Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:468

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
11-05-2021
Datum publicatie
12-05-2021
Zaaknummer
19/05419
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Gewoontewitwassen (art. 420ter Sr). Middelen over onder meer de verwerping van het verweer dat de ter uitvoering van een Nederlands rechtshulpverzoek door de Spaanse politie verhoorde verdachte voorafgaand aan en bij het politieverhoor recht had op rechtsbijstand van een Nederlandse advocaat. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/05419

Zitting 6 april 2021

CONCLUSIE

F.W. Bleichrodt

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te Onbekend op [geboortedatum] 1988,

hierna: de verdachte.

Het cassatieberoep

  1. Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 27 november 2019 wegens “medeplegen van van het plegen van witwassen een gewoonte maken, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. J.C. Reisinger, advocaat te Utrecht, heeft zes middelen van cassatie voorgesteld.

De middelen

3. Het eerste middel behelst de klacht dat het bestreden arrest is gewezen door een economische kamer van het hof, terwijl de economische kamer onbevoegd was de zaak te behandelen en te beslissen.

4. Anders dan bijvoorbeeld de verhouding tussen de politierechter en de meervoudige kamer van de rechtbank, betreft de bevoegdheid van de economische kamers van de gerechten een bevoegdheidsvraag in de zin van art. 348 Sv.1 Ingevolge art. 52 WED in verbinding met art. 64 RO behandelen en beslissen de economische kamers van de gerechtshoven in hoger beroep de zaken waarin door economische kamers van de rechtbanken vonnis is gewezen.2 De bevoegdheid van de economische kamers van de rechtbanken is geregeld in de artikelen 38 en 39 WED. Op grond van art. 39, eerste lid, WED kunnen zij kennisnemen van strafbare feiten die geen economisch delict zijn indien de rechtbank bevoegd is tot kennisneming van die strafbare feiten, zij zijn begaan in samenhang met een of meer economische delicten en zij samen met een of meer van die economische delicten ten laste zijn gelegd.

5. Het aan de verdachte ten laste gelegde feit betreft geen economisch delict. Ook is het vonnis in de zaak in eerste aanleg niet gewezen door een economische kamer van de rechtbank. Tot kennisneming van de onderhavige zaak was de economische kamer van het hof dus niet bevoegd.

6. Het dictum van het bestreden arrest houdt in dat het is gewezen “door de meervoudige economische kamer van het gerechtshof Amsterdam”. Deze vermelding berust op een kennelijke misslag. Daarop wijst het volgende. Nadat de meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, de zaak in eerste aanleg heeft berecht, heeft het hof de zaak behandeld op terechtzittingen van 5 en 19 oktober 2018, 16 oktober 2019 en 13 november 2019. Het proces-verbaal van elk van deze terechtzittingen vermeldt in de aanhef dat het een proces-verbaal betreft van de “terechtzitting van de meervoudige strafkamer van dit gerechtshof”. Het hof heeft het bestreden arrest gewezen in de samenstelling waarin de meervoudige strafkamer de zaak behandelde op de terechtzitting van 13 november 2019. De aanhef van het bestreden arrest houdt niet in dat het wordt gewezen door een economische kamer.3

7. Op grond van het voorafgaande moet worden aangenomen dat het dictum van het bestreden arrest abusievelijk vermeldt dat het arrest is gewezen door de economische kamer van het hof. Het moet er aldus voor worden gehouden dat de zaak is behandeld en beslist door de meervoudige strafkamer van het hof. Het bestreden arrest kan op dit punt verbeterd worden gelezen. Daarmee ontvalt aan het middel de feitelijke grondslag.4

8. Het middel faalt.

9. Het tweede middel behelst de klacht dat de afwijzende beslissing van het hof op het verzoek een dertiental getuigen ‘à décharge’ te horen, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is.

10. Het proces-verbaal van de als regiezitting aangemerkte terechtzitting in hoger beroep van 5 en 19 oktober 2018 houdt in dat de raadsman van de verdachte naar voren heeft gebracht hetgeen is vermeld in de schriftelijke notities die hij aan het hof heeft overgelegd en die in het dossier zijn gevoegd. Deze schriftelijke notities houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“Ter staving van het namens cliënte gevoerde bewijsverweer over de ten laste gelegde criminele herkomst van de geldbedragen, heeft de verdediging zelf gezocht naar getuigen die kunnen bevestigen dat de medeverdachte van cliënte, [betrokkene 1] , in kunst handelde en dat hij cliënte daarbij betrok. Hierover heeft de Rechtbank geoordeeld:

“De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring van verdachte met betrekking tot de herkomst van het geld onvoldoende onderbouwd en dermate vaag en algemeen is, dat deze terzijde wordt gesteld. Verdachte heeft geen inzicht gegeven in de gestelde kunsthandel. Zo heeft zij geen namen van betrokken partijen, verhandelde kunstvoorwerpen en/of data verstrekt of anderszins inzicht gegeven in de overeenkomsten die ten grondslag lagen aan de door haar vervoerde geldbedragen.”

Cliënte merkt op voorhand op: zij was bij deze zoektocht afhankelijk van haar medeverdachte, die over de volledige namen en concrete contactgegevens beschikte. Medeverdachte was (tot voor kort) echter gedetineerd in Nederland. Daarna, een moment in elk geval gelegen na het indienen van de appelschriftuur, is contact geweest met hem om voor onderbouwing van de verklaring van cliënte te zorgen. Cliënte is zelf overigens niet in staat om zelf (naar Nederland) te reizen en overleg heeft met tussenpersonen moeten plaatsvinden, waaronder de (huidige) advocaat van cliënte om te vertalen en juridisch te bemiddelen. Tot gistermiddag ben ik daar voor cliënte mee bezig geweest en dit resulteert thans in de volgende verzoeken.

Aangezien het vandaag om een regiezitting gaat die bij uitstek voor dit soort zaken is geschikt en niet eerder de mogelijkheid bestond om deze verzoeken te doen, meent de verdediging dat in elk geval geen sprake is van verzoeken die “vexatious” zijn. Daar komt bij dat de verzoeken niet van ingewikkelde aard zijn. Het betreffen getuigen die niet in een eerder stadium hebben verklaard. U zal het dus sowieso moeten doen met de motivering die de verdediging kan geven op dit moment — en als die onvoldoende is om de evidente noodzakelijkheid in het licht van (in dit geval) art. 350 Sv te geven, dan kunt u mij dat dus zonder meer tegenwerpen5 en is het stadium van de verzoeken daar niet voor nodig.

  • -

    [betrokkene 2] , verblijvende in Panama, telefoonnummer: (…)

    Bovengenoemde getuige was de Panamese advocaat van medeverdachte van cliënte, [betrokkene 1] , in de periode van ongeveer 2010 tot 2015. Hij kan verklaren over het werk van [betrokkene 1] in de kunsthandel, de transacties die daarmee gemoeid waren (met namen, voorwerpen en/of data) en meer in het algemeen over de/diverse klanten en contacten van de medeverdachte van cliënte. Deze getuige was tevens financieel adviseur van [betrokkene 1] en weet dus alles van diens (chartale) financiële situatie en wie hij daarbij betrok.

  • -

    [betrokkene 3] , verblijvende in Israel, telefoonnummer: (…), e- mail: (…)

    Bovengenoemde getuige is een klant van [betrokkene 1] , een rijke kunstverzamelaar, waaraan deze [betrokkene 1] veel pre-Colombiaans aardewerk en een Picasso heeft verkocht, die de getuige nog altijd in bezit zou hebben. De getuige heeft in de periode november 2014 - maart 2015 een schilderij van [betrokkene 1] gekocht en zijn verklaring is tegen die achtergrond relevant voor hetgeen cliënte ten laste is gelegd (onder andere in verband met advieswerkzaamheden door [betrokkene 1] voor deze getuige).

    - [betrokkene 4] , wonende (…) te Bogota, Colombia

    Bovengenoemde getuige is een goede klant van [betrokkene 1] , als één van de meest beroemde kunstverzamelaarsters van Zuid-Amerika. Zij heeft [betrokkene 1] in de periode november 2014 - maart 2015 voor diverse kunstaankopen naar de Bologna Gallery P420 te Bologna (via Milaan) laten afreizen. Voor dit soort reizen schakelde [betrokkene 1] cliënte in en de verdediging wenst deze getuige te bevragen ter bevestiging daarvan.

    - [betrokkene 5] , verblijvende in Spanje, telefoonnummer: (…)

    Bovengenoemde getuige is een galeriehouder in Girona waarmee [betrokkene 1] diverse deals heeft gedaan. De medeverdachte van cliënte heeft een aantal van de kunstwerken van deze getuige verkocht in de periode die cliënte ten laste wordt gelegd en waarvoor [betrokkene 1] haar om hulp vroeg. Zo heeft de getuige de maand voordat [betrokkene 1] werd aangehouden contact gehad met hem over de verkoop van Dali beeldhouwwerken.

    - [betrokkene 6] , verblijvende in Spanje, e-mail: (…)

    Bovengenoemde getuige is een klant, tevens tussenpersoon/aan- en verkoper van kunst uit Barcelona. Hij heeft [betrokkene 1] informatie gestuurd over een Rubens schilderij en andere kunstwerken, met name grote werken, die [betrokkene 1] probeerde te verkopen aan zijn klanten. Dit speelde precies in de periode die overeenkomt met het aan cliënte ten laste gelegde.

    - [betrokkene 7] , verblijvende in Spanje, e-mail: (…)

    Bovengenoemde getuige is een galeriehouder in San Sebastian, tevens tussenpersoon waarmee [betrokkene 1] diverse deals heeft gedaan. Hij is onder meer de beschermheer van de ARCO (de grootste moderne kunstbeurs van Spanje). De getuige heeft zelf als onafhankelijk kunsthandelaar gewerkt in Zwitserland en kan uit die hoofde verklaren over dergelijke werkzaamheden, in het bijzonder de wijze waarop [betrokkene 1] deze verrichtte en met wie hij dat deed.

    - [betrokkene 8] , verblijvende in Spanje, e-mail: (…)

    Bovengenoemde getuige is een Multimedia Imagineering Tech Artist. Hij werkt al twintig jaar samen met [betrokkene 1] voor dezelfde klanten/ bedrijven, zoals Gruppo Arbol. Hij kan verklaren over grote projecten die [betrokkene 1] heeft gedaan en de (legitieme) financiële positie van hem en zijn bedrijven, waarbij cliënte betrokken zou zijn.

    - [betrokkene 9] , verblijvende in Spanje, telefoonnummer: (…)

    Bovengenoemde getuige is een schilder (wonende in de buurt van Barcelona) welke al 40 jaar met het familiebedrijf [betrokkene 1] -Art samenwerkt. Hij kan verklaren over de privé kunstcollectie die [betrokkene 1] in bezit had, alsmede de connecties binnen de kunstwereld van [betrokkene 1] en diens familie en de betrokken relaties van medeverdachte van cliënte.

    - [betrokkene 10] , e-mail: (…)

    Bovengenoemde getuige kan verklaren over de manier waarop de tweedehands kunstmarkt werkt en hoe opslagboxen zoals die van Shurgard worden gebruikt voor de opslag van kunst. Tevens kan hij verklaren over de anonimiteit binnen de kunstwereld en hoe belangrijk deze is. Een en ander kan inzicht verschaffen over de gebruikelijkheid van een gestelde (ogenschijnlijke) ongebruikelijke gang van zaken.

    - [betrokkene 11] , verblijvende in London, telefoonnummer: (…)

    Bovengenoemde getuige is een kunsthandelaar gevestigd te Londen met eenzelfde positie als [betrokkene 1] . De getuige kan onder meer verklaren over de contacten van [betrokkene 1] , de wijze waarop hun handel plaatsvindt, de wijze waarop betalingen plaatsvinden en de wijze waarop tussenpersonen werken, waaronder cliënte.

    - [betrokkene 12] , verblijvende in Spanje, e-mail: (…)
    Bovengenoemde getuige is afkomstig uit Barcelona en heeft voor [betrokkene 1] gewerkt, diverse schilderijen afgeleverd bij klanten en betalingen verzorgd in de periode eind 2014.

    - [betrokkene 13] , verblijvende in Dublin, e-mail: (…)

    Bovengenoemde getuige (van Catalaanse komaf, wonende te Dublin) kent [betrokkene 1] sinds 2009 en kan verklaren over zijn klanten en contacten, de deals in de kunsthandel en de mensen met wie zij beiden hebben gewerkt; zoals cliënte. Hij kent het reilen en zeilen binnen de kunstwereld als financieel adviseur van vermogenden, alsmede als kunstkenner.

    - [betrokkene 14] , verblijvende in Spanje, telefoonnummer: (…)

    Bovengenoemde getuige is een klant aan wie [betrokkene 1] een kunstwerk heeft verkocht in de periode november 2014 – maart 2015. Voor haar geldt vanuit die hoedanigheid hetzelfde als voor de andere mogelijke getuigen zoals hiervoor benoemd.

    De verdediging heeft de contactgegevens weergegeven zoals ze haar op dit moment bekend zijn. Hiermee kan reeds in contact getreden worden met de getuige. Dat laat onverlet dat de verdediging blijft pogen om meer contactgegevens beschikbaar te krijgen.

    Dan nu de inhoudelijke beoordeling; ten aanzien van voornoemde getuigenverzoeken geldt — vanzelfsprekend — het noodzakelijkheidscriterium. Gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden (de wijze waarop de zoektocht naar een mogelijke onderbouwing voor de verklaring van cliënte heeft plaatsgevonden), meent de verdediging evenwel dat ruimte bestaat om het noodzakelijkheidscriterium mede in te vullen aan de hand van ‘zachtere’ verdedigingsbelang, terwijl zij overigens van mening is dat ook bij een volle toets aan het noodzakelijkheidscriterium, de verzoeken voor toewijzing in aanmerking komen. Dit geldt eens te meer nu uit de overweging van de Rechtbank nadrukkelijk blijkt dat van voldoende inlichtingen door “het verhandelde ter terechtzitting” bepaald geen sprake is.

Kort en goed kunnen de getuigen de verklaring van cliënte (en daarmee het namens haar gevoerde bewijsverweer), die zij in hoger beroep nader wenst uit te leggen, bevestigen en nader onderbouwen. Met het horen van de getuigen kan niet enkel inzicht worden verkregen in specifieke namen van betrokken partijen, verhandelde kunstvoorwerpen en/of data (of anderszins) in de overeenkomsten die ten grondslag lagen aan de specifieke geldbedragen die door cliënte zouden zijn vervoerd en zoals ze in de tenlastelegging zijn opgenomen. Tevens kan inzicht worden verkregen over de gebruikelijke gang van zaken in de kunsthandel waar de getuigen bij betrokken zijn, bijvoorbeeld wat betreft chartale betalingen en de algemene juistheid van hetgeen door cliënte en haar medeverdachte is verklaard over de werkzaamheden van [betrokkene 1] als kunsthandelaar. Alleen dat laatste is al van belang voor de algehele beoordeling van de verklaring van cliënte om te komen tot een oordeel over de mate van (on)waarschijnlijkheid (op grond waarvan de verklaring eventueel terzijde kan worden gesteld). De getuigen zijn wat de verdediging betreft dus “relevant to the subject matter of the accusation”.

Aangezien de verklaringen van voornoemde getuigen tenslotte ook nog concreet kunnen raken aan het door de Rechtbank bewezen verklaarde bestanddeel “uit misdrijf afkomstig”, een vraag die tot nog toe beslecht is moeten worden op grond van algemeenheden/ typologiën en/of feiten van algemene bekendheid, meent de verdediging dat eveneens is voldaan aan de eis dat de getuigen “could arguably have strengthened the position of the defence or even led to the applicant’s acquittal”. Een reden om desalniettemin van toewijzing van deze verzoeken af te wijken ziet de verdediging niet (noodzakelijkerwijs) in.

Al met al kom ik tot de conclusie dat het horen van deze getuigen niet slechts noodzakelijk is om cliënte in staat te stellen om haar onschuld onderbouwing te kunnen geven, maar tevens ter verifiëring of falsifiëring van het verwijt dat cliënte gemaakt wordt — iets dat elke magistraat moet voorstaan en waar het strafproces bij uitstek voor is ingericht.”

11. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 5 en 19 oktober 2018 blijkt dat de raadsman van de verdachte in aanvulling op het voorafgaande het volgende heeft opgemerkt:

“In aanvulling daarop verzoek ik thans tevens de oproeping als getuige van de dertien in mijn pleitnotities genoemde - veelal in het buitland woonachtige - personen. Zij kunnen allen bevestigen dat [betrokkene 1] in de kunsthandel werkte en in dat verband over grote, veelal contante geldbedragen kon beschikken, en dat mijn cliënt voor hem werkzaamheden heeft verricht, waaronder het vervoeren van grote geldbedragen over de landgrenzen ten behoeve van de aankoop/verkoop van bepaalde kunstwerken. Deze getuigen zijn in deze zaak niet eerder gehoord en kunnen ontlastend verklaren. Ik acht het daarom noodzakelijk dat uw hof door hen daarover nader wordt ingelicht.

Desgevraagd deel ik mede dat het klopt dat [betrokkene 1] in zijn eigen strafzaak als verdachte heeft verklaard dat hij niets met de geldstromen te maken had terwijl in de zaak tegen mijn cliënte de stelling van de verdediging is dat die geldstromen juist van doen hebben met zijn kunsthandel. Ik kan daar niets over zeggen. Ik weet niet waarom [betrokkene 1] zo heeft verklaard. Desgevraagd antwoord ik u dat cliënte pas kort, via [betrokkene 1] , over de namen en adresgegevens van deze getuigen beschikt dat ze daarom niet eerder konden worden opgegeven. Om dezelfde reden heb ik ook nog géén contact met ze kunnen opnemen en kan ik niet aangeven over welke aankoop/verkoop van welk schilderij de getuigen specifiek zouden kunnen verklaren.”

12. Uit het proces-verbaal van deze terechtzitting blijkt dat het hof op deze verzoeken als volgt heeft beslist:

“De voorzitter deelt als beslissing en overwegingen van het hof mede dat:
(…)

- ter terechtzitting de raadsman voorts de oproeping als getuige van een dertiental personen heeft verzocht. Deze – veelal in het buitenland wonende – personen dienen allen ter onderbouwing van de stelling van de verdediging dat het geld een legale herkomst heeft en afkomstig is uit de kunsthandel van de medeverdachte [betrokkene 1] , en niet uit enig misdrijf.

Het hof wijst dit verzoek ook af nu de noodzaak tot toewijzing ervan niet is gebleken en overweegt daartoe als volgt. De ter zake te horen getuigen kunnen – blijkens de motivering van de raadsman – in de kern beschouwd niet meer verklaren dan dat [betrokkene 1] in de kunsthandel werkte en daarmee geld verdiende. Aan het verzoek is evenwel niet ten grondslag gelegd dat deze personen daadwerkelijk aan of van de verdachte geldbedragen ten behoeve van de aankoop/verkoop van kunstwerken hebben overhandigd of ontvangen. Door de raadsman zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan kan blijken dat de beantwoording van de door hem geformuleerde vragen redelijkerwijs van belang kan zijn van enige door het hof op grond van artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering te nemen beslissing zodat het verzoek wordt afgewezen.”

13. Het hof heeft de zaak nadien in een andere samenstelling behandeld op de terechtzitting van 16 oktober 2019. In weer een andere samenstelling heeft het hof de zaak op de terechtzitting van 13 november 2019 inhoudelijk behandeld. In die laatste samenstelling heeft het hof ook het bestreden arrest gewezen. Hoewel in de processen-verbaal van de opvolgende terechtzittingen niet uitdrukkelijk is aangetekend dat het onderzoek ter terechtzitting opnieuw is aangevangen, ga ik – evenals de steller van het middel – ervan uit dat het onderzoek ter terechtzitting op de terechtzitting van 13 november 2019 in overeenstemming met de hoofdregel van art. 322, derde lid, Sv vanwege de gewijzigde samenstelling van het gerecht opnieuw is aangevangen en dat de vermelding daarvan in het proces-verbaal als gevolg van een kennelijke misslag achterwege is gebleven. Hierop wijst in het bijzonder de vermelding in het bestreden arrest dat het is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 13 november 2019. Daarnaast blijkt uit het proces-verbaal van deze terechtzitting dat aldaar de bij de aanvang van het zittingsonderzoek in acht te nemen vormvoorschriften zijn nageleefd.6

14. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 november 2019 blijkt dat de raadsman van de verdachte aldaar het woord tot verdediging heeft gevoerd aan de hand van zijn pleitnota, die aan het hof is overgelegd en in het dossier is gevoegd. Deze pleitnota houdt in dat de raadsman de onderbouwing van het verzoek dertien getuigen te horen niet zal herhalen, maar daarvoor verwijst naar de pleitnotities die hij op de regiezitting heeft overgelegd en dat de verdediging geen afstand doet van het verzoek.

15. Uit het bestreden arrest blijkt dat het hof deze mededeling van de raadsman heeft opgevat als een herhaling van het op de regiezitting gedane getuigenverzoek. Voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, houdt het arrest van het hof het volgende in:

“Verklaring van de verdachte over de herkomst geldbedragen

De verdachte heeft verklaard dat de geldbedragen, die zij voor medeverdachte [betrokkene 1] vervoerde, verband hielden met kunsthandel van [betrokkene 1] . Daarbij heeft zij aangevoerd dat in deze kunsthandel veel grote contante bedragen omgaan en dat de verdachte zich namens [betrokkene 1] heeft bezig gehouden met het contante betalingsverkeer rondom concrete transacties betreffende kunstwerken omdat hij haar vertrouwde en hij zelf niet altijd in de gelegenheid was om de geldbedragen te vervoeren. De raadsman heeft in dit kader zijn verzoek om de oproeping als getuige van een dertiental personen herhaald. Deze – veelal in het buitenland wonende – personen dienen allen ter onderbouwing van de stelling van de verdediging dat het geld een legale herkomst heeft en afkomstig is uit de kunsthandel van de medeverdachte [betrokkene 1] , en niet uit enig misdrijf, aldus de raadsman.

Deze verklaring van de verdachte met betrekking tot de herkomst van het geld is onvoldoende onderbouwd. De verdachte heeft weliswaar informatie over de kunsthandel van [betrokkene 1] overgelegd, zoals een lijst met kunstwerken van [betrokkene 1] -art, een beschrijving van de kunstcollectie [betrokkene 1] -art en foto’s van de kunstcollectie, maar uit deze stukken blijkt niet dat de geldtransporten inderdaad te maken hadden met deze kunsthandel en dat deze gelden een legale herkomst hadden. Iedere concrete onderbouwing over de herkomst van de geldbedragen ontbreekt. Bovendien blijkt uit de overgelegde stukken dat de verkoopprijzen van de kunstwerken van de kunsthandel van [betrokkene 1] variëren van enkele honderden euro’s tot een paar duizend euro per kunstwerk. Deze bedragen staan niet in verhouding tot de omvang van de geldtransporten die hebben plaatsgevonden. Dat er sprake zou zijn van duurdere kunstwerken, waaronder een Picasso, is – mede nu iedere onderbouwing hiervan ontbreekt – niet aannemelijk. Evenmin heeft de verdachte onderbouwd waarom de bedragen niet via bancaire transacties konden worden overgemaakt maar fysiek moesten worden vervoerd met alle bijkomende kosten en risico’s van dien. Het is in het licht van de verklaring van de verdachte bovendien onwaarschijnlijk dat de verdachte niet kan verklaren hoe het geld was verpakt en dat zij nooit een factuur of andere papieren heeft gezien die op de herkomst betrekking hebben. Ook de verklaring van de verdachte, dat zij bij aankomst op het doorgegeven adres niet pleegde te verifiëren dat de persoon die zij daar aantrof inderdaad de persoon was aan wie zij het geldbedrag diende te overhandigen roept vragen op.

Het hof wil aannemen dat [betrokkene 1] in de kunsthandel werkzaam was, maar hetgeen de door de verdediging verzochte getuigen zouden kunnen verklaren is niet betrokken op de concrete geldbedragen die in deze zaak aan de orde zijn. Er is niet gesteld dat de getuigen kunnen verklaren dat de handel een dermate grote omvang had dat bedragen in deze orde van grootte moesten worden vervoerd, laat staan dat en waarom deze in contanten moesten worden overgebracht. Daarmee is onvoldoende onderbouwd dat de verklaringen van belang kunnen zijn voor enige door het hof te nemen beslissing, zodat de noodzaak om de getuigen te horen niet is komen vast te staan.”

16. Aangezien de afwijzende beslissing die het hof op de regiezitting heeft gegeven bij het opnieuw aanvangen van het onderzoek niet in stand is gebleven, zal ik de klacht opvatten als gericht tegen de bij arrest genomen beslissing.

17. De steller van het middel neemt primair het standpunt in dat het hof met zijn afwijzende beslissing heeft miskend dat het zich bij zijn beoordeling van het getuigenverzoek de vraag diende te stellen of de afwijzende beslissing op het getuigenverzoek de overall fairness van de procedure in de zin van art. 6 EVRM ondermijnt. Ter ondersteuning van deze stelling voert hij aan dat het juridisch kader voor de beoordeling van verzoeken tot het horen van getuigen ‘à décharge’ als gevolg van de uitspraak van de Grote Kamer van het EHRM van 18 december 2018 in de zaak Murtazaliyeva tegen Rusland is gewijzigd.7 In het licht van die uitspraak zou de afwijzende beslissing van het hof getuigen van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk zijn.

18. Ik kan de steller van het middel hierin niet volgen. In de genoemde uitspraak heeft de Grote Kamer van het EHRM een uiteenzetting gegeven van het beoordelingskader dat het Europese Hof zelf hanteert en in de toekomst zal hanteren bij de beoordeling van de vraag of de afwijzing van een verzoek tot het horen van getuigen à décharge in strijd is met het recht op een eerlijk proces als vervat in art. 6 EVRM. In de uitspraak roept het EHRM in herinnering dat het Europese Hof niet tot taak heeft “to deal with errors of fact or of law allegedly committed by a domestic court” en dat het niet optreedt als “court of fourth instance” (par. 149). Ten aanzien van het recht ontlastende getuigen te horen, benadrukt de Grote Kamer dat “only in exceptional circumstances (…) the Court will be led to conclude that the failure to hear a witness was incompatible with Article 6 of the Convention” en dat zelfs “[t]he dismissal of a request without giving reasons or the “silence” of the domestic courts in respect of a sufficiently reasoned and relevant request to call a defence witness does not necessarily lead to a finding of a violation of Article 6” (par. 148).

19. Het nieuwe element in de uitspraak waarop de steller van het middel kennelijk doelt, is dat de Grote Kamer zijn eerder als tweestappentoets gepresenteerde toetsingskader thans als een beoordeling aan de hand van drie vragen beschouwt. De twee vragen die onder meer in de uitspraak van de Grote Kamer in de zaak Perna tegen Italië naar voren kwamen, zijn (1) of de verdediging het verzoek heeft onderbouwd ten aanzien van de relevantie van het horen van de desbetreffende getuige voor de waarheidsvinding en (2) of de afwijzende beslissing van de nationale rechter de overall fairness van de strafprocedure als geheel ondermijnde (par. 141 en par. 153). In de uitspraak in de zaak Murtazaliyeva constateert de Grote Kamer dat de wijze waarop de nationale rechter heeft beslist op het verzoek tot het oproepen van getuigen een zelfstandige en belangrijke plaats heeft verworven in het beoordelingskader van het EHRM. Dit acht de Grote Kamer in overeenstemming met zowel het uitgangspunt dat de nationale rechter het best is toegerust om het getuigenverzoek te beoordelen als met de beoogde terughoudende koers waarin alleen in uitzonderlijke gevallen de afwijzing van een verzoek tot het horen van ontlastende getuigen met art. 6 EVRM onverenigbaar is (par. 154). In de aldus uiteengezette benadering zijn thans drie vragen van belang: (1) was het verzoek “sufficiently reasoned and relevant to the subject matter of the accusation”; (2) heeft de nationale rechter de relevantie van (het horen van) de getuige onderzocht en zijn afwijzende beslissing voldoende gemotiveerd; en (3) ondermijnt de afwijzende beslissing het recht op een eerlijk proces (par. 158).

20. De beoordeling van het getuigenverzoek “would necessarily entail consideration of the circumstances of a given case and the reasoning of the courts must be commensurate, i.e. adequate in terms of scope and level of detail, with the reasons advanced by the defence” (par. 164). De Grote Kamer beschouwt hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en de gronden waarop de afwijzende beslissing op het verzoek berust dus – evenals de Hoge Raad8 – als communicerende vaten: “the stronger and weightier the arguments advanced by the defence, the closer must be the scrutiny and the more convincing must be the reasoning of the domestic courts if they refuse the defence's request to examine a witness” (par. 166). Met de derde vraag wil het hof voorkomen dat het beoordelingskader rigide of mechanisch wordt. In de regel zal aan de hand van de eerste twee vragen kunnen worden nagegaan of het strafproces eerlijk is verlopen. Slechts in uitzonderlijke gevallen kunnen andere “considerations of fairness” tot een tegengestelde slotsom leiden (par. 168).9

21. De klacht dat het hof heeft verzuimd zich de vraag te stellen of afwijzing van het getuigenverzoek de overall fairness van het strafproces aantastte, mist feitelijke grondslag. Het hof heeft geoordeeld dat de noodzaak om de verzochte getuigen te horen niet is gebleken, aangezien onvoldoende is onderbouwd dat de verklaringen van belang kunnen zijn voor enige door het hof te nemen beslissing. Het hof heeft bij de beoordeling aldus de juiste maatstaf aangelegd. In zijn oordeel dat het horen van de getuigen niet noodzakelijk is, ligt bovendien besloten dat naar het oordeel van het hof art. 6 EVRM niet tot toewijzing van het verzoek noopt en aldus ook dat afwijzing van het verzoek de overall fairness van de procedure geen geweld aandoet.10

22. Mede in aanmerking genomen dat de verdediging in hoger beroep niet naar voren heeft gebracht dat afwijzing van het verzoek onverenigbaar zou zijn met art. 6 EVRM, was het hof niet gehouden zijn oordeel in dit verband nader te motiveren. Daarbij moet worden bedacht dat de rechtspraak van het EHRM niet van de nationale rechter vraagt dat hij een verzoek tot het horen van getuigen ‘à décharge’ motiveert aan de hand van de driestappentoets die het EHRM hanteert. De nationale rechter dient ervan blijk te geven de relevantie van (het horen van) de getuige te hebben onderzocht en dient zijn afwijzende beslissing daartoe voldoende te motiveren. De vraag naar de overall fairness gebruikt het Europese Hof als toetssteen bij zijn eigen beoordeling of de afwijzing van het getuigenverzoek een schending van art. 6 EVRM oplevert.

23. Voor zover het middel de klacht bevat dat het hof de rechtspraak van het EHRM heeft miskend en aldus heeft blijk gegeven van een te beperkte opvatting van het recht van de verdachte om getuigen à décharge te doen horen, faalt het.

24. Over de vraag of de afwijzende beslissing van het hof toereikend is gemotiveerd, merk ik voorts het volgende op.

25. In de cassatieprocedure gaat het niet meer om het al dan niet oproepen of horen van getuigen maar uitsluitend om de toetsing van de desbetreffende beslissingen van de feitenrechter. Bij een afwijzing van een verzoek tot het oproepen van getuigen wordt in cassatie beoordeeld of de beslissing begrijpelijk is in het licht van enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen. De begrijpelijkheid van de beslissing op een verzoek om getuigen te horen, zal in cassatie in verband met aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval, slechts in beperkte mate kunnen worden getoetst.11

26. Voor de beoordeling van de motiveringsklacht is aldus relevant wat aan het verzoek ten grondslag is gelegd. Daarbij moet onderscheid worden gemaakt tussen de onderbouwing van de getuigenverzoeken op de regiezitting van 5 en 19 oktober 2013 en de onderbouwing van het op de terechtzitting van 13 november 2019 herhaalde verzoek. Op deze laatste terechtzitting is het onderzoek immers opnieuw aangevangen. De raadsman heeft er aldaar mee volstaan te wijzen op de pleitnotities die op de regiezitting zijn overgelegd en te benadrukken geen afstand te doen van deze verzoeken. Het proces-verbaal van deze terechtzitting houdt niet in dat is verzocht de eerdere onderbouwing van het verzoek als herhaald en ingelast te beschouwen en dat het hof dat verzoek heeft gehonoreerd. Voor zover het middel ervan uitgaat dat de raadsman op de terechtzitting van 13 november 2019 zijn op de regiezitting voor het verzoek gegeven nadere onderbouwing heeft herhaald, mist het dan ook feitelijke grondslag.12

27. Zelfs als het verhandelde op de regiezitting van 5 en 19 oktober 2019 wel zou worden betrokken bij de toetsing in cassatie, is het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daartoe wijs ik op het volgende.

28. Het verzoek van de verdediging dertien personen als getuigen te horen strekte ertoe ondersteuning te verkrijgen voor de stelling van de verdediging dat het in de tenlastelegging bedoelde geld een legale herkomst had en afkomstig was uit de kunsthandel van [betrokkene 1] . Aldus zouden de verklaringen van deze getuigen steun kunnen bieden aan het door de verdediging geschetste alternatieve scenario.

29. Aan zijn oordeel dat het horen van de getuigen niet noodzakelijk is, heeft het hof ten grondslag gelegd dat het de verklaringen van de verzochte getuigen niet van belang acht voor enige door het hof te nemen beslissing. Anders dan de steller van het middel kennelijk meent, heeft het hof zich aldus niet beperkt tot een beoordeling van hetgeen de verdediging aan het getuigenverzoek ten grondslag heeft gelegd, maar heeft het hof een oordeel gegeven over de relevantie van (het horen van) de verzochte getuigen voor de onderhavige strafzaak, tegen de achtergrond van de redenen waarom de verdediging de getuigen wenste te horen. Meer in het bijzonder is het hof nagegaan of de getuigen het hof nader zouden kunnen voorlichten over de aanwezigheid en het vervoer van de concrete, in de tenlastelegging genoemde geldbedragen. Het hof heeft geoordeeld dat dit niet het geval is. Aan dit oordeel heeft het hof enerzijds ten grondslag gelegd dat het uitgaat van de juistheid van de stelling dat [betrokkene 1] in de kunsthandel werkzaam was. Voor zover de verdediging aan de getuigenverzoeken ten grondslag heeft gelegd dat de getuigen dit kunnen bevestigen, heeft het hof het om die reden niet noodzakelijk geacht hen te horen. Anderzijds heeft het hof op basis van de onderbouwing van deze verzoeken geoordeeld dat hetgeen de getuigen (volgens de onderbouwing van de verzoeken) zouden kunnen verklaren niet is betrokken op de concrete geldbedragen die in deze zaak aan de orde zijn. Niet gesteld is dat de getuigen kunnen verklaren dat de omvang van de kunsthandel noopte tot het vervoer van geldbedragen in deze orde van grootte, laat staan dat en waarom deze in contanten moesten worden overgebracht. Dat oordeel is, mede in het licht van hetgeen het hof heeft vastgesteld over de onaannemelijkheid van de stelling van de verdediging dat sprake zou kunnen zijn van legale inkomsten uit kunsthandel, niet onbegrijpelijk.13 Daarbij neem ik in aanmerking dat de bewezenverklaring betrekking heeft op het transport van geldbedragen die variëren van € 100.000,- tot € 1.699.870,- en het hof heeft vastgesteld dat deze bedragen niet in verhouding staan tot de verkoopprijzen van de kunsthandel, die variëren van enkele honderden euro’s tot een paar duizend euro per kunstwerk. Daarbij komt dat de verdachte heeft deelgenomen aan conversaties waarin werd gebruikgemaakt van versluierd taalgebruik en waarin zij werd geïnstrueerd om plaatsen waar camera’s hingen te mijden.

30. In het licht van enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen, is de beslissing van het hof niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

31. Ook in zoverre faalt het middel.

32. Het derde middel behelst de klacht dat het oordeel van het hof dat de rechtsbijstand die de verdachte voorafgaand aan en tijdens haar politieverhoor in Spanje heeft gehad, voldeed aan de relevante eisen voor (adequate) consultatie- en verhoorbijstand van een advocaat, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is.

33. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 november 2019 houdt in dat de raadsman van de verdachte aldaar het woord tot verdediging heeft gevoerd aan de hand van zijn pleitnota, die aan het hof is overgelegd en in het dossier is gevoegd. Uit deze pleitnota blijkt dat de raadsman heeft aangevoerd dat het de verdachte voorafgaand aan en tijdens haar politieverhoor aan adequate bijstand van een advocaat heeft ontbroken, zodat de verklaringen die zij bij deze gelegenheid heeft afgelegd, moeten worden uitgesloten van het bewijs. Het hof heeft dit verweer in de bestreden uitspraak als volgt samengevat en gemotiveerd verworpen:

“De raadsman heeft – zakelijk samengevat – bepleit dat de door de verdachte in Spanje afgelegde verklaringen uitgesloten moeten worden van het bewijs, omdat het de verdachte voorafgaand en tijdens het verhoor aan adequate rechtsbijstand heeft ontbroken. Zij is weliswaar bijgestaan door een Spaanse advocaat, maar nu het een Nederlandse strafzaak betreft had zij door een Nederlandse (strafrecht)advocaat moeten worden bijgestaan. Bovendien is tijdens een pauze in het verhoor ongeoorloofde druk op haar uitgeoefend om te verklaren. Spaanse politiefunctionarissen hebben immers tijdens een bezoek van de verdachte aan het toilet haar geadviseerd om te verklaren over een medeverdachte, zulks om niet verder in de problemen te komen.

In dit verband (en, naar het hof begrijpt, voor het geval het verweer niet wordt gehonoreerd) is verzocht de Spaanse advocaat, alsmede de Spaanse en Nederlandse functionarissen die bij het verhoor aanwezig waren, als getuige te horen, alsmede prejudiciële vragen te stellen aan het Europese Hof van Justitie.

De verdachte is, ingevolge een Nederlands rechtshulpverzoek, op 15 mei 2016 in Barcelona als verdachte gehoord. Volgens het proces-verbaal van het verhoor, dat zich bij de stukken bevindt (map IA, Rechtshulpverzoeken, bijlage 3) is de verdachte gewezen op haar zwijgrecht en op het recht om zich te laten bijstaan door een advocaat. De verdachte heeft van dit laatste recht gebruik gemaakt en is tijdens het verhoor door een advocaat bijgestaan. Daarmee is aan de relevante eisen voldaan. Indien de advocaat meende niet in staat te zijn adequate rechtsbijstand te verlenen had het op zijn weg gelegen ter zake actie te ondernemen. Indien de verdachte meende dat zij geen adequate rechtsbijstand ontving had zij dit aan de orde kunnen stellen en om een andere advocaat kunnen vragen. De algemene stelling dat in een Nederlandse strafzaak slechts een Nederlandse advocaat effectieve rechtsbijstand kan verlenen is onjuist. Het horen als getuige van de Spaanse advocaat, de Spaanse politiefunctionarissen en de Nederlandse functionarissen is dan ook niet noodzakelijk. Dat geldt ook voor het stellen van prejudiciële vragen.

Ook overigens is niet gebleken dat de verdachte in enig processueel belang is geschaad in verband met voornoemd verhoor. De stelling van de verdediging dat de verdachte onder druk zou zijn gezet door de Spaanse verbalisanten is niet onderbouwd. Het verhoor is bovendien ondertekend door de verdachte en haar Spaanse advocaat. Indien de door de raadsman verzochte getuigen de gestelde toedracht zouden bevestigen, volgt daaruit niet dat op de verdachte onrechtmatige druk is uitgeoefend, op een wijze die consequenties zou hebben voor het gebruik van haar verklaring. Het verhoor van die getuigen is dus ook in dit opzicht niet noodzakelijk.”

34. Het hof heeft vastgesteld dat de Spaanse politie de verdachte ingevolge een Nederlands rechtshulpverzoek in Spanje als verdachte heeft verhoord. Ten aanzien van onderzoekshandelingen waarvan de uitvoering plaatsvindt onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten van een andere tot het EVRM toegetreden staat, is ‘volgens de rechtspraak van de Hoge Raad de taak van de Nederlandse strafrechter ertoe beperkt te waarborgen dat de wijze waarop de resultaten van dit onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte worden gebruikt, geen inbreuk maakt op zijn of haar recht op een eerlijk proces, zoals bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM.14

35. Deze taak kan onder omstandigheden meebrengen dat de verklaring die een verdachte zonder bijstand van een raadsman in een politieverhoor in het buitenland heeft afgelegd, moet worden uitgesloten van het bewijs. Op een door de verdediging gevoerd verweer betreffende de rechtmatigheid van onderzoek dat heeft plaatsgevonden in het buitenland, zijn de door de Hoge Raad in het kader van de toepassing van art. 359a Sv geformuleerde uitgangspunten van toepassing.15 In zijn overzichtsarrest inzake de toepassing van art. 359a Sv van 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889 heeft de Hoge Raad herhaald dat het rechtsgevolg van bewijsuitsluiting in de eerste plaats aan de orde is in gevallen waarin het uitsluiten van bepaalde resultaten van het opsporingsonderzoek van het gebruik voor het bewijs noodzakelijk is om een schending van artikel 6 EVRM te voorkomen. Tot die categorie behoren in de regel het geval dat een aangehouden verdachte niet dan wel niet binnen redelijke grenzen de gelegenheid is geboden om voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie een advocaat te raadplegen16 en het verzuim de verdachte mededeling te doen van zijn recht te worden om bijgestaan door een raadsman.17 Voor veel andere vormverzuimen die aan het recht op rechtsbijstand raken, is dit niet zonder meer het geval, maar zal de rechter per geval moeten beoordelen of aan het vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt.18

36. Art. 6, derde lid onder c, EVRM verschaft de verdachte het recht zichzelf te verdedigen of zich te doen bijstaan door een advocaat.19 In beginsel moet in de toegang tot een advocaat worden voorzien vanaf de aanhouding en het eerste verhoor van de verdachte. Ingevolge art. 3, tweede lid, onder a, van de richtlijn 2013/48 EU hebben verdachten toegang tot een advocaat voordat zij door de politie worden verhoord. De regeling van art. 27c en 28 Sv sluit daarbij aan. Ook ingeval een verdachte niet is aangehouden, dient aan de verdachte voorafgaand aan het eerste verhoor mededeling te worden gedaan van het in art. 28, eerste lid, Sv gewaarborgde recht om zich te doen bijstaan door een raadsman (art. 27c, tweede lid, Sv). Indien dat voorschrift niet is nageleefd, levert dat in beginsel een vormverzuim op als bedoeld in art. 359a Sv. Met het oog op de verzekering van het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM geldt dat zodanig vormverzuim, na een daartoe strekkend verweer, in de regel dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de ter gelegenheid van het verhoor afgelegde verklaring, tenzij de verdachte door het achterwege blijven van de desbetreffende mededeling niet in zijn of haar verdediging is geschaad.

37. In de bestreden uitspraak ligt als het oordeel van het hof besloten dat de verdachte recht op rechtsbijstand had voorafgaand en bij het verhoor door de Spaanse politie. In cassatie is de vraag aan de orde of in dit verband kan worden gesproken van rechtsbijstand die kan worden aangemerkt als ‘practical and effective’. De steller van het middel legt in de schriftuur de nadruk op het feit dat het horen plaatsvond in verband met een Nederlandse strafzaak. Volgens hem kan in een dergelijk geval slechts van effectieve rechtsbijstand worden gesproken ingeval de rechtsbijstand wordt verleend door een Nederlandse advocaat.

38. Bij hetgeen in de schriftuur in dit verband wordt opgemerkt, moeten allereerst de volgende drie kanttekeningen worden geplaatst.

39. In de eerste plaats komt bij de beantwoording van de vraag of sprake is van ‘practical and effective’ rechtsbijstand belang toe aan het stadium van de procedure waarin de bijstand wordt verleend. Het gaat in dezen om bijstand bij het politieverhoor dat door de Spaanse politie is afgenomen en niet om de verdediging tijdens het onderzoek ter terechtzitting in een Nederlandse strafzaak. Dat onderscheid komt in de schriftuur niet uit de verf.

40. De eisen die het EVRM aan de invulling van dit recht in het stadium van het voorbereidend onderzoek stelt, zijn afhankelijk van de bijzonderheden van de desbetreffende procedure en van de omstandigheden van de concrete zaak.20 Het is primair aan de lidstaten om dit recht nader vorm te geven, zolang die vormgeving verenigbaar is met de eisen van een eerlijk proces.21

41. In de tweede plaats geldt het volgende. Toekenning van een gekozen of aangewezen raadsman is op zichzelf niet altijd een voldoende waarborg dat het recht op rechtsbijstand ook op een effectieve wijze kan worden uitgeoefend. De enkele “nomination” van een advocaat garandeert immers als zodanig niet dat die advocaat ook effectieve bijstand verleent. Ter illustratie noemde het EHRM in de zaak Artico dat de aangewezen raadsman “may die, fall seriously ill, be prevented for a protracted period from acting, or shirk his duties”.22 Indien de autoriteiten van een dergelijke omstandigheid op de hoogte raken, rust op hen een verantwoordelijkheid de raadsman te vervangen of hem zijn verplichtingen alsnog te doen vervullen.23Vaste rechtspraak van het EHRM is evenwel ook dat “a State cannot be held responsible for every shortcoming on the part of a lawyer appointed for legal-aid purposes. It follows from the independence of the legal profession from the State that the conduct of the defence is essentially a matter between the defendant and his counsel, whether appointed under a legal-aid scheme or privately financed.” Van de bevoegde nationale autoriteiten mag alleen worden verwacht dat zij ingrijpen, “if a failure by legal-aid counsel to provide effective representation is manifest or sufficiently brought to their attention in some other way”.24Trechsel stelt hierover dat de exacte reikwijdte van de verplichting van de Staat om de effectiviteit van de geboden rechtsbijstand te faciliteren niet evident is, maar dat “as a general rule the lawyer ought to take the initiative”.25 In een wat ander verband heeft mijn ambtgenoot Harteveld over de hier besproken EHRM-rechtspraak opgemerkt dat de eigen verantwoordelijkheid van de verdachte en zijn raadsman voor de gevoerde verdediging als uitgangspunt geldt en dat die verantwoordelijkheid slechts in uitzonderlijke situaties kan worden toegeschreven aan de Staat.26 Daaraan voeg ik toe dat het ook tot de verantwoordelijkheid van de advocaat gerekend kan worden kenbaar te maken als hij zich in een concrete zaak niet in staat acht adequate rechtsbijstand te verlenen.

42. Dat brengt mij bij de derde opmerking. Het hof heeft kennelijk en terecht tot uitgangspunt genomen dat ingeval de verdachte dan wel de raadsman die haar bij het politieverhoor bijstond van mening was dat van adequate rechtsbijstand geen sprake kon zijn, bijvoorbeeld omdat daartoe nadere informatie over het Nederlandse strafrecht zou moeten worden ingewonnen, het op de weg van de verdediging lag dat bij die gelegenheid kenbaar te maken. Het hof heeft tot uitdrukking gebracht dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte of haar Spaanse advocaat bezwaar heeft gemaakt tegen de wijze waarop aan het recht op rechtsbijstand invulling werd en kon worden gegeven, door bijvoorbeeld om een schorsing van het verhoor te vragen. Evenmin wordt duidelijk waarom de verdediging deze klacht niet op dat moment reeds ter sprake heeft gebracht en waaruit het nadeel zou bestaan dat aan de verdedigingsrechten van de verdachte zou zijn berokkend doordat de desbetreffende advocaat en niet een Nederlandse advocaat bij gelegenheid van het politieverhoor rechtsbijstand heeft verleend.

43. Ik meen dat het middel op grond van het voorafgaande schipbreuk lijdt. Voor de volledigheid voeg ik daaraan het volgende toe.

44. De rechtspraak van het EHRM bevestigt dat een rechtshulp verzoekende staat (mede) verantwoordelijk kan zijn voor een schending van art. 6 EVRM door het gebruik van een verklaring die zonder rechtsbijstand van een advocaat in de rechtshulp verlenende staat is afgelegd.27 In de zaak Stojkovic tegen België en Frankrijk was dit aan de orde. België verleende rechtshulp aan Frankrijk door de in België gedetineerde Stojkovic te horen. Naar Frans recht kon Stojkovic worden aangemerkt als een ‘témoin assisté’, tegen wie een verdenking van een strafbaar feit bestond en die recht had op rechtsbijstand bij zijn verhoor. Bij het Belgische verhoor van Stojkovic was een Franse rechter-commissaris aanwezig. Stojkovic had naar het toen geldende Belgische recht evenwel geen recht op rechtsbijstand bij zijn verhoor. Zijn verzoek om bijstand van een (Franse) raadsman werd dan ook afgewezen. Het EHRM oordeelde onder meer dat ook als de beperking van het recht in kwestie aanvankelijk niet aan de Franse autoriteiten te wijten was, de Franse strafrechter niettemin verantwoordelijk was voor de eerlijkheid van de nadien in Frankrijk gevolgde strafprocedure als geheel en dus consequenties had moeten verbinden aan de gang van zaken in België.28

45. De steller van het middel huldigt de opvatting dat bij een verhoor dat leidt tot een Nederlandse strafzaak slechts een Nederlandse advocaat effectieve rechtsbijstand kan verlenen en dat de Nederlandse autoriteiten daarvoor zorg hadden moeten dragen, zodat reeds de omstandigheid dat de bij het verhoor betrokken advocaat een Spaanse advocaat was, had moeten leiden tot bewijsuitsluiting van de bij dat verhoor afgelegde verklaring. Het andersluidend oordeel van het hof zou getuigen van een onjuiste rechtsopvatting. Het is duidelijk dat de aanvaarding van een dergelijke opvatting verstrekkende gevolgen zou hebben, ook van financiële aard. Ter onderbouwing van deze algemene stelling wordt in de cassatieschriftuur verwezen naar art. 37 Sv, naar uitspraken van de Grote Kamer van het EHRM en naar het EU-recht inzake het recht op rechtsbijstand.

46. Noch deze noch andere rechtsbronnen kunnen de stelling van de verdediging evenwel dragen. Art. 37 Sv bevat veeleer een contra-indicatie. Ingevolge het eerste lid van die bepaling worden als raadslieden toegelaten in Nederland op het tableau van de Nederlandse orde van advocaten ingeschreven advocaten. Het tweede lid biedt daarnaast de mogelijkheid dat worden toegelaten de personen bedoeld in art. 16b of art. 16h Advocatenwet, indien zij samenwerken met een in Nederland ingeschreven advocaat overeenkomstig het bepaalde in art. 16e, respectievelijk 16j Advocatenwet. De bepalingen van de Advocatenwet stellen nadere voorwaarden aan dit als advocaat optreden van een buitenlandse advocaat binnen Nederland. Vanzelfsprekend is art. 37 Sv primair van toepassing op de rechtsbijstand aan een verdachte die in Nederland in het kader van een (Nederlandse) strafzaak als verdachte is aangemerkt. De voorschriften uit het Wetboek van Strafvordering hebben géén betrekking op het geval dat Nederland om opsporingshulp of kleine rechtshulp verzoekt.29 In het kader van de herziening van de regeling internationale samenwerking in strafzaken in het Wetboek van Strafvordering, heeft de regering opgemerkt dat bij de verlening van Nederlandse rechtshulp in overeenstemming met art. 6 EVRM moet worden gehandeld en dat mede daarom bij de uitvoering van die rechtshulp een belangrijk uitgangspunt is dat uitvoering van buitenlandse verzoeken niet anders plaatsvindt dan door toepassing te geven aan strafvorderlijke bevoegdheden, zoals die voor strafrechtelijk onderzoek in Nederland gelden.30 Als voorbeeld noemt de memorie van toelichting dat een verdachte die in Nederland op basis van een buitenlands rechtshulpverzoek wordt verhoord ook bijstand dient te krijgen van een advocaat. Op grond van art. 37, eerste lid, Sv in samenhang met het genoemde uitgangspunt zal dat in beginsel een Nederlandse advocaat zijn. In de onderhavige zaak is de omgekeerde situatie aan de orde: de verdachte is in Spanje op basis van een Nederlands rechtshulpverzoek verhoord.

47. Ook de richtlijn 2013/48/EU bevat een aanknopingspunt voor de beoordeling van de stelling van de raadsman, zij het niet in de door hem voorgestane richting. Art. 10 van deze richtlijn regelt het recht van gezochte personen tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd om vanaf hun aanhouding te worden bijgestaan door een advocaat. Op grond van het eerste lid gaat het daarbij om het recht op toegang tot een advocaat in de uitvoerende lidstaat. Dit recht omvat op de voet van art. 10, tweede lid onder c, van de richtlijn het recht dat deze advocaat in de uitvoerende lidstaat aanwezig is bij en overeenkomstig het nationale recht deelneemt aan het verhoor van de gezochte persoon door de uitvoerende rechterlijke instantie. Ingevolge art. 10, vierde lid, van de richtlijn brengt de bevoegde autoriteit in de uitvoerende lidstaat de gezochte persoon er na vrijheidsbeneming van op de hoogte dat hij daarnaast tevens recht heeft in de uitvaardigende lidstaat een advocaat aan te wijzen. De rol van deze advocaat in de uitvaardigende lidstaat is de advocaat in de uitvoerende lidstaat bij te staan, door die advocaat informatie en advies te verstrekken teneinde de gezochte persoon zijn of haar rechten uit hoofde van Kaderbesluit 2002/584/JBZ daadwerkelijk te doen uitoefenen, aldus de richtlijn. Overweging 43 van de preambule voegt nog toe dat de gezochte persoon het recht dient te hebben de advocaat die hem of haar in de uitvoerende lidstaat vertegenwoordigt, onder vier ogen te ontmoeten. Gesteld noch gebleken is dat de situatie waarop art. 10 van de richtlijn het oog heeft zich hier voordoet.

48. Het voorafgaande vormt wel een bevestiging dat in het kader van de Europese samenwerking in strafzaken de rechtsbijstand bij verhoren van verdachten in strafzaken in een andere EU-lidstaat kan worden verleend door advocaten uit het land dat aan het verhoor uitvoering geeft. In de omschrijving van een ‘advocaat’ als “eenieder die overeenkomstig het nationale recht (…) gekwalificeerd en bevoegd is om verdachten of beklaagden juridisch advies en juridische bijstand te verlenen” (overweging 15 van de preambule) is dus met het nationale recht niet – zoals de raadsman in hoger beroep heeft betoogd – bedoeld het recht van het land waar de bij een verhoor afgelegde verklaring mogelijk op een later moment voor het bewijs in een strafzaak wordt gebruikt, maar het land waar de advocaat op het moment van het verlenen van rechtsbijstand als raadsman optreedt.

49. In de rechtspraak van het EHRM kan evenmin steun worden gevonden voor de stelling dat per definitie alleen een advocaat uit het land waar de strafzaak uiteindelijk zal plaatsvinden, als raadsman bij het politieverhoor kan optreden, in het bijzonder niet in de hiervoor genoemde zaak Stojkovic tegen België en Frankrijk.31In die zaak had de klager ten tijde van zijn Belgische politieverhoor wel uitdrukkelijk verzocht om een Franse advocaat. Het EHRM baseerde de constatering van een schending van art. 6 EVRM echter erop dat het de klager ten tijde van zijn verhoor geheel aan rechtsbijstand had ontbroken. Uit het verzoek van Stojkovic om een Franse advocaat leidde het EHRM slechts af dat hij van zijn recht op rechtsbijstand geen afstand had gedaan. De onderhavige zaak verschilt in diverse opzichten van de zaak Stojkovic. Zo blijkt nergens uit dat de verdachte in de onderhavige zaak om bijstand door een Nederlandse raadsman heeft verzocht. In de zaak Stojkovic was wel om een Franse raadsman verzocht. Anders dan in de zaak Stojkovic, is de verdachte in de onderhavige zaak gewezen op het recht om zich te laten bijstaan door een advocaat en heeft zij van dit recht gebruikgemaakt.

50. Ook uit de door de steller van het middel ter ondersteuning van zijn stelling aangehaalde uitspraken van de Grote Kamer in de zaken Ibrahim e.a. tegen het Verenigd Koninkrijk en Beuze tegen België valt geen steun te putten voor het betoog van de steller van het middel. In het arrest in de zaak Beuze tegen België heeft de Grote Kamer onder meer de grondslagen voor het recht op rechtsbijstand op een rij gezet. De steller van het middel citeert de overweging die inhoudt dat “the vulnerability of suspects may be amplified by increasingly complex legislation on criminal procedure, particularly with regard to the rules governing the gathering and use of evidence” (par. 126). Met deze overweging onderstreept de Grote Kamer dat in een steeds complexere juridische context het belang van het recht op rechtsbijstand is toegenomen. De gronden voor een recht op rechtsbijstand ziet de Grote Kamer onder meer erin dat “prompt access to a lawyer constitutes an important counterweight to the vulnerability of suspects in police custody”. Die toegang tot een raadsman “provides a fundamental safeguard against coercion and ill-treatment of suspects by the police”, aldus het Europese Hof. Het EHRM beschouwt als een van de voornaamste taken van de raadsman in deze fase dan ook dat hij het recht van de verdachte zichzelf niet te belasten waarborgt.32

51. Het door de steller van het middel kennelijk gehanteerde uitgangspunt dat het voor de effectieve vervulling van de taken van de raadsman bij het eerste politieverhoor essentieel is dat de raadsman die de verdachte bijstaat is gepokt en gemazeld in het recht van de staat waarin de uiteindelijke berechting (mogelijk) plaatsvindt, deel ik niet. Daarbij moet worden bedacht dat ten tijde van een eerste politieverhoor ook niet altijd duidelijk is in welk land de berechting van de verdachte uiteindelijk zal plaatsvinden. De bijstand van een advocaat uit het land waar de berechting (vermoedelijk) zal geschieden, heeft als keerzijde dat die advocaat veelal niet thuis zal zijn in het relevante nationale strafprocesrecht in het algemeen en het recht inzake de verlening van rechtshulp door de vreemde staat waar het verhoor plaatsvindt in het bijzonder. Voor de effectiviteit van het recht van de verdachte is bovendien van groot belang dat de toegang tot een raadsman onverwijld (“prompt access to a lawyer”) wordt verleend.33 Daarbij merk ik nog op dat met het middel niet wordt geklaagd dat zich in dezen de situatie voordat waarop art. 10, vierde lid, van de richtlijn 2013/48/EU ziet en waarin de betrokken advocaat en/of de verdachte ten onrechte de mogelijkheid is onthouden een Nederlandse advocaat aan te wijzen die de Spaanse advocaat informatie en advies zou kunnen verstrekken.

52. Het middel is aldus gebaseerd op een uitgangspunt dat geen steun vindt in het recht. Het bestreden oordeel van het hof getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting.

53. In het licht van het voorafgaande meen ik dat geen grond voor twijfel bestaat over de uitleg van het Unierecht, voor zover relevant voor de uitkomst van de onderhavige zaak.34 Het verzoek prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie leent zich daarmee voor afwijzing.

54. Het middel bevat verder de klacht dat het oordeel van het hof dat in de onderhavige zaak aan de relevante eisen voor rechtsbijstand voorafgaand aan en/of tijdens het politieverhoor is voldaan, onbegrijpelijk is en/of ontoereikend is gemotiveerd.

55. Indien het verweer wordt gevoerd dat zich bij het strafrechtelijk onderzoek door de autoriteiten van een vreemde staat een verzuim heeft voorgedaan dat moet leiden tot toepassing van een in art. 359a, eerste lid, Sv genoemd rechtsgevolg, moet de rechter beoordelen of de aan het verweer ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden. Bij dat onderzoek naar de feitelijke grondslag kan de rechter zich beperken tot die vaststellingen die in verband met de beslissing over het in het verweer genoemde rechtsgevolg noodzakelijk zijn.35

56. Het hof heeft overwogen dat de verdachte volgens het proces-verbaal van het verhoor is gewezen op haar zwijgrecht en op het recht om zich te laten bijstaan door een advocaat en dat de verdachte van dit laatste recht gebruik heeft gemaakt. Het hof heeft aldus tot uitdrukking gebracht uit te gaan van de juistheid van hetgeen is geverbaliseerd. Daarmee heeft het hof feitelijk vastgesteld dat aan de verdachte voorafgaand aan haar verhoor is kenbaar gemaakt dat zij als verdachte werd aangemerkt en welke verdedigingsrechten haar vanwege die status toekwamen. Hierin ligt tevens besloten dat het hof als niet aannemelijk terzijde heeft geschoven dat voor de verdachte en haar Spaanse advocaat niet kenbaar was dat zij verdachte was in een (Nederlandse) strafzaak. Dat oordeel is feitelijk en niet onbegrijpelijk en leent zich niet voor een nadere toetsing in cassatie. Voor zover in cassatie een beroep wordt gedaan op de afwijkende gang van zaken die is beschreven in de brief van de betrokken Spaanse advocaat waaraan de raadsman van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep in zijn pleidooi heeft gerefereerd, stuit de klacht hierop af.

57. Het oordeel van het hof dat niet aannemelijk is geworden dat het recht van de verdachte zich te doen bijstaan door een advocaat aan zodanige beperkingen was onderworpen dat art. 6 EVRM ertoe noopt de afgelegde verklaringen van het bewijs uit te sluiten, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Tot een nadere motivering van dit oordeel was het hof niet gehouden.

58. Het middel faalt.

59. Het vierde middel behelst de klacht dat het oordeel van het hof dat de witgewassen geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is.

60. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezen verklaard dat:

61. “zij op tijdstippen in de periode van 1 februari 2015 tot en met 20 maart 2015, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of in de gemeente Amsterdam en/of in de gemeente Amstelveen, althans in Nederland, en/of te Barcelona (Spanje), althans in Spanje en/of te Milaan (Italië), telkens tezamen en in vereniging met een ander, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben zij, verdachte en haar mededader telkens voorwerpen, te weten verschillende grote hoeveelheden contante geldbedragen verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl zij, verdachte en haar mededader telkens wisten dat die voorwerpen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf, immers hebben zij verdachte en haar mededader toen en daar met voornoemde wetenschap


(incident 1)

- een contant geldbedrag van 180.000,= euro, voorhanden gehad en vervoerd en overgedragen/afgeleverd (op 11 maart 2015) en

(incident 3)

- een contant geldbedrag van 500.000,= euro, voorhanden gehad en vervoerd/doen vervoeren en

overgedragen/afgeleverd (op of omstreeks 16 maart 2015) en

(incident 5)

- een contant geldbedrag van 100.000,= euro, voorhanden gehad en vervoerd en overgedragen/afgeleverd (op 21 februari 2015) en

(incident 6)

56. - een contant geldbedrag van 850.000,= euro, ontvangen en voorhanden gehad en vervoerd en overgedragen/afgeleverd (op 21 februari 2015) en

(incident 7)

- een contant geldbedrag van ongeveer 1.699.870;= euro, ontvangen en voorhanden gehad en vervoerd (in de periode van 19 februari 2015 tot en met 22 februari 2015) en

(incident 8)

- een contant geldbedrag van ongeveer 100.800,= euro, voorhanden gehad en vervoerd en overgedragen/afgeleverd (op of omstreeks 23 februari 2015).”

61. Het hof heeft de bewezenverklaring doen steunen op de inhoud van 17 in het bestreden arrest opgenomen bewijsmiddelen. Voorts heeft het hof ten aanzien van het bewijs het volgende overwogen:

“Telecom gegevens

In haar verhoor heeft de verdachte verklaard dat zij gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer] . De medeverdachte [betrokkene 1] was tijdens zijn aanhouding op 20 maart 2015 in het bezit van (onder andere) een Sony Xperia Z3, een BlackBerry Q10, alsmede een Apple iPhone 5S. In de lijst met contacten van de chat-applicatie Line in de Sony Xperia van [betrokkene 1] staat dat de naam ‘ [verdachte] ’ hoort bij [verdachte] In de BlackBerry van [betrokkene 1] staat bij de Messenger contacten de naam [verdachte] vermeld, waarbij een profielfoto is geplaatst van de verdachte [verdachte] . Daarnaast blijkt uit chatsessies op de Sony Xperia Z3 en de BlackBerry Q10 die betrekking hadden op een reis op 21 februari 2015 naar Milaan met een bedrag van € 100.000 (incident 5) dat hierover, zowel door “ [verdachte] ” als “ [verdachte] ” wordt gesproken.

Hieruit moet worden afgeleid dat de verdachte gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer] en ook dat, waar in de voor het bewijs gebruikte chatgesprekken de naam [verdachte] of [verdachte] voorkomt, dit de verdachte betreft.

Bedragen

Waar in chatgesprekken over ‘honderdtallen’ wordt gesproken, zijn kennelijk bedragen ‘maal duizend’ bedoeld. Dit wordt ondersteund door de verklaring van de verdachte. Zij heeft bij incident 1 verklaard 180.000 te hebben vervoerd, terwijl in de chat over ‘180’ wordt gesproken. Bij incident 5 heeft zij verklaard € 100.000,00 afgedragen te hebben terwijl op de chat ‘100’ wordt genoemd.

Incident 1, 3, 5, 6, 7 en 8

Op basis van de hierna uitgewerkte bewijsmiddelen en het voorgaande in ogenschouw genomen stelt het hof vast dat de verdachte de volgende geldtransporten heeft verricht:

incident 1, 11 maart 2015, € 180.000,00

incident 3, 16 maart 2015, € 500.000,00

incident 5, 21 februari 2015, € 100.000,00

incident 6, 21 februari 2015, € 850.000,00

incident 7, 19 februari 2015 tot en met 22 februari 2015, € 1.699.870,00

incident 8, 23 februari 2015, € 100.800,00

Vermoeden van witwassen

Het is hoogst ongebruikelijk om dergelijke grote geldbedragen in contanten (soms in boodschappentassen van Albert Heijn) te vervoeren, gelet op de veiligheidsrisico’s waarmee dit gepaard gaat. De verdachte heeft in dit kader deelgenomen aan conversaties met versluierd taalgebruik. Zij werd daarin geïnstrueerd om plaatsen waar camera’s hingen te mijden. Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden in onderling verband bezien, is een ernstig vermoeden van witwassen jegens de verdachte gerechtvaardigd. In dat geval mag van de verdachte worden verlangd dat zij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken verklaring geeft voor de legale herkomst van de geldbedragen.

Verklaring van de verdachte over de herkomst geldbedragen

De verdachte heeft verklaard dat de geldbedragen, die zij voor medeverdachte [betrokkene 1] vervoerde, verband hielden met kunsthandel van [betrokkene 1] . Daarbij heeft zij aangevoerd dat in deze kunsthandel veel grote contante bedragen omgaan en dat de verdachte zich namens [betrokkene 1] heeft bezig gehouden met het contante betalingsverkeer rondom concrete transacties betreffende kunstwerken omdat hij haar vertrouwde en hij zelf niet altijd in de gelegenheid was om de geldbedragen te vervoeren. De raadsman heeft in dit kader zijn verzoek om de oproeping als getuige van een dertiental personen herhaald. Deze – veelal in het buitenland wonende – personen dienen allen ter onderbouwing van de stelling van de verdediging dat het geld een legale herkomst heeft en afkomstig is uit de kunsthandel van de medeverdachte [betrokkene 1] , en niet uit enig misdrijf, aldus de raadsman.

Deze verklaring van de verdachte met betrekking tot de herkomst van het geld is onvoldoende onderbouwd. De verdachte heeft weliswaar informatie over de kunsthandel van [betrokkene 1] overgelegd, zoals een lijst met kunstwerken van [betrokkene 1] -art, een beschrijving van de kunstcollectie [betrokkene 1] -art en foto’s van de kunstcollectie, maar uit deze stukken blijkt niet dat de geldtransporten inderdaad te maken hadden met deze kunsthandel en dat deze gelden een legale herkomst hadden. Iedere concrete onderbouwing over de herkomst van de geldbedragen ontbreekt. Bovendien blijkt uit de overgelegde stukken dat de verkoopprijzen van de kunstwerken van de kunsthandel van [betrokkene 1] variëren van enkele honderden euro’s tot een paar duizend euro per kunstwerk. Deze bedragen staan niet in verhouding tot de omvang van de geldtransporten die hebben plaatsgevonden. Dat er sprake zou zijn van duurdere kunstwerken, waaronder een Picasso, is – mede nu iedere onderbouwing hiervan ontbreekt – niet aannemelijk. Evenmin heeft de verdachte onderbouwd waarom de bedragen niet via bancaire transacties konden worden overgemaakt maar fysiek moesten worden vervoerd met alle bijkomende kosten en risico’s van dien. Het is in het licht van de verklaring van de verdachte bovendien onwaarschijnlijk dat de verdachte niet kan verklaren hoe het geld was verpakt en dat zij nooit een factuur of andere papieren heeft gezien die op de herkomst betrekking hebben. Ook de verklaring van de verdachte, dat zij bij aankomst op het doorgegeven adres niet pleegde te verifiëren dat de persoon die zij daar aantrof inderdaad de persoon was aan wie zij het geldbedrag diende te overhandigen roept vragen op.

Het hof wil aannemen dat [betrokkene 1] in de kunsthandel werkzaam was, maar hetgeen de door de verdediging verzochte getuigen zouden kunnen verklaren is niet betrokken op de concrete geldbedragen die in deze zaak aan de orde zijn. Er is niet gesteld dat de getuigen kunnen verklaren dat de handel een dermate grote omvang had dat bedragen in deze orde van grootte moesten worden vervoerd, laat staan dat en waarom deze in contanten moesten worden overgebracht. Daarmee is onvoldoende onderbouwd dat de verklaringen van belang kunnen zijn voor enige door het hof te nemen beslissing, zodat de noodzaak om de getuigen te horen niet is komen vast te staan.

Conclusie: gewoontewitwassen

Gelet op het vorengaande kan het niet anders zijn dan dat de ten laste gelegde geldbedragen onmiddellijk of middellijk afkomstig zijn uit enig misdrijf en dat de verdachte dat wist. Op basis van de periode en de frequentie van de gepleegde feiten, moet worden geconcludeerd dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen.”

62. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Voor een veroordeling ter zake van het in art. 420ter Sr strafbaar gestelde van het plegen van witwassen een gewoonte maken, is vereist dat vaststaat dat de voorwerpen afkomstig zijn uit enig misdrijf. Op grond van doel en strekking van de witwasbepalingen en mede in het licht van de geschiedenis van de totstandkoming ervan moet worden aangenomen dat uit de bewijsmiddelen niet behoeft te kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Uit de bewijsmiddelen behoeft dus niet te kunnen worden afgeleid door wie, wanneer en waar dit misdrijf concreet is begaan.36 Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf, wanneer het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden. Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een “concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring” geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Dit houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Wanneer de verdachte een dergelijke verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen ten aanzien van het bewijs.37

63. Het hof heeft geoordeeld dat de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een “ernstig vermoeden” rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. In dat verband heeft het hof onder meer in aanmerking genomen dat sprake is van geldbedragen die variëren van € 100.000,- tot € 1.699.870,-, die soms in boodschappentassen van Albert Heijn werden vervoerd. De verdachte nam deel aan conversaties waarin versluierd taalgebruik werd gebezigd en waarin zij werd geïnstrueerd plaatsen waar camera’s hingen te mijden. Het hof heeft overwogen dat daarom van de verdachte mocht worden verlangd dat zij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken verklaring zou geven voor de legale herkomst van de geldbedragen. Aldus heeft het hof het bovenstaande beoordelingskader tot uitgangspunt genomen en daarmee geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

64. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat de verdachte niet een dergelijke concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken verklaring heeft gegeven. Geklaagd wordt dat het hof daarbij te hoge eisen heeft gesteld aan de verklaring van de verdachte. Door van de verdachte een nadere onderbouwing van zijn verklaring te verlangen, zou van de verdachte niet een min of meer verifieerbare, maar een door de verdachte zelf geverifieerde verklaring zijn gevergd.

65. Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat enkele (deel)overwegingen van het hof afzonderlijk beschouwd de indruk kunnen wekken dat het hof aan de verklaring van de verdachte te hoge eisen heeft gesteld. Zo kan de omstandigheid dat uit overgelegde stukken niet “blijkt” dat de geldtransporten te maken hadden met de kunsthandel van [betrokkene 1] kunsthandel en dat deze gelden een legale herkomst hadden, niet het oordeel dragen dat de verdachte geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven.

66. De overwegingen van het hof moeten evenwel in hun onderlinge samenhang worden gelezen. Zoals opgemerkt, heeft het hof het juiste beoordelingskader vooropgesteld. Het hof heeft bij de toepassing van dit beoordelingskader onder meer overwogen dat iedere concrete onderbouwing over de herkomst van de geldbedragen ontbreekt, terwijl uit de overgelegde stukken blijkt dat de verkoopprijzen van de kunstwerken van de kunsthandel van [betrokkene 1] variëren van enkele honderden euro’s tot een paar duizend euro per kunstwerk. Het hof heeft niet onbegrijpelijk geoordeeld dat deze bedragen niet in verhouding staan tot de omvang van de ten laste gelegde geldtransporten. Voor zover de verklaring van de verdachte voldoende concreet is, biedt deze daarnaast volgens het hof geen opheldering ten aanzien van de vraag waarom de bedragen niet via bancaire transacties konden worden overgemaakt maar fysiek moesten worden vervoerd met alle bijkomende kosten en risico’s van dien. Die verklaring acht het hof bovendien onwaarschijnlijk, omdat de verdachte niet kan verklaren hoe het geld was verpakt, zij stelt nooit een factuur of andere papieren te hebben gezien die op de (legale) herkomst betrekking hebben en zij voorts verklaart dat zij bij aankomst op het doorgegeven adres niet pleegde te verifiëren dat de persoon die zij daar aantrof inderdaad de persoon was aan wie zij het geldbedrag diende te overhandigen. Daarbij kan ook worden betrokken dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte deelnam aan conversaties waarin versluierd taalgebruik werd gebezigd en waarin zij werd geïnstrueerd plaatsen waar camera’s hingen te mijden.

67. In onderlinge samenhang bezien, moeten deze overwegingen van het hof zo worden verstaan dat de verklaring van de verdachte dat de geldbedragen afkomstig waren uit de door [betrokkene 1] bedreven kunsthandel naar het oordeel van het hof geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken verklaring oplevert. Het hof heeft zich in dat verband niet ertoe beperkt de verdachte tegen te werpen dat het verzoek niet nader is onderbouwd en/of met stukken is gestaafd.38 Het hof heeft tot uitdrukking gebracht dat de door de verdachte gegeven verklaring, voor zover voldoende geconcretiseerd, op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk moet worden aangemerkt. Het hof heeft daarmee gemotiveerd uiteengezet waarom zelfs geen begin van aannemelijkheid bestaat dat de aangetroffen geldbedragen afkomstig zijn uit de kunsthandel van [betrokkene 1] .39 Aldus heeft het hof het beoordelingskader voor het bewijs van het bestanddeel dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf” in de zin van de witwasbepalingen niet miskend en aan de van de verdachte verlangde verklaring geen te hoge eisen gesteld, wat ook zij van de minder gelukkige bewoordingen waarmee het hof dit oordeel heeft gemotiveerd. Van een verschuiving van de bewijslast naar de verdachte is aldus bezien geen sprake.

68. Het oordeel van het hof dat de verklaring van de verdachte op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk moet worden aangemerkt, is niet onbegrijpelijk. Tot een nadere motivering van dat oordeel was het hof niet gehouden.

69. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

70. Het vijfde middel bevat de klacht dat het hof is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat de verdachte niet wist dat de in de tenlastelegging vermelde contante geldbedragen van misdrijf afkomstig waren, zonder in het bijzonder de redenen op te geven die daartoe hebben geleid.

71. Uit de pleitnota aan de hand waarvan de raadsman op de terechtzitting in hoger beroep van 13 november 2019 het woord heeft gevoerd, blijkt dat de raadsman naar voren heeft gebracht dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat niet kan worden bewezen dat zij wist dat de in de tenlastelegging vermelde geldbedragen uit misdrijf afkomstig waren.

72. Het hof is van dit standpunt afgeweken door te komen tot de bewezenverklaring die hiervoor is weergegeven onder 60.

73. Voor een veroordeling ter zake van het in art. 420ter Sr strafbaar gestelde van het plegen van witwassen een gewoonte maken, is vereist dat de verdachte ‘wist’ dat zijn of haar gedraging een uit misdrijf afkomstig voorwerp betrof. Onder die wetenschap is ook voorwaardelijk opzet begrepen.40 Niet is vereist dat de verdachte op de hoogte is van het specifieke misdrijf waaruit het voorwerp afkomstig is.41

74. Aan zijn hiervoor onder 61 weergegeven nadere bewijsoverwegingen heeft het hof de slotsom verbonden dat het “niet anders kan zijn dan dat de ten laste gelegde geldbedragen onmiddellijk of middellijk afkomstig zijn uit enig misdrijf en dat de verdachte dat wist”. De steller van het middel zoekt in deze formulering een taalkundig probleem dat er niet is. Het hof heeft geoordeeld dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte wist dat de geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf. Dit oordeel baseert het hof op hetgeen het in de bewijsoverwegingen heeft uiteengezet. Daarmee heeft het hof in het bijzonder de redenen opgegeven die hebben geleid tot de afwijking van het standpunt van de verdediging.

75. Het middel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.

76. Het zesde middel behelst de klacht dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.

77. Namens de verdachte is op 29 november 2019 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 18 augustus 2020 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dit betekent dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Het voorafgaande brengt mee dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf.

78. Het middel is terecht voorgesteld.

Slotsom

79. Het eerste tot en met het vijfde middel falen. De middelen 1, 2, 4 en 5 kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Het zesde middel slaagt.

80. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

81. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat de duur van de opgelegde gevangenisstraf betreft, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Zie ook B.F. Keulen & G. Knigge, Strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 125.

2 HR 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1182.

3 Vgl. bijv. wel op die manier de aanhef in: hof Amsterdam 17 februari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:492.

4 Vgl. HR 23 januari 1968, ECLI:NL:HR:1968:AB5670, NJ 1968/95. Vgl. voorts de conclusie van mijn ambtgenoot Vegter (ECLI:NL:PHR:2013:2058 onder 7), voorafgaand aan HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2463 (HR: art. 81, eerste lid, RO). Vgl. ook de (niet-gepubliceerde) conclusie in de zaak met nr. 20/00721.

5 HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015, r.o. 3.7.3.

6 Daarmee verschilt de zaak op beide punten van de zaak die leidde tot HR 23 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5480.

7 EHRM (GK) 18 december 2018, nr. 36658/05 (Murtazaliyeva/Rusland).

8 Vgl. o.a. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt. Borgers, rov. 2.76.

9 Een voorbeeld van een geval waarin de nationale rechter had nagelaten de afwijzing van het getuigenverzoek te onderbouwen maar de overall fairness daardoor niet werd aangetast, biedt EHRM 11 februari 2020, nr. 4493/11, par. 82-85 (Atamanchuk/Rusland).

10 Zie mijn conclusie van 9 maart 2021, ECLI:NL:PHR:2021:234.

11 Zie o.a. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt. Borgers, rov. 2.76-2.77.

12 Vgl. in het kader van een ter terechtzitting onvoldoende naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt HR 7 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2687, NJ 2009/185.

13 Vgl. bijv. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1568, NJ 2014/444, m.nt. Borgers (onder NJ 2014/441), rov. 2.6.

14 Zie HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5629, NJ 2011/169, m.nt. Schalken, rov. 4.4.1

15 HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5629, NJ 2011/169, mnt. Schalken.

16 Zie o.a. HR 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3079, NJ 2009/349, m.nt. Schalken en HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3608, NJ 2016/52, m.nt. Klip en HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1233, NJ 2021/121.

17 HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:368, NJ 2018/243, m.nt. Reijntjes en HR 18 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:288, NJ 2020/94.

18 Bijv. HR 27 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:437 (beroep op het recht om te worden bijgestaan door een voorkeursadvocaat); HR 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:968 (beroep op onjuiste mededeling dat ten onrechte was medegedeeld dat rechtsbijstand voor de verdachte niet kosteloos zou zijn) en op HR 18 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:288, NJ 2020/94 beroep op de in art. 9, eerste en derde lid, van Richtlijn 2013/48/EU (en thans: art. 28a, tweede lid, Sv) neergelegde verplichtingen de verdachte nader te informeren over zijn rechtspositie indien hij afstand doet van het recht op rechtsbijstand). Gewezen kan ook worden op de rechtspraak inzake het recht op verhoorbijstand voorafgaand aan 22 december 2015. Zie HR 17 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1985, NJ 2020/250, m.nt. Reijntjes.

19 Vgl. in dit verband ook art. 28 Sv en de rechtspraak van de Hoge Raad inzake het recht van de verdachte zich ter terechtzitting al dan niet door een raadsman te doen bijstaan. Bijv. HR 17 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI2315, NJ 2010/143, m.nt. Schalken en HR 26 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:110, NJ 2021/50.

20 Aldus o.a. EHRM 24 november 1993, nr. 13972/88, par. 38 (Imbrioscia/Zwitserland); EHRM (GK) n. 18731/91, par. 62 (John Murray/Verenigd Koninkrijk); EHRM (GK) 12 mei 2005, nr. 46221/99, par. 131 (Öcalan/Turkije); EHRM (GK) 1 september 2016, nrs. 50541/08 e.a., NJ 2017/452, m.nt. Van Kempen, par. 253 (Ibrahim e.a./Verenigd Koninkrijk).

21 Zie o.a. EHRM 24 mei 1991, nr. 12744/87, par. 30 (Quaranta/Zwiterland); EHRM 24 november 1993, nr. 13972/88, par. 38 (Imbrioscia/Zwitserland); en EHRM 19 juli 2011, nr. 1691304, par. 119 (Jelcovas/Litouwen).

22 EHRM 13 mei 1980, nr. 6694/74, par. 33 (Artico/Italië). Vgl. voorts o.a. EHRM 19 december 1989, nr. 9783/82, par. 65, (Kamasinski/Oostenrijk); EHRM 24 november 1993, nr. 13972/88, par. 38 (Imbrioscia/Zwitserland); EHRM 19 december 2013, nr. 38094/05, par. 27 (Siyrak/Rusland).

23 EHRM 19 december 2013, nr. 38094/05, par. 27 (Siyrak/Rusland).

24 Zie onder meer EHRM 19 december 1989, nr. 9783/82, par. 65, (Kamasinski/Oostenrijk); EHRM 21 april 1998, nr. 22600/93, par. 38 (Daud/Portugal); EHRM 10 oktober 2002, par. 60 (Czekalla/Portugal);EHRM 20 januari 2005, nr. 63378/00, par. 67 (Mayzit/Rusland); EHRM 1 april 2010, nr. 42371/02, par. 99 (Pavlenko/Rusland); EHRM 19 juli 2011, nr. 1691304, par. 119 (Jelcovas/Litouwen); EHRM 19 december 2013, nr. 38094/05, par. 27 (Siyrak/Rusland).

25 Trechsel 2005, a.w., p. 267.

26 Conclusie (ECLI:NL:PHR:2019:520, onder 3.13) voorafgaand aan HR 10 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1312 (HR: art. 81, eerste lid, RO).

27 Vgl. in dezelfde zin Kamerstukken II 2015/16, 34493, nr. 3, p. 8-9 en zie nader T. Kraniotis, Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (diss. Nijmegen), Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 175 e.v.

28 EHRM 27 oktober 2011, nr. 25303/08 NJ 2013/1, m.nt. Reijntjes (Stojkovic/België en Frankrijk). Vgl. ook EHRM 27 juni 2000, nr. 43286/98, NJ 2002/102, m.nt. Schalken (Echeverri Rodriguez/Nederland).

29 Zie voor een (summiere) afzonderlijke regeling: art. 5.1.2 Sv e.v.

30 Kamerstukken II 2015/16, 34493, nr. 3, p. 8-9. In de oude regeling vervulde Titel X van Boek 4 hier een schakelfunctie. Thans is de regeling enigszins vereenvoudigd en bepaalt art. 5.1.8, eerste lid, Sv dat Nederland opsporingsbevoegdheden toepast ter uitvoering van een daartoe strekkend rechtshulpverzoek, voor zover deze eveneens zouden kunnen worden toegepast in een Nederlands strafrechtelijk onderzoek naar dezelfde feiten. Zie over deze wijziging Kamerstukken II 2015/16, 34493, nr. 3, p. 17-19.

31 Anders kennelijk Reijntjes in zijn noot (onder 6) onder EHRM 27 oktober 2011, nr. 25303/08, NJ 2013/1 (Stojkovic/België en Frankrijk). Zijn opvatting berust evenwel kennelijk op een onjuiste lezing van de feiten in deze zaak (zie zijn noot onder 2).

32 EHRM (GK) 9 november 2018, nr. 71409/10, NJ 2019/15, m.nt. Vellinga (Beuze/België), par. 125-128.

33 Zie o.a. EHRM (GK) 13 september 2016, nrs. 50541/08 e.a., NJ 2017/452, m.nt. Van Kempen (Ibrahim e.a./Verenigd Koninkrijk), par. 255; en EHRM (GK) 12 mei 2017, nr. 21980/04, NJ 2018/66, m.nt. Myjer (Simeonovi/Bulgarije), par. 112; EHRM (GK) 9 november 2018, nr. 71409/10, NJ 2019/15, m.nt. Vellinga (Beuze/België), par. 126; Art. 3, derde lid, en art. 10, tweede lid, van richtlijn 2013/48/EU spreken van toegang “zonder onnodig uitstel”.

34 Vgl. HR 19 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1795, NJ 2020/139, m.nt. De Werd.

35 Aldus in het kader van art. 359a Sv: HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, rov. 2.6.1-2.6.2.

36 Zie o.a. HR 27 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4094, NJ 2006/473, rov. 3.4.

37 Zie o.a. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352, NJ 2019/298; HR 13 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:668, NJ 2019/299, m.nt. Rozemond; HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1137, NJ 2019/350, m.nt. Reijntjes; HR 14 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:36; HR 2 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:156.

38 Vgl. wel op die manier het hof in de zaak die leidde tot HR 2 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:156.

39 Vgl. HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:668, NJ 2019/299, m.nt. Rozemond, waarin in cassatie in stand bleef het oordeel van het hof dat ten aanzien van hetgeen de verdediging had aangevoerd “geen begin van aannemelijkheid” bestond.

40 Vgl. Kamerstukken II 1999/2000, 27 159, nr. 3, p. 15.

41 Zie bijv. HR 27 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2158.