Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:463

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
07-05-2021
Datum publicatie
28-05-2021
Zaaknummer
20/02413
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

personen- en familierecht; verzoek toekennen partneralimentatie; maatstaf; grievend gedrag; ontbreken lotsverbondenheid; motiveringsklachten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/02413

Zitting 7 mei 2021

CONCLUSIE

E.M. Wesseling-van Gent

In de zaak

[de vrouw] (de vrouw)

tegen

[de man] (de man)

In deze zaak heeft het hof het verzoek van de vrouw tot partneralimentatie afgewezen wegens grievend gedrag van de vrouw jegens de man. In cassatie wordt geklaagd dat het hof een onjuiste maatstaf heeft toegepast en zijn oordeel onvoldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd.

1 Feiten en procesverloop

Feiten 1

1.1

Partijen zijn op 28 februari 2003 te [plaats] (Bondsrepubliek Duitsland) met elkaar gehuwd. Zij zijn de ouders van [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] (hierna: de minderjarige).

1.2

De bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 1 augustus 2019 tussen partijen uitgesproken echtscheiding is op 16 januari 2020 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

1.3

De minderjarige is ingevolge een uitspraak van de Braziliaanse rechter van 28 augustus 2019 in het kader van een kinderontvoeringsprocedure op 17 september 2019 vanuit Brazilië naar Nederland teruggeleid.

1.4

Bij beschikking van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 30 december 2019 is bepaald dat de minderjarige met ingang van de datum van die beschikking aan de man zal worden toevertrouwd.

Procesverloop 2

1.5

Bij inleidend verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Den Haag op 3 april 2018, heeft de man een verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen ingediend. Met betrekking tot de partneralimentatie heeft hij de rechtbank verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- de alimentatieduur te limiteren tot vijf jaar te rekenen vanaf het moment waarop de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand dan wel de door de man aan de vrouw verschuldigde partneralimentatie op nihil te stellen met ingang van vijf jaar na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, eventueel via een afbouwregeling, althans te limiteren/op nihil met ingang van de maand waarin de man de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, te weten 1 februari 2029, eventueel via een afbouwregeling, althans met ingang van de datum die de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
- beëindiging dan wel matiging van de eventuele alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw vanwege grievend gedrag van de vrouw jegens de man.3

1.6

De vrouw heeft verweer gevoerd tegen de verzochte nevenvoorzieningen. Zij heeft daarnaast zelf ook echtscheiding verzocht, en – voor zover thans van belang – als nevenvoorziening verzocht dat de partneralimentatie primair (indien de vrouw vervangende toestemming voor verhuizing naar Brazilië wordt verleend) wordt vastgesteld op een bedrag van € 12.941,50 netto per maand minus haar eigen inkomsten uit arbeid per maand, per datum inschrijving echtscheidingsbeschikking, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen en subsidiair (indien de vrouw geen vervangende toestemming voor verhuizing naar Brazilië wordt verleend) op een bedrag van € 9.998,26 netto per maand, d.w.z. € 19.996,52 bruto per maand, per datum inschrijving echtscheidingsbeschikking, althans zodanige beslissing als de rechtbank juist acht.4

1.7

De rechtbank heeft de zaak op 1 maart 2019 mondeling behandeld in aanwezigheid van de man en zijn advocaat, alsmede in aanwezigheid van de advocaat van de vrouw. De vrouw is – hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen – niet verschenen.

1.8

Bij (tussen)beschikking van 5 april 2019 heeft de rechtbank de zaak naar de meervoudige kamer verwezen en iedere verdere beslissing ten aanzien van de echtscheiding en de nevenvoorzieningen aangehouden.

1.9

Op 19 juni 2019 is de mondelinge behandeling voortgezet in aanwezigheid van de man en zijn advocaat alsmede in de aanwezigheid van de advocaat van de vrouw en een tolk in de Portugese taal en vertegenwoordigers van de Raad voor de Kinderbescherming. De vrouw heeft middels een Skypeverbinding deelgenomen aan de zitting, met bijstand van voornoemde tolk.

1.10

Bij beschikking van 1 augustus 2019 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, in de bodemprocedure de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, en de verzoeken van de vrouw (i) om aan haar vervangende toestemming te verlenen om met de minderjarige naar Brazilië te verhuizen en (ii) tot vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in haar levensonderhoud, afgewezen. De rechtbank heeft verder iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag, de hoofdverblijfplaats, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de overige verzoeken met betrekking tot de gezagsuitoefening en de definitieve kinderalimentatie aangehouden.

1.11

De vrouw is, onder aanvoering van een grief, van deze beschikking in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Den Haag. Zij heeft daarbij – verkort weergegeven – zowel in het kader van een voorlopige voorziening als in het hoger beroep ten principale, het hof verzocht te bepalen dat de man telkens bij vooruitbetaling een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw dient te voldoen van € 5.637,–5, althans een bedrag hoger dan € 4.458,–, te vermeerderen met eventueel door de man in de toekomst te ontvangen belastingvoordeel over betaalde partneralimentatie.

1.12

De man heeft een verweerschrift, tevens houdende incidenteel hoger beroep, ingediend. Hij heeft daarbij met betrekking tot de partneralimentatie het hof verzocht:
- primair te bepalen dat de man niet gehouden is tot het betalen van (voorlopige) partneralimentatie aan de vrouw omdat dit niet van hem kan worden gevergd, althans niet met ingang van de datum van echtscheiding althans niet met ingang van een door het hof in goede justitie te bepalen datum;
- subsidiair de (voorlopige) partneralimentatie te matigen tot nihil althans op nihil te stellen althans te matigen tot een aanzienlijk lager bedrag dan de draagkracht van de man, met ingang van datum 1 augustus 2019 althans met ingang van de datum van echtscheiding althans met ingang van een door het hof in goede justitie te betalen datum;
- indien het hof een alimentatie ten behoeve van de vrouw vaststelt deze bijdrage vijf jaar na inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand op nihil te stellen althans per de datum die het hof in goede justitie vermeent te behoren.

1.13

Het hof heeft het hoger beroep op 21 februari 2020 mondeling behandeld. Daarbij waren partijen in persoon aanwezig, bijgestaan door hun advocaten. De vrouw is tevens bijgestaan door een tolk in de Portugese taal.

1.14

Het hof heeft bij beschikking van 6 mei 2020, voor zover thans van belang, het verzoek van de vrouw strekkende tot vaststelling van een uitkering tot levensonderhoud aan haar ten laste van de man afgewezen, de vrouw veroordeeld in de proceskosten van het principaal hoger beroep aan de zijde van de man en het meer of anders verzochte afgewezen.

1.15

De vrouw heeft tijdig6 cassatieberoep ingesteld. Na ontvangst van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof, heeft de vrouw haar oorspronkelijke verzoekschrift tot cassatie aangevuld.
De man heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad en zijn oorspronkelijke verweerschrift aangevuld na ontvangst van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof.7

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het middel bestaat uit drie onderdelen.

2.2

Onderdeel 1 8 klaagt dat het hof in rov. 5.3 en in rov. 5.6 hetzij blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting hetzij zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd. Volgens het onderdeel heeft het hof bij de beoordeling van de partneralimentatie de verkeerde maatstaf aangelegd, te weten het verbreken van de lotsverbondenheid. Het ‘afnemen’ of ‘vervallen’ van lotsverbondenheid kan, aldus het onderdeel, evenwel geen grond zijn voor beëindiging van de alimentatieverplichting, ook niet in samenhang met andere omstandigheden.9 Betoogd wordt dat de rechter, buiten het in de wet geregelde geval van art. 1:160 BW, een lopende alimentatieverplichting slechts kan doen eindigen wegens andere omstandigheden dan ontbrekende draagkracht of behoefte, op de grond dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om van de gewezen echtgenoot nog langer een bijdrage in het levensonderhoud te verlangen. De vraag of dat aan de orde is dient te worden beoordeeld aan de hand van alle relevante objectieve en subjectieve omstandigheden van het geval.10 Het onderdeel betoogt verder dat de rechter ook in geval van een definitieve beëindiging van de alimentatieplicht behoedzaamheid dient te betrachten bij het gebruik van zijn bevoegdheid een wijziging van een eerder vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud te laten ingaan op een vóór zijn uitspraak gelegen datum.11

2.3

Alvorens op de klachten in te gaan, wijs ik erop dat het in de onderhavige zaak niet gaat om beëindiging van een alimentatieverplichting, maar om een verzoek tot het toekennen van partneralimentatie zoals bedoeld in art. 1:157 lid 1 BW (oud).12

2.4

Het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het oordeel van het hof. Het hof heeft in rov. 5.3 vooropgesteld dat bij de beantwoording van de vraag of van een gewezen echtgenoot een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de andere echtgenoot kan worden gevergd en, zo ja, tot welk bedrag, rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, waaronder ook niet-financiële factoren zijn te verstaan, zoals gedragingen van de alimentatiegerechtigde.

2.5

Dit oordeel is juist. Als maatstaf ter bepaling van de partneralimentatie gelden niet alleen behoeftigheid, behoefte en draagkracht, maar ook factoren van niet-financiële aard.13 Hierbij kan onderscheid worden gemaakt tussen objectieve en subjectieve niet-financiële factoren.14 Objectieve niet-financiële factoren zijn bijvoorbeeld de leeftijd van partijen toen zij huwden en uit elkaar gingen of de duur van het huwelijk. Bij subjectieve niet-financiële factoren kan het gaan om wangedrag van de alimentatiegerechtigde, maar dat hoeft niet. Hierbij is beslissend of de gedraging grievend is voor de in beginsel alimentatieplichtige.15

2.6

Het hof is vervolgens in rov. 5.3 nader ingegaan op de lotsverbondenheid tussen (gewezen) echtgenoten. Deze lotsverbondenheid vormt, zoals het hof terecht overweegt, de grondslag van een onderhoudsverplichting.16 Dit geldt nog steeds.17

2.7

De vraag die moet worden beantwoord, aldus het hof, is of van de alimentatieplichtige in redelijkheid nog kan worden gevergd dat hij bijdraagt in de kosten van het levensonderhoud van de alimentatiegerechtigde. Daarbij is van belang of voldoende feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken, die maken dat van de alimentatieplichtige – naar objectieve maatstaven – in redelijkheid niet of niet ten volle kan worden gevergd in het levensonderhoud van de alimentatiegerechtigde te voorzien.

2.8

Beantwoording van de onder 2.7 genoemde vraag is in hoge mate feitelijk en kan in cassatie dus slechts beperkt worden getoetst.18 Wel gelden er hoge motiveringseisen indien de rechter oordeelt dat gedragingen zodanig grievend zijn dat daardoor geen aanspraak meer bestaat op partneralimentatie. Het gaat dan immers om een beslissing die niet vatbaar is voor wijziging op grond van artikel 1:401 BW (oud en nieuw).19

2.9

Uit het voorgaande volgt dat het hof bij zijn beoordeling van het verzoek van de vrouw om haar partneralimentatie toe te kennen, de juiste maatstaf heeft aangelegd.

2.10

Het hof neemt vervolgens tot uitgangspunt dat de enkele vaststelling van grievend gedrag van de alimentatiegerechtigde jegens de alimentatieplichtige, er niet zonder meer toe leidt dat daarmee de mogelijke aanspraak op een bijdrage aan levensonderhoud komt te vervallen.20 Bij de beoordeling van het gedrag, en meer in het bijzonder van de mate van het grievende gedrag van de alimentatiegerechtigde legt het hof vervolgens de grens bij zodanig gedrag dat de lotsverbondenheid tussen ex-echtgenoten is verbroken. Het hof overweegt als volgt:

“5.3 (…) Een echtscheidingsprocedure gaat in het algemeen gepaard met de nodige emoties en vaak ook ruziegedrag. Door de gemoedstoestand van betrokkenen kunnen er ruzies ontstaan die zich onder normale omstandigheden niet zouden voordoen. Als wordt vastgesteld dat de lotsverbondenheid tussen de ex-echtgenoten is verbroken, dan vervalt daarmee het recht op alimentatie. Voor de alimentatiegerechtigde zijn er dus verstrekkende gevolgen indien de lotsverbondenheid door diens gedrag is verbroken. De rechter dient derhalve een grote mate van terughoudendheid in acht te nemen bij het vaststellen van de verbreking van de lotsverbondenheid. Naarmate de duur van het huwelijk langer is geweest en/of uit het huwelijk kinderen zijn geboren, worden de eisen die aan het verbreken van de lotsverbondenheid worden gesteld zwaarder. Ook het gedrag van de alimentatiegerechtigde moet worden beoordeeld naar de impact die dit heeft op het leven van de alimentatieplichtige, de eventuele kinderen en de verdere sociale omgeving van de alimentatieplichtige. Dit vraagstuk dient aldus beoordeeld te worden aan de hand van alle relevante objectieve en subjectieve omstandigheden van het geval (HR 7 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7046).”

2.11

Met andere woorden, het gedrag van de alimentatiegerechtigde kan zo grievend zijn dat er geen lotsverbondenheid is tussen ex-echtgenoten en dus geen grondslag voor toekenning van partneralimentatie.21 Zoals het hof in de slotzin van de geciteerde rechtsoverweging terecht oordeelt, moet aan de hand van alle relevante objectieve en subjectieve omstandigheden van het geval worden beoordeeld of van dergelijk grievend gedrag sprake is.

2.12

Anders dan het onderdeel betoogt, heeft het hof dus niet als maatstaf genomen dat “het zou moeten gaan om verbreking van de lotsverbondenheid”.22 Ook de door het onderdeel genoemde beschikking van de Hoge Raad van 4 mei 201823 speelt in deze zaak geen rol. Daarin heeft de Hoge Raad geoordeeld over het eerder eindigen van een lopende alimentatieverplichting dan de periode van twaalf jaar op grond van art. 1:157 lid 4 BW (oud). Min of meer ten overvloede overwoog de Hoge Raad dat de door het huwelijk in het leven geroepen lotsverbondenheid weliswaar als een grondslag voor het ontstaan van de alimentatieverplichting kan worden beschouwd, maar het voortduren van de alimentatieverplichting berust niet op het voortduren van de lotsverbondenheid.
Dat het ‘afnemen’ of ‘vervallen’ van lotsverbondenheid geen grond kan zijn voor beëindiging van de alimentatieverplichting, staat er m.i. niet aan in de weg dat het hof bij toekenning van partneralimentatie beoordeelt of het gedrag van de alimentatiegerechtigde zo grievend is dat er geen lotsverbondenheid is tussen ex-echtgenoten.

2.13

Onderdeel 1 faalt op grond van het voorgaande.

2.14

Onderdeel 2 24 richt zich in subonderdeel 2.2.1 op rov. 5.1 en 5.2 en valt in subonderdeel 2.2.2 de door het hof in rov. 5.3 t/m 5.6 in aanmerking genomen omstandigheden aan.

2.15

Subonderdeel 2.2.1 neemt tot uitgangspunt – zakelijk weergegeven – dat het hof in rov. 5.1 de stellingen heeft opgenomen die de man aan zijn meest verstrekkende verweer ten grondslag heeft gelegd en dat de vrouw die stellingen blijkens rov. 5.2 gemotiveerd heeft betwist. Nu de man geen bewijsaanbod heeft gedaan, heeft het hof, aldus het subonderdeel, in strijd met het bepaalde in de art. 149 en 150 Rv de in rov. 5.1 genoemde feiten en omstandigheden als vaststaand aangenomen en aan zijn beslissing ten grondslag gelegd. Daarnaast klaagt het subonderdeel dat de motivering ontbreekt waarom het hof daarvan in de rov. 5.4 t/m 5.6 terugkomt.

2.16

Het subonderdeel faalt omdat het is gebaseerd op een onjuiste uitleg van rov. 5.2. Het hof heeft daarin niet geoordeeld dat de vrouw de stellingen van de man voldoende gemotiveerd heeft betwist, maar louter dat de vrouw gemotiveerd verweer heeft gevoerd. Het is dan aan de rechter om te beoordelen of de gestelde feiten en omstandigheden in het licht van het verweer daartegen als vaststaand kunnen worden aangenomen. Zoals uit de tweede volzin van rov. 5.4 blijkt heeft het hof de daarin genoemde feiten en omstandigheden rond het vertrek van de vrouw met de minderjarige naar Brazilië en de teruggeleidingsprocedure als bedoeld in het Kinderontvoeringsverdrag gebaseerd op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep. Vervolgens heeft het hof in rov. 5.5 nauwkeurig opgesomd welke voor het oordeel van het hof relevante stellingen van de man niet of niet voldoende door de vrouw zijn weersproken en welke stellingen (niet) aannemelijk zijn gemaakt. Het hof is daarbij niet teruggekomen van zijn overweging dat de vrouw de stellingen gemotiveerd heeft betwist, maar heeft het gestelde en de betwisting tegen elkaar afgewogen. Deze aan het hof als feitenrechter toekomende bevoegdheid (tevens taak) geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is voldoende begrijpelijk gemotiveerd.

2.17

Subonderdeel 2.2.2 klaagt dat het hof heeft miskend dat (i) de maatstaf zoals vermeld in HR 4 mei 201825 zeer terughoudend moet worden toegepast, (ii) toepassing van genoemde maatstaf aan hoge motiveringseisen moet voldoen en (iii) dat daarvoor alle omstandigheden van het geval in acht moeten worden genomen. Het subonderdeel klaagt vervolgens onder 2.2.2-I dat het hof heeft nagelaten de door de vrouw genoemde stellingen en verweren26 (kenbaar) in zijn beoordeling te betrekken, en dat deze feiten dus als hypothetisch feitelijke grondslag in cassatie hebben te gelden De door haar gestelde feiten komen er, aldus de vrouw, kort gezegd op neer dat zij zodanig ernstige medische klachten had dat zij niet kon reizen en dat zij door de man is bestookt met procedures en aangiftes. Verder is het hof niet ingegaan op haar verweer tegen het beroep van de man op het beperken dan wel matigen van de partneralimentatie wegens grievend gedrag.

2.18

De klacht over toepassing van de verkeerde maatstaf bevat een herhaling van onderdeel 1 en faalt op de hiervoor onder 2.4-2.12 genoemde gronden.

2.19

Zoals hiervoor onder 2.8 is opgemerkt, dienen hoge motiveringseisen te worden gesteld aan het rechterlijk oordeel dat gedragingen zodanig grievend zijn dat daardoor geen aanspraak bestaat op partneralimentatie. Daarbij moeten alle relevante objectieve en subjectieve omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen.

2.20

Aan deze eisen is in dit geval voldaan. Het hof heeft op basis van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting in rov. 5.4 en rov. 5.5 – samengevat – het volgende vastgesteld en overwogen:
(i) op 12 januari 2019 is de vrouw, met toestemming van de man, met de minderjarige voor een vakantie van één maand naar Brazilië vertrokken. Het was de vrouw duidelijk dat de man zijn toestemming enkel voor een vakantie tot 11 februari 2019 had verleend. Een langer verblijf van de minderjarige in Brazilië zonder toestemming van de man was daarmee onrechtmatig;
(ii) in november 2018 had de vrouw al een verzoek ingediend om aan haar vervangende toestemming te verlenen om met de minderjarige naar Brazilië te verhuizen;
(iii) vanuit Brazilië heeft de vrouw op 8 februari 201927 aan de man bericht dat zij niet naar Nederland kon terugreizen wegens hartklachten, die haar zouden belemmeren te vliegen. Los van de vraag of voldoende is komen vast te staan dat de door de vrouw gestelde hartklachten het haar onmogelijk maakten terug naar Nederland te reizen, had zij er in elk geval voor kunnen zorgen dat de minderjarige (begeleid) naar Nederland had kunnen terugkeren. Verder heeft de vrouw afwijzend gereageerd op de voorstellen van de man om de minderjarige in Brazilië op te (laten) halen en met haar naar Nederland terug te keren;
(iv) de vrouw heeft daarnaast afwijzend gereageerd op verzoeken van de man om de minderjarige te mogen bezoeken in Brazilië. De man heeft, na een periode van helemaal geen contact, alleen via videobellen contact gehad met de minderjarige. De vrouw heeft zich daarbij negatief uitgelaten over de man en dusdoende de minderjarige in de echtscheidingsproblematiek betrokken met alle mogelijke schadelijke gevolgen voor de minderjarige;
(v) op 10 april 2019 is de vrouw ter kennis gekomen dat de man de Centrale Autoriteit had ingeschakeld; zij zag daarin geen aanleiding om de minderjarige direct naar Nederland te laten terugkeren. Ook in de afwijzing van haar verzoek om aan haar vervangende toestemming te verlenen om met de minderjarige naar Brazilië te verhuizen (beschikking van de rechtbank Den Haag van 1 augustus 2019) zag de vrouw kennelijk geen aanleiding om de minderjarige naar Nederland terug te laten keren;
(vi) het standpunt van de vrouw in de kinderontvoeringsprocedure dat zij door de man is mishandeld, dat zij kracht heeft bijgezet door de man op sociale media van huiselijk geweld te beschuldigen, is door haar op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt;
(vii) bij uitspraak van 28 augustus 2019 in de kinderontvoeringsprocedure is de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige naar Nederland bevolen.

2.21

Vervolgens is het hof in rov. 5.6 tot het volgende oordeel gekomen:

“Het hof is van oordeel dat op basis van vorenstaande objectieve en subjectieve omstandigheden van dit geval, in onderlinge samenhang bezien, genoegzaam is komen vast te staan dat de vrouw de minderjarige vanaf 11 februari 2019 willens en wetens onrechtmatig in Brazilië heeft achtergehouden en de minderjarige daarmee willens en wetens aan het gezag van de man heeft onttrokken en het family life tussen de man en de minderjarige meer dan een half jaar onmogelijk heeft gemaakt, waarbij zij de man al die tijd in grote onzekerheid heeft gelaten. Aan de gevolgen hiervan voor zowel de man als de minderjarige is de vrouw naar het oordeel van het hof volledig voorbij gegaan. Het hof acht het hiervoor in rechtsoverweging 5.5 omschreven gedrag van de vrouw naar objectieve maatstaven bezien dermate grievend dat de lotsverbondenheid van de man jegens de vrouw hierdoor is verbroken, zodat het verzoek van de vrouw tot betaling van partneralimentatie door de man aan haar dient te worden afgewezen. De overige stellingen van partijen ten aanzien van de partneralimentatie behoeven geen bespreking nu dit niet tot een ander oordeel zal leiden.”

2.22

Uit het voorgaande blijkt dat het hof zijn oordeel tot afwijzing van het verzoek tot partneralimentatie toereikend en begrijpelijk heeft gemotiveerd. In het oordeel ligt tevens besloten dat het hof het door de vrouw gevoerde verweer heeft verworpen. De klacht van 2.2.2-I treft dus geen doel.

2.23

Het subonderdeel klaagt vervolgens onder 2.2.2-II dat het hof tevens de devolutieve werking van het hoger beroep heeft miskend, omdat het hof niet of niet kenbaar de verweren van de vrouw uit eerste aanleg bij zijn afweging heeft meegewogen.

2.24

De klacht faalt omdat de devolutieve werking hier niet aan de orde is. Er is immers geen sprake van een slagende grief van de man tegen het oordeel van de rechtbank op grond waarvan het hof de door de vrouw in eerste aanleg aangevoerde stellingen en weren alsnog in zijn oordeel had dienen te betrekken.

2.25

De klachten van het subonderdeel onder 2.2.2-III, 2.2.2-IV en 2.2.2-V betreffen afzonderlijke omstandigheden die het hof niet kenbaar in zijn oordeel zou hebben betrokken. Samengevat wordt geklaagd dat het hof geen of onvoldoende oog heeft gehad voor (i) het feit dat hier sprake is van een vechtscheiding waarbij de man de vrouw tijdens haar ziekte onder druk heeft gezet en zware beschuldigingen aan het adres van de vrouw heeft geuit en de vrouw onevenredig zwaar wordt gestraft met een blijvende beëindiging van de alimentatie; (ii) de vrouw onweersproken heeft gesteld dat zij de man is gevolgd in zijn carrière en die van haar daaraan ondergeschikt heeft gemaakt en aan de kinderwens van partijen en (iii) beide partijen zich niet onbetuigd hebben gelaten op sociale media.

2.26

De klachten falen. Het hof heeft in rov. 5.3 met zoveel woorden overwogen dat een echtscheidingsprocedure in het algemeen gepaard gaat met de nodige emoties en vaak ook ruziegedrag en dat door de gemoedstoestand van betrokkenen er ruzies ontstaan die zich onder normale omstandigheden niet zouden voordoen. Aldus heeft het hof laten zien dat het wel degelijk oog heeft gehad voor het feit dat partijen elkaar over en weer verwijten hebben gemaakt en maken en mogelijk extreem gedrag hebben vertoond. Voor het overige geldt dat het hof de afwijzing van het verzoek tot het toekennen van partneralimentatie voldoende gemotiveerd heeft afgewezen en dat het hof daarmee de overige aangevoerde omstandigheden heeft verworpen.

2.27

Tot slot klaagt het subonderdeel in 2.2.2-VI dat het oordeel van het hof dat de vrouw het family-life tussen de man en de minderjarige meer dan een half jaar onmogelijk heeft gemaakt, onjuist en onbegrijpelijk is en dat het hof daarmee buiten het debat van partijen is getreden.

2.28

Ook deze klacht faalt. Het hof heeft genoemde gevolgtrekking verbonden aan de in rov. 5.4 en 5.5 opgenomen feiten en omstandigheden van het geval (zie hierboven onder 2.20). Dit stond het hof vrij.
Het oordeel is ook niet onbegrijpelijk. Het hof heeft immers vastgesteld dat de man in de periode na de toegestane vakantie niet alleen geen fysiek contact heeft gehad met de minderjarige doordat de vrouw de verzoeken van de man tot het bezoeken van de minderjarige heeft afgewezen, maar ook dat hij, na een periode van helemaal geen contact, alleen via videobellen contact heeft gehad met de minderjarige.

2.29

Onderdeel 2 faalt dus in zijn geheel.

2.30

Onderdeel 3 28 bestaat uit voortbouwklachten gericht tegen de proceskostenveroordeling in principaal appel (rov. 5.8) en het compenseren van de proceskosten in incidenteel appel (rov. 5.9) en het daarbij behorende dictum. Nu de voorgaande klachten niet slagen, kunnen deze voortbouwklachten evenmin slagen. Dit behoeft geen verdere bespreking.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie rov. 3.1 en 3.2 van de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 6 mei 2020 (hierna: ook de bestreden beschikking).

2 Voor zover in cassatie van belang. Zie voor het procesverloop in eerste aanleg de beschikkingen van de rechtbank Den Haag van 5 april 2019 onder “Procedure” en van 1 augustus 2019 onder “Procedure”. Zie voor het procesverloop in hoger beroep rov. 2.1-2.5 van de bestreden beschikking.

3 Zie de beschikking van de rechtbank Den Haag van 5 april 2019, p. 3.

4 Zie de beschikking van de rechtbank Den Haag van 5 april 2019, p. 5.

5 Ik neem aan: per maand.

6 Het verzoekschrift tot cassatie is op 5 augustus 2020 ingekomen ter griffie van de Hoge Raad.

7 In het B-dossier zijn de processtukken van de eerste aanleg overgelegd als bijlage bij het hoger beroepschrift.

8 In het verzoekschrift tot cassatie als 2.1 genummerd.

9 Het onderdeel verwijst in 2.1.2 naar HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2058, NJ 2014/143, m.nt. S.F.M. Wortmann.

10 Het onderdeel verwijst hierbij naar HR 7 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7046.

11 Met verwijzing naar HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:695.

12 Thans art. 1:156 lid 1 BW. Op 1 januari 2020 is de Wet van 18 juni 2019 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en van enige andere wetten in verband met de herziening van het stelsel van partneralimentatie in werking getreden (Wet herziening partneralimentatie, Stb. 2019/283). Op grond van artikel V lid 2 van deze wet blijft art. 157 zoals dat luidde vóór 1 januari 2020, van toepassing op een verzoek tot vaststelling of wijziging van een uitkering tot levensonderhoud, indien het inleidende verzoekschrift is ingediend voor dat tijdstip.

13 Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II, 2016/651 en 2016/652. Zie ook de conclusie van A-G De Bock vóór HR 4 mei 2018 onder 2.9 tot en met 2.12 met uitgebreid notenapparaat.

14 Zie daarover o.a. N.D. Spalter, Grondslagen van partneralimentatie (diss. VU) 2013, hoofdstuk 3; M.L.C.C. Lückers, Alimentatieverplichtingen. Mon. (echt)scheidingsrecht. Deel 4A, 2020, hoofdstuk 7.

15 Zie Spalter, a.w., par. 3.4.1 met op p. 88 voorbeelden van wangedrag.

16 Vaste rechtspraak, o.m. herhaald in HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2058, NJ 2014/143, m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.5 en HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:695, NJ 2018/355, m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.3.5. Zie ook Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II, 2016/633 en S.F.M. Wortmann, GS Personen- en familierecht, art. 1:156 BW, aant. 1A (actueel t/m 01-01-2021).

17 In het oorspronkelijke wetsvoorstel tot herziening van de partneralimentatie was door de initiatiefnemers de grondslag voor de partneralimentatie gewijzigd in compensatie voor het gedurende het huwelijk als gevolg van de tijdens het huwelijk gemaakte keuzes ontstane verlies aan verdiencapaciteit. Na het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State is bij nota van wijziging besloten de “huidige grondslag van voortdurende solidariteit c.q. lotsverbondenheid te handhaven”, zie Kamerstukken II 2016/17, 34 231, nr. 7, p. 6 en 15.

18 Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II, 2016/651 met verwijzing naar de conclusie van A-G Rank-Berenschot vóór HR 17 mei 2013, NJ 2013/377, onder 3.12.

19 Lückers, a.w., p. 71 met verwijzing naar HR 17 mei 2013, ECLI:NL:HR:CA0356, NJ 2013/377, m.nt. S.F.M. Wortmann.

20 Zie ook S.F.M. Wortmann, GS Personen- en familierecht, art. 1:156 BW, aant. 13 (actueel t/m 01-01-2021).

21 Zie daarover ook S.F.M. Wortmann, GS Personen- en familierecht, art. 1:156 BW, aant.13 (actueel t/m 01-01-2021).

22 Verzoekschrift tot cassatie, p. 10.

23 HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:695, NJ 2018/355, m.nt. S.F.M. Wortmann. Zie ook de bespreking van deze beschikking door C.M. Mellema, ‘Wetsvoorstel herziening partneralimentatie bezien in het licht van de jurisprudentie van de Hoge Raad’, Tijdschrift Relatierecht en Praktijk, nummer 7, november 2018.

24 In het verzoekschrift tot cassatie als 2.2 genummerd.

25 In voetnoot 42 van het verzoekschrift tot cassatie omschreven als: “dat uitsluitend een alimentatie kan worden beëindigd indien een aanspraak gelet op alle omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is”.

26 Daarbij wordt in het verzoekschrift tot cassatie in de voetnoten 43 t/m 54 verwezen naar paragrafen uit verschillende processtukken uit de feitelijke instanties.

27 Het door het hof genoemde jaartal (2020) is m.i. een vergissing.

28 In het verzoekschrift tot cassatie als 2.3 genummerd.