Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:459

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
07-05-2021
Datum publicatie
31-05-2021
Zaaknummer
21/00207
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Personen- en familierecht. Relatieve bevoegdheid in verzoekschriftprocedures. Exclusieve bevoegdheid art. 266 Rv in zaken betreffende curatele, onderbewindstelling of mentorschap ten behoeve van meerderjarigen. Ambtshalve toetsing op grond van art. 270 lid 1 Rv. Geldt rechtsmiddelenverbod van art. 270 lid 3 Rv (en art. 110 lid 3 Rv) ook in situaties dat in eerste aanleg géén bevoegdheidsverweer is gevoerd, maar de rechter heeft nagelaten ambtshalve haar bevoegdheid te beoordelen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 21/00207

Zitting 7 mei 2021

CONCLUSIE

R.H. de Bock

In de zaak

[verzoekster]

mr. F.J. Fernhout

tegen

1. [verweerster 1] h.o.d.n. [A]

2. [verweerster 2]

3. [verweerder 3]

In deze zaak gaat het over de vraag of het hof terecht heeft geoordeeld dat het beroep op relatieve onbevoegdheid van de kantonrechter om te oordelen over het afleggen van rekening en verantwoording door de bewindvoerders (die naar een ander arrondissement waren verhuisd), niet kan slagen.

1 Feiten en procesverloop

In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan, ontleend aan de beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden van 27 oktober 2020, rov. 2.1-2.2.1

1.1

Verzoekster tot cassatie is de moeder van [verweerster 2] (verweerster in cassatie sub 2), geboren op [geboortedatum] 1993. Verweerder in cassatie sub 3 is de vader van [verweerster 2] .

1.2

Omdat [verweerster 2] vanwege haar lichamelijke of geestelijke toestand niet in staat is ten volle haar vermogensrechtelijke belangen te behartigen, zijn de goederen die [verweerster 2] (zullen) toebehoren met ingang van 19 juli 2012 onder bewind gesteld. Haar ouders zijn daarbij benoemd tot bewindvoerders. Ook zijn zij benoemd tot mentor van [verweerster 2] .

1.3

Vanaf 2013 heeft de rechtbank Noord-Nederland verschillende brieven gericht aan de ouders met het verzoek om rekening en verantwoording af te leggen over het door hen gevoerde bewind. De ouders hebben hierop niet gereageerd.

1.4

Bij brief van 14 mei 2019 zijn de ouders op de voet van art. 271 Rv opgeroepen om te verschijnen op een zitting bij de kantonrechter op 21 juni 2019. Deze brief was gericht aan de moeder op een adres in [plaats] .

1.5

In een brief van 21 juni 2019 heeft de moeder van [verweerster 2] de rechtbank laten weten dat zij de eerdere brieven van de rechtbank niet heeft ontvangen, omdat de postbezorging zeer problematisch is op het woonadres. Ook schrijft zij totaal niet te begrijpen waarover dit gaat.

1.6

De moeder heeft zich afgemeld voor de zitting wegens ziekenhuisbezoek. Beide ouders zijn niet ter zitting verschenen.

1.7

Bij beschikking van 24 juli 2019 heeft de kantonrechter de moeder en de vader van [verweerster 2] ontslagen als bewindvoerders van [verweerster 2] , met ingang datum beschikking.2 De reden voor het ontslag is dat de ouders niet hebben voldaan aan hun verplichting om jaarlijks rekening en verantwoording af te leggen over het door hen gevoerde bewind. Bovendien leidt de rechtbank uit de brief van de moeder af dat zij niet voldoet aan de eisen die aan een bewindvoerder gesteld worden. Met ingang van de datum beschikking is [verweerster 1] , h.o.d.n. [A] (verweerster in cassatie sub 1) benoemd als opvolgend bewindvoerder.

1.8

De moeder heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de kantonrechter bij het hof Arnhem-Leeuwarden. In het beroepschrift is in de eerste plaats aangevoerd dat de rechtbank Noord-Nederland relatief onbevoegd was om rekening en verantwoording te vragen, omdat de moeder en [verweerster 2] vanaf 2016 niet meer in het arrondissement Noord-Nederland wonen maar in [plaats] . Dat valt onder het arrondissement Limburg, zittingsplaats Roermond. In de tweede plaats wordt aangevoerd dat aan de moeder nooit is meegedeeld dat zij de verplichting heeft om jaarlijks rekening en verantwoording af te leggen over het gevoerde bewind. In de derde plaats is aangevoerd dat de moeder en [verweerster 2] geen redelijke gelegenheid is geboden om gehoord te worden, alvorens de ouders zijn ontslagen als bewindvoerder. Verzocht is de bestreden beschikking te vernietigen en de moeder opnieuw te benoemen als bewindvoerder.

1.9

De opvolgend bewindvoerder heeft een schriftelijke reactie ingezonden.

1.10

Bij tussenbeschikking van 14 april 2020 heeft het hof het beroep van de moeder op de onbevoegdheid van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, verworpen. Voor het overige is elke beslissing aangehouden.3

1.11

Op 30 september 2020 heeft de mondelinge behandeling van het hoger beroep plaatsgevonden.

1.12

Bij beschikking van 27 oktober 2020 heeft het hof de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland bekrachtigd.4 Geoordeeld is dat er gewichtige redenen zijn om de moeder als bewindvoerder te ontslaan, omdat zij ernstig tekort is geschoten in haar taak als bewindvoerder door niet jaarlijks rekening en verantwoording af te leggen.

1.13

De moeder heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen zowel de tussenbeschikking als de eindbeschikking van het hof. Verweerders hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een verweerschrift in te dienen.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel bestaat uit vier onderdelen. De eerste drie onderdelen zijn gericht tegen de in de tussenbeschikking van 14 april 2020 neergelegde beslissing van het hof dat het beroep van de moeder op de relatieve onbevoegdheid van de rechtbank Noord-Nederland wordt verworpen. Het vierde onderdeel is voorwaardelijk ingesteld, namelijk voor het geval de eerste drie middelen niet tot vernietiging van de bestreden beschikkingen kunnen leiden, en is gericht tegen de eindbeschikking.

2.2

De bestreden overweging van het hof ten aanzien van het in hoger beroep gevoerde verweer van de moeder dat de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland onbevoegd was en de zaak had moeten verwijzen naar de rechtbank Limburg, locatie Roermond, luidt als volgt:

“4.2 Gebleken is dat de rechthebbende (en de moeder) in 2016 is (zijn) verhuisd van [plaats], gelegen in de provincie Groningen, naar [plaats] , gelegen in de provincie Limburg, en aldaar en sindsdien staat (staan) ingeschreven in de Basisregistratie Personen. Het eerste verzoek van de kantonrechter aan de bewindvoerders om rekening en verantwoording af te leggen dateert van voor die verhuizing, te weten 21 januari 2013. Uit de stukken blijkt niet dat de moeder en/of de vader in hun hoedanigheid van bewindvoerder(s) de kantonrechter over die verhuizing hebben geïnformeerd. Evenmin blijkt dat zij op enig moment aanleiding hebben gezien de kantonrechter te vragen het dossier over te dragen naar de kantonrechter in Limburg. Wat wel vast staat is dat de kantonrechter in ieder geval op 11 februari 2019, en dus ook ten tijde van de bestreden beschikking, bekend was met het actuele adres van de rechthebbende in Limburg.

4.3 De kantonrechter heeft in het kader van zijn toezichthoudende taak een ambtshalve

beslissing genomen over een kwestie die al geruime tijd gaande was. In juli 2012 zijn de goederen die (zullen) toebehoren aan de rechthebbende onder bewind gesteld. Vanaf januari 2013 heeft de kantonrechter tevergeefs getracht de bewindvoerders te bewegen tot het afleggen van rekening en verantwoording over het door hen gevoerde bewind. Verder heeft de kantonrechter de bewindvoerders voor een gesprek en ter zitting opgeroepen om nadere inlichtingen te verstrekken, maar zijn zij niet verschenen. Ook had de kantonrechter vraagtekens bij de bevoegdheid van de moeder om als bewindvoerder te mogen optreden in verband met het mogelijk niet voldoen aan de daaraan gestelde eisen. De kantonrechter heeft daarom op grond van gewichtige redenen ontslag verleend aan de bewindvoerders. Hij heeft daarbij geen aanleiding gezien de kwestie eerst over te dragen aan de kantonrechter in het arrondissement waar de moeder en de rechthebbende nu wonen.

Hoewel de Aanbevelingen meerderjarigenbewind, vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton & Toezicht op 7 september 2018, onder I 2. bepalen dat indien de betrokkene verhuist naar een gemeente die onder de bevoegdheid van een andere rechtbank valt, de kantonrechter niet langer bevoegd is en het dossier dient over te dragen aan de wel bevoegde kantonrechter, is duidelijk dat hieruit geen absolute verplichting voortvloeit. De Aanbevelingen strekken immers tot uitgangspunt, maar daarvan kan in bijzondere gevallen worden afgeweken. Bovendien staat in I 4. dat de kantonrechter in een complex dossier kan bepalen dat het dossier niet wordt overgedragen. Verder geldt dat hoger beroep tegen beslissingen omtrent relatieve bevoegdheid door artikel 270 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt uitgesloten. In genoemd artikel wordt dit weliswaar slechts geregeld voor beslissingen over de relatieve bevoegdheid die genomen zijn na een zodanig verweer (of na een verwijzing), maar niet valt in te zien waarom in zaken waarin ambtshalve een beslissing wordt genomen wel hoger beroep ten aanzien van de relatieve bevoegdheid mogelijk zou zijn. Het hof is dan ook niet bevoegd de bestreden beschikking op deze grond te vernietigen. Evenmin is er aanleiding om de zaak te verwijzen. Grief I faalt.”

2.3

Bij onderdeel I wordt in de eerste plaats geklaagd dat het hof er blijkens zijn overweging dat vanaf 2013 pogingen zijn ondernomen door de kantonrechter om de bewindvoerders te bewegen rekening en verantwoording af te leggen, kennelijk vanuit gaat dat het gaat om een beslissing in een al in 2013 begonnen procedure. Dat getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. De ouders zijn immers pas bij brief van 14 mei 2019 op de voet van art. 271 Rv opgeroepen voor een zitting. De bevoegdheid van de kantonrechter dient beoordeeld te worden naar de situatie op het moment dat de oproeping werd verzonden.

2.4

In de tweede plaats wordt aangevoerd dat het oordeel van het hof dat er op grond van de Aanbevelingen meerderjarigenbewind geen verplichting bestaat om de zaak naar de rechtbank Limburg te verwijzen, onjuist is. De relatieve bevoegdheid en verwijzingsplicht van de rechter moet niet beoordeeld worden aan de hand van genoemde Aanbevelingen, maar op basis van art. 261 jo. 266 Rv en art. 1:12 lid 4 BW. Op grond van art. 266 Rv is in zaken betreffende curatele, onderbewindstelling of mentorschap ter bescherming van meerderjarigen bevoegd de rechter van de woonplaats van de rechthebbende. De woonplaats van rechthebbende ( [verweerster 2] ) was op 14 mei 2019 gelegen in het arrondissement Limburg, zodat de rechtbank Noord-Nederland zich ambtshalve onbevoegd had moeten verklaren en de zaak had moeten verwijzen naar de rechtbank Limburg.

2.5

Onderdeel II is gericht tegen het slot van rov. 4.3. van de bestreden beschikking, waarin het hof overweegt, kort gezegd, dat op grond van het bepaalde in art. 270 lid 3 Rv in appel niet kan worden geklaagd over relatieve onbevoegdheid van de rechtbank in zaken waarin daarover een ambtshalve beslissing is gegeven. Geklaagd wordt dat deze beslissing in strijd is met tekst en strekking van art. 270 lid 3 Rv.

2.6

Verder wordt bij onderdeel III aangevoerd dat gegrondheid van de onderdelen I en II het hof had moeten leiden tot de conclusie dat de rechtbank Noord-Nederland niet bevoegd was en de zaak had moeten verwijzen naar de rechtbank Limburg. Om die reden had het hof de beschikking van de kantonrechter moeten vernietigen en de zaak moeten verwijzen naar, primair, de rechtbank Limburg of, subsidiair, het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.

2.7

De klachten lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

2.8

Titel 3 van Boek 3 Rv geeft regels over de verzoekschriftprocedure in eerste aanleg. Art. 261 lid 1 Rv (de Eerste Afdeling van Titel 3) bepaalt dat Titel 3 van toepassing is op alle verzoekschriftprocedures, alsmede op zaken waarin de rechter ambtshalve een beschikking geeft. De artt. 262-270 (de Tweede Afdeling van Titel 3) geven regels over relatieve bevoegdheid. Art. 266 Rv bepaalt dat in zaken betreffende curatele, onderbewindstelling of mentorschap ten behoeve van meerderjarigen, bevoegd is de rechter van de woonplaats5 of het werkelijk verblijf van degene wiens curatele onderscheidenlijk goederen of mentorschap het betreft.6 Net zoals geldt voor andere verzoekschriftprocedures, gaat het hier om een exclusieve bevoegdheid. Zie daarover de wetsgeschiedenis:7

“De bedoeling (…) is, tot uitdrukking te brengen dat in de onderhavige afdeling, bevattende bepalingen voor de relatieve bevoegdheid in verzoekschriftprocedures, geen alternatieve bevoegdheden worden gegeven naast de hoofdregel van artikel 3.2.1 [A-G: art. 262], maar specifieke bevoegdheden die in beginsel de desbetreffende materie beheersen. Het systeem is daardoor minder soepel dan het systeem dat geldt voor de dagvaardingsprocedures. Dat is ook de bedoeling en het strookt met de gedachte dat er in verzoekschriftprocedures minder plaats is voor vrijheid van de betrokkenen om de procedure te beïnvloeden. Uitgangspunt is in deze zaken dat de rechter de relatieve bevoegdheid ambtshalve moet toetsen. Immer het gaat doorgaans om zaken waarin de rechtsgevolgen niet ter vrije bepaling van partijen staan. Dat heeft zijn consequenties ook voor het bevoegdheidsrecht.”

2.9

Het uitgangspunt dat de regels van relatieve bevoegdheid in verzoekschriftprocedures exclusief en dwingend zijn, houdt dus verband met het feit dat het in verzoekschriftprocedures in veel gevallen gaat om zaken waarin de rechtsgevolgen niet ter vrije bepaling van partijen staan.

2.10

Uit art. 270 lid 1 Rv volgt dat de rechter, zo nodig ambtshalve, moet beoordelen of zij relatief bevoegd is. Voor dagvaardingsprocedures geldt op grond van art. 110 lid 1 Rv dat een ambtshalve beoordeling van de relatieve bevoegdheid slechts is voorgeschreven voor de zaken als omschreven in de tweede volzin van lid 1 van art. 110 Rv (zaken waarin de vordering ten hoogste € 25.000 beloopt, zaken betreffende een individuele arbeidsovereenkomst , consumentenzaken en huurzaken).

2.11

Als de rechter in een verzoekschriftprocedure oordeelt dat zij relatief onbevoegd is, moet de rechter de zaak verwijzen naar de andere, wel bevoegde rechter. Verwijzing is niet nodig als de verzoeker en alle opgeroepen belanghebbenden hebben aangegeven dat zij geen prijs stellen op verwijzing (art. 270 lid 1, slotzin Rv). In (echt)scheidingszaken vindt verwijzing niet ambtshalve plaats, maar slechts in het geval dat de relatieve bevoegdheid door één van de echtgenoten of geregistreerde partners wordt betwist (art. 270 lid 2 Rv).

2.12

De woorden in art. 270 lid 1 Rv dat de rechter ‘zonodig ambtshalve’ beslist dat niet hij, maar een andere rechter van gelijke rang bevoegd is, zijn ingevoerd per 15 oktober 2005.8 In het per 1 januari 2002 ingevoerde art. 270 Rv was dit niet opgenomen. De ambtshalve beoordeling van de relatieve bevoegdheid was toen beperkt tot de gevallen waarin een of meer opgeroepen belanghebbenden niet in de procedure was verschenen.9 Ook de in de tweede volzin van art. 110 lid 1 Rv opgenomen plicht tot ambtshalve beoordeling van de relatieve bevoegdheid in de daar omschreven dagvaardingszaken, is toen ingevoerd.

2.13

De verplichting tot ambtshalve toetsing van de relatieve bevoegdheid in verzoekschriftprocedures is in de wetsgeschiedenis als volgt toegelicht:10

“ “Met de wijziging wordt beoogd ambtshalve toetsing van de relatieve bevoegdheid in verzoekschriftzaken voorop te stellen. Ambtshalve toetsing vindt al plaats in gevallen waarin een of meer opgeroepen belanghebbenden niet in de procedure zijn verschenen. Gebleken is dat ook als

“ alle belanghebbenden verschenen zijn, ambtshalve toetsing wenselijk kan zijn. Zo is wenselijk ook voor de verzoekschriftprocedure vast te leggen dat de rechter in arbeids-, huur- en consumentenzaken zijn relatieve bevoegdheid zonodig ambtshalve bewaakt. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld in de gevallen bestreken door de artikelen 262 tot de met 268. Aan de exclusiviteit van de in die artikelen opgenomen relatieve bevoegdheden wordt meer recht gedaan als de rechter deze ook toetst zonder dat een verschenen belanghebbende de bevoegdheid betwist. Voorzover deze vraag zich onder het huidige recht voordoet, verwijs ik naar de toelichting op artikel 265 e.v. (Kamerstukken II 26 855, nr. 3).11 Hetzelfde geldt voor specifieke relatieve bevoegdheden die in andere wetten zijn opgenomen. Al met al betekent dit een groot aantal uitzonderingen op het bestaande uitgangspunt dat de rechter de relatieve bevoegdheid pas toetst als een belanghebbende deze betwist. De regeling van artikel 270 zou hiermee onnodig ingewikkeld worden. De relatieve bevoegdheid is in artikel 262 ruim geformuleerd. Partijen worden door de invoering van een ambtshalve toetsing niet bekneld in hun mogelijkheden om een bevoegde rechter te vinden.

Het tot hoofdregel maken van ambtshalve toetsing in artikel 270 brengt mee dat de rechter ook in andere gevallen dan de hier genoemde ambtshalve zijn relatieve bevoegdheid moet toetsen. De slotzin van het voorgestelde eerste lid van artikel 270 geeft partijen echter de mogelijkheid om alsnog bij de relatief onbevoegde rechter te blijven. De uitzondering genoemd in het tweede lid van artikel 270 blijft bestaan. Ook het derde lid kan ongewijzigd blijven. De verplichting om ambtshalve te toetsen sluit een betwisting van de bevoegdheid door een belanghebbende niet uit. Een ambtshalve bevoegdverklaring betekent dan tegelijkertijd een verwerping van de betwisting van de bevoegdheid; een ambtshalve onbevoegdverklaring zal meestal tevens inhouden dat de betwisting gehonoreerd wordt.”

2.14

Op grond van art. 270 lid 3 Rv is tegen de beslissing van de rechtbank waarbij een betwisting van een bevoegdheid wordt verworpen of de zaak naar een andere rechter wordt verwezen, geen hogere voorziening toegelaten. Een vergelijkbare bepaling is voor dagvaardingszaken opgenomen in art. 110 lid 3 Rv.

2.15

De achtergrond van het rechtsmiddelenverbod is dat vertraging van de procedure moet voorkomen. Met name moet worden tegengegaan dat tussen rechters onderling discussie ontstaat over de relatieve bevoegdheid en de zaak heen en weer wordt geschoven tussen verschillende rechtbanken. Om die reden is bepaald dat de rechter naar wie de zaak is verwezen, gebonden is aan de verwijzing (art. 270 lid 3 Rv, tweede volzin, en art. 110 lid 3 Rv, tweede volzin).12

2.16

De vraag is of het rechtsmiddelenverbod van art. 270 lid 3 Rv (en dat van art. 110 lid 3 Rv) ook geldt in situaties dat géén bevoegdheidsverweer is gevoerd, maar de rechter heeft nagelaten ambtshalve haar bevoegdheid te beoordelen.

2.17

Uit de tekst van de wet zou kunnen worden afgeleid dat slechts bedoeld is een rechtsmiddelenverbod op te werpen in de gevallen dat ‘een betwisting van bevoegdheid wordt verworpen of de zaak naar een andere rechter wordt verwezen’, dus, met andere woorden, alleen in de gevallen (i) dat de rechter een door een belanghebbende opgeworpen bevoegdheidsverweer heeft verworpen,13 (ii) de rechter een door een belanghebbende opgeworpen bevoegdheidsverweer heeft gehonoreerd en de zaak heeft verwezen naar een andere rechter, of (iii) de rechter ambtshalve de zaak naar een andere rechter heeft verwezen.

2.18

Uit de wetsgeschiedenis is niet af te leiden of de bepaling inderdaad zo moet worden begrepen. Dat is in zoverre begrijpelijk, dat de bredere verplichting tot ambtshalve toetsing, als gezegd, aanvankelijk niet was opgenomen in art. 270 Rv (en evenmin in het daaraan voorafgaande art. 429 c Rv (oud)). Dit maakt dat de toelichting op het oorspronkelijke art. 270 Rv niet verduidelijkend kan zijn voor de vraag of het rechtsmiddelenverbod ook geldt als de rechter verzuimd heeft ambtshalve zijn bevoegdheid te beoordelen. Anders gezegd: de vraag rijst of het rechtsmiddelenverbod van art. 270 lid 3 Rv, ondanks de opmerking in de Mvt dat het derde lid ongewijzigd kan blijven (zie hiervoor onder 2.13), voldoende doordacht is met de latere invoering van de verplichting tot ambtshalve beoordeling van de relatieve bevoegdheid.

2.19

Hetzelfde geldt voor de toelichting op art. 110 lid 3 Rv. In de toelichting op de oorspronkelijke tekst wordt gesproken over ‘de categorische uitsluiting van het hoger beroep in de eerste zin van het derde lid’,14 maar toen was de tweede volzin in lid 1 nog niet opgenomen en gold dus enkel de hoofregel, dat het verweer dat de rechter niet relatief bevoegd is, op straffe van verval van het recht daartoe gevoerd moet worden vóór alle verweren ten gronde.15

2.20

In Snijders/Wendels wordt verdedigd dat de relatieve bevoegdheid van de eerste rechter door de appelrechter ambtshalve moet worden gecontroleerd, als het gaat om bepalingen van relatieve competentie die van openbare orde zijn. Zie het commentaar op art. 110 lid 3 Rv (voor de regeling van art. 270 Rv verwijst Snijders/Wendels naar het commentaar bij art. 110 Rv16):17

“De regels voor de relatieve (geografische) competentie in eerste aanleg zijn in het algemeen niet van openbare orde en de rechter in eerste aanleg hoeft er in het algemeen dus geen acht op te slaan. Zie met name art. 108, 110 en 270 Rv, die behoudens uitzondering voorzien in (al of niet stilzwijgende) forumkeuze. De appelrechter heeft ter zake ook geen controleverplichtingen, nu appel tegen beslissingen omtrent relatieve bevoegdheid door art. 110 lid 3 respectievelijk 270 lid 3 Rv wordt uitgesloten. Weliswaar wordt in deze artikelen de non-appellabiliteit slechts met zoveel woorden geregeld voor beslissingen over de relatieve bevoegdheid die genomen zijn na een verweer strekkende tot relatieve onbevoegdheid, maar niet valt in te zien waarom ambtshalve genomen beslissingen over de relatieve bevoegdheid wel appellabel zouden zijn.

(…)

Voor zover het daarentegen gaat om bepalingen van relatieve competentie die wel van openbare orde zijn, zal de relatieve bevoegdheid van de geadieerde rechter in eerste aanleg niet alleen door hem zelf maar ook door de appelrechter ambtshalve beoordeeld dienen te worden.

Voorbeelden hiervan vormen art. 2 Fw (HR 28 januari 1983, NJ 1983, 465 (BW)), (kennelijk) de in art. 1072 Rv overgeslagen typen zaken van boek IV (waarover Burg. Rv (H.J. Snijders), art. 1072, aant. 2) benevens art. 6:236 aanhef en sub n BW met betrekking tot forumkeuzebedingen in algemene voorwaarden (HvJ-EG 27 juni 2000 (Océano e.a./Murceano e.a.), C-240-244/98, NJ 2000, 730 en HvJ-EG 24 januari 2002 (Cie/Italië), C-372/99, waarover onder meer M.B.M. Loos en H.W. Wiersma, WPNR 2002 (6486), p. 329 e.v.).

In geval de appelrechter op grond van een dergelijke bepaling van openbare orde oordeelt dat de geadieerde rechter in eerste aanleg relatief onbevoegd was, zijn er weer twee, zojuist uiteengezette sanctiemogelijkheden. Uitgaande van de kwalificatie van betrokken relatieve-competentieregels als recht van openbare orde, valt veel te zeggen voor toepassing van de strenge sanctie. Iets anders is of men wel alle gegeven voorbeelden (bij nader inzien) als regels van openbare orde wil beschouwen.”

2.21

Volgens Snijders/Wendels moet het rechtsmiddelenverbod van art. 110 lid 3 Rv dus níet zo worden gelezen dat alleen bij beslissingen naar aanleiding van een betwisting van de relatieve bevoegdheid geen hogere voorziening openstaat (vgl. hiervoor onder 2.17); het rechtsmiddelenverbod geldt óók als de rechter ambtshalve geoordeeld heeft over zijn relatieve bevoegdheid. Dit ligt echter wezenlijk anders als het gaat om bepalingen van relatieve competentie die van openbare orde zijn. Dan geldt het rechtsmiddelenverbod níet; zowel in het geval dat een bevoegdheidsverweer is gevoerd als in het geval de rechter ambtshalve over zijn bevoegdheid heeft geoordeeld. In beide gevallen moet de appelrechter – ambtshalve – beoordelen of de eerste rechter relatief bevoegd was.

2.22

De sanctiemogelijkheden waarop wordt gedoeld in de laatste alinea van de passage uit Snijders/Wendels, zijn de ‘strenge sanctie’ van vernietiging van de onbevoegd gewezen uitspraken in eerste aanleg en verwijzing naar de wel bevoegde rechter in eerste aanleg, of de ‘lichte sanctie’ van verwijzing van de procedure in de stand waarin deze zich bevindt naar de wel bevoegde relatieve rechter (voor zover er nog iets te verwijzen valt); men kan hier denken aan een verwijzing van de appelbehandeling naar het gerechtshof van het ressort van de rechtbank die wel relatief bevoegd geweest zou zijn of aan een terugverwijzing naar de wel relatief bevoegde rechtbank voor de verdere afdoening van de zaak in eerste aanleg voor het geval daar nog ruimte voor zou zijn.

2.23

Ik heb geen andere literatuur gevonden waarin op deze kwestie wordt ingegaan.

2.24

In het verzoekschrift tot cassatie worden verwezen naar verschillende uitspraken van appelrechters, waarin het rechtsmiddelenverbod van art. 270 lid 3 Rv niet is tegengeworpen aan een belanghebbende die voor het eerst in hoger beroep het verweer voert dat de rechtbank relatief onbevoegdheid was. In deze zaken heeft de appelrechter beoordeeld of de eerste rechter relatief bevoegd was om de zaak te beoordelen, waarbij – impliciet of expliciet – ervan is uitgegaan dat zij daartoe gehouden was omdat de bepalingen van relatieve bevoegdheid in verzoekschriftprocedures van openbare orde zijn.18 Hiermee is de lijn van Snijders/Wendels gevolgd. Er lijkt in deze uitspraken geen verschil te worden gemaakt tussen enerzijds gevallen waarin de rechter in eerste aanleg wél, en anderzijds gevallen waarin de rechter níet ambtshalve heeft geoordeeld over de relatieve bevoegdheid.

2.25

Er is echter ook een enkele uitspraak waarin een appelrechter oordeelde dat het rechtsmiddelenverbod wél in de weg staat aan het voeren van een bevoegdheidsverweer in hoger beroep. Zo overwoog het hof ’s-Hertogenbosch dat “een redelijke uitleg van deze bepaling [mee] brengt […] dat ook geen hogere voorziening is toegelaten tegen het achterwege laten door de rechter van een ambtshalve beoordeling van zijn relatieve bevoegdheid op de voet van de tweede volzin van artikel 110 lid 1 Rv”.19 Overigens ging het in deze zaak om een dagvaardingszaak, met betrekking tot een van de uitzonderingsgevallen genoemd in art. 110 lid 1, tweede volzin, Rv, waarin de rechter ambtshalve moet beoordelen of hij relatief bevoegd is.

2.26

Overeenkomstig het standpunt van Snijders/Wendels en de lijn in de appelrechtspraak zou ik willen aannemen dat als sprake is van een bepaling over de relatieve bevoegdheid die van openbare orde is, het rechtsmiddelenverbod niet geldt. Dat geldt in ieder geval in de situaties dat de eerste rechter niet onder ogen heeft gezien of hij al dan niet relatief bevoegd is, en een ambtshalve toetsing dus achterwege is gebleven.

2.27

Een andere opvatting zou naar mijn mening voorbijgaan aan het beschermende karakter van bepalingen van relatieve bevoegdheid die van openbare orde zijn. Zij moeten ervoor zorgen dat een partij of belanghebbende toegang heeft tot een rechter die niet te ver van zijn of haar woonplaats zitting houdt (‘geografische nabijheid’), zodat er geen onnodige drempels worden opgeworpen om een procedure te beginnen, verweer te voeren of, zoals in de onderhavige zaak, door de rechtbank gehoord te worden. De tijd dat gedacht werd dat dit allemaal niet zoveel uitmaakt en dat van iedereen redelijkerwijs gevraagd mag worden om Nederland te doorkruisen om een rechtszaak bij te wonen, ligt achter ons.20 Voor sommige mensen kan de reis van hun woonplaats naar een provinciehoofstad al een (te) grote hobbel zijn, laat staan een reis van de ene kant naar de andere kant van Nederland. Zo kwam bijvoorbeeld uit onderzoek van Eshuis naar voren dat in arrondissementen waar een kantongerecht uit de directe omgeving verdween, het aantal zaken dat door natuurlijke personen voor de rechter werd gebracht, daalde. Het opheffen van nevenlocaties van gerechten remt dus de vraag naar rechtspraak.21 Initiatieven als de spreekuurrechter, wijkrechter, buurtrechter of nabijheidsrechter spelen hierop in en proberen te beantwoorden aan de behoefte van mensen om in hun directe leefomgeving toegang tot een rechter te hebben.22

2.28

Uit een oogpunt van rechtsbescherming is niet goed in te zien waarom het rechtsmiddelenverbod niet geldt als de rechter verzuimd heeft ambtshalve te beoordelen of hij relatief bevoegd is, maar wel als een onjuiste toepassing is gegeven aan een regel van relatieve bevoegdheid die van openbare orde is (al dan niet naar aanleiding van een betwisting van de bevoegdheid). Dat pleit ervoor om – eveneens overeenkomstig Snijders/Wendels – steeds wanneer het gaat om een bepaling van relatieve bevoegdheid die van openbare orde is, het rechtsmiddelenverbod niet tegen te werpen aan een partij of belanghebbende.

2.29

Het gevolg is wel dat in mindere mate wordt voldaan aan de ratio van het rechtsmiddelenverbod, het voorkomen van vertraging in de procedure (zie onder 2.15).

2.30

De volgende vraag is wat de consequentie zou moeten zijn van het oordeel dat de eerste rechter een bepaling van relatieve bevoegdheid die van openbare orde is heeft miskend, hetzij door een ambtshalve beoordeling achterwege te laten, hetzij door een onjuiste toepassing te geven aan zo’n bepaling (al dan niet naar aanleiding van de betwisting van de bevoegdheid).

2.31

Het vernietigen van de uitspraak met verwijzing naar de wel bevoegde rechtbank ligt niet in de rede. Niet alleen strookt dat niet met het uitgangspunt dat de appelrechter in de regel de zaak na vernietiging van een eindvonnis of eindbeschikking niet mag terugverwijzen naar een rechtbank, maar zelf dient af te doen.23 Bovendien zou verwijzing naar een andere rechtbank ook zeer onwenselijk zijn, omdat de zaak dan helemaal opnieuw moet worden beoordeeld, terwijl er al een eindbeschikking ligt. Doorgaans verwijzen appelrechters de zaak naar een andere appelrechter (uiteraard tenzij de wel bevoegde rechtbank in hetzelfde hofressort ligt).24 Dat lijkt mij de aangewezen weg.

Gevolgen voor het cassatieberoep

2.32

In het onderhavige geval heeft noch verzoekster tot cassatie (de moeder) noch een van de andere opgeroepen belanghebbenden in eerste aanleg verweer gevoerd. Er is geen verweerschrift ingediend en geen van partijen is ter zitting verschenen.

2.33

Uit de beschikking van de kantonrechter blijkt niet dat de rechter ambtshalve heeft beoordeeld of zij relatief bevoegd is. Indien de rechtbank wel haar bevoegdheid had beoordeeld, had zij tot de conclusie moeten komen dat zij níet de relatief bevoegde rechter was. [verweerster 2] was immers ten tijde van de oproeping voor de zitting niet meer woonachtig in het arrondissement Noord-Nederland ([plaats]), maar sedert 2016 woonachtig in het arrondissement Limburg ( [plaats] ). De rechtbank was daarmee bekend, want de ouders waren op het adres in [plaats] opgeroepen voor de mondelinge behandeling. De rechtbank had de zaak dan ook moeten verwijzen naar de rechtbank Limburg.

2.34

Nu bepalingen van relatieve bevoegdheid in verzoekschriftprocedures van openbare orde zijn had het hof – in ieder geval nu belanghebbenden in eerste aanleg niet waren verschenen én in hoger beroep een bevoegdheidsverweer is gevoerd – moeten beoordelen of de rechtbank Groningen relatief bevoegd was om te oordelen over het verzoek. Het rechtsmiddelenverbod van art. 270 lid 3 Rv staat daaraan niet in de weg. Het hof had de zaak moeten verwijzen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, als de bevoegde appelrechter in zaken die behandeld zijn bij de rechtbank Limburg.

2.35

Wat er over het verwijzen van zaken van meerderjarigenbewind is vermeld in de Aanbevelingen meerderjarigenbewind van het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton & Toezicht, is – anders dan het hof kennelijk meent – verder niet relevant.25 Wat daarin is vermeld kan immers niet afdoen aan art. 266 Rv en/of art. 270 Rv.

2.36

In zoverre slagen de klachten van het eerste, tweede en derde middel. Dat betekent dat beide beschikkingen moeten worden vernietigd en de zaak moet worden verwezen naar het wel bevoegde gerechtshof.

2.37

Hiermee wordt niet toegekomen aan een behandeling van het vierde middel, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat de eerste drie middelen niet tot vernietiging van de beschikking kunnen leiden.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Beschikking gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, 27 oktober 2020, zaaknummer 200.268.519/0.

2 Beschikking kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, 24 juli 2019, zaaknr. 7880453 VO VERZ 19-1369.

3 Beschikking gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, 14 april 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3163l.

4 Beschikking gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, 27 oktober 2020, zaaknr. 200.268.519/0. De beschikking is niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.

5 Indien eenmaal curatele, beschermingsbewind of mentorschap is ingesteld, wordt de woonplaats van de rechthebbende ingevolge art. 1:12, leden 1-3 BW afgeleid van de curator, bewindvoerder of mentor. Art. 1:12 lid 4 BW bepaalt evenwel (sinds 1 mei 2007) dat deze afgeleide woonplaats niet geldt voor de relatieve bevoegdheid van de rechter gedurende een curatele, een bewind of mentorschap. Dit brengt mee dat voor de relatieve bevoegdheid van de rechter voor alle zaken betreffende curatele, beschermingsbewind en mentorschap het werkelijke verblijf van de rechthebbende beslissend is en doorgaans de rechter die de beschermingsmaatregel heeft ingesteld bevoegd blijft ter zake van nadere beslissingen aangaande de beschermingsmaatregel. Zie Kamerstukken II, 2005–2006, 30 521, nr. 3, p. 6-7; E.L. Schaafsma-Beversluis, in: Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 266, aant. 4; A.I.M. van Mierlo, in: T&C Burgerlijke rechtsvordering, art. 266 Rv, aant. 4 onder c.

6 In de parlementaire geschiedenis is niet toegelicht wat moet worden verstaan onder ‘zaken betreffende curatele, onderbewindstelling of mentorschap ten behoeve van meerderjarigen’. In de literatuur wordt aangenomen dat daaronder vallen (i) procedures waarin de instelling van deze beschermingsmaatregelen wordt verzocht en (ii) procedures die (wanneer de curatele, onderbewindstelling of mentorschap eenmaal is ingesteld) alle zaken inzake curatele, onderbewindstelling en mentorschap betreffen. Zie E.L. Schaafsma-Beversluis, in: Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 266, aant. 3. Vgl. ook A.I.M. van Mierlo, in: T&C Burgerlijke rechtsvordering, art. 266 Rv, aant. 4 onder a.

7 Kamerstukken II, 1999–2000, 26 855, nr. 3, p. 152.

8 Aanpassing van enkele onderdelen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en enige andere wetten in verband met het nieuwe procesrecht (Veegwet) van 8 september 2005, Stb. 455.

9 Kamerstukken II, 2002–2003, 28 863, nr. 3, p. 9. De tekst luidde toen als volgt: “Indien een of meer opgeroepen belanghebbenden niet in de procedure zijn verschenen of een verschenen belanghebbende de bevoegdheid betwist en indien de rechter in het ene of in het andere geval beslist dat niet hij, maar een andere rechter van gelijke rang bevoegd is, verwijst hij de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar die andere rechter. (…)”

10 Kamerstukken II, 2002–2003, 28 863, nr. 3, p. 9-10.

11 Hier is onder meer het volgende te lezen (p. 153): Ingevolge het eerste lid van de onderhavige bepaling moet de rechter ambtshalve verwijzen indien niet alle opgeroepen belanghebbenden zijn verschenen. Ook moet hij, evenals in artikel 2.2.12 is bepaald, verwijzen indien een verschenen belanghebbende zich op de onbevoegdheid beroept. (…) Voor scheidingszaken geeft het tweede lid nog een iets soepeler regeling: verwijzing vindt slechts plaats indien de andere echtgenoot de bevoegdheid betwist. (…) Hierdoor wordt de huidige praktijk, inhoudende dat met name in scheidingszaken soms om redenen die te maken hebben met de privacy van de betrokkenen de zaak, met instemming van die betrokkenen, in een ander arrondissement wordt aangebracht dan dat waar de echtgenoten wonen, in stand gelaten. (…)”

12 Vgl. M.W. Knigge, De procesovereenkomst (BPP nr. XIII) 2012/11.3.7.2. Zie over de achtergrond van art. 110 lid 3 Rv ook de conclusie van A-G Wesseling-van Gent voor HR 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI9630, NJ 2009/490 ([…]/Van den End q.q.).

13 Zie voor een geval waarin de appelrechter dit ten onrechte had miskend, HR 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI9630, NJ 2009/40 ([…]/Van den End q.q.). In deze zaak werd geoordeeld dat het hof ambtshalve had moeten beoordelen of het rechtsmiddelenverbod van art. 110 lid 3 Rv gold, en dat onjuist is de gedachte dat met die bepaling, anders dan onder het voor 2002 geldende recht het geval was, slechts zou zijn beoogd tussentijds appel of cassatieberoep uit te sluiten.

14 Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 274.

15 De tweede volzin is toegevoegd bij de Veegwet (Aanpassing van enkele onderdelen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en enige andere wetten in verband met het nieuwe procesrecht). Kamerstukken II, 2002–2003, 28 863, nr. 3, p. 7 (“Als sequeel van de door artikel 108 beperkte mogelijkheid van een geldige forumkeuze in zaken betreffende kleine vorderingen, arbeids-, huur- en consumentenovereenkomsten dient de rechter in deze zaken zijn relatieve bevoegdheid ook ambtshalve te beoordelen. Vergelijk artikel 100, derde lid, (oud) Rv, alsmede voor consumentenovereenkomsten HvJEG 27 juni 2000, NJ 2000, 730. De bepaling is ook van toepassing als partijen geen forumkeuze hebben gemaakt. Uiteraard kunnen partijen de aangezochte rechter altijd alsnog bevoegd maken door een daartoe strekkende overeenkomst, eventueel mondeling gesloten ter zitting (artikel 108, tweede lid, onder a).”).

16 Snijders/Wendels, Civiel appel 2009/312.

17 Snijders/Wendels, Civiel appel 2009/34.

18 Zie bijv. Hof Leeuwarden 10 juli 2012, ECLI:NL:GHLEE:2012:BX4191; Hof ’s-Hertogenbosch 15 januari 2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:BH0717; Hof Amsterdam 16 november 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BO7555; Hof ’s-Hertogenbosch 8 mei 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:BA5713; Hof Amsterdam 4 mei 2010, ECLI:NL:GHSHE:2007:BA5713; Hof Arnhem-Leeuwarden 23 mei 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:4329; Hof Arnhem-Leeuwarden 4 augustus 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:5822. De zaak Hof Den Haag 10 maart 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:882 (een van de zaken waarnaar verzoekster tot cassatie verwijst) is m.i. geen goed voorbeeld omdat de relatieve bevoegdheid beoordeeld moest worden op grond van art. 5 EEX-Vo.

19 Hof ’s-Hertogenbosch 18 april 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:1787)

20 Vgl. in dit verband nog een passage uit de wetsgeschiedenis op art. 157b Rv (uit 1951) waarin het volgende stond: 'Bij de ontwikkeling, die de verkeerstechniek genomen heeft, is het voor partijen, vooral wanneer verplichte rechtsbijstand is voorgeschreven, niet meer van veel belang, welke rechter relatief bevoegd is van een zaak kennis te nemen: zij hebben er slechts belang bij, dat snel een rechter wordt aangewezen. Daarom bepaalt het vierde lid van art. 157b, dat tegen verwijzing naar een rechter van dezelfde rang geen hogere voorziening toegelaten is, en dat deze rechter aan die verwijzing gebonden is'. De passage wordt aangehaald in punt 2.7 van de conclusie van A-G Wesseling-van Gent bij HR 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI9630, NJ 2009/40 ([…]/Van den End q.q.), zie noot 12 en 13. Vgl. ook de memorie van toelichting bij art. 270 Rv (oud): “Wij herhalen in dit verband nog eens dat steeds bedacht moet worden dat er voor de relatieve bevoegdheid wel een regeling moet zijn, maar dat voor het interne Nederlandse recht de vraag welke rechter bevoegd is, doorgaans niet zeer gewichtig is. Dat geldt ook voor verzoekschriftprocedures.” Zie Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 440.

21 Zie R.J.J. Eshuis, De geografische indeling van de rechtspraak’, in: Rechtspraak om de hoek. Justitiële Verkenningen 2019/1, p. 10-25, Den Haag: Boom juridisch 2019. Zie nader R.J.J. Eshuis, De rechter op afstand. Een verkennend onderzoek naar de relatie tussen reisafstand en het gebruik van rechtspraak, Den Haag: WODC, Memorandum 2017-05; R.J.J. Eshuis, Reistijd en gebruik van Rechtspraak in Noord-Nederland, Den Haag: WODC, Memorandum 2018-03.

22 Zie voor nadere gegevens onder meer E. Bauw e.a., Naar een nabijheidsrechter? Een onderzoek naar de inpasbaarheid van de vrederechter in België en Frankrijk in het Nederlandse rechtsbestel. Den Haag: Boom juridisch 2019.

23 Snijders/Wendels, Civiel appel 2009/263; Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein, Wesseling-van Gent, 4 2018/143. Uitzonderingen zijn slechts aanvaard in geval van een ongegrond bevonden onbevoegdverklaring wegens het ontbreken van internationale rechtsmacht, onbevoegdverklaring wegens het bestaan van een arbitrageovereenkomst en onbevoegdverklaring wegens het ontbreken van absolute competentie.

24 Hof Leeuwarden 10 juli 2012, ECLI:NL:GHLEE:2012:BX4191 (vernietigen en zaak als appelrechter in zelfde ressort aan zich gehouden); Hof ’s-Hertogenbosch 15 januari 2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:BH0717 (zaak aan zich gehouden nu partijen geen verwijzing wensen); Hof Amsterdam 16 november 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BO7555 (vernietiging beschikking rechtbank en verwijzing naar ander hof); Hof ’s-Hertogenbosch 8 mei 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:BA5713 (verwezen naar ander hof); Hof Amsterdam 4 mei 2010, ECLI:NL:GHSHE:2007:BA5713 (vernietiging en verwijzing ander hof); Hof Arnhem-Leeuwarden 4 augustus 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:5822 (niet verwezen). Vgl. ook Hof Arnhem-Leeuwarden 23 mei 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:4329;

25 Het hof verwijst naar aanbeveling I.2 van de Aanbevelingen meerderjarigenbewind, vastgesteld door het LOVCK&T op 7 september 2018, waarin het volgende is vermeld (p. 22): “I Betrokkene verhuist naar gemeente in ander arrondissement 1. Ingevolge artikel 266 Rv is in zaken betreffende curatele, onderbewindstelling of mentorschap bevoegd de rechter van de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats in Nederland, van het werkelijk verblijf van degene wiens curatele, bewind of mentorschap het betreft. 2. Indien de betrokkene verhuist naar een gemeente die onder de bevoegdheid van een andere rechtbank valt, is de kantonrechter niet langer bevoegd en dient het dossier overgedragen te worden aan de wel bevoegde kantonrechter. Reeds ingediende verzoeken en te beoordelen stukken zullen in beginsel worden afgehandeld, voordat het dossier wordt overgedragen. 3. De bewindvoerder dient de verhuizing daarom door te geven aan de rechtbank waar de bewindszaak loopt. 4. De kantonrechter kan in een complex dossier bepalen dat het dossier niet wordt overgedragen.”