Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:485

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
18-05-2021
Datum publicatie
19-05-2021
Zaaknummer
20/00558
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Post-Keskin. Slagende klacht dat het hof het verzoek tot het oproepen en horen van verbalisant als getuige ten onrechte heeft afgewezen. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/00558

Zitting 18 mei 2021

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 7 februari 2020 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 28 uren, subsidiair 14 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren.

  2. Namens de verdachte heeft L. Bien, advocaat te Maastricht, één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het hof heeft de verdachte veroordeeld wegens het besturen van een personenauto, terwijl hem de bevoegdheid daartoe op dat moment was ontzegd. De verdachte betwist het in verband hiermee door verbalisant [verbalisant] opgemaakte proces-verbaal voor zover daarin is gerelateerd dat de verdachte op de tenlastegelegde datum en plaats een motorrijtuig heeft bestuurd. Namens de verdachte is verzocht de betreffende verbalisant te horen, maar dit verzoek is door het hof afgewezen.

  4. Het middel bevat de klacht dat het hof het verzoek tot het oproepen van verbalisant [verbalisant] als getuige ten onrechte heeft afgewezen. Daarbij wordt in het bijzonder een beroep gedaan op twee overzichtsarresten van de Hoge Raad over het horen van getuigen.1 Aangevoerd wordt dat het verzoek voldeed aan de motiveringseisen zoals deze door de Hoge Raad worden gesteld en dat het oordeel van het hof dat dit verzoek op geen enkele wijze is onderbouwd reeds daarom onbegrijpelijk is. Verder wordt aangevoerd dat ook indien de “overall fairness of the criminal proceedings” in lijn met de rechtspraak van het EVRM wordt gewogen, sprake is van een inbreuk op art. 6 EVRM door afwijzing van het verzoek, omdat het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant] “geheel en alleen ten grondslag ligt aan de strafrechtelijke veroordeling” van de verdachte.

5. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat:

“Hij, op 30 oktober 2014, te Oldebroek, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat hem bij strafbeschikking de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd, gedurende de tijd dat hem die bevoegdheid was ontzegd, op de weg, de Rijksweg A28, een motorrijtuig (personenauto), heeft bestuurd”.

6. Aan deze bewezenverklaring heeft het hof de volgende bewijsmiddelen ten grondslag gelegd:

“1.

Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal misdrijf met CJIB-nummer 5132542002093963 d.d. 19 december 2014, met bijlagen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , hoofdagent van politie, Dienst Verkeerspolitie, Unit Assen, Korps landelijke politiediensten, voor zover inhoudende, het relaas van de verbalisant, zakelijk weergegeven:

Ik, [verbalisant] , zag/constateerde, danwel stelde na onderzoek vast, dat een persoon een feit pleegde dat is gecodeerd als feitnummer G320B en dat als volgt is omschreven in de tekstenbundel van de Commissie Feiten en Tarieven van het Openbaar Ministerie:

als degene die weet of redelijkerwijs moet weten dat hem/haar bij rechterlijke uitspraak of strafbeschikking de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen is ontzegd, gedurende de tijd dat hem/haar die bevoegdheid is ontzegd, op de weg een motorrijtuig besturen of doen besturen: met en motorrijtuig waarvoor een rijbewijs is vereist.

Datum feit: 30-10-2014, 18:21 uur.

Locatie: Oldebroek, De Rijksweg A28, Hm.p: 74.6, links

Voertuig: personenauto, Volvo, [kenteken]

Ter controle op de naleving der bepalingen gesteld bij en krachtens de Wegenverkeerswet 1994 werd aan de bestuurder van een motorrijtuig waarvoor het bezit van een rijbewijs wel is vereist een stopteken gegeven en een nader onderzoek ingesteld. Bij nadere informatie bleek dat de verdachte bij strafbeschikking de rijbevoegdheid was ontzegd.

Parketnummer: 0207243714

Vonnisdatum: 02-09-2014

Executiedatum: 15-09-2014

Expiratiedatum: 14-11-2014.

Verklaring verdachte: ‘Het klopt. U heeft gelijk. Ik heb geen geldig rijbewijs. Ik heb vandaag een auto gekocht. Ik wil toch blijven rijden.’

2.

Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een akte van uitreiking van de OBM waaruit blijkt dat de brief op 26 augustus 2014 om 12:35 uur is uitgereikt aan, een schriftelijk gemachtigde met een geldig legitimatie- en machtigingsbewijs, [betrokkene 1] .”

7. Nadat een voorafgaand aan de terechtzitting gedaan verzoek tot het horen van verbalisant [verbalisant] als getuige door de advocaat-generaal niet was gehonoreerd, heeft de verdediging ter terechtzitting van 7 februari 2020 het hof verzocht deze verbalisant als getuige op te roepen om te worden gehoord. Met betrekking tot dat verzoek houdt het proces-verbaal van de terechtzitting het volgende in:

“De verdachte verklaart:

U, voorzitter, vraagt mij waarom ik het niet eens ben met de bewezenverklaring. Ik was niet de bestuurder van de auto. Ik had de auto net gekocht en een vriend van mij reed. We stonden op een parkeerplaats aan de kant van de snelweg. Mijn vriend moest plassen en toen ben ik even op de bestuurdersstoel gaan zitten. Ineens kwam er een politieagent naast me zitten. De motor van de auto draaide niet eens. De politie was bezig een vrachtwagen van de weg te halen. Die vrachtwagen stopte achter mijn auto. Ik wist dat mijn rijbevoegdheid was ontzegd. Dat staat niet ter discussie.

De voorzitter deelt mede dat in het proces-verbaal van overtreding is vermeld dat de verbalisant geconstateerd heeft dat u op de A28 een personenauto heeft bestuurd en dat u ter controle op de naleving van de bepalingen krachtens de Wegenverkeerswet 1994 een stopteken is gegeven en bij nader onderzoek is gebleken dat u de rijbevoegdheid was ontzegd. U zou vervolgens verklaard hebben dat het klopt dat u geen geldig rijbewijs heeft.

De verdachte verklaart desgevraagd:

De verbalisant stelt dat ik heb gereden op de A28. De verklaring heb ik volgens de verbalisant niet getekend omdat ik te ziek zou zijn geweest, maar dat is helemaal niet waar. Als ik te ziek zou zijn geweest om te tekenen, dan zou ik al helemaal niet hebben kunnen rijden. U, voorzitter, vraagt mij waarom ik een auto kocht terwijl ik een rij-ontzegging had. Het was maar een korte rij-ontzegging en ik wilde toch een mooie auto hebben.

De raadsman voert aan:

Het proces-verbaal voldoet niet aan de eisen die de wet daaraan stelt. Uit het proces-verbaal komen de feiten en omstandigheden niet naar voren. Ik verzoek u om de betreffende verbalisant ter zitting als getuige te horen. Ik ben van mening dat het noodzaakscriterium aan de orde is. Ik pleit er primair voor dat het proces-verbaal niet als bewijs mag worden gebruikt en subsidiair verzoek ik het hof de verbalisant ter zitting als getuige te horen.

[…]

De raadsman voert het woord ter verdediging en deelt mede:

Mijn cliënt verklaart dat hij geen meter heeft gereden. Dat is een heel duidelijk standpunt. Iemand anders was de bestuurder. Mijn cliënt heeft zijn redenen om de bestuurder niet mee te willen nemen als getuige. Hij heeft het contact met hem verbroken. Het proces-verbaal kent te weinig feiten en omstandigheden. Ik wil daarbij wijzen op artikel 152 en 153 van het Wetboek van Strafvordering. Kortom het proces-verbaal heeft te weinig vlees aan het bot. Het is niet meer dan enkel het overnemen van een feitcode. Hoe is mijn cliënt in het zicht gekomen? Is er een stopteken gegeven? Over welke afstand hebben ze cliënt gevolgd? Hebben ze continue zicht gehad op het voertuig? Het is mijns inziens überhaupt een mager proces-verbaal. En dan nog de vreemde zinsnede met betrekking tot het overgeven. Mijn cliënt bestrijdt dit. Het proces-verbaal roept meer vragen op dan het beantwoordt. Ik pleit dan ook primair voor een vrijspraak vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs en subsidiair verzoek ik de verbalisant als getuige te horen. Het bewijs is uitsluitend gebaseerd op wat de verbalisanten hebben opgeschreven. Ik ben het niet eens met het standpunt van de advocaat-generaal dat teveel tijd is verstreken en de verbalisant zich per sé niets meer kan herinneren. Als hij het niet meer weet, dan is het in ieder geval gevraagd. Het noodzaakscriterium is aan de orde. Hij is de enige die cliënt belast. Ik stel voor hem ter zitting te horen of bij de raadsheer-commissaris om de betrouwbaarheid te toetsen. Het tijdsverloop mag niet de reden zijn om te anticiperen op het vergaan van de herinnering bij de verbalisant. Meer subsidiair pleit ik voor het verkorten van de proeftijd van 2 jaren naar een 1 jaar.”

8. Volgens de aantekening van het mondeling arrest in het proces-verbaal van de terechtzitting van 7 februari 2020 heeft het hof dat verzoek als volgt afgewezen:

“Het hof wijst het verzoek tot het horen van de verbalisant af en overweegt daarbij het volgende. Het ambtsedig opgemaakte proces-verbaal is voldoende duidelijk en kent voldoende feiten en omstandigheden. Het hof ziet dan ook geen reden om aan het proces-verbaal te twijfelen. Verdachte heeft zijn ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring, waarvan de inhoud strijdig is met de in het proces-verbaal weergegeven bevindingen van de verbalisant, voorts op geen enkele wijze onderbouwd. Het hof ziet derhalve geen noodzaak tot het horen van de verbalisant.”

9. Voor de beoordeling van het middel is van belang dat de schriftuur is ingediend voordat het EHRM op 19 januari 2021 uitspraak heeft gedaan in de zaak-Keskin tegen Nederland, waarin in het bijzonder is ingegaan op de motiveringseis die in bestendige rechtspraak van de Hoge Raad werd gesteld aan de onderbouwing van verzoeken van de verdediging tot het oproepen en horen van getuigen.2 In zijn arrest van 20 april 2021 heeft de Hoge Raad uiteengezet dat de uitspraak van het EHRM in de zaak-Keskin aanleiding heeft gegeven tot het bijstellen van de eisen die in eerdere rechtspraak door de Hoge Raad zijn geformuleerd over de onderbouwing van verzoeken van de verdediging tot het oproepen en horen van getuigen.3 In dat kader heeft de Hoge Raad ook opmerkingen gemaakt over de beoordeling van de “overall fairness” van de procedure.

10. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende overwegingen van de Hoge Raad in zijn arrest van 20 april 2021 van bijzonder belang:

Implicaties van de uitspraak van het EHRM voor beslissingen op verzoeken tot het oproepen en horen van getuigen

2.8 De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496 op hoofdlijnen uiteengezet op welke wijze de op grond van het Wetboek van Strafvordering geldende regels over het oproepen dan wel horen van door de verdediging opgegeven getuigen moeten worden uitgelegd. In aanvulling daarop heeft de Hoge Raad in het onder 2.2 weergegeven arrest van 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015 uiteengezet welke eisen gelden met betrekking tot de onderbouwing van verzoeken van de verdediging tot het oproepen en horen van getuigen. De uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin geeft aanleiding die eisen bij te stellen waar het gaat om getuigen die een verklaring met een belastende strekking hebben afgelegd.

2.9.1 De motiveringsplicht die in het genoemde arrest van 4 juli 2017 door de Hoge Raad is geformuleerd, houdt in dat de verdediging ten aanzien van iedere door haar opgegeven getuige moet toelichten waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak op grond van artikel 348 en 350 Sv te nemen beslissing. Aan dit motiveringsvereiste ligt ten grondslag dat de rechter in staat wordt gesteld de relevantie van het verzoek te beoordelen, mede in het licht van de onderzoeksbevindingen zoals deze zich op het moment van het verzoek in het dossier bevinden. Ook draagt dat vereiste eraan bij dat de rechter zo vroegtijdig mogelijk het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 lid 1 EVRM bij de beoordeling van het verzoek kan betrekken.

2.9.2 De uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin heeft tot gevolg dat in bepaalde gevallen het belang bij het oproepen en horen van een getuige moet worden voorondersteld, zodat van de verdediging geen nadere onderbouwing van dit belang mag worden verlangd. Dat is aan de orde als het verzoek betrekking heeft op een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al – in het vooronderzoek of anderszins – een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. Het gaat dan om een verklaring die door de rechter voor het bewijs van het tenlastegelegde feit zou kunnen worden gebruikt of al is gebruikt. Daarvan is in ieder geval sprake als de rechter in eerste aanleg een verklaring van een getuige voor het bewijs heeft gebruikt, en de verdediging in hoger beroep het verzoek doet deze getuige op te roepen en te (doen) horen.

2.9.3 Het vorenstaande betekent niet dat elk verzoek tot het oproepen en horen van een getuige die al een belastende verklaring heeft afgelegd, door de rechter zonder meer moet worden toegewezen. Zo’n verzoek kan worden afgewezen op de – in artikel 288 lid 1 Sv genoemde, maar ook voor de toepassing van artikel 315 Sv van belang zijnde – gronden dat het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen, of dat het gegronde vermoeden bestaat dat de gezondheid of het welzijn van de getuige door het afleggen van een verklaring ter terechtzitting in gevaar wordt gebracht, en het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang de getuige ter terechtzitting te kunnen ondervragen. In de rechtspraak van het EHRM zijn onder meer deze gronden erkend als goede reden voor het niet oproepen en horen van een getuige. Verder verzet artikel 6 EVRM zich niet ertegen dat de rechter het verzoek afwijst als het oproepen en horen van een getuige onmiskenbaar irrelevant of overbodig (“manifestly irrelevant or redundant”) is, omdat het (opnieuw) horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen indien de al door de getuige afgelegde verklaring betrekking heeft op feiten en omstandigheden die door de verdachte niet worden betwist of als die feiten en omstandigheden door andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek al buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan.
2.9.5 Opmerking verdient verder dat de uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin niet afdoet aan de eis die in de rechtspraak van de Hoge Raad wordt gesteld en die ook aansluit bij de rechtspraak van het EHRM, dat als de verdediging een getuige wenst te ondervragen, zij hiertoe het nodige initiatief neemt. Dat houdt in dat de verdediging die wens kenbaar moet maken door een stellig en duidelijk verzoek te doen tot het oproepen en horen van een concreet aangeduide getuige. In de gevallen waarin, zoals hiervoor onder 2.9.2 aan de orde is gekomen, het belang bij het oproepen en horen van een getuige moet worden voorondersteld, mag zo’n verzoek niet worden afgewezen op de enkele grond dat het verzoek niet of niet naar behoren is onderbouwd. Dit neemt niet weg dat de verdediging bij het doen van een verzoek tot het oproepen en horen van een getuige er met het oog op een juiste beoordeling van dat verzoek baat bij kan hebben om toe te lichten dat het verzoek betrekking heeft op een getuige die een verklaring heeft afgelegd die voor de verdachte belastend van aard is of kan zijn en dat zij daarbij, voor zover mogelijk, een aanduiding geeft van de door de verdachte betwiste onderdelen van die verklaring en in samenhang daarmee van de onderwerpen waarover zij de getuige wenst te ondervragen. Het geven van zo’n toelichting kan bijvoorbeeld van betekenis zijn als één van de onder 2.9.3 genoemde afwijzingsgronden aan de orde zou kunnen zijn of als het verzoek betrekking heeft op een groot aantal getuigen en de rechter voor de beslissing staat of al deze getuigen moeten worden gehoord of dat (vooralsnog) wordt volstaan met een aantal van hen.

[…]

Beoordeling van de ‘overall fairness’ van de procedure

2.12.1 De voor het Nederlandse stelsel kenmerkende omstandigheid dat de rechter in de loop van het strafproces beslissingen neemt over het oproepen en horen van getuigen, is niet alleen van betekenis bij de beoordeling van getuigenverzoeken, maar ook bij de eindbeoordeling van de zaak. Zoals in het onder 2.2 genoemde arrest van 4 juli 2017 is overwogen, moet de rechter voordat hij einduitspraak doet, nagaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Zo nodig zal hij hetzij ambtshalve alsnog overgaan tot het oproepen en het horen van (een) getuige(n), hetzij bij zijn beslissing over de bewezenverklaring onder ogen moeten zien of en zo ja, welke gevolgen moeten worden verbonden aan de omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van de mogelijkheid om de relevante getuige(n) in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen.

2.12.2 Deze wijze van beoordeling sluit aan bij de drie stappen die in de rechtspraak van het EHRM deel uitmaken van de beoordeling of, in gevallen waarin de verdediging niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om het ondervragingsrecht uit te oefenen, het proces als geheel eerlijk is verlopen. Van belang hierbij zijn (i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, (ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. Deze beoordelingsfactoren moeten daarbij in onderling verband worden beschouwd. Naarmate het gewicht van de verklaring groter is, is het – wil de verklaring voor het bewijs kunnen worden gebruikt – des te meer van belang dat een goede reden bestaat voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid en dat compenserende factoren bestaan. Dit betekent dat met name in gevallen waarin niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen zonder dat die in beslissende mate zal steunen op de verklaring van de getuige, terwijl de verdediging het nodige initiatief heeft getoond om het ondervragingsrecht te kunnen uitoefenen en een goede reden ontbreekt om de getuige niet te horen, de rechter (alsnog) zal moeten overgaan tot het oproepen en horen van die getuige, althans nog zal moeten doen wat redelijkerwijs mogelijk is om de verdediging de gelegenheid te bieden tot uitoefening van het ondervragingsrecht.

Als de uitoefening van het ondervragingsrecht niet wordt gerealiseerd, moet de rechter onderzoeken of voldoende compenserende factoren hebben bestaan voor de door de verdediging ondervonden beperkingen bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige, waarmee ook de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing wordt gewaarborgd. Als de rechter oordeelt dat (vooralsnog) onvoldoende compenserende factoren hebben bestaan, onderzoekt hij of daartoe alsnog stappen kunnen worden gezet. Het gaat er daarbij in de kern om dat de rechter de betrouwbaarheid van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige zorgvuldig onderzoekt, een en ander in samenhang met het overige bewijsmateriaal en in het licht van de betwisting door de verdachte van die verklaring. Van belang daarbij kunnen zijn verklaringen van personen tegenover wie de getuige – kort na de gebeurtenissen waar het om gaat – zijn of haar verhaal heeft gedaan of die anderszins feiten en omstandigheden waarop de getuigenverklaring ziet, kunnen bevestigen. Het kan onder omstandigheden ook gaan om verklaringen van deskundigen die de totstandkoming en de betrouwbaarheid van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige dan wel de persoon van die getuige aan een onderzoek hebben onderworpen. Verder kan compensatie betrekking hebben op procedurele waarborgen zoals de beschikbaarheid van een audiovisuele vastlegging van het verhoor van de getuige of het ondervragen van de zojuist genoemde personen of deskundigen. In dit verband kan ook van belang zijn dat de verdediging wel een beperkte mogelijkheid heeft gehad om vragen te (doen) stellen aan de getuige.

2.12.3 De toetsing in cassatie kan gericht zijn op de vraag of de beslissing het tenlastegelegde mede op grond van een verklaring van een niet-ondervraagde getuige bewezen te verklaren in overeenstemming is met het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces en de daaraan verbonden notie van ‘the overall fairness of the trial’. Bij deze beoordeling kan van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dit het geval is, (nader) heeft gemotiveerd.

Verder heeft wat hiervoor onder 2.12.2 is overwogen ook betekenis voor de toetsing in cassatie van klachten die zich specifiek richten tegen een beslissing tot afwijzing van een verzoek tot het oproepen en horen van een getuige die een belastende verklaring heeft afgelegd. Het belang bij de betreffende cassatieklacht kan ontbreken als de procedure in haar geheel – ondanks de afwijzing van het verzoek tot het horen en oproepen van die getuige – voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Het ligt daarom in de rede dat, als een dergelijke klacht wordt aangevoerd, de schriftuur een toelichting bevat dat en waarom de bestreden beslissing tot gevolg heeft dat het recht op een eerlijk proces is geschonden.”

11. In de onderhavige zaak is door de verdediging een stellig en duidelijk verzoek gedaan tot het oproepen en horen van de getuige [verbalisant] door het hof of de raadsheer-commissaris. Aan dat verzoek is onder meer ten grondslag gelegd dat de verdachte “geen meter heeft gereden”. Uit het door hof voor het bewijs gebruikte proces-verbaal blijkt dat de getuige daarin heeft gerelateerd dat de verdachte “een motorrijtuig [heeft bestuurd] of doen besturen”. Daarmee is het door de verdachte betwiste onderdeel van dit proces-verbaal aangeduid, terwijl in samenhang daarmee nog andere onderwerpen zijn aangegeven waarover de verdediging de getuige wenst te ondervragen. De raadsman wees ter terechtzitting op het volgende: “Hoe is mijn cliënt in het zicht gekomen? Is er een stopteken gegeven? Over welke afstand hebben ze cliënt gevolgd? Hebben ze continue zicht gehad op het voertuig?” Bovendien is bij het verzoek aangegeven dat “het bewijs […] uitsluitend gebaseerd [is] op wat verbalisanten hebben opgeschreven” waarmee kennelijk het bewijs in eerste aanleg is bedoeld. De getuige [verbalisant] was een van de verbalisanten.

12. Het hof heeft dit verzoek afgewezen omdat de noodzaak tot het horen van de getuige niet is gebleken. Het hof heeft daarbij overwogen dat het ambtsedig opgemaakte proces-verbaal voldoende duidelijk is en voldoende feiten en omstandigheden kent zodat het hof geen reden ziet om aan het proces-verbaal te twijfelen. De overweging van het hof dat de verdachte “zijn ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring, waarvan de inhoud strijdig is met de in het proces-verbaal weergegeven bevindingen van de verbalisant, voorts op geen enkele wijze heeft onderbouwd” lees ik als een bijkomende reden waarom het hof geen reden ziet om aan de inhoud van het proces-verbaal van de getuige te twijfelen.

13. In de onderhavige zaak moet het belang van de verdediging bij het oproepen en horen van de getuige [verbalisant] worden verondersteld. Dat verzoek had immers betrekking op een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking; de verklaring is door de rechter in eerste aanleg gebruikt voor het bewijs van het tenlastegelegde feit. De afwijzing van het verzoek tot het oproepen en horen van de getuige [verbalisant] is daarom niet zonder meer begrijpelijk.

14. Voor zover het gaat om de beantwoording van de vraag of de procedure in haar geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM gegarandeerde recht op een eerlijk proces, geldt – gelet op rechtsoverweging 2.12.3 in het arrest van de Hoge Raad van 20 april 2021 – dat de toetsing in cassatie is gericht op de vraag “of de beslissing het tenlastegelegde mede op grond van een verklaring van een niet-ondervraagde getuige bewezen te verklaren in overeenstemming is met het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces en de daaraan verbonden notie van ‘the overall fairness of the trial’.” Bij het beantwoorden van deze vraag merk ik op dat uit het arrest in het bijzonder niet kan blijken dat het hof een goede reden voor afwezigheid van de getuige heeft vastgesteld en of het hof heeft onderzocht “of voldoende compenserende factoren hebben bestaan voor de door de verdediging ondervonden beperkingen bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige, waarmee ook de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing wordt gewaarborgd.” Gelet op het doorslaggevende gewicht van de verklaring van de getuige [verbalisant] voor het bewijs betekent dit dat de procedure in haar geheel niet voldoet aan het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces.

15. Het middel is terecht voorgesteld.

16. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die aanleiding geeft tot vernietiging van de bestreden uitspraak.

17. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt. M.J. Borgers, r.o. 2.6 en HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1219, NJ 2017/441 m.nt. T. Kooijmans, r.o. 3.6.

2 EHRM 19 januari 2021, ECLI:CE:ECHR:2021:0119JUD000220516, NJ 2021/93 m.nt. W.H. Vellinga.

3 HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, r.o. 2.1.