. 11–12). Het is thans ook tot uitdrukking gebracht in art. 475g Rv (ingevoegd bij de Wet van 13 dec. 1990, Stb. 605, in werking getreden op 1 april 1991).

“4.1 Maar het strookt niet met het wettelijk stelsel aan deze verplichting een praktische uitwerking te geven als door het middel voorgestaan. Zulks zou immers niet te verenigen zijn met de beperkte kring van personen die van een schuldenaar rekening en verantwoording, onderscheidenlijk overlegging van de boekhouding kunnen vergen, terwijl ook evenbedoelde parlementaire behandeling geen steun biedt aan de opvatting van het middel.

“4.1 Een en ander brengt mee dat in een situatie als hier aan de orde is, een vordering tot afgifte van een groot aantal justificatoire bescheiden aan een individuele schuldeiser niet toewijsbaar is. Het moet worden overgelaten aan de curator, nadat de schuldenaar in staat van faillissement is verklaard, om desgewenst zulk een afgifte te bewerkstelligen, hetgeen dan plaatsvindt ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers en onder toezicht van de rechter-commissaris, zoals ook

“4.1 wenselijk moet worden geacht met het oog op de vraag of het afdwingen van die afgifte in redelijke verhouding staat tot het beoogde doel.

“4.1 Middel I faalt derhalve.”

3.51

Westenberg is van mening dat de informatieplicht van de schuldenaar als bedoeld in art. 475g lid 1 Rv op grond van het Tripels/Masson-arrest ruimer is en dat de schuldenaar informatie aan de beslagleggende deurwaarder dient te verschaffen omtrent zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn voor verhaal vatbare goederen.46

3.52

Putter leidt uit de verwijzing van de Hoge Raad in het Tripels/Masson-arrest naar art. 475g Rv af dat de Hoge Raad in elk geval voor wat betreft het toepassingsbereik voorziet dat elke informatieplicht zich uitstrekt tot informatie over bronnen van inkomsten, de vermogenspositie en voor verhaal vatbare goederen. Nu de wettekst in art. 475g lid 1 Rv echter enkel verwijst naar bronnen van inkomsten, en niet tevens naar informatie over de vermogenspositie van de schuldenaar en voor verhaal vatbare goederen, dient dit artikel blijkens de door de Hoge Raad gegeven uitleg ruim te worden uitgelegd, aldus Putter. Hij verwijst daarbij naar rechtspraak waarin deze ruime interpretatie van art. 475g lid 1 Rv is toegepast.47

3.53

Een groot aantal andere auteurs (Broekveldt, Gieske, Punt, Vranken) is echter van mening dat art. 475g lid 1 Rv een concretisering voor een speciaal geval48/een uitwerking49/een species50/bijzonder situatie51 is van de algemene informatieplicht van de schuldenaar die de Hoge Raad heeft genoemd in het Tripels/Masson-arrest en dat de opgaveplicht van art. 475g lid 1 Rv is beperkt tot inkomstenbronnen/periodieke betalingen.52
Ook Steneker53 meent dat art. 475g Rv heel beperkt is geformuleerd: de schuldenaar is verplicht zijn ‘bronnen van inkomsten’ op te geven (lid 1), op straffe van halvering of verlaging van de beslagvrije voet (lid 2). Volgens Steneker kan de schuldenaar buiten de grenzen van art. 475g Rv om hoogstens worden verplicht om bijvoorbeeld desgevraagd te bevestigen of door de deurwaarder aangewezen vermogensbestanddelen inderdaad van hem zijn of aanwezig zijn en om daar eventueel bewijzen van te verschaffen. Een verdergaande informatieplicht zou z.i. in strijd komen met het nemo tenetur-beginsel en met het recht op privacy (art. 10 Gw en art. 8 EVRM). De schuldenaar is daarnaast verplicht om de deurwaarder de gegevens te verstrekken die benodigd zijn voor de berekening van de beslagvrije voet en die niet kenbaar zijn uit de BRP en de polisadministratie van het UWV (art. 475g lid 1 Rv in verbinding met art. 475ga en 475gb Rv).

3.54

Subonderdeel 2.2-I, dat is gebaseerd op de hierboven onder 3.51 en 3.52 beschreven ruime uitleg van art. 475g Rv, dient m.i. te falen. Met de onder 3.53 genoemde auteurs ben ik van mening dat uit het Tripels/Masson-arrest volgt dat er een algemene informatieplicht bestaat voor de schuldenaar op grond van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 BW en art. 6:248 BW), maar dat art. 475g lid 1 Rv slechts een concretisering voor een speciaal geval vormt van die algemene informatieplicht. De informatieplicht van art. 475g lid 1 Rv is beperkt tot bronnen van inkomsten, hetgeen ook blijkt uit de parlementaire geschiedenis. Steun voor die opvatting kan worden ontleend aan de memorie van toelichting bij het nieuwe art. 475aa Rv. Daaruit blijkt dat de wetgever een uitbreiding nodig achtte om te bewerkstelligen dat de informatieplicht van de schuldenaar verder reikt dan het opgeven van bronnen van inkomsten:54

Onderdeel V (artikel 475aa (nieuw))

Dit onderdeel geeft de deurwaarder een tweetal bevoegdheden. Ten eerste krijgt de deurwaarder, indien hij gerechtigd is tegen de schuldenaar beslag te leggen, de bevoegdheid om aan de schuldenaar te vragen bij welke bank hij bankiert. De schuldenaar is verplicht hierop te antwoorden. Een dergelijke verplichting bestaat thans al voor het opgeven van bronnen van inkomsten (zie artikel 475g, lid 1, Rv). Omdat tegoeden op een bankrekening niet vallen onder inkomsten, zorgt artikel 475aa, aanhef en onder a, ervoor dat de bevoegdheid van de deurwaarder op dit punt wordt uitgebreid.”

Ook buitenlandse bronnen van inkomsten?

3.55

In de feitenrechtspraak wordt verschillend geoordeeld over de vraag of de informatieplicht van art. 475g lid 1 Rv is beperkt tot binnenlandse ‘bronnen van inkomsten’ of dat buitenlandse ‘bronnen van inkomsten’ daar ook onder vallen, zoals in subonderdeel 2.2-II wordt voorgestaan.

3.56

Het hof heeft in rov. 3.9 geoordeeld dat de inlichtingenplicht van een schuldenaar zoals bedoeld in het eerste lid van art. 475g Rv zich niet uitstrekt tot bronnen van inkomsten in het buitenland, omdat slechts bronnen van inkomsten in Nederland vatbaar zijn voor beslag in Nederland. Daarmee heeft het hof zich aangesloten bij het oordeel en de motivering van het gerechtshof Leeuwarden in zijn arrest van 30 maart 201055, waarin uit de bewoordingen en uit de plaatsing van art. 475g Rv werd afgeleid dat de betreffende verplichting van de schuldenaar zich slechts uitstrekt tot die bronnen van inkomsten die vatbaar zijn voor beslag door de Nederlandse deurwaarder.
Het onderhavige arrest wijkt echter af van het in 2011 door het gerechtshof Amsterdam gewezen arrest56, waarin werd geoordeeld dat de omstandigheid dat art. 475g Rv, dat betrekking heeft op executie door een Nederlandse deurwaarder, in het toen berechte geval, niet dwingt tot een beperking tot de binnenlandse bronnen van inkomsten, aangezien het een schuldeiser vrijstaat om met inachtneming van de daaraan verbonden formaliteiten een te zijner gunste gewezen uitspraak van een Nederlandse rechter in het buitenland ten uitvoer te laten leggen.57

3.57

In zijn annotatie van het kortgedingvonnis van de rechtbank Den Haag van 18 juni 2020, waarin de voorzieningenrechter onder meer een vordering tot het verstrekken van buitenlandse inkomstenbronnen toewees, gaat Steneker in op het onderhavige bestreden arrest. Hij merkt daarover allereerst op dat art. 475g Rv geen onderscheid maakt tussen binnenlandse of buitenlandse bronnen van inkomsten. Verder meent hij dat de regel dat een schuldenaar met zijn hele vermogen instaat voor al zijn schulden (art. 3:276 BW) niet is beperkt tot binnenlands vermogen en dat een schuldeiser in veel gevallen ook bevoegd kan zijn om beslag te leggen op buitenlands vermogen, binnen de Europese Unie bijvoorbeeld op grond van de Brussel I-bis-verordening of de verordening inzake het Europees bankbeslag (EAPO). De schuldeiser is volgens Steneker evengoed inlichtingenplichtig over zijn buitenlandse inkomsten (art. 475g lid 1 Rv) en andere goederen (buiten de grenzen van art. 475g lid 1 Rv).58

3.58

Westenberg59 acht de onderbouwing die het hof in het bestreden arrest noemt, niet sterk. Z.i. bevat art. 475g lid 1 Rv geen territoriale begrenzing en hangt het feit of een Nederlands vonnis al dan niet in het buitenland kan worden geëxecuteerd, af van de mogelijkheden en wetgeving in het desbetreffende buitenland en van de Ex-Vo. Bovendien heeft de executant volgens Westenberg er wel degelijk belang bij te weten of er inkomen/vermogen in het buitenland is, al was het alleen maar om te weten in welk land zodat hij daar verdere maatregelen kan treffen.60

3.59

Putter61 meent dat het hierboven onder 3.56 genoemde arrest van het gerechtshof Leeuwarden op zichzelf staat en verwijst hiervoor naar een achttal andersluidende uitspraken van feitenrechters, waaruit z.i. blijkt dat de heersende leer is dat het toepassingsbereik van de informatieplicht zich ook uitstrekt tot het buitenland.

3.60

In die richting wijst ook de wetsgeschiedenis van de Wet tot wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Verzamelwet SZW 2018). In deze wet zijn nog wijzigingen aangebracht op de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet die al in 2017 in het Staatsblad was opgenomen.62 In de Tweede nota van wijziging van de Verzamelwet SZW 2018 is met betrekking tot art. 475d Rv allereerst de volgende toelichting gegeven:63

“Het doel van het met de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet geïntroduceerde systeem is dat de deurwaarder voor een zo correct mogelijke vaststelling van de beslagvrije voet nog maar in beperkte mate afhankelijk is van informatie van de schuldenaar. Om dit te realiseren is een systeem gecreëerd waarbij de hoogte van de beslagvrije voet afhankelijk is van de leefsituatie van de schuldenaar en de hoogte van zijn belastbaar inkomen alsmede dat van zijn eventuele partner. Om inzicht te krijgen in de hoogte van het belastbaar inkomen krijgt de deurwaarder inzage in de binnen de polisadministratie geregistreerde gegevens inzake inkomen. De oorspronkelijke bepaling riep daarbij verschillende vragen op. Om deze vragen weg te nemen is de bepaling op verschillende onderdelen aangepast of is de bevoegdheid gecreëerd om onderdelen nader te regelen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur.”

Vervolgens wordt over de informatieplicht van de schuldenaar het volgende opgemerkt:

“Mede in relatie tot het hierboven beschreven systeem van een op basis van de polisinformatie berekende beslagvrije voet zij opgemerkt dat niet alle inkomens die het belastbaar inkomen vormen als gedefinieerd in artikel 475ab in de polisadministratie staan geregistreerd. Het gaat in beginsel om de in artikel 475c, eerste lid, onder a tot en met g, opgenomen vorderingen tot periodieke betaling. Voor niet in de polis opgenomen bronnen van inkomsten blijft – gelijk het huidige stelsel – gelden dat de schuldenaar hier de beslaglegger over dient te informeren of dat de beslaglegger bij de vermoedelijke verstrekker op basis van artikel 475g, tweede en derde lid, kan informeren naar de aanwezigheid en de hoogte van de verstrekking. Benadrukt zij hier dat de bovenbeschreven hoofdregel (de deurwaarder stelt de beslagvrije voet op basis van polisinformatie vast) de in artikel 475d, vierde lid, opgenomen bevoegdheid ongemoeid laat om feiten of omstandigheden waarvan de deurwaarder kennis heeft en die van invloed zijn op de beslagvrije voet in een gelijktijdig met de vaststelling op basis van polisinformatie uit te voeren herberekening, te betrekken. Op die manier kan de deurwaarder die kennis heeft van bijvoorbeeld een niet in de polisadministratie opgenomen buitenlands pensioen van de schuldenaar, de periodieke inkomsten uit dit buitenlands pensioen bij de berekening van de beslagvrije voet betrekken.” [onderstrepingen, A-G]

3.61

Ik meen in de eerste plaats dat het voorschrift van art. 475g Rv buitenlandse bronnen van inkomsten niet uitsluit. Daarnaast is de ratio van de informatieplicht van de schuldenaar als bedoeld in het eerste lid van art. 475g Rv dat de deurwaarder op basis van de verstrekte informatie een inschatting kan maken omtrent een mogelijk te leggen beslag op die inkomsten alsmede dat de deurwaarder de beslagvrije voet kan berekenen.64 Het komt dan met deze strekking overeen dat ook opgave wordt gedaan van buitenlandse bronnen van inkomsten.
Overigens is de schuldenaar volgens de wetgever er ook bij gebaat om zijn inkomsten te melden opdat niet wordt uitgegaan van een lagere beslagvrije voet dan waarop de schuldenaar recht heeft.65

3.62

Voor de volledigheid wijs ik nog op het partijdebat over buitenlandse inkomsten. [verweerder] heeft in zijn memorie van antwoord tevens inhoudende (voorwaardelijk) incidenteel appel onder 21 – terzijde – opgemerkt dat “er geen buitenlands inkomen is”.66 [eiser] heeft in zijn antwoord incidenteel appel onder 10 gesteld dat [verweerder] nooit gehoor heeft gegeven aan herhaalde verzoeken en sommaties van verschillende deurwaarders om informatie over onder meer zijn inkomenspositie te verstrekken.

3.63

De klachten van de subonderdelen 2.2-I en 2.2-II zijn mitsdien in zoverre terecht voorgesteld. Het bestreden arrest dient op dit punt te worden vernietigd en verwijzing dient te volgen.
De overige klachten, waaronder ook onderdeel 2.3, behoeven m.i. geen verdere behandeling. Wel ga ik nog kort in op (de strekking van) subonderdeel 2.2-IIIa. Daarin wordt betoogd dat een schuldenaar die weigert opgave te doen van zijn binnenlandse en/of buitenlandse inkomen en vermogen en hij aldus de controle op juiste uitvoering van de beslagvrije voet onmogelijk maakt, in redelijkheid geen beroep toekomt op die beslagvrije voet. Dit volgt volgens het subonderdeel uit art. 6:2 lid 2 BW, art. 6:248 lid 2 BW en art. 475g lid 2 Rv, hetgeen het hof, zo nodig met aanvulling van rechtsgronden (art. 25 Rv) op basis van hetgeen is aangevoerd in de toelichting op grief II, onder 25 tot en met 30 van de memorie van grieven, had behoren te onderkennen. Bij geen openheid van zaken geven omtrent substantiële aantoonbare vermogensbestanddelen, dient de beslagvrije voet geheel te vervallen.

3.64

Het betoog faalt. Door de wetgever is ervan afgezien om op de informatieplicht van art. 475g lid 1 Rv een bijzondere sanctie te stellen.67Het niet voldoen door de schuldenaar aan de informatieplicht van art. 475g lid 1 Rv mag niet leiden tot een nihilstelling68 van de beslagvrije voet. De schuldeiser kan volgens de wetgever de schuldenaar wel via andere dwangmiddelen van het burgerlijk (proces)recht tot medewerking dwingen, zoals via dwangsom, verhaal van nodeloos gemaakte kosten, lijfsdwang of het dreigen met aanvragen van het faillissement van de schuldenaar (met de kans dat de mededelingsplicht daarna met sancties van de Faillissementswet kan worden afgedwongen).69

4 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 14 april 2020 en tot verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 14 april 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1106 (hierna: het bestreden arrest), rov. 3.2 en 3.3, alsmede de door de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam vastgestelde feiten in het kortgedingvonnis van 12 juli 2018, waarnaar het hof in rov. 2 van het bestreden arrest verwijst.

2 Voor zover thans van belang. Zie voor het procesverloop in eerste aanleg het kortgedingvonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 12 juli 2018 (hierna: het vonnis in kort geding), rov. 1. Zie voor het procesverloop in hoger beroep het bestreden arrest, rov.1.

3 Zie het vonnis in kort geding, rov. 3.1.

4 Zie het vonnis in kort geding, rov. 4.1.

5 Zie het bestreden arrest, rov. 3.5.

6 Zie het bestreden arrest, rov. 3.5.

7 De procesinleiding is op 9 juni 2020 ingediend in het portaal van de Hoge Raad. De cassatietermijn in deze zaak is acht weken (art. 402 lid 2 Rv in verbinding met art. 339 lid 2 Rv).

8 De procesdossiers in deze zaak stemmen niet geheel overeen. Het B-dossier bevat een aanvullende productie van zowel [verweerder] als [eiser] ten behoeve van het kort geding, het A-dossier bevat die stukken niet. De pleitnotities van 28 juni 2018 van [verweerder] komen qua (tekst)opmaak niet overeen. Het antwoord incidenteel appel in het B-dossier bevat geen producties, en in het A-dossier wel. Het B-dossier bevat een akte overlegging producties ten behoeve van de comparitie van partijen van 24 april 2019 van [verweerder] alsook aanvullende producties ten behoeve van de comparitie van partijen van 24 april 2019 van [eiser] , het A-dossier bevat die stukken niet. Het A-dossier bevat spreekaantekeningen van 24 april 2019 van zowel [verweerder] als [eiser] , het B-dossier bevat die stukken niet.

9 Par. 1 van de procesinleiding bevat een inleiding.

10 [eiser] verwijst hierbij in de procesinleiding naar de inleidende dagvaarding, onder 2.

11 HR 22 april 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4575, NJ 1984/145 m.nt. W.H. Heemskerk (Ritzen/Hoekstra), rov. 3.2, en HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026, NJ 2020/425 m.nt. A.I.M. van Mierlo, rov. 5.3.3 en 5.8. Zie ook: Asser Procesrecht/Boonekamp 6 2020/175 (voetnoot 3).

12 Asser Procesrecht/Boonekamp 6 2020/188.

13 Asser Procesrecht/Boonekamp 6 2020/111, 112 en 162. Zie ook: T.F.E. Tjong Tjin Tai, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 254 Rv, aant. 2.1 en aant. 15 (actueel t/m 08-09-2019).

14 HR 21 april 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1705, NJ 1996/462 m.nt. D.W.F. Verkade (Boehringer/Kiringen), rov. 3.4, en HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:666, NJ 2016/211 (Astellas/Synthon), rov. 3.7.1. Zie voorts over de afstemmingsregel Asser Procesrecht/Boonekamp 6 2020/24-33.

15 T.F.E. Tjong Tjin Tai, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 257 Rv, aant. 6 (actueel t/m 08-09-2019), met verwijzing naar HR 15 januari 1999, NJ 1999/665 m.nt. D.W.F. Vranken (Procter & Gamble/Kimberly Clark), rov. 3.3.2: het hof was niet gehouden het criterium aan te leggen of er enige kans of een redelijke kans is of waarschijnlijk is dat de bewijslevering in de bodemprocedure zal slagen.

16 [eiser] verwijst in de procesinleiding naar: I. Giesen, ‘Het kort geding en de regels van bewijslastverdeling’, NJB 1998/36, p. 1629; Gisolf, Kort geding en rechter 1993/613, p. 125; en A.C. van Schaick en G.J. Visser, ‘Het Nederlandse kort geding in het licht van EHRM 15 oktober 2009, NJ 2010/180 (Micallef/Malta)’, in: Makkink, Nieuwe Weme & Van Wees (red.), Ik ben niet overtuigd, Prinsengrachtreeks 2015/1, p. 391 e.v., i.h.b. p. 398.

17 Giesen, t.a.p., p. 1633-1634.

18 Asser Procesrecht/Boonekamp 6 2020/112 en 2020/131.

19 Rov. 3.1 van het bestreden arrest.

20 Aldus Asser Procesrecht/Boonekamp 6 2020/29.

21 [eiser] verwijst hierbij in de procesinleiding naar de conclusie van A-G Timmerman van 8 februari 2019, ECLI:NL:PHR:2019:261; HR 29 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG4992, NJ 1986/84 m.nt. W.L. Haardt (M’Barek/Van der Vloodt); HR 14 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE0660, NJ 2002/395 (Arbeidsvoorzieningsorganisatie/Poelman e.a., Incasso-kort geding); J.H. Blaauw, Het kort geding, A. Algemeen deel, Deventer 2002, p. 13; HR 22 januari 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4317, NJ 1982/505 m.nt. W.H. Heemskerk; en HR 14 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5519, NJ 2000/489.

22 [eiser] verwijst hierbij in de procesinleiding naar HR 22 januari 1992, NJ 1983/505 [bedoeld zal zijn: HR 22 januari 1982, NJ 1982/505] en T.F.E. Tjong Tjin Tai, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 254 Rv, aant. 17.2.

23 Vgl. de conclusies van A-G Langemeijer (ECLI:NL:PHR:2004:AP0263) vóór HR 28 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP0263, NJ 2004/602, onder 2.8, en van A-G Timmerman (ECLI:NL:PHR:2019:261) vóór HR 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:508, onder 3.19.

24 T.F.E. Tjong Tjin Tai, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 254 Rv, aant. 19.3 (actueel t/m 08-09-2019), waarbij Tjong Tjin Tai aanvullend opmerkt dat het vereiste van belang bij cassatie een uitzondering vormt.

25 J.W. Westenberg, Sdu commentaar burgerlijk procesrecht, art. 475e Rv, aant. C.1 (editie 2018); J. Feikema, E. van der Ploeg, J. Rijsdijk, J.J.L. Boudewijn, O.M. Jans en M.I. Cazemier, ‘De beslagvrije voet nader beschouwd’, in: J. Rijsdijk, O.M. Jans & J. Feikema (red.), Naar een nieuwe beslagvrije voet. Vereenvoudiging in een tweetrapsraket (preadvies), 2014, p. 214.

26 Asser/De Boer, Kolkman en Salomons 1-I 2020/83. Zie uitgebreid over het civielrechtelijke woonplaatsbegrip van art. 1:10 BW de conclusie van A-G De Bock (ECLI:NL:PHR:2019:484) vóór HR 28 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1052, NJ 2020/367 m.nt. A.I.M. van Mierlo, onder 4.1 t/m 4.5.

27 J.H. Rutten, ‘Betekenen van exploten’, in: S.J.W. van der Putten en M.R. van Zanten (red.), Compendium Beslag- en executierecht, 2018, par. 2.4.2/2.4.3.

28 Asser/De Boer, Kolkman en Salomons 1-I 2020/83 met verwijzing naar Parl. Gesch. BW Boek 1 1962, p. 43.

29 Asser Procesrecht/Boonekamp 6 2020/154; W.D.H. Asser, Civiele cassatie, 2018, par. 4.6.

30 A.E.H. van der Voort Maarschalk en A. Knigge, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2019/43 en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2019/69-71.

31 B.T.M. van der Wiel, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2019/116 (met instemmende verwijzing naar M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken, 2014, p. 137-138).

32 Zie het antwoord incidenteel appel, onder 7 en 8.

33 Zie de memorie van antwoord tevens inhoudende (voorwaardelijk) incidenteel appel, onder 8 en 9.

34 Uit het proces-verbaal van comparitie van partijen van 24 april 2019, onder 9, blijkt dat de advocaat van [eiser] heeft bevestigd dat hij de gemeente Amsterdam heeft verzocht om een adresonderzoek uit te voeren met betrekking tot [verweerder] .

35 Zie de akte overlegging producties ten behoeve van comparitie van partijen van 24 april 2019, onder 10 (productie 10).

36 [eiser] verwijst in de procesinleiding naar zijn stellingen a t/m q, zoals weergegeven op p. 6 t/m 9 van de procesinleiding.

37 Zie de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie onder 8 en 10, en de memorie van grieven onder 14.

38 Zie de pleitnotities van [verweerder] van 28 juni 2018, p. 3 (B-dossier), en de memorie van antwoord tevens inhoudende (voorwaardelijk) incidenteel appel, onder 10-12.

39 Zie de memorie van grieven van [eiser] , onder 37. In de procesinleiding verwijst [eiser] naar randnummer 6 van zijn antwoord incidenteel appel.

40 HR 20 september 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0338, NJ 1992/552 m.nt. J.B.M. Vranken.

41 In de procesinleiding wordt per abuis gesproken van “375g eerste lid Rv”.

42 [eiser] verwijst in de procesinleiding naar gerechtshof Amsterdam 21 september 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BV0492 en naar zijn memorie van grieven, onder 28.

43 Kamerstukken II 1982-1983, 17 897, nrs. 1-3, p. 21 en 22.

44 Zie A. Steneker in zijn noot (JBPr 2020/80) bij rechtbank Den Haag 18 juni 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:5510, onder 1, en M. Meijsen, Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland, diss. 2013, p. 288.

45 De tweede volzin is geschrapt.

46 J.W. Westenberg, Sdu Commentaar Burgerlijkprocesrecht, art. 475g Rv, aant. C.1 (editie 2018) en in zijn noot (JBPr 2020/83) bij vzr. rb. Overijssel, zittingsplaats Almelo, 29 juli 2020, ECLI:NL:RBOVE:2020:2547, p. 1236.

47 S.N.J. Putter, ‘De informatieplicht van de schuldenaar om inlichtingen te verstrekken over diens positie’, BER 2020/1, p. 21.

48 L.P. Broekveldt, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 475g Rv, aant. 2 (actueel t/m 01-05-2009).

49 A.J. Gieske, T&C Rv, commentaar op art. 475g Rv, aant. 2 (actueel t/m 01-01-2020); A.W. Jongbloed, ‘Hoever reikt de schuldenaarsverplichting inkomensbronnen op te geven?’, TvPP 2011/4, p. 107.

50 H.G. Punt, Memo beslagrecht, 2020, p. 389-390 (zie ook p. 402).

51 Vranken trekt de conclusie uit het arrest dat vooralsnog eigenlijk alleen het principe is geformuleerd dat een debiteur (in ieder geval in de executiefase) een inlichtingenplicht jegens zijn crediteur heeft en dat voorts vaststaat dat deze plicht voortvloeit uit de redelijkheid en billijkheid van art. 6:2 en art. 6:248 BW. Z.i. heeft art. 475g Rv betrekking op een bijzondere situatie. Zie zijn noot in NJ 1992/552 onder 8 en 9.

52 Zie over de omvang van de informatieplicht in art. 475g Rv (oud) en na de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet: Nieuwhof en O.M. Jans, in: M.I. Cazemier en O.M. Jans (red.), Bestaansminimum en bankbeslag. Bescherming van de schuldenaar bestendigd, KBvG-preadvies 2018, p. 150-152.

53 Asser Procesrecht/Steneker 5 2019/329 en zijn noot (JBPr 2020/80) bij rechtbank Den Haag 18 juni 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:5510, onder 1 en 3.

54 Kamerstukken II 2018/19, 35 225, nr. 3, p. 48.

55 Gerechtshof Leeuwarden 30 maart 2010, ECLI:NL:GHLEE:2010:BL9953, rov. 10.

56 Gerechtshof Amsterdam 20 december 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BV0492 (rechtspraak.nl vermeldt als datum uitspraak “21-09-2011”, maar in de tekst van de uitspraak zelf staat vermeld “arrest in kort geding van de eerste civiele kamer van 20 december 2011”), NJF 2012/78, rov. 4.4.

57 Naar dit arrest wordt verwezen door de voorzieningenrechter in het kortgedingvonnis van de rechtbank Den Haag van 18 juni 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:5510, rov. 4.3.

58 Zie de noot van A. Steneker (JBPr 2020/80) bij rechtbank Den Haag 18 juni 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:5510, onder 3 en 4.

59 Noot van J.W. Westenberg (JBPr 2020/83) bij vzr. rb. Overijssel, zittingsplaats Almelo, 29 juli 2020, ECLI:NL:RBOVE:2020:2547.

60 Zie de noot van J.W. Westenberg (JBPr 2020/83) bij vzr. rb. Overijssel, zittingsplaats Almelo, 29 juli 2020, ECLI:NL:RBOVE:2020:2547, p. 1237.

61 S.N.J. Putter, ‘De informatieplicht van de schuldenaar om inlichtingen te verstrekken over diens positie’, BER 2020/1, p. 21 e.v.

62 Kamerstukken II 2017/18, 34 766, nr. 6, p. 11.

63 Kamerstukken II 2017/18, 34 766, nr. 6, p. 20-21.

64 H.T. Nieuwhof en O.M. Jans, in: M.I. Cazemier en O.M. Jans (red.), Bestaansminimum en bankbeslag. Bescherming van de schuldenaar bestendigd, (KBvG-preadvies), 2018, p. 150-151; A.J. Gieske, T&C Rv, commentaar op art. 475g Rv, aant. 2 (actueel t/m 01-01-2020); Kamerstukken II 1982/83, 17 897, nrs. 1-3, p. 21, eerste alinea.

65 Kamerstukken II 2016/17, 34 628, nr. 3, p. 13: “Het is op basis van artikel 475g Rv aan hem om deze inkomsten te melden. Hij is er ook bij gebaat om deze te melden, nu niet melden tot gevolg heeft dat in de berekening uit wordt gegaan van een te hoog recht op toeslagen en dus een te lage compensatiekop, wat een lagere beslagvrije voet dan daar waar recht op bestaat tot gevolg heeft.”

66 Zie ook de pleitnotities van [verweerder] van 28 juni 2018, p. 6 (B-dossier).

67 Kamerstukken II 1982/83, 17 897, nrs. 1-3, p. 21; Kamerstukken II 1986/87, 17 897, nr. 5, p. 10.

68 H.G. Punt, Memo beslagrecht, 2020, p. 402; H.A. Stein en J.W. Westenberg, ‘Hoe beslagvrij is de beslagvrije voet?’, BER 2013/2, p. 24 (voetnoot 33); H.A. Stein, Beslag- en Executierecht in de (dagelijkse) praktijk, 2016, p. 103.

69 Kamerstukken II 1986/87, 17 897, nr. 5, p. 10 en Kamerstukken II 1982/83, 17 897, nrs. 1-3, p. 21.