Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:473

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
11-05-2021
Datum publicatie
14-05-2021
Zaaknummer
20/00380
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie plv-AG. Poging diefstal van rolluiken en vernieling van rolluiken. 1. Het door het hof bewezenverklaarde opzet is om drieërlei redenen ontoereikend gemotiveerd. 2. Het hof heeft het verzoek tot het benoemen van een gedragskundige toereikend gemotiveerd afgewezen. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/00380

Zitting 11 mei 2021

CONCLUSIE

P.M. Frielink

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,

hierna: de verdachte.

1 Het cassatieberoep

1.1.

De verdachte is bij arrest van 30 januari 2020 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 2. “poging tot diefstal” en 3. “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen”, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken.

1.2.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. J.J. Weldam, advocaat te Utrecht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

2 Het eerste middel

2.1.

In het middel wordt er over geklaagd dat het onder 2 en 3 bewezenverklaarde opzet niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

2.2.

Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 2 en 3 bewezenverklaard dat:

“2. hij op 20 november 2017 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om 3 rolluiken die toebehoorden aan [betrokkene 1] weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, voornoemde rolluiken in een winkelwagentje heeft geladen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3. hij op 20 november 2017 te [plaats] , opzettelijk en wederrechtelijk 3 rolluiken die aan [betrokkene 1] toebehoorden, heeft vernield.”

2.3.

Deze bewezenverklaringen berusten op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, (als bijlage op pagina’s 5-8 van het proces-verbaal, genummerd PL0900-2017354214), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van aangever [betrokkene 1] :

Ik ben sinds eind 2014 eigenaar van een drive-in woning, welke is gelegen aan de [a-straat 1] in [plaats] . De tuin is gelegen aan de achterzijde van mijn woning. Mijn woning is op de begane grond voorzien van één elektrisch rolluik aan de tuinzijde. Op de eerste verdieping is mijn woning aan beide zijden voorzien van een elektrisch rolluik.

Mijn tuin wordt afgesloten door middel van een tuinhuis. Mijn tuinhuis is aan beide zijden voorzien van een deur. Vanaf de buitenzijde van de tuin loopt een paadje, welke uitkomt op de openbare weg. Het paadje dat toegang geeft tot de openbare weg wordt gescheiden door middel van een bossage van ongeveer vier meter breed.

Ik ben vorige maand begonnen met het verbouwen van mijn woning. Zodoende heb ik de rolluiken welke op de begane grond en de eerste verdieping waren bevestigd losgehaald. Ik heb de rolluiken in eerste instantie in mijn tuin neergelegd. Op 18 november 2017 is mijn tuin betegeld door een stratenmaker. Daarom heb ik de rolluiken op het paadje gelegd, welke tussen mijn tuinhuis en de bossagestrook ligt.

Op 20 november 2017 omstreeks 23.20 uur was ik thuis samen met mijn vrouw. Mijn vrouw hoorde geluid van een metalen voorwerp, welke vanuit de richting van onze tuin kwam. Ik ben de tuin ingelopen en zag een lange manspersoon staan. Ik zag dat hij bezig was met mijn rolluiken. Ik vertelde hem dat dit mijn rolluiken waren. Hij vertelde dat hij geen naam op de rolluiken zag staan. Ik zag dat de man de rolluiken inmiddels uit elkaar had gehaald. Ik herhaalde nogmaals dat het mijn rolluiken waren. Hierop antwoordde hij dat dit zijn handel was. Ik vroeg hem hoe wij dit gingen oplossen. Hij zei: “alles is kapot”. Ik vertelde hem dat ik de politie ging bellen. Omstreeks 23.31 uur heb ik de politie gebeld.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van dit feit.

2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, (als bijlage op pagina 18 van het proces-verbaal, genummerd PL0900-2017354214), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als bevindingen van verbalisanten:

Op 20 november 2017 omstreeks 23:35 uur kregen wij van de centralist van het operationeel centrum het verzoek om te gaan naar de [a-straat 1] in [plaats] . Op 20 november 2017 omstreeks 23:45 uur waren wij ter plaatse. Wij zijn naar de achterzijde van de woning gelopen. Wij zagen dat er op het voetpad achter de woning een rolluik lag. Wij zagen dat het rolluik gedeeltelijk was gesloopt. Tevens zagen wij dat er een leeg winkelwagentje stond.

Wij zagen iets verderop in het park aan de [b] dat er één man stond en één man op het hekje zat. De man die stond bleek later de aangever te zijn. De man die op het hekje zat gaf op te zijn genaamd: [verdachte] .

Ik, verbalisant [verbalisant] , heb [verdachte] de cautie medegedeeld en gevraagd wat hij aan het doen was.

Wij hoorden dat [verdachte] ons verklaarde dat hij:

- het rolluik wilde hebben voor oud ijzer;

- het rolluik op gemeentegrond lag en hij het dus mocht pakken;

- die mensen het rolluik maar ergens anders hadden moeten neerleggen.

Wij hebben [verdachte] aangehouden.

Verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1968 in [geboorteplaats] .

3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, (als bijlage op pagina ’s 29-35 van het proces-verbaal, genummerd PL0900-2017354214), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van verdachte:

Er lagen rolluiken op het pad. Ik was daar de rolluiken aan het ophalen. De rolluiken lagen tegen de struiken, op het pad. Ik heb geprobeerd de rolluiken op een winkelwagentje te laden. Ik had géén toestemming om de rolluiken te vernielen / weg te nemen.”

2.4.

Het bestreden arrest bevat, voor zover van belang, de volgende bewijsoverweging:

Standpunt verdediging

Uit het dossier blijkt dat aangever de rolluiken buiten de omheining van zijn tuin heeft aangeboden op grond dat toebehoort aan de gemeente. Verdachte kon niet opmaken dat de rolluiken aan aangever toebehoorden. Onder deze omstandigheden mocht verdachte er vanuit gaan dat aangever afstand van de rolluiken had gedaan en het bezit van de rolluiken zodoende had prijsgegeven. Het ontbreekt daarom aan het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde.

Gelet op deze feiten en omstandigheden kan evenmin worden gezegd dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij de rolluiken heeft vernield die aan iemand anders toebehoorde. Ook voor de tenlastegelegde vernieling ontbreekt het opzet. Verdachte dient ook ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

Oordeel hof

Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder dat verdachte er, op grond van de uit het dossier blijkende omstandigheden, in onderhavige situatie niet zonder meer van uit had mogen gaan dat het bezit van de rolluiken door aangever was prijsgegeven met het oogmerk om zich van zijn eigendom te ontdoen. De rolluiken bevonden zich op het moment dat verdachte deze aantrof op een paadje achter het tuinhuis van aangever. Het tuinhuis sluit de tuin van aangever af. Het paadje komt uit op de openbare weg.

Het hof is van oordeel dat verdachte, mocht er op dat moment al twijfel bij hem hebben bestaan over de vraag of aangever het oogmerk had om zich van zijn eigendom te ontdoen, dit nader had moeten onderzoeken door bijvoorbeeld navraag te doen. Nu hij dat heeft nagelaten heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de goederen niet door aangever waren weggegooid. Daarmee acht het hof, minst genomen de voorwaardelijke opzet bewezen. Daarmee is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft gepleegd. In het verlengde hiervan acht het hof ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft gepleegd, nu kan worden vastgesteld dat verdachte opzettelijk en wederrechtelijk de drie rolluiken heeft vernield die aan aangever toebehoorden.”

2.5.

De steller van het middel klaagt dat uit de door het hof vastgestelde omstandigheden, te weten het aantreffen van rolluiken buiten de omheining van een tuin, aangeboden op gemeentegrond en onder aarde en bladeren, het bewezenverklaarde opzet op het wederrechtelijk toe-eigenen en het vernielen niet zonder meer kan volgen. Volgens de steller van het middel vormt een en ander “mede in het licht van het gevoerde verweer, onvoldoende grond voor het oordeel dat bij de verdachte sprake is geweest van opzet, voorwaardelijke opzet inbegrepen.”

2.6.

Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen en de bewijsoverweging heeft het hof het volgende vastgesteld. De in de bewezenverklaringen bedoelde rolluiken zijn door de verdachte aangetroffen op een paadje achter het tuinhuis van aangever, tegen de struiken. De tuin van de aangever, die zich aan de achterzijde van de woning bevindt, wordt afgesloten door het tuinhuis. Het paadje loopt vanaf de buitenzijde van de tuin van de aangever en komt uit op de openbare weg. De aangever heeft zijn rolluiken op het paadje gelegd omdat hij deze in verband met een verbouwing van zijn woning heeft losgehaald en hij de rolluiken niet in zijn tuin kon leggen, omdat die werd betegeld. De vrouw van de aangever hoorde op 20 november 2017 omstreeks 23.20 uur geluid uit de tuin. De aangever zag dat de verdachte bezig was met de rolluiken. De aangever vertelde hem dat dit zijn rolluiken waren. De verdachte zei dat hij geen naam op de rolluiken zag staan. De verdachte had de rolluiken inmiddels uit elkaar gehaald. De aangever herhaalde dat het zijn rolluiken waren. De verdachte antwoordde daarop dat dit zijn handel was. Tegen de politie heeft de verdachte verklaard dat hij het rolluik wilde hebben voor oud ijzer, dat het rolluik op gemeentegrond lag en dat hij het dus mocht pakken, dat die mensen het rolluik maar ergens anders hadden moeten neerleggen, dat hij heeft geprobeerd de rolluiken op een winkelwagentje te laden en dat hij geen toestemming had om de rolluiken te vernielen en weg te nemen.

2.7.

Voor zover de steller van het middel ervan uitgaat dat het hof heeft vastgesteld dat de rolluiken “onder aarde en bladeren” zaten, mist het feitelijke grondslag. Hiervan blijkt niet uit de bewijsvoering van het hof.

2.8.

Gelet op de onder 2.6. weergegeven vaststellingen is het oordeel van het hof dat de verdachte er “niet zonder meer van uit had mogen gaan dat het bezit van de rolluiken door de aangever was prijsgegeven met het oogmerk om zich van zijn eigendom te ontdoen”, niet onbegrijpelijk. Uit die vaststellingen blijkt weliswaar dat de aangever de rolluiken op een paadje buiten zijn eigen tuin had gelegd, maar uit die vaststellingen blijkt ook dat dat paadje zich vlak achter zijn tuin bevond en dat aan de andere kant van het voetpad bossages waren.1 Daarmee heeft het hof vastgesteld dat de aangever de rolluiken niet op een plek heeft neergelegd waarvan voorbijgangers mogen aannemen dat de eigenaar er afstand van heeft gedaan,2 zoals bijvoorbeeld wel het geval is bij aan de straat gezet grof vuil.3 Gelet daarop is ook het oordeel van het hof dat de verdachte “dit nader had moeten onderzoeken door bijvoorbeeld navraag te doen” niet onbegrijpelijk. Het middel faalt voor zover het hierover klaagt.

2.9.

Daarmee is niet gezegd dat de klacht dat “de bewezenverklaring van het bestanddeel opzet bij de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid”, niet zou slagen. Op de bewijsvoering van het hof is in dit verband nog wel wat af te dingen.

2.10.

In de eerste plaats heeft het hof bij de bewijsmiddelen opgenomen – of vermoedelijk beter gezegd: laten staan – dat de verdachte tegen de ter plaatse verschenen verbalisanten heeft verklaard “dat het rolluik op gemeentegrond lag en dat hij het dus mocht pakken” en “dat die mensen het rolluik maar ergens anders hadden moeten neerleggen”. Deze passages zijn niet-redengevend voor de bewijsvoering van feit 2 en feit 3. In de regel leidt die constatering tot cassatie. Enkel wanneer de Hoge Raad de betreffende passages van ondergeschikte betekenis acht en het belang van de verdachte bij een cassatie onvoldoende zwaarwegend acht, zal hij hieraan voorbij (kunnen) gaan.4 Ik meen dat uit het navolgende blijkt dat zo’n situatie zich hier – met name ook in verband met het tweede feit – niet voordoet.

2.11.

In de tweede plaats heeft het hof zich in zijn bewijsoverweging enkel gericht op de vraag waarvan de verdachte mocht uitgaan in het kader van het prijsgeven van de eigendom door de aangever. Zoals ik hiervoor reeds heb uiteengezet, heeft het hof mijns inziens niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de verdachte er niet vanuit mocht gaan dat de aangever zich van de eigendom van de rolluiken wilde ontdoen. Voor het bewijs van het in art. 310 Sr bedoelde opzet is echter vooral van belang waarvan de verdachte daadwerkelijk is uitgegaan. Het hof leidt uit de enkele omstandigheid dat de verdachte heeft nagelaten om navraag te doen bij de aangever, af dat hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de goederen niet door de aangever waren weggegooid. Deze bewuste aanvaarding blijkt echter in het geheel niet uit de bewijsvoering; daaruit blijkt – als gezegd – dat de verdachte juist niet heeft getwijfeld over het prijsgeven van de eigendom van de rolluiken door de aangever. Daarmee heeft het hof het onder 2 bewezenverklaarde opzet en tevens het onder 3 bewezenverklaarde opzet ontoereikend gemotiveerd.

2.12.

Dat de verdachte heeft verklaard dat hij geen toestemming had om de rolluiken te vernielen en weg te nemen maakt het voorgaande niet anders, want daaruit blijkt nog niet dat de verdachte zich ervan bewust was dat hij die toestemming nodig had.

2.13.

Ten slotte is door de verdediging in hoger beroep aangevoerd (i) dat het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening bij de verdachte ontbreekt en daarmee de tenlastegelegde poging tot diefstal ontoereikend is gemotiveerd en (ii) dat niet kan worden bewezen dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij rolluiken heeft vernield die aan iemand (anders) toebehoorden. Het hof heeft dit verweer verworpen door – kort gezegd – te overwegen dat het “minst genomen de voorwaardelijke opzet bewezen” acht, en dat daarmee wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte de tenlastegelegde poging tot diefstal heeft gepleegd, en dat in het verlengde hiervan ook wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte de tenlastegelegde vernieling heeft gepleegd. Het voorwaardelijk opzet waarop het hof hier doelt, ziet op de wederrechtelijke toe-eigening. Het hof verwerpt immers het verweer dat het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening bij de verdachte ontbreekt, waarbij het hof oordeelt dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de goederen niet door de aangever waren weggegooid. Deze overweging van het hof is echter onverenigbaar met de beslissing omtrent de bewezenverklaring.5 In de bewezenverklaring gaat het immers om het oogmerk tot wederrechtelijke toe-eigening van de rolluiken. Voorwaardelijk opzet is niet te verenigen met oogmerk.6

2.14.

Naar mijn oordeel slaagt het middel en heeft het hof ten aanzien van feit 2 en feit 3 het bewezenverklaarde opzet – inclusief het onder feit 2 bewezenverklaarde oogmerk – onbegrijpelijk en ontoereikend gemotiveerd.

3 Het tweede middel

3.1.

In het tweede middel wordt geklaagd dat het hof het verzoek tot het benoemen van een gedragskundige ontoereikend gemotiveerd heeft afgewezen.

3.2.

Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 januari 2020 gehechte pleitnotities is door de raadsman van de verdachte aldaar, voor zover van belang, het volgende aangevoerd:

Voorwaardelijk verzoek

Indien uw hof denkt te komen tot bewezen verklaring van een of beide feiten en tot toerekening aan cliënt, dan persisteert de verdediging in het verzoek uit de appelschriftuur d.d. 13 februari 2018, te weten: het verzoek om een gedragsdeskundige te benoemen die zich in verband met de toerekeningsvraag een oordeel dient te vormen omtrent cliënt zijn geestestoestand ten tijde van de ten laste gelegde feiten.

Gelet op het Pro-Justitia rapport van 1 september 2016, het reclasseringsadvies d.d. 21 maart 2017 en het reclasseringsadvies d.d. 31 juli 2019, waaruit volgt dat schizofrenie wordt bevestigd noch uitgesloten maar dat er wel voldoende aanwijzingen zijn gevonden voor een ziekelijke stoornis die gepaard gaat met realiteitsverstoringen (Pro-Justitia), dat het vermoedelijk zo is dat de psychiatrie deels het delictgedrag beïnvloed (red. advies 21 maart 2017), dat de kans reëel is dat de bestaande schizofrenie een rol speelt en een vertroebelde realiteitszin naast een anti-sociale component logisch lijkt (red. advies 31 juli 2019), alsmede de opname- en behandelgeschiedenis van cliënt, waaruit blijkt van langdurige ernstige psychische problematiek, acht de verdediging het noodzakelijk dat een gedragsdeskundige wordt benoemd.

De verdediging neemt daarbij in aanmerking dat cliënt door zijn psychische problematiek niet eenduidig is wat betreft het verlenen van medewerking aan het opmaken van rapporten. Zo heeft cliënt eerder zijn medewerking verleend aan het opmaken van een Pro-Justitia, maar heeft het tweede gesprek geen doorgang gevonden waardoor het rapport niet is afgerond en aan de toerekeningsvraag door de deskundige niet is toegekomen. Aan de laatste onderzoeken van de reclassering zou cliënt wel zijn volledige medewerking hebben verleend. Op voorhand ken er derhalve niet van worden uitgegaan dat cliënt zijn medewerking niet zal verlenen aan de totstandkoming van een nieuw Pro-Justitia rapport.”

3.3.

De op 14 februari 2018 bij de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht ingekomen appelschriftuur houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“Toerekening

Voor zover de feiten bewezen kunnen worden verklaard, qouod non, kunnen de feiten appellant niet worden toegerekend gezien zijn psychische stoornis. Appellant lijdt aan schizofrenie. Appellant beschikte over onvoldoende capaciteiten om de betekenis van zijn gedrag in voldoende mate te beseffen en zijn wil te bepalen. In het Pro-Justitia rapport van 1 september 2016 wordt schizofrenie bevestigd noch uitgesloten. Op basis van het verrichte onderzoek wordt wel geconcludeerd dat er voldoende aanwijzingen zijn gevonden voor een ziekelijke stoornis die gepaard gaat met realiteitsverstoringen. Reden waarom appellant volgens de reclassering niet in staat is tot zelfreflectie, niet in staat is om inzicht te verkrijgen en appellant geen criminele intenties heeft. De ten laste gelegde feiten staan volgens de verdediging in rechtstreeks verband met de stoornis van appellant. De politierechter overwoog dat uit het gegeven dat appellant niet bereid was de rolluiken terug te geven aan aangever, blijkt dat appellant opzet op de feiten had. De verdediging volgt de politierechter hierin niet. In tegendeel zelfs. Een persoon met een ongestoorde denkwijze zou op dat moment het goed teruggeven aan de eigenaar en zijn handeling staken. Voor appellant was dit echter geen aanleiding om afstand te doen van de gevonden rolluiken. Hieruit blijkt juist van een gestoorde denkwijze bij appellant.”

3.4.

Het hof heeft het verzoek om een gedragskundige te benoemen als volgt afgewezen:

Voorwaardelijk verzoek tot benoemen gedragsdeskundige

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het benoemen van een gedragsdeskundige die zich in verband met de toerekeningsvraag een oordeel dient te vormen omtrent verdachte zijn geestestoestand ten tijde van de tenlastegelegde feiten. Het hof acht dit verzoek niet noodzakelijk en wijst het verzoek van de raadsman af.”

3.5.

Het bestreden arrest houdt voorts het volgende in:

Strafbaarheid van de verdachte

Het hof heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 31 juli 2019. Uit dit advies blijkt dat de reclassering de kans reëel acht dat de bestaande schizofrenie van verdachte een rol heeft gespeeld bij de tenlastegelegde feiten, naast mogelijk wat anti-sociale normen op meer heldere momenten, doordat het realiteitsbesef er op momenten (fors) door wordt vertroebeld. Verdachte wordt vanuit het kader van een rechterlijke machtiging begeleid door Altrecht. De casemanager van verdachte bij Altrecht heeft onder meer aangegeven dat verdachte besef heeft van goed en fout en van eerlijkheid. Het vermogen van verdachte de realiteit correct te zien wordt met regelmaat beïnvloedt door zijn psychotische belevingen. In 2017 is door de reclassering gerapporteerd dat het vermoedelijk zo is dat de psychiatrie deels het delictgedrag beïnvloed, maar er tegelijkertijd een bewuste component speelt.

Het hof is van oordeel dat in onderhavig dossier geen aanwijzingen bestaan dat verdachte op het moment van de tenlastegelegde feiten in een acute psychose verkeerde, mede gelet op de verklaringen die verdachte in deze zaak heeft afgelegd. Wel komt het hof, overeenkomstig de conclusie van de advocaat-generaal, op grond van het bovenstaande tot het oordeel dat de bewezenverklaarde feiten de verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend.”

3.6.

Blijkens de toelichting klaagt het middel in het bijzonder dat het hof weliswaar lijkt aan te nemen dat de verdachte aan schizofrenie lijdt en dat zijn vermogen om de realiteit correct te zien met regelmaat wordt beïnvloed door zijn psychotische belevingen, maar dat het hof tevens oordeelt dat in het dossier geen aanwijzingen bestaan dat de verdachte op het moment van de tenlastegelegde feiten in een acute psychose verkeerde. Daardoor is niet duidelijk geworden in hoeverre de verdachte op 20 november 2017 onder invloed stond van psychotische belevingen en of er sprake was van acute psychose, en zo ja, in welke mate. Daarmee is ’s hofs afwijzing van het verzoek niet zonder meer begrijpelijk.

3.7.

Het hof heeft het door de raadsman gedane verzoek, niet onbegrijpelijk, opgevat als een verzoek tot het benoemen van een deskundige voor nader (gedrags)deskundig onderzoek naar de geestestoestand van de verdachte ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde feit. Een dergelijk verzoek is een verzoek als bedoeld in art. 328 Sv in verbinding met art. 330 Sv om gebruik te maken van een in art. 316 Sv omschreven bevoegdheid. Maatstaf voor de beslissing op een zodanig verzoek is of de rechter de noodzaak van het verzochte is gebleken.7 Het hof heeft bij zijn beslissing tot afwijzing van dit verzoek derhalve de juiste maatstaf toegepast.

3.8.

Door de verdediging is verzocht om een gedragsdeskundige te benoemen die zich in verband met de toerekeningsvraag een oordeel dient te vormen omtrent de verdachte en zijn geestestoestand ten tijde van de ten laste gelegde feiten. Daaraan is ten grondslag gelegd dat uit eerdere rapporten blijkt (i) dat schizofrenie wordt bevestigd noch uitgesloten maar dat er wel voldoende aanwijzingen zijn gevonden voor een ziekelijke stoornis die gepaard gaat met realiteitsverstoringen, (ii) dat het vermoedelijk zo is dat de psychiatrie deels het delictgedrag beïnvloedt, (iii) dat de kans reëel is dat de bestaande schizofrenie een rol speelt en een vertroebelde realiteitszin naast een anti-sociale component logisch lijkt, en (iv), dat uit de opname- en behandelgeschiedenis van de verdachte blijkt van langdurige ernstige psychische problematiek.

3.9.

Het hof heeft dit verzoek verworpen door te oordelen dat dit verzoek niet noodzakelijk is. Uit zijn overwegingen omtrent de strafbaarheid van de verdachte blijkt dat het hof onder verwijzing naar twee reclasseringsrapporten van oordeel is dat de kans reëel is dat de psychiatrie, te weten de schizofrenie van de verdachte, een rol heeft gespeeld bij de tenlastegelegde feiten, naast mogelijk wat anti-sociale normen op meer heldere momenten, doordat het realiteitsbesef van de verdachte op momenten (fors) is vertroebeld, maar dat er tegelijkertijd een bewuste component speelt en dat de verdachte besef heeft van goed en fout en van eerlijkheid. Het hof is van oordeel dat geen aanwijzingen bestaan dat de verdachte op het moment van de tenlastegelegde feiten in een acute psychose verkeerde, mede gelet op de verklaringen die de verdachte in deze zaak heeft afgelegd. Wel komt het hof tot het oordeel dat de bewezenverklaarde feiten de verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend.

3.10.

In HR 10 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:534 oordeelde de Hoge Raad dat ’s hofs afwijzing van het verzoek om een gedragskundige te benoemen ontoereikend was gemotiveerd gelet op hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd, in het bijzonder omtrent de aard van de bij de verdachte aanwezige psychiatrische problematiek en zijn verblijf in het Regionaal Psychiatrisch Centrum (RPC) te Woerden in de periode van het plegen van het aan hem tenlastegelegde feit. In HR 10 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:533 oordeelde de Hoge Raad dat ’s hofs afwijzing van het verzoek om een gedragskundige te benoemen ontoereikend was gemotiveerd gelet op hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd, in het bijzonder omtrent de aard van de bij de verdachte aanwezige psychiatrische problematiek in de periode rond het plegen van de aan hem tenlastegelegde feiten. Anders dan in die zaken heeft het hof in de onderhavige zaak (i) aangenomen dat de kans reëel is dat de psychiatrie van de verdachte een rol heeft gespeeld bij de tenlastegelegde feiten en heeft het hof bij dat oordeel reeds kunnen betrekken rapporten omtrent de verdachte, (ii) geoordeeld dat geen aanwijzingen bestaan dat de verdachte op het moment van de tenlastegelegde feiten in een acute psychose verkeerde, mede gelet op de verklaringen die de verdachte in deze zaak heeft afgelegd en (iii) geoordeeld dat de bewezenverklaarde feiten de verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend. Mede gelet daarop en gelet op hetgeen door de verdediging aan het verzoek ten grondslag heeft gelegd, heeft het hof de afwijzing van het verzoek niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

3.11.

Het middel faalt.

4 Slotsom

4.1.

Het eerste middel is terecht voorgesteld. Het tweede middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

4.2.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

4.3.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde op het bestaande hoger beroep te worden berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv-AG

1 Een blik op de satelliet-afbeelding op www.googlemaps.nl leert dat de tuin van de aangever grenst aan een smalle groenstrook die grenst aan een voetpad, welk voetpad weer grenst aan een groenstrook, welke groenstrook grenst aan een water.

2 “Een goed dat wordt gestolen moet hoe dan ook aan iemand anders toebehoren. Een res nullius kan worden meegenomen, maar niet worden gestolen”, aldus E.J. Hofstee in Noyon, Langemeijer, Remmelink, aant. 3 bij art. 310 Sr, actueel t/m 9 oktober 2019.

3 Vgl. Fokkens die in zijn conclusie ECLI:NL:PHR:1999:ZD1510 onder 7 stelt dat “met betrekking tot zaken die zich bij de vuilnis (of in concreto: in een afvalbak) bevinden, uitgangspunt moet zijn dat het eigendomsrecht van die zaken is prijsgegeven”. Hij verwees daarbij naar HR 11 november 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC2188, NJ 1981/119 m.nt. Mulder en HR 19 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0328, NJ 1996/249 m.nt. Schalken.

4 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Wolters Kluwer, Deventer 2018, p. 240.

5 Vgl. HR 25 oktober 1983, ECLI:NL:HR:1983:AC8152, NJ 1984/300.

6 HR 25 oktober 1983, ECLI:NL:HR:1983:AC8152, NJ 1984/300 en HR 21 februari 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6202, NJ 1978/384, m.nt. Van Veen. Zie ook J. de Hullu, Materieel strafrecht, 7e druk, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 255. Zie verder E.J. Hofstee in Noyon/Langemeijer/Remmelink, aant. 6 en 7 bij art. 310 Sr, actueel t/m 9 oktober 2019. Voorwaardelijk opzet volstaat wel bij de in art. 310 Sr bedoelde wegnemingshandeling (vgl. HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX8499).

7 Vgl. HR 10 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:534.