Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:448

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
18-05-2021
Datum publicatie
18-05-2021
Zaaknummer
20/00092
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Vordering tot tenuitvoerlegging wegens overtreding van een algemene voorwaarde a.b.i. art. 14c.1 Sr.. Niet hoefde te blijken dat de wijze van kennisgeving van het arrest waarbij de voorwaardelijke straf was opgelegd, voldeed aan de voorwaarden van art. 366 en art. 366a Sv. Ook een strafbaar feit begaan vóór het ingaan van die proeftijd kon in dit geval tot tenuitvoerlegging aanleiding geven. Strekt tot verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/00092

Zitting 18 mei 2021

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 6 januari 2020 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “poging tot oplichting” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, waarvan 43 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest overeenkomstig art. 27(a) Sr. Verder heeft het hof de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, bevolen.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel richt zich in de kern op de beslissing van het hof tot toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde taakstraf.

  4. In het bestreden arrest heeft hof het volgende overwogen (typografische accentueringen als in het origineel):

Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij arrest van 3 maart 2016, gewezen in de strafzaak met parketnummer 23-000142-15, heeft het gerechtshof Amsterdam de verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van tachtig uren (subsidiair veertig dagen hechtenis), waarvan veertig uren (subsidiair twintig dagen hechtenis) voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Door de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Bij arrest van 17 oktober 2017 heeft de Hoge Raad het beroep verworpen, waardoor het arrest van het hof op die datum onherroepelijk is geworden.

Bij vordering van 9 mei 2018 heeft het openbaar ministerie gevorderd dat de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde deel van de taakstraf zal worden gelast.

De raadsman heeft bepleit dat het hof de vordering zal afwijzen en heeft hiertoe het volgende aangevoerd:

Uit de beschikbare processtukken blijkt enkel dat de kennisgeving van de veroordeling van de voorwaardelijke straffen de proeftijd aan cliënt zou zijn toegezonden , maar niet hoe deze kennisgeving voorts is betekend en daarmee niet dat hij daadwerkelijk op de hoogte was van de voorwaardelijke veroordeling en de aanvang van de proeftijd. (...) Nu die wetenschap niet kan worden vastgesteld, verzoek ik u dan ook om die reden de vordering af te wijzen.

Het hof zal de vordering toewijzen en overweegt hiertoe dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. Het gegeven dat niet is gebleken dat de genoemde kennisgeving in persoon aan de verdachte is betekend, brengt naar het oordeel van het hof niet mee dat de vordering niet kan worden toegewezen. De wet verplicht niet in alle gevallen om de kennisgeving aan de verdachte in persoon te betekenen. In een aantal gevallen kan gelet op artikel 366a, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering worden volstaan met toezending. Door de raadsman is niet aangevoerd dat de kennisgeving niet (slechts) had mogen worden toegezonden. Het hof merkt verder op dat de verdachte beroep in cassatie heeft ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam, wat erop duidt dat de verdachte bekend was met (de essentie van) de inhoud van dat arrest, alsmede dat de verdachte ten overstaan van de politierechter niet naar voren heeft gebracht dat hij niet op de hoogte was van de onderhavige gedeeltelijk voorwaardelijk opgelegde taakstraf.”

5. Voorafgaand aan de inhoudelijke bespreking van het middel merk ik op dat de steller van het middel er terecht vanuit gaat dat de door de rechtbank afgewezen vordering tot tenuitvoerlegging, ondanks de inwerkingtreding op 1 januari 2020 van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (hierna: Wet USB), in hoger beroep opnieuw moest worden beoordeeld. In zijn arrest van 6 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:389, heeft de Hoge Raad naar aanleiding van een vordering tot cassatie in het belang van de wet immers vastgesteld dat de Wet USB – en in het bijzonder art. 6:6:7 Sv en 6:6:22 lid 1 Sv – geen wijzigingen heeft aangebracht in de wettelijke bepalingen die van belang zijn voor (de omvang van) het hoger beroep, in het bijzonder de art. 361a, 404 en 407 Sv.1 Deze wettelijke bepalingen regelen dat de beslissing van de rechter op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf wegens niet-naleving van de algemene voorwaarde deel uitmaakt van het vonnis, waardoor, indien hoger beroep wordt ingesteld tegen dit vonnis, het hof opnieuw dient te beslissen op deze vordering.

6. De steller van het middel klaagt dat het hof het openbaar ministerie ontvankelijk heeft verklaard in de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke taakstraf en deze vordering heeft toegewezen, terwijl uit de op de vordering tot tenuitvoerlegging betrekking hebben stukken niet kan blijken dat aan de voorwaarden als vermeld in art. 14b, vierde lid (oud) Sr, art. 366, tweede lid Sv en art. 366a (oud) Sv is voldaan en (derhalve) niet (genoegzaam) is vastgesteld dat verzoeker het door hem op 15 januari 2018 gepleegde strafbare feit in de bij arrest van 3 maart 2016 bepaalde proeftijd heeft begaan.

7. Art. 14b, vierde lid (oud) Sr luidde tot 1 januari 2020 als volgt:

“De proeftijd gaat in:

a.

indien een kennisgeving als bedoeld in artikel 366a, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is uitgereikt of toegezonden, op de vijftiende dag nadat de einduitspraak is gedaan, tenzij door de tijdige aanwending van een rechtsmiddel het vonnis of arrest niet onherroepelijk is geworden;

b.

indien een kennisgeving als bedoeld in artikel 366a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering moet worden betekend, op de vijftiende dag na die betekening, tenzij door de tijdige aanwending van een rechtsmiddel het vonnis of arrest niet onherroepelijk is geworden;

c.

indien de rechter een bevel als bedoeld in artikel 14e, eerste lid, heeft gegeven, op de dag van de einduitspraak.”

8. Art. 366a (oud) Sv luidde in de voor de onderhavige zaak van belang zijnde periode van 1 april 2012 tot 1 januari 2018:

1.

In geval artikel 14a, 38v of 77x van het Wetboek van Strafrecht is toegepast, kan vanwege het openbaar ministerie aan de verdachte aanstonds na de uitspraak op de terechtzitting een mededeling in persoon worden uitgereikt. De mededeling houdt in de straf of maatregel waartoe de verdachte is veroordeeld en alle beslissingen die betrekking hebben op de in artikel 14c, 38v of 77z van het Wetboek van Strafrecht bedoelde algemene en bijzondere voorwaarden of vrijheidsbeperkende maatregel. De mededeling houdt daarnaast de datum van ingang van de proeftijd dan wel de maatregel in, indien de verdachte afziet van een rechtsmiddel of indien de rechter beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

2.

Indien van het vonnis op grond van artikel 366, tweede lid, geen mededeling behoeft te worden gedaan en indien artikel 14a, 38v of 77x van het Wetboek van Strafrecht is toegepast, wordt de mededeling bedoeld in het eerste lid, aan de niet op de terechtzitting waarop de uitspraak wordt gedaan verschenen verdachte toegezonden over de post. Deze toezending geschiedt ook indien de uitreiking in persoon, bedoeld in het eerste lid, niet heeft plaats gevonden.

3.

In alle overige gevallen wordt de mededeling, bedoeld in het eerste lid, aan de verdachte in persoon betekend. Deze mededeling bevat tevens de in artikel 366, eerste en derde lid, genoemde gegevens.

4.

Het eerste tot en met derde lid is van overeenkomstige toepassing ingeval artikel 22c of 77m van het Wetboek van Strafrecht is toegepast.”

9. Art. 366, eerste en tweede lid, Sv luiden:

“1.

De officier van justitie doet de mededeling van het vonnis dat de beslissing van de rechtbank op grond van artikel 349, 351 of 352, tweede lid, bevat en dat buiten de aanwezigheid van de verdachte is uitgesproken, zo spoedig mogelijk aan hem betekenen.

2.

Deze mededeling wordt niet gedaan

a.

aan de verdachte aan wie de dagvaarding of aan wie de oproeping voor de nadere terechtzitting na schorsing van het onderzoek voor onbepaalde tijd, in persoon is betekend,

b.

aan de verdachte die op de terechtzitting of op de nadere terechtzitting aanwezig is geweest,

c.

indien zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting dan wel die van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was.”

10. Art. 366 Sv regelt de wijze van kennisgeving van gerechtelijke mededelingen van vonnissen die buiten de aanwezigheid van de verdachte zijn uitgesproken en waarin een eindbeslissing is genomen. In art. 366a Sv is, in aanvulling op art. 366 Sv, een specifieke regeling getroffen voor (onder andere) het geval aan de verdachte een voorwaardelijke straf is opgelegd. Op grond van art. 415, eerste lid, Sv zijn beide bepalingen van overeenkomstige toepassing in hoger beroep.

11. Uit art. 14b vierde lid (oud) Sr blijkt dat als een mededeling van een vonnis in eerste aanleg of arrest in hoger beroep waarbij een voorwaardelijke straf is opgelegd moet worden betekend, de aan de voorwaardelijke straf gekoppelde proeftijd begint te lopen op de vijftiende dag na deze betekening, tenzij door de tijdige aanwending van een rechtsmiddel het betreffende vonnis of arrest niet onherroepelijk is geworden. Als de mededeling is uitgereikt of toegezonden, dan neemt die proeftijd een aanvang op de vijftiende dag nadat de einduitspraak is gedaan, ook tenzij door de tijdige aanwending van een rechtsmiddel het vonnis of arrest niet onherroepelijk is geworden. Aan art. 14b, vierde lid (oud) Sr ligt het principe ten grondslag dat de proeftijd van een voorwaardelijke straf pas begint te lopen als de rechterlijke uitspraak waarbij de straf is opgelegd, onherroepelijk is geworden.2 Met de invoering van de Wet USB en de vervanging van art. 14b, vierde lid (oud) Sr door art. 6:1:18 eerste lid Sv is dit uitgangspunt geëxpliciteerd.3

12. De ratio van de verplichte betekening van de vonnis- of arrestmededeling is dat de verdachte, van wie niet zeker is dat die van zijn berechting op de hoogte had kunnen zijn, in kennis wordt gesteld van de tegen hem gewezen uitspraak met het oog op de mogelijkheid een rechtsmiddel in te stellen.4 Art. 366 en art. 366a Sv gelden dan ook slechts voor de procedure in eerste aanleg en, in samenhang met art. 415 Sv, in appél en zijn in de wet niet van overeenkomstige toepassing verklaard bij de rechtspleging in cassatie.5

13. In de onderhavige zaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 3 maart 2016. Het middel miskent dat, bij deze stand van zaken, het moment van de aanvang van de proeftijd van de bij dit arrest aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke taakstraf, niet langer afhangt van de wijze van kennisgeving van dat arrest. Wanneer beroep in cassatie is ingesteld, is het moment dat het arrest onherroepelijk wordt enkel nog afhankelijk van het verloop van de procedure in cassatie. Het hof was reeds daarom niet gehouden na te gaan of aan de in art. 366 Sv en 366a (oud) Sv genoemde voorwaarden waaronder volstaan kon worden met een enkele toezending was voldaan. Voor zover het middel van een andere opvatting uitgaat, faalt het.

14. Het hof heeft in het bestreden arrest vastgesteld dat het arrest van 3 maart 2016 onherroepelijk is geworden met het arrest van de Hoge Raad van 17 oktober 2017. Hieruit volgt dat op laatstgenoemde datum de aan de voorwaardelijke straf gekoppelde proeftijd van twee jaren is ingegaan. Voor zover het middel klaagt dat ten tijde van het wijzen van het bestreden arrest niet vaststond dat de verdachte het op 15 januari 2018 gepleegde strafbare feit in de bij arrest van 3 maart 2016 bepaalde proeftijd heeft begaan, mist het daarmee feitelijke grondslag.

15. Voor zover het middel is gebaseerd op de veronderstelling dat de vordering tot tenuitvoerlegging slechts had kunnen worden toegewezen indien de proeftijd reeds was ingegaan op de pleegdatum van het feit waarvoor de verdachte in het bestreden arrest is veroordeeld, miskent de steller van het middel dat de rechter in een geval waarin het gaat om niet-naleving van de algemene voorwaarde als bedoeld in art. 14c, eerste lid, Sr, te weten dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, ook een strafbaar feit begaan vóór het ingaan van die proeftijd tot tenuitvoerlegging aanleiding kan geven.6 Ook in zoverre faalt het middel.

16. Gelet op het voorgaande faalt het middel eveneens voor zover het – op dezelfde gronden – klaagt dat het hof het openbaar ministerie ontvankelijk heeft verklaard in de vordering tot tenuitvoerlegging.

17. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. Daarmee heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat de verdachte de algemene voorwaarde die aan zijn voorwaardelijke veroordeling was verbonden, niet heeft nageleefd en heeft het hof zijn beslissing voorzien van de in art. 6.6:5, eerste lid, Sv vereiste motivering. Tot een nadere motivering was het hof, ook gelet op hetgeen namens de verdachte ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging is aangevoerd, niet gehouden.7 Daaraan doet niet af hetgeen het hof overigens naar aanleiding van het namens de verdachte aangevoerde heeft overwogen.

18. Het middel faalt in al zijn onderdelen en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

19. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

20. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Wet van 22 februari 2017, houdende wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met een herziening van de wettelijke regeling van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen (Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen), Stb. 2017, 82; zie voor de datum van inwerkingtreding het Besluit van 18 december 2019, Stb. 2019, 504.

2 Kamerstukken II, 1995-1996, 24834, nr. 3, p. 12.

3 De tekst van art. 6:1:18 lid 1 Sv luidt (voor zover hier van belang): “De proeftijd van een voorwaarde bij een veroordeling waarbij de rechter heeft bepaald dat een door hem opgelegde straf geheel of gedeeltelijk niet zal worden tenuitvoergelegd, begint op de dag dat het vonnis of arrest onherroepelijk is geworden.” Kamerstukken II, 2014/15, 34 086, nr. 3, p. 74: met de gewijzigde formulering is slechts beoogd “het moment waarop de proeftijd bij een voorwaardelijke veroordeling ingaat inzichtelijker te regelen.”

4 Kamerstukken II, 1995-1996, 24834, nr. 3, p. 12; zie ook Kamerstukken II, 2011-2012, 33 355, nr. 3, p. 36.

5 Kennisgeving van de beslissing van de Hoge Raad geschiedt ingevolge art. 444 Sv in combinatie met art. 36b en art. 36c Sv (vóór de inwerkingtreding van de Wet USB op 1 januari 2020: art. 585 en 586 Sv) door toezending van een bericht van de beslissing aan de verdachte.

6 Zie HR 14 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5752.

7 Vgl. HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2956, r.o. 2.3 en HR 11 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1290, r.o. 2.3.