Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:469

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
07-05-2021
Datum publicatie
28-05-2021
Zaaknummer
21/01419
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Wvggz. Zorgmachtiging, waarin de rechtbank ook een vorm van verplichte zorg heeft opgenomen die de officier van justitie niet had verzocht. Vgl. HR 29 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:158.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 21/01419

Zitting 7 mei 2021

CONCLUSIE

F.F. Langemeijer

In de zaak van

[betrokkene]

tegen

Officier van Justitie Noord-Nederland

In deze Wvggz-zaak is de vraag aan de orde of de rechtbank in de zorgmachtiging een vorm van verplichte zorg mocht opnemen waar de officier van justitie niet om had verzocht.

1 Feiten en procesverloop

1.1.

Bij beschikking van 17 september 2020 heeft de rechtbank Noord-Nederland ten aanzien van verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene, geb. 1984) een zorgmachtiging verleend als bedoeld in art. 6:4 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) voor het tijdvak tot en met 17 maart 2021. Op 18 januari 2021 heeft de officier van justitie aan de rechtbank Noord-Nederland verzocht een aansluitende zorgmachtiging te verlenen ten aanzien van betrokkene.

1.2.

Tot de bijlagen bij het verzoekschrift behoorde een medische verklaring van 13 januari 2021, opgemaakt door een niet bij de behandeling betrokken psychiater. Deze vermeldt in rubriek 4.e dat bij betrokkene sprake is van paranoïde schizofrenie, een cluster B-persoonlijkheidsstoornis en misbruik van middelen. In de verklaring wordt deze diagnose gerubriceerd onder (i) schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen, (ii) middelgerelateerde en verslavingsstoornissen en (iii) persoonlijkheidsstoornissen. De onder (i) genoemde diagnose is aangekruist als de belangrijkste. Bij het verzoekschrift was verder een zorgplan van 15 december 2020 gevoegd, opgemaakt door de zorgverantwoordelijke (GZ-psycholoog), tezamen met de bevindingen van de geneesheer-directeur daaromtrent.1

1.3.

De officier van justitie heeft aan het slot van zijn verzoekschrift, onder verwijzing naar de bijlagen, de rechtbank verzocht een zorgmachtiging ten aanzien van betrokkene te verlenen voor de duur van 24 maanden voor de volgende vormen van verplichte zorg:

a. toedienen van vocht, voeding en medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening, voor de duur van 24 maanden2 (met als toelichting: “Toedienen van medicatie: zonder gebruik van medicatie is er een risico op een recidief psychose. Gebruik van medicatie is hierin doelmatig, effectief en veilig gebleken. Betrokkene heeft terugkerende periodes van medicatie weigering. Om verder afglijden te voorkomen kan toediening van anti psychotische medicatie noodzakelijk zijn. Het verrichten van medische controles voor het instellen op medicatie en het monitoren daarvan”);

b. beperken van de bewegingsvrijheid voor 24 maanden (met als toelichting: “Om terugval in middelengebruik te kunnen begrenzen is het noodzakelijk de bewegingsvrijheid van de betrokkene buiten de afdeling te beperken teneinde verder gebruik en bijkomende gevaren af te wenden”);

c. insluiten voor 24 maanden (met als toelichting: “Bij non-compliance ten aanzien van medicatie is er een aanzienlijke kans op psychotische decompensatie met risico op forse agressie. In dit geval kan insluiten in een separeerruimte noodzakelijk zijn om de betrokkene te stabiliseren in een veilige omgeving”);

d. uitoefenen van toezicht op betrokkene voor 24 maanden (met als toelichting: “De betrokkene kan gedurende psychose zeer agressief worden op het moment dat hij aangesproken wordt op zijn gedrag, of als hij wordt beperkt. Om agressie af te wenden kan insluiten in een separeerruimte noodzakelijk zijn. In geval van noodzakelijke insluiting zal er (camera)toezicht op de betrokkene worden gehouden”);

e. onderzoek aan kleding of lichaam voor 24 maanden (met als toelichting: “Wanneer er sprake is van recidief middelengebruik, is controle op het binnenbrengen van alcohol en drugs noodzakelijk om gebruik te kunnen begrenzen. Om te voorkomen dat de betrokkene het gebruik voortzet, is onderzoek aan zijn kleding en lichaam noodzakelijk”);

f. onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen voor 24 maanden (met als toelichting: “Wanneer er sprake is van recidief middelengebruik, is controle op het binnenbrengen van alcohol en drugs noodzakelijk om gebruik te kunnen begrenzen. Om te voorkomen dat de betrokkene het gebruik voortzet, is onderzoek van de verblijfsruimte noodzakelijk”);

g. controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen voor 24 maanden (met als toelichting: “Bij recidief drugsgebruik is monitoring en controle d.m.v. urinecontroles en lab-controles nodig teneinde grip te kunnen krijgen op aard en frequentie van het gebruik”); en

h. opnemen in een accommodatie voor 24 maanden (met als toelichting: “Wonen in de beschutte omgeving van Duurzaam Verblijf met intensieve begeleiding heeft de problematiek van de betrokkene redelijk gestabiliseerd. Zonder opname is er aanzienlijk risico op verval in middelengebruik en zorgmijding, met groot risico op decompensatie, agressie en teloorgang.”).

1.4.

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 29 januari 2021. Bij die gelegenheid heeft de rechtbank door middel van een Skypeverbinding3 gehoord: betrokkene en zijn advocaat, een behandelend psychiater en de waarnemend curator van betrokkene. Blijkens het proces-verbaal4 (blz. 2) heeft de psychiater tijdens de behandeling het volgende verklaard:

“(…) De punten “controle” en “onderzoek” vallen onder de dagelijkse structuur van de instelling. Betrokkene staat op de wachtlijst voor uitplaatsing. Als hij wordt uitgeplaatst moet hij het FACT- team wel toelaten. Ik zou dan ook de vorm van zorg “het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen” willen laten opnemen in de beschikking.”5

De advocaat van betrokkene heeft hierop blijkens het proces-verbaal (blz. 3) als volgt gereageerd:

“(…) Voor wat betreft de voorgestelde vormen van verplichte zorg ben ik van mening dat er niet zomaar een vorm van zorg kan worden toegevoegd. Er zal dan door het Openbaar Ministerie een nieuw verzoek moeten worden ingediend. Ik verzoek u dan ook om het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen moet worden afgewezen.”

1.5.

Bij beschikking van 29 januari 2021 heeft de rechtbank vastgesteld dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis die tot ernstig nadeel leidt. Dit nadeel is gelegen in ernstig lichamelijk letsel, ernstige financiële schade, maatschappelijke teloorgang en ernstig verstoorde ontwikkeling (rov. 3.2 - 3.3). De rechtbank heeft vervolgens beoordeeld of voldaan is aan de criteria voor en de doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. Zij stelde vast dat dit het geval is (rov. 3.13).

1.6.

De rechtbank heeft de verzochte zorgmachtiging verleend voor het tijdvak tot en met 29 januari 2022. De rechtbank bepaalde dat als verplichte zorg de volgende maatregelen kunnen worden genomen:

- het toedienen van medicatie;

- het verrichten van medische controles;

- beperken van de bewegingsvrijheid;

- insluiten (voor maximaal twee weken per keer);

- uitoefenen van toezicht op betrokkene;

- onderzoek aan kleding of lichaam;

- onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen;

- controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen;

- aanbrengen van beperkingen het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen (ambulante begeleiding indien uitplaatsing naar een open setting heeft plaatsgevonden);

- opnemen in een accommodatie (zo lang uitplaatsing (nog) niet is gerealiseerd en daarna in geval van een terugval).

1.7.

De rechtbank overwoog met betrekking tot het hiervoor in alinea 1.4 weergegeven verzoek van de psychiater tot het opnemen in de machtiging van de genoemde aanvullende vorm van verplichte zorg (rov. 3.8):

“Op basis van artikel 6:4, lid 2, zal de rechtbank in afwijking van het verzoekschrift het zorgplan en de bevindingen van de geneesheer-directeur een zorgvorm toevoegen. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat het belangrijk is dat betrokkene bij een toekomstige uitplaatsing ambulante begeleiding toe zal laten en in de samenwerking blijft. De rechtbank zal dan ook, anders dan de advocaat heeft bepleit, “aanbrengen van beperkingen het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen”, toevoegen met daarbij de opmerking dat het gaat om ambulante begeleiding indien uitplaatsing naar een open setting heeft plaatsgevonden.”

1.8.

Namens betrokkene is – tijdig – beroep in cassatie ingesteld tegen deze beschikking. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1.

Het middel is gericht tegen rov. 3.8, hiervoor weergegeven, en bevat de klacht dat het daar gegeven oordeel in strijd is met art. 6:1 lid 10 Wvggz in verbinding met art. 23 Rv in verbinding met art. 5 lid 1, aanhef en onder e, EVRM en art. 15 lid 1 Grondwet. In de kern wordt geklaagd dat de rechtbank buiten de grenzen van het verzoek van de officier van justitie is getreden door ook ‘aanbrengen van beperkingen het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen’ als vorm van verplichte zorg in de zorgmachtiging op te nemen. Het middel wijst in dat verband op HR 29 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:158. In deze beschikking is het volgende overwogen:

“3.2 Op de procedure bij de rechter over de zorgmachtiging zijn op grond van art. 6:1 lid 10 Wvggz in aanvulling op hetgeen uit de Wvggz voortvloeit, de regels inzake de verzoekschriftprocedure uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing. Uit art. 6:1 lid 10 Wvggz in verbinding met art. 23 Rv vloeit voort dat het de rechter niet vrijstaat om meer toe te wijzen dan verzocht, tenzij de Wvggz anders bepaalt.6

3.3

3.3 Art. 6:4 lid 2 Wvggz bepaalt dat indien de rechter van oordeel is dat aan de criteria voor verplichte zorg is voldaan maar met de in het zorgplan of de medische verklaring opgenomen zorg het ernstig nadeel niet kan worden weggenomen, hij in de zorgmachtiging in afwijking van het zorgplan andere verplichte zorg of doelen van verplichte zorg kan opnemen, alsmede in de zorgmachtiging kan bepalen dat een ander zorgplan moet worden opgesteld. Uit deze bepaling volgt niet dat de rechter in de zorgmachtiging andere vormen van verplichte zorg mag opnemen dan de officier van justitie heeft verzocht. Dat volgt ook niet uit enige andere bepaling van de Wvggz.

Op dit moment is een wetsvoorstel aanhangig waarin een wijziging van art. 6:4 lid 2 Wvggz is voorgesteld.7 Deze wijziging zal ertoe leiden dat de rechter vormen van verplichte zorg in de zorgmachtiging mag opnemen die niet door de officier van justitie zijn verzocht. Gelet op art. 5 lid 1, aanhef en onder e, EVRM en art. 15 lid 1 Grondwet is er geen grond om op deze wetswijziging vooruit te lopen.8

Op grond van art. 23 Rv geldt derhalve dat het de rechter niet vrijstaat om in de zorgmachtiging een vorm van verplichte zorg op te nemen die niet door de officier van justitie is verzocht.”

2.2.

De Hoge Raad verwijst in deze beschikking naar wetsvoorstel 35 667 tot wijziging van de Wvggz en de Wzd teneinde de uitvoering te vereenvoudigen en technische onvolkomenheden en omissies te herstellen. In dit wetsvoorstel is onder meer een wijziging van art. 6:4 lid 2 Wvggz voorgesteld die, indien in deze vorm tot wet verheven, ertoe zal leiden dat de rechter vormen van verplichte zorg in de zorgmachtiging mag opnemen die niet door de officier van justitie zijn verzocht. In het inmiddels daarover uitgebrachte verslag9 hebben leden van de D66-fractie een opmerking gemaakt bij de voorgestelde wijziging van art. 6:4 lid 2 Wvggz (blz. 5):

“De leden van de D66-fractie zijn het met de regering eens dat enige flexibiliteit in de procedure bij de rechter gewenst is en zij zijn het er tevens mee eens om de rechter meer handvatten te bieden voor maatwerk. Dit omdat de zorgvraag van een cliënt bij een wisselend ziektebeeld door het verstrijken van de tijd kan veranderen. Deze leden vragen de regering wel of de rechterlijke macht voldoende geëquipeerd is om deze flexibiliteit te benutten. Het betreft binnen de Wvggz immers vaak ingewikkelde materie. Wat is hiervan het verwachte effect op de rechtspositie van de cliënt? Kan de regering in de beantwoording meenemen dat de IGJ in haar publicatie van 2 december 202010 meldt dat het vaak standaard is bij de aanvraag van een zorgmachtiging om alle vormen van verplichte zorg aan te vragen op de medische verklaring en dat dit juist haaks staat op de doelen die deze wet beoogt, namelijk de rechtspositie van de cliënt versterken?”

2.3.

In de onlangs uitgebrachte Nota n.a.v. dit verslag is de regering op deze vragen ingegaan, mede in relatie tot HR 29 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:158, NJ 2021/139 m.nt. J. Legemaate.11 De regering spreekt over de noodzaak van flexibiliteit “om ontwikkelingen in de zorgbehoefte van betrokkene die ontstaan tussen het moment van indiening van de stukken en de behandeling ter zitting mee te kunnen wegen”. Om die categorie gevallen (‘nova’) gaat het in deze zaak niet. Ik zie, gelet op de genoemde uitspraak van 29 januari 2021, geen aanleiding om in dit geval op de aanvaarding van het wetsvoorstel vooruit te lopen; het gaat per slot van rekening om een beperking van grondrechten.12

2.4.

In de onderhavige zaak was deze vorm van verplichte zorg wel aangekruist in de medische verklaring (rubriek 7.f), maar niet opgenomen in het zorgplan. Aannemelijk is dat de officier van justitie om die reden deze vorm van verplichte zorg bewust niet in het verzoekschrift heeft opgenomen. Eerst ter zitting heeft de daar verschenen psychiater alsnog voorgesteld in de zorgmachtiging het ‘aanbrengen van beperkingen het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen’ op te nemen als vorm van verplichte zorg (voor als dit nodig is bij ‘ambulante begeleiding indien uitplaatsing naar een open setting heeft plaatsgevonden’). In het licht van de hiervoor weergegeven beschikking van de Hoge Raad van 29 januari 2021 stond het de rechtbank naar huidig recht niet vrij om, zonder dat het verzoek van de officier van justitie (expliciet of impliciet) daartoe strekte, deze vorm van verplichte zorg in de zorgmachtiging op te nemen. Het middel slaagt om deze reden.13

2.5.

In het onderhavige geval, waarin medische controles reeds als verplichte zorg zijn voorzien, vraag ik mij af of een terugwijzing naar de rechtbank nog praktische betekenis heeft. Het komt mij voor, dat de Hoge Raad de zaak zelf zou kunnen afdoen, door de bestreden beschikking slechts op het punt van de door de rechtbank ‘toegevoegde’ vorm van verplichte zorg te vernietigen. De beschikking zou dan voor het overige in stand kunnen blijven.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking, doch slechts voor zover de verleende zorgmachtiging zich uitstrekt over het ‘aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen’.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

A-G i.b.d.

1 Zie art. 5:13, respectievelijk art. 5:15 Wvggz.

2 Zie art. 6:5, aanhef en onder c, Wvggz. Blijkens het historisch overzicht van het openbaar ministerie, overgelegd als prod. 8 bij het verzoekschrift tot cassatie, was ten aanzien van betrokkene gedurende ten minste de afgelopen vijf jaar aaneengesloten verplichte zorg verleend. Vgl. de medische verklaring onder 6.b.

3 De rechtbank oordeelde dat een fysieke zitting in verband met (gevaar voor besmetting met) het virus COVID-19 niet mogelijk was; zie rov. 1.2 van de beschikking. De rechtbank merkte aan het slot van deze overweging op dat betrokkene geen bezwaar heeft gemaakt tegen deze manier van horen.

4 Het proces-verbaal is overgelegd als prod. 11 bij het verzoekschrift tot cassatie.

5 Zie ook rov. 2.1 van de beschikking.

6 De Hoge Raad verwijst naar: HR 5 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1012 (NJ 2020/347 m.nt. J. Legemaate, JGZ 2020/45 m.nt. J.W.A.M. Dijkers), rov. 4.4.2.

7 De Hoge Raad verwijst naar: Kamerstukken II 2020/21, 35 667, nr. 2, blz. 3.

8 De Hoge Raad verwijst hier naar HR 27 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1891, NJ 2020/438, rov. 3.1.3, met betrekking tot de wijziging van art. 26 lid 7 (oud) Wzd.

9 Kamerstukken II 2020/21, 35 667, nr. 5.

10 Verwezen wordt naar: IGJ (Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd), 2 december 2020, ‘De zorgvuldige uitvoering van dwang in de zorg écht goed regelen, kan alleen regionaal’ (igj.nl/publicaties).

11 Kamerstukken II 2020/21, 35 667, nr. 6, punt 24.

12 Zie nader over het genoemde wetsvoorstel, over het voorbereidingstraject dat vooraf gaat aan de indiening van een verzoek om een zorgmachtiging en over de nu in de wet opgenomen mogelijkheid voor de rechter om ‘ultra petitum’ te gaan indien het een verzoek betreft tot afgifte van een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel: de conclusie vóór de beschikking van 29 januari 2021, alinea’s 2.22 – 2.37.

13 Ter zijde valt nog op te merken dat de in art. 3:2, lid 2 onder h, Wvggz omschreven vorm van verplichte zorg – waarover het hier gaat – heel ruim is omschreven. Indien uit de in hoofdstuk 5 Wvggz bedoelde voorbereiding of uit het ter zitting gevoerde debat niet valt op te maken wat precies is bedoeld met het ‘aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten’, komt de bescherming van het grondrecht al gauw in beeld. Slechts ter vergelijking memoreer ik de wijze waarop (de strafkamer van) de Hoge Raad (te ruim omschreven) bijzondere voorwaarden toetst bij strafoplegging als bedoeld in art. 14c lid 2, onder 14, Sr: zie bijv. HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1215, NJ 2020/410 m.nt. N. Jörg; HR 6 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:498.