Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:444

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
30-04-2021
Datum publicatie
07-06-2021
Zaaknummer
20/01658
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Uitleg last verbonden aan legaat opgenomen in een in 1944 in Monaco gemaakt testament; toepassing buitenlands recht; motiveringsklachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/01658

Zitting 30 april 2021

CONCLUSIE

P. Vlas

In de zaak

[eiser] ,

wonende te [woonplaats]

(hierna: [eiser] )

tegen

Gemeente Den Haag,

zetelende te Den Haag

(hierna: de Gemeente)

Deze zaak heeft betrekking op de afwikkeling van de nalatenschap van de in 1946 overleden [erflater] (hierna: [erflater] ) en draait in het bijzonder om de uitleg van de bewoordingen van zijn in 1944 in Monaco gemaakte testament, waarin de erflater een legaat onder een last aan de Gemeente heeft vermaakt. Dit is de tweede keer dat de Hoge Raad geroepen wordt te oordelen over dit testament. In 1990 heeft de Hoge Raad het verzoek van de Gemeente tot wijziging van de testamentaire last gehonoreerd.1

1 Feiten en procesverloop

1.1

In cassatie kan, kort samengevat, van het volgende worden uitgegaan.2[erflater] was kunstkenner en kunstverzamelaar. Hij hield een deel van zijn kunstcollectie in zijn eigen woning aan de [a-straat 1] te [plaats] (hierna: [het huis] ). Hij was van 1889 tot 1909 [functie 1] van het Mauritshuis in Den Haag.

1.2

[eiser] (hierna: [eiser] ) was kunstcriticus en werd aangeduid als de ‘ [functie 2] ’ van [erflater] . [betrokkene 1] (de vader van eiser tot cassatie) was een neef en erfgenaam van [eiser] .

1.3

In 1922 heeft [erflater] zich gevestigd in Monaco. De Gemeente heeft op 23 maart 1922 [het huis] gekocht. Op diezelfde datum heeft [erflater] bij notariële akte aan de Gemeente zijn kunstcollectie in bruikleen gegeven. In de akte is opgenomen dat de Gemeente verplicht is de in bruikleen gegeven voorwerpen als één collectie ter publieke bezichtiging tentoon te stellen op de eerste etage en de galerij van [het huis] en de verzameling tijdens de duur van de bruikleen in stand te houden.

1.4

[eiser] heeft bij onderhandse akte van 27 maart 1922 aan de Gemeente in bruikleen gegeven een drietal kasten met onder meer Chinees porselein en een tekening genaamd ‘[de tekening]’ van [kunstenaar], teneinde deze kasten in [het huis] en de tekening in het Haags Gemeentemuseum tentoon te stellen.

1.5

[het museum] is op 15 juni 1922 geopend.

1.6

[erflater] heeft na zijn vertrek naar Monaco het zich in [het huis] bevindende deel van zijn collectie uitgebreid en in bruikleen gegeven aan de Gemeente.

1.7

In 1926 is verschenen de ‘ [gids] ’ betreffende [het museum] van de hand van [betrokkene 2] (hierna: de [catalogus] ). In 1945 is de in 1926 verschenen [catalogus] aangevuld met een ‘supplement-catalogus 1945’.

1.8

Tijdens de oorlog is de administratie/registratie van de kunstwerken van [het museum] verloren gegaan als gevolg van het bombardement van het Bezuidenhout op 30 maart 1945.

1.9

[erflater] heeft voor het laatst over zijn nalatenschap beschikt bij testament verleden op 26 april 1944 voor een notaris te Monaco. Het testament vermeldt ten aanzien van de Gemeente onder meer:

‘ ‘Je casse, révoque et déclare pour non valable tous les testaments et dispositions testamentaires que j’ai pu faire avant ce jour:

‘ Je lègue à l’Etat des Pays Bas, les tableaux qui ont orné pendant de nombreuses années, le Musée Mauritshuis à La Haye, ils devront rester exposés exclusivement dans ledit Musée’.

Na deze passage is bij renvooi in de kantlijn het navolgende legaat aan de Gemeente toegevoegd:

‘Je lègue à la ville de La Haye (Pays Bas), tous les tableaux et tous les objets d’art qui sont exposés au [het museum] , ils devront rester exposés exclusivement dans ledit Musée.’3

In het testament zijn ook de volgende legaten opgenomen:

‘ ‘Je lègue à Messieurs [betrokkene 3] et [betrokkene 4] les procelaines de Chine se trouvant dans les armoires du mur dans mon ancienne chambre à coucher, et l'argenterie se trouvant dans une armoire en bois de satin, sise dans cette même chambre de mon ancienne maison à La Haye, et une vitrine avec des bijoux se trouvant dans le grand coffre-fort de ladite maison.

‘ (…)

‘ Je lègue à [eiser] :

‘ (…)

‘ Un petit livre d'esquisses de [naam], se trouvant dans une grande armoire de mon bureau dans [het huis] .

‘ (…)

‘ J’institue, en outre, comme légataire général et universel, à charge des legs ci-dessus, ledit [eiser] .’

1.10

[erflater] is op 13 maart 1946 te Monaco overleden. Na zijn overlijden heeft [eiser] de nalatenschap en zijn benoeming tot executeur-testamentair aanvaard. [de notaris] (hierna: de notaris) is namens [eiser] betrokken geweest bij de afwikkeling van de nalatenschap van [erflater] .

1.11

De notaris heeft de Gemeente bij brief van 15 augustus 1946 onder meer bericht dat [eiser] drie kasten met porselein in bruikleen aan de Gemeente heeft aangeboden en dat hij de traploper en het geschilderde portret van [erflater] aan de Gemeente heeft geschonken ter plaatsing in [het museum] . Ook geeft de notaris aan dat [eiser] wenst te constateren ‘dat ook de niet ten toon gestelde schilderijen aan Uwe Gemeente zijn afgestaan’. De notaris heeft de Gemeente verzocht om een en ander te bevestigen. Bij brief van 20 augustus 1946 heeft de Gemeente dit gedaan.4

1.12

De Haagse gemeenteraad heeft bij besluit van 16 december 1946 het legaat van de Gemeente aanvaard. Het besluit vermeldt dat het legaat bestaat:

‘uit de thans in het museum- [erflater] , [a-straat 1] alhier, aanwezige verzameling schilderijen, tekeningen, oude meubelen, porselein, glaswerk en zilver, met inachtneming van de voorwaarde, dat deze kunstvoorwerpen in het genoemde museum opgesteld zullen blijven’.

1.13

In de toelichting op dit besluit wordt onder meer opgemerkt dat de verzameling bestaat uit ‘schilderijen, teekeningen, oude meubelen, porselein, glaswerk en zilver’ en dat de collectie 232 schilderijen en tekeningen bevat. Bij brief van 10 januari 1947 heeft de Gemeente een afschrift van het raadsbesluit en ‘een van de Handelingen van den Raad in verband daarmede’ aan de notaris toegezonden.

1.14

In september 1947 hebben de Gemeente en [eiser] een bruikleenakte getekend betreffende de inhoud van drie kasten met porselein, de inhoud van een kast in de studeerkamer met porselein en de genoemde tekening ‘De Bedelaar’ die zich op dat moment in het Haags Gemeentemuseum bevond.

1.15

Bij onderhandse akte van 8 augustus 1976 heeft [eiser] verklaard onder meer alle bezittingen die zich in [het museum] en het Gemeentemuseum bevinden aan [betrokkene 1] te schenken. Bij brief van 10 augustus 1976 heeft [eiser] deze schenking aan de [functie 1] van [het museum] en het Haags Gemeentemuseum medegedeeld.

1.16

Op 27 februari 1984 is [eiser] overleden. Tot zijn nalatenschap waren zijn neef, [betrokkene 1] , en zijn huishoudster in Monaco als erfgenamen gerechtigd.

1.17

[het museum] heeft zich vanaf 1922 bevonden aan de [a-straat] , is diverse malen gerestaureerd en is in 1990 verplaatst naar een andere locatie, te weten aan de [b-straat] in [plaats] .

1.18

[betrokkene 1] heeft zich, tezamen met enkele familieleden van [erflater] , verzet tegen de verplaatsing van de collectie naar een andere locatie wegens strijd met de aan het legaat aan de Gemeente verbonden last. De Gemeente heeft de Hoge Raad verzocht deze last te wijzigen in die zin dat alle onder het legaat begrepen schilderijen en kunstvoorwerpen blijvend worden geëxposeerd in het daartoe in het pand aan de [b-straat] in te richten, voor het publiek toegankelijk, onder de naam [het museum] te exploiteren museum. Bij de reeds genoemde beschikking van 16 maart 1990 heeft de Hoge Raad dit verzoek gehonoreerd. [het museum] is sedert 30 november 1990 voor publiek toegankelijk aan de [b-straat] te Den Haag.

1.19

In 1985 is opgericht [de Stichting] (hierna: de Stichting). De Stichting heeft onder meer het startkapitaal voor de heropening van [het museum] bijeengebracht. Bij overeenkomst van 6 december 1988 is de collectie [erflater] door de Gemeente in bruikleen gegeven aan de Stichting die het beheer over deze collectie is gaan voeren. [betrokkene 1] is vanaf 12 september 1988 tot aan zijn overlijden in 1998 bestuurslid van de Stichting geweest.

1.20

Na het overlijden van [betrokkene 1] is [eiser] toegetreden tot het bestuur van de Stichting. [eiser] is, in verband met een conflict, sinds 27 oktober 2014 geen bestuurslid van de Stichting meer. De Stichting heeft geregeld kunstwerken uit [het museum] in bruikleen afgestaan aan andere musea en tentoonstellingen.

1.21

[eiser] is enig erfgenaam van [betrokkene 1] onder de last van het levenslang recht van vruchtgebruik van de nalatenschap ten behoeve van de weduwe van [betrokkene 1] De nalatenschap is door [eiser] aanvaard.

1.22

In 2013 heeft [eiser] aan de Gemeente bericht dat het legaat aan de Gemeente volgens hem alleen omvatte de destijds in [het museum] tentoongestelde werken, en niet de werken die zich in depot bevonden (‘de depotwerken’). [eiser] heeft aanspraak gemaakt op de depotwerken en de Gemeente verzocht om gezamenlijk een lijst van deze depotwerken op te stellen en de bruikleen daarvan schriftelijk vast te leggen. Hierop is de Gemeente een archiefonderzoek gestart. De bevindingen daarvan zijn aan [eiser] in november 2013 en april 2014 verstrekt. Nadat een geschil was ontstaan tussen [eiser] en de Gemeente heeft [eiser] alle door hem gestelde bruiklenen opgezegd.

1.23

De Gemeente heeft bij brief van 1 oktober 2014 – gelet op de aan het legaat aan de Gemeente verbonden last – de toestemming aan de Stichting om kunstobjecten uit [het museum] aan derden in bruikleen te geven, ingetrokken.

1.24

[eiser] heeft in 2016 tegen de Gemeente een procedure bij de rechtbank Den Haag aanhangig gemaakt en afgifte van een groot aantal kunstvoorwerpen gevorderd, alsmede diverse verklaringen voor recht.

1.25

Bij vonnis van 26 september 2018 heeft de rechtbank [eiser] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering voor recht te verklaren dat de in 1944 door [erflater] in zijn testament opgelegde last verbiedt om de gelegateerde kunstvoorwerpen uit te lenen aan derden. De rechtbank heeft de overige vorderingen afgewezen. De rechtbank is op grond van de uitleg van het legaat tot de conclusie gekomen dat het deel van de collectie [erflater] dat zich in [het huis] bevond ten tijde van het overlijden van [erflater] onder het legaat aan de Gemeente viel (rov. 4.37). Ten aanzien van de kunstobjecten die afkomstig zijn uit de eigen collectie van [eiser] en die hij in bewaring heeft gegeven aan de Gemeente, heeft de rechtbank geoordeeld dat deze reeds zijn geretourneerd aan [eiser] en/of [betrokkene 1] (rov. 4.43 e.v.).

1.26

[eiser] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen. In appel heeft [eiser] zijn eis vermeerderd en tevens op de voet van art. 843a Rv een incidentele vordering ingesteld tot afgifte van bepaalde documenten.

1.27

Het hof Den Haag heeft bij arrest van 25 februari 2020 de vordering in het incident afgewezen, in de hoofdzaak het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en voor het overige de bij wege van eisvermeerdering ingestelde vorderingen afgewezen. Hiertoe heeft het hof, samengevat, het volgende overwogen.

1.28

Het legaat aan de Gemeente dient naar Monegaskisch erfrecht beoordeeld te worden (rov. 8). Het is aan de rechter om te beoordelen of (volgens Monegaskisch recht) sprake is van een onduidelijke testamentaire bepaling en zo ja, welke uitleg daaraan moet worden gegeven. Het hof laat onbesproken een tweede rapport van de door [eiser] aangezochte deskundige [betrokkene 5] , wiens rapport is opgesteld nadat het vonnis van de rechtbank is gewezen zonder daarin de Gemeente te betrekken, alsmede twee adviezen van andere deskundigen (rov. 12). De gebruikte bewoordingen van het legaat laten enige ruimte voor onzekerheid, zodat het hof aan uitleg toekomt (rov. 13). Het legaat dient zo uitgelegd te worden dat [erflater] aan de Gemeente heeft gelegateerd de kunstvoorwerpen die zich ten tijde van zijn overlijden in [het huis] (althans in depot) bevonden en die bestemd waren om aan het publiek te worden getoond, hetgeen ertoe leidt dat de vorderingen tot afgifte dienen te worden afgewezen (rov. 14-18 en 20). De vorderingen tot revindicatie dienen ook te worden afgewezen omdat deze zijn verjaard en de Gemeente uiterlijk 1 januari 1993 eigenaar is geworden van de gehele collectie [erflater] (rov. 19 en 20).

1.29

Het hof heeft geen aanknopingspunten gevonden voor de gevorderde verboden dat geen kunstvoorwerpen mogen worden toegevoegd die niet onder het legaat vielen en dat gelegateerde kunstvoorwerpen niet tentoon mogen worden gesteld (rov. 26). De Gemeente heeft bij brief van 1 oktober 2014 de toestemming aan de Stichting om kunstobjecten uit [het museum] aan derden in bruikleen te geven, ingetrokken, zodat [eiser] op dit punt niet-ontvankelijk is (rov. 27). Wat betreft de eisvermeerdering en ook de andere vorderingen met betrekking tot de last, heeft [eiser] zijn rechten verwerkt (rov. 28). Uitleg van de last brengt mee dat in overeenstemming met de bedoeling van de erflater vandaag de dag uitleen van werken niet is verboden, en dat [eiser] daarom niet met succes een verklaring voor recht kan vorderen dat de Gemeente de last heeft geschonden door werken uit te lenen (rov. 29).

1.30

De vordering tot afgifte van kunstvoorwerpen uit de privécollectie van [eiser] heeft het hof afgewezen, omdat [eiser] niet heeft voldaan aan de stelplicht en de bewijslast ten aanzien van de eigendom van de kunstvoorwerpen die in de door hem overgelegde lijsten zijn genoemd (rov. 31-46).

1.31

Het hof heeft de incidentele vordering tot afgifte van documenten afgewezen, omdat [eiser] geen rechtmatig belang en geen gewichtige reden heeft, en de vordering te laat is ingediend. De vordering is daarmee in strijd met de eisen van de goede procesorde (rov. 58).

1.32

[eiser] heeft (tijdig) beroep in cassatie ingesteld. De Gemeente heeft verweer gevoerd. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht. [eiser] heeft gerepliceerd.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Bij de bespreking van het middel stel ik voorop dat het hof op basis van twee zelfstandig dragende gronden tot het oordeel is gekomen dat ook de kunstvoorwerpen die zich op het moment van overlijden van [erflater] in het depot van [het museum] bevonden, eigendom van de Gemeente zijn. De eerste grond houdt in dat het legaat van [erflater] aan de Gemeente zo uitgelegd dient te worden dat ook de kunstvoorwerpen die zich op het moment van overlijden van [erflater] in het depot van [het museum] bevonden onder het legaat vielen, en dus aan de Gemeente toekomen (rov. 8-18 en 20). De tweede grond houdt in dat de door [eiser] ingestelde vorderingen tot revindicatie zijn verjaard en de kunstvoorwerpen wegens (verkrijgende) verjaring eigendom zijn geworden van de Gemeente (rov. 19 en 20). Wil het cassatieberoep van [eiser] slagen, dan is het noodzakelijk dat beide gronden met succes worden bestreden.

2.2

Het cassatiemiddel bestaat uit drie onderdelen, die zijn onderverdeeld in verschillende subonderdelen met diverse klachten.

2.3

Onderdeel 1 is gericht tegen rov. 8-12 van het bestreden arrest en valt uiteen in vier subonderdelen.

2.4

De onderdelen 1.1, 1.2 en 1.3 richten zich tegen de hiervoor genoemde eerste zelfstandig dragende grond. Het hof heeft overwogen dat het legaat naar Monegaskisch recht aldus moet worden uitgelegd dat ook de schilderijen en kunstvoorwerpen onder het legaat vallen die op het moment van overlijden van [erflater] niet werden tentoongesteld, maar zich in het depot van het museum bevonden. Volgens het hof bestaat er enige ruimte voor onzekerheid over de bewoordingen van het legaat (rov. 13). De door het hof gegeven uitleg is in overeenstemming met de wil van de erflater (rov. 14-18). Het hof heeft het tweede door [eiser] overgelegde rapport van [betrokkene 5]5 en de adviezen van twee Nederlandse hoogleraren (hierna: ‘het tweede rapport en de adviezen’) onbesproken gelaten en het aanbod gepasseerd om deze deskundigen als getuigen te doen horen (rov. 12).

2.5

Onderdeel 1.1 onder a klaagt dat het hof door het tweede rapport en de adviezen onbesproken te laten6, heeft miskend dat het, gelet op art. 24 Rv, de zaak diende te onderzoeken en te beslissen op de grondslag van hetgeen [eiser] heeft aangevoerd.

2.6

[eiser] heeft aan zijn vorderingen onder meer ten grondslag gelegd dat uit de duidelijke bewoordingen van het legaat volgt dat de schilderijen en kunstvoorwerpen die zich op het moment van overlijden van [erflater] in het depot bevonden, niet aan de Gemeente zijn nagelaten maar aan [eiser] , en dat [eiser] via vererving eigenaar is geworden (rov. 7). Dit is de feitelijke grondslag als bedoeld in art. 24 Rv. Het tweede rapport en de adviezen zijn stukken waarop [eiser] zich heeft beroepen in het kader van de vraag of de bewoordingen van het legaat duidelijk zijn.7 Dit betekent echter niet dat het tweede rapport en de adviezen daarmee ook de feitelijke grondslag als bedoeld in art. 24 Rv vormen. Die stukken betreffen immers niet de (rechts)feiten die een partij aan haar vordering ten grondslag legt. Dat het hof het tweede rapport en de adviezen onbesproken heeft gelaten, betekent niet dat het hof de grondslag van de vorderingen van [eiser] heeft miskend. Voor het overige geldt dat het hof terecht heeft overwogen dat het aan de rechter is om aan de hand van het toepasselijke Monegaskische recht het legaat uit te leggen. Anders dan het onderdeel betoogt, heeft het hof niet geoordeeld dat het zich reeds voldoende voorgelicht achtte, noch dat het overleggen van het tweede rapport en de adviezen als een verzoek als bedoeld in art. 194 lid 1 Rv moest worden beschouwd. De klachten stuiten hierop af.

2.7

Onderdeel 1.1 onder b klaagt over het oordeel van het hof dat het aan de rechter is om te beoordelen of in dit geval (volgens de normen van het Monegaskische recht) sprake is van een onduidelijke testamentaire bepaling en zo ja, welke uitleg vervolgens aan deze bepaling moet worden gegeven. Het onderdeel betoogt dat het hof heeft miskend dat het legaat diende te worden uitgelegd aan de hand van de normen die daarvoor volgens Monegaskisch recht gelden, en dat het op grond daarvan een feitenrechter niet is toegestaan onder het voorwendsel van onduidelijkheid en uitlegging een testament te herschrijven.

2.8

Deze klacht berust op een onjuiste lezing van het arrest. Het hof heeft in rov. 8 tot uitgangspunt genomen dat op de nalatenschap van [erflater] het Monegaskische erfrecht van toepassing is en dat het legaat derhalve naar dat recht moet worden beoordeeld. Vervolgens heeft het hof in rov. 9 en 10 overwogen hoe die beoordeling naar Monegaskisch recht moet plaatsvinden. Daarbij heeft het hof aan de hand van het eerste rapport van [betrokkene 5] overwogen dat volgens Monegaskisch recht de feitenrechter eerst dient vast te stellen of de bewoordingen van het testament helder en duidelijk zijn, of dat de bewoordingen 'enige ruimte voor onzekerheid’ laten, en dat het een feitenrechter niet is toegestaan onder het voorwendsel van onduidelijkheid en uitlegging een testament te herschrijven. Ook heeft het hof in rov. 10 overwogen dat uit het tweede rapport van [betrokkene 5] volgt dat een bepaling die op zichzelf of letterlijk genomen duidelijk en nauwkeurig is, dubbelzinnig kan blijken gelet op de context ervan of de omstandigheden van het geval. In rov. 12 heeft het hof vervolgens herhaald dat het aan de rechter is om volgens de normen van het Monegaskische recht te beoordelen of sprake is van een onduidelijke testamentaire bepaling. Anders dan het onderdeel betoogt, kan dus niet worden gezegd dat het hof heeft miskend dat het legaat dient te worden uitgelegd aan de hand van de normen die daarvoor volgens Monegaskisch recht gelden. De klacht faalt daarom.

2.9

Onderdeel 1.1 onder c klaagt dat het oordeel van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting door het tweede rapport van [betrokkene 5] onbesproken te laten op de (enkele) grond dat dit rapport na het vonnis van de rechtbank is opgesteld zonder daarin de Gemeente te betrekken.

2.10

De klacht berust eveneens op een onjuiste lezing. Het hof heeft weliswaar overwogen dat het tweede rapport na het vonnis van de rechtbank is opgesteld zonder daarin de Gemeente te betrekken, maar heeft daaraan verder geen consequenties verbonden. Het hof heeft het tweede rapport en de adviezen onbesproken gelaten, omdat het aan de rechter is om te beoordelen of in dit geval (volgens het Monegaskische recht) sprake is van een onduidelijke testamentaire bepaling en zo ja, welke uitleg dan aan deze bepaling moet worden gegeven. De klacht faalt daarom.

2.11

Onderdeel 1.1 onder d klaagt over een vermeende tegenstrijdigheid in het oordeel van het hof. Volgens het onderdeel is het onbegrijpelijk dat het hof in rov. 10 een deel van de inhoud van het tweede rapport in zijn beoordeling betrekt, terwijl dit tweede rapport bij de concrete beoordeling van het legaat onbesproken is gelaten.

2.12

Het hof heeft een onderscheid gemaakt tussen het oordeel over de inhoud van het Monegaskische recht en de concrete toepassing daarvan op het onderhavige geval. Alleen ten aanzien van die laatste beoordeling heeft het hof het tweede rapport (en de adviezen) onbesproken gelaten. Het oordeel van het hof is geenszins tegenstrijdig, zodat de klacht faalt.

2.13

Onderdeel 1.1 onder e richt zich tegen de afwijzing van het aanbod om de deskundigen die het tweede rapport en de adviezen hebben opgesteld, als getuigen te horen over de door [eiser] gestelde uitleg van het legaat. Het onderdeel betoogt dat het hof ten onrechte en onbegrijpelijk tot de slotsom zou zijn gekomen dat het aan de rechter is om te beoordelen of in dit geval volgens de normen van het Monegaskische recht sprake is van een onduidelijke testamentaire bepaling en zo ja, welke uitleg dan aan deze bepaling moet worden gegeven, en het aanbod ‘om die reden’ te passeren.

2.14

Het hof heeft zijn afwijzing van het aanbod om deskundigen als getuigen te horen ook gebaseerd op de omstandigheid dat deskundigen niet als ‘getuigen’ kunnen verklaren over ‘uit eigen waarneming bekende feiten’. Tegen dit oordeel wordt in cassatie niet opgekomen, zodat [eiser] geen belang heeft bij zijn cassatieklacht.8 Het oordeel is overigens niet onbegrijpelijk. De klacht faalt.

2.15

Onderdeel 1.2 onder a is gericht tegen rov. 12 en rov. 13-18, waarin het hof heeft overwogen dat het tweede rapport en de adviezen onbesproken worden gelaten, dat er ‘enige ruimte voor onzekerheid’ bestaat over de bewoordingen van het legaat, en dat het legaat zo uitgelegd moet worden dat ook de kunstvoorwerpen die zich ten tijde van het overlijden van [erflater] in het depot van [het museum] bevonden onder het legaat vallen.

2.16

Voor zover de klachten voortbouwen op klachten van het voorgaande onderdeel, delen zij het lot daarvan. Voor zover wordt geklaagd dat het hof niet ongemotiveerd voorbij mocht gaan aan het beroep van [eiser] op de inhoud van het tweede rapport en de adviezen, geldt het volgende. Hoewel een rechter vrij is in de beoordeling en uitleg van een legaat en niet gebonden is aan een door een partij of een deskundige gegeven uitleg, ontslaat hem dit niet van zijn taak om zijn uitspraak voldoende te motiveren en daarbij in te gaan op andersluidende essentiële stellingen, ook indien deze stellingen worden ingenomen met een voldoende gemotiveerd beroep op een rapport of advies.9 In de procesinleiding10 verwijst [eiser] naar de vindplaatsen waar hij een beroep heeft gedaan op het tweede rapport en de adviezen ter onderbouwing van zijn ‘stellingen’ dat de bewoordingen van het legaat ondubbelzinnig en duidelijk waren, maar ter aangehaalde plaatse is niet veel meer te lezen dan dat de deskundigen aan de hand van het testament en de bewoordingen van het legaat tot die conclusie zijn gekomen. Op de stelling van [eiser] dat de bewoordingen van het legaat duidelijk zouden zijn, is het hof – hoewel het daarbij het tweede rapport en de adviezen onbesproken laat – wel degelijk ingegaan. Het hof heeft in rov. 13-18 uitgebreid gemotiveerd waarom het van oordeel is dat de testamentaire bepaling enige ruimte voor onzekerheid laat en op welke wijze de bepaling moet worden uitgelegd. Daarmee heeft het hof geoordeeld dat het de conclusies van het tweede rapport en de adviezen niet volgt. De klacht stuit hierop af.

2.17

Onderdeel 1.2 onder b en c is gericht tegen rov. 13. Volgens het onderdeel kunnen de oordelen in rov. 13 niet de conclusie rechtvaardigen dat ten aanzien van de bewoordingen van het legaat ‘enige ruimte voor onzekerheid’ bestaat.

2.18

Het hof geeft voor zijn oordeel in rov. 13 dat er ‘enige ruimte voor onzekerheid’ bestaat twee zelfstandig dragende argumenten. In de eerste plaats heeft het hof overwogen dat [het huis] een huismuseum betreft met zowel een woongedeelte als een museumgedeelte. Volgens het hof is het de vraag of met de in het legaat opgenomen woorden ‘qui sont exposés’ in [het museum] bedoeld is een onderscheid te maken tussen de schilderijen en kunstvoorwerpen uit het museumgedeelte en het woongedeelte, of dat met die woorden ook bedoeld is een onderscheid te maken tussen de schilderijen en kunstvoorwerpen die wel en die niet in het museumgedeelte zijn tentoongesteld. In de tweede plaats heeft het hof overwogen dat de in het legaat opgenomen aanduiding moet worden gezien als een globale aanduiding waarvan de betekenis nog nader moest worden vastgesteld, omdat [erflater] op het moment van testeren niet kon weten welke kunstvoorwerpen precies onder het legaat zouden vallen vanwege de wisselende collectie in [het huis] en de onbekendheid met het moment waarop [erflater] zou overlijden.

2.19

Onderdeel 1.2 onder b klaagt dat het eerste argument niet toereikend is voor het oordeel dat er bij de uitleg van het legaat ‘enige ruimte voor onzekerheid’ bestaat. Daarvoor voert de klacht aan dat het onderscheid tussen het woongedeelte en het museumgedeelte ‘eerder’ een bevestiging inhoudt van de door [eiser] bepleite uitleg van het legaat dat een onderscheid gemaakt moet worden tussen schilderijen en kunstvoorwerpen die wel en die niet tentoongesteld zijn in het museumgedeelte. Volgens het onderdeel is het oordeel van het hof onbegrijpelijk.

2.20

Deze klacht ziet eraan voorbij dat ook wanneer een bepaalde uitleg meer voor de hand ligt dan een andere, dit niet afdoet aan het oordeel van het hof dat het legaat in de visie van het hof op twee manieren kan worden uitgelegd en er dus ‘enige ruimte voor onzekerheid’ bestaat. Het oordeel van het hof is dan ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, zodat de klacht faalt.

2.21

Onderdeel 1.2 onder c klaagt dat het oordeel van het hof dat [erflater] op het moment van testeren niet kon weten welke kunstvoorwerpen precies onder het legaat zouden vallen, onbegrijpelijk is in het licht van het onderscheid tussen het woongedeelte en het museumgedeelte.

2.22

De klacht bouwt voort op het voorafgaande onderdeel en deelt het lot daarvan. Bovendien heeft [eiser] geen belang bij deze klacht, omdat het eerste argument (zie hierboven onder 2.18) reeds dragend is voor het oordeel van het hof en de daartegen gerichte klacht faalt.

2.23

Onderdeel 1.3 onder a is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 14 dat bij het onderzoek naar de wil van de erflater (in het kader van de uitleg van het legaat) naar Monegaskisch recht niet, zoals door [eiser] is bepleit, enkel daden of verklaringen van de erflater kunnen worden gebruikt maar dat daarvoor ook kunnen worden betrokken alle ‘extrinsieke soorten van bewijs die geschikt zijn om de bedoeling van de erflater duidelijk te maken’. Dit oordeel zou onbegrijpelijk zijn gelet op door [eiser] aangehaalde passages uit het eerste rapport van [betrokkene 5] , waarin besloten zou liggen dat naar Monegaskisch recht uitsluitend bronnen gebruikt kunnen worden die van de erflater zelf afkomstig zijn om een legaat uit te leggen en dat deze lezing steun vindt in de adviezen van de andere twee deskundigen.

2.24

Het onderdeel heeft in de kern genomen betrekking op de vraag of het hof voor de uitleg van het legaat een juiste toepassing heeft gegeven aan het toepasselijke Monegaskische recht. Over schending van buitenlands recht kan gelet op art. 79 lid 1, onder b, RO in cassatie niet worden geklaagd, maar het oordeel van de feitenrechter kan in cassatie wel op begrijpelijkheid worden getoetst. De door de feitenrechter aan het vreemde recht gegeven uitleg moet diens beslissing kunnen verklaren. Bij de vaststelling en de uitleg van het buitenlandse recht mag de feitenrechter niet zonder meer voorbijgaan aan de standpunten van partijen.11

2.25

Dat het hof in het advies van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige [betrokkene 5] iets anders leest dan [eiser] en die lezing niet in overeenstemming is met de adviezen van twee andere deskundigen, brengt niet zonder meer mee dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is. Wel dient de rechter voldoende inzicht te geven in de door hem gevolgde gedachtegang. Het hof heeft in rov. 12-18 voldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang. Van een onbegrijpelijke motivering is dan ook geen sprake en evenmin van strijd met art. 24 Rv, zodat de klacht faalt.

2.26

Onderdeel 1.3 onder b klaagt dat om de in onderdeel 1.3 onder a genoemde redenen het hof ten onrechte en onbegrijpelijk voor de vaststelling van de wil van [erflater] naar Monegaskisch erfrecht bij de uitleg van het legaat bepaalde bronnen heeft betrokken die niet van [erflater] zelf afkomstig waren, maar waarin wel zijn veronderstelde wil tot uitdrukking kwam.

2.27

De klacht bouwt voort op de klacht van het voorafgaande onderdeel en deelt het lot daarvan.

2.28

Ook klaagt het onderdeel over het oordeel van het hof in rov. 16 dat uit eerdere testamenten van [erflater] blijkt dat [erflater] al geruime tijd voornemens was zijn collectie kunstvoorwerpen in [het huis] na zijn overlijden (in zijn geheel) aan de Gemeente te legateren, en dat die lezing onder andere door de eerdere testamenten zou worden ondersteund. Kennelijk klaagt het onderdeel dat het hof niet zonder motivering voorbij mocht gaan aan de stellingen van [eiser] dat de oude testamenten juist laten zien dat [erflater] van een steeds beperkter legaat is uitgegaan.12

2.29

In het oordeel van het hof dat uit de eerdere testamenten van [erflater] blijkt dat hij al geruime tijd voornemens was zijn collectie kunstvoorwerpen in [het huis] aan de Gemeente te legateren, ligt reeds besloten dat het hof niet meegaat in de stelling van [eiser] dat de oude testamenten van [erflater] laten zien dat van een steeds beperkter legaat is uitgegaan. Dit oordeel is, mede in het licht van het daarover gevoerde partijdebat13, niet onbegrijpelijk. Weliswaar heeft [eiser] passages uit de verschillende eerdere testamenten geciteerd, maar de Gemeente heeft hiertegen ingebracht dat uit de testamenten niet blijkt dat het legaat ten aanzien van de collectie kunstvoorwerpen in [het huis] is gewijzigd. Waarom de eerdere testamenten de conclusie kunnen rechtvaardigen dat [erflater] ten aanzien van de collectie in [het museum] van een steeds beperkter legaat is uitgegaan, wordt door [eiser] verder niet onderbouwd. Overigens is in de eerdere testamenten, kort gezegd, steeds het legaat opgenomen dat de kunstvoorwerpen die zich in [het museum] aan de [a-straat 1] bevonden aan de Gemeente zullen toekomen.14 Dat de testamenten ook (wisselende) legaten bevatten ten aanzien van kunstvoorwerpen die zich in andere musea bevonden of kunstvoorwerpen die zich in het huisgedeelte van [het huis] bevonden, doet hieraan niet af. Hierop stuit de klacht van het onderdeel af.

2.30

Onderdeel 1.3 onder c is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 18 dat ook de personen die bij de afwikkeling van de nalatenschap betrokken waren – waaronder de notaris en [eiser] in zijn hoedanigheid als executeur-testamentair – ervan zijn uitgegaan dat ook de niet tentoongestelde kunstvoorwerpen onder het legaat vielen. Dit oordeel zou onbegrijpelijk zijn in het licht van de stellingname van [eiser] dat de brief van de notaris van 15 augustus 1946 niet op zichzelf moet worden gelezen maar in de context van het legaat aan de Gemeente en van verdere correspondentie over de niet tentoongestelde kunstvoorwerpen die [eiser] , volgens de bedoeling van de bruikleenakte van [erflater] van 23 maart 1922, in bruikleen heeft gegeven.

2.31

Het hof heeft aan de in de brief van 15 augustus 1946 opgenomen passage ‘Bovendien wenscht hij [ [eiser] ] te constateeren, dat ook de niet ten toon gestelde schilderijen aan Uwe Gemeente zijn afgestaan’ de niet onbegrijpelijke uitleg gegeven dat ook executeur-testamentair [eiser] en diens notaris het legaat zo begrepen hebben dat ook de schilderijen die ten tijde van het overlijden van [erflater] niet tentoongesteld waren, aan de Gemeente toekwamen en niet aan [eiser] . Het hof heeft zijn oordeel niet uitsluitend gebaseerd op de brief van 15 augustus 1946, maar heeft daarbij ook daaropvolgende berichten van de Gemeente betrokken alsmede een brief van de Nederlandse consul die, naar aanleiding van een bezoek met [eiser] aan de notaris, bij brief van 16 maart 1945 schreef dat aan de Gemeente wordt vermaakt ‘zijne gezamenlijke schilderijen en kunstvoorwerpen, welke zich in [het huis] bevinden’. Anders dan het onderdeel betoogt, heeft het hof de brief van 15 augustus 1946 dan ook niet uitsluitend op zichzelf gelezen.

2.32

Op de stelling van [eiser] dat met de passage uit de brief van 15 augustus 1946 met ‘afgestaan’ bedoeld is het voortzetten van de bruikleen, heeft het hof voldoende gemotiveerd gereageerd. Het hof heeft de uitleg die [eiser] aan deze passage heeft gegeven zo opgevat dat [eiser] onder ‘afstaan’ het opnieuw in bruikleen geven aan de Gemeente heeft verstaan. Op zichzelf betoogt [eiser] terecht dat hij heeft aangevoerd dat uit de passage volgt dat de bruikleen wordt voortgezet, en dat dus geen sprake is van het opnieuw in bruikleen geven.15 Maar ook wanneer ervan wordt uitgegaan dat met ‘afstaan’ is bedoeld dat de bruikleen wordt voortgezet, is de door het hof gegeven motivering toereikend dat die lezing van de passage niet in overeenstemming is met de daaropvolgende berichten van de Gemeente. De klacht faalt daarom.

2.33

Onderdeel 1.4 richt zich tegen het oordeel van het hof dat de (eventuele) vorderingen van [eiser] tot revindicatie zijn verjaard, en dat de Gemeente eigenaar is geworden van de gehele [erflater] -collectie.

2.34

Zoals ik aan het begin van de bespreking van het cassatiemiddel heb geschreven, heeft het hof voor zijn oordeel twee zelfstandig dragende gronden gehanteerd: (1) de uitleg van het legaat, en (2) de verjaring van de (eventuele) vordering tot revindicatie. Aangezien de klachten tegen de eerste zelfstandig dragende grond niet slagen, heeft [eiser] geen belang bij de klacht van onderdeel 1.4 over de verjaring van de revindicatie. Het onderdeel behoeft daarom geen bespreking.

2.35

Onderdeel 2 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 23-30 en rov. 52 dat de door [eiser] ingestelde vorderingen die betrekking hebben op de last die verbonden is aan het legaat aan de Gemeente, worden afgewezen. Het onderdeel valt in twee subonderdelen uiteen.

2.36

Onderdeel 2.1 betoogt dat het hof de last ten onrechte heeft beperkt en onbegrijpelijk heeft gewijzigd. Het onderdeel bevat vier klachten, waarvan de klacht (2.1 onder a) voortbouwt op de klachten van de onderdelen 1.1, 1.2 en 1.3. De klacht behoeft geen bespreking en deelt het lot van de eerdere klachten.

2.37

Onderdeel 2.1 onder b klaagt over rov. 29, waarin het hof heeft overwogen dat vandaag de dag uitleen van werken niet verboden is en dat de last dan ook minder strikt uitgelegd mag worden, nu de werken op verantwoorde wijze kunnen worden vervoerd en bruikleen bijdraagt aan de zichtbaarheid van de collecties en tot de museale bedrijfsvoering behoort. Volgens het onderdeel is dit oordeel onbegrijpelijk in het licht van de stelling van [eiser] dat een feitenrechter bij de uitleg van een testament niet onder het voorwendsel van uitlegging een testament mag ‘herschrijven’. Het is de feitenrechter verboden om het karakter van bepalingen van het testament te veranderen door zich te beroepen op beoordelingscriteria die niet te maken hebben met het testament, aldus het onderdeel.

2.38

Het hof heeft in rov. 29, zoals de Gemeente terecht heeft opgemerkt16, geoordeeld in het licht van het partijdebat. De Gemeente heeft in haar memorie van antwoord vermeld dat zij overweegt om na afloop van onderhavige procedure aan de rechter een wijziging dan wel aanpassing van de last op grond van art. 4:134 BW te verzoeken, waarbij expliciet een beperkte uitleen mogelijk is, en onder meer dat op grond van art. 4:134 lid 3 BW jo. 6:258 lid 1, tweede zin, BW terugwerkende kracht aan zo'n wijziging kan worden verleend, zelfs tot een datum die ligt vóór de inwerkingtreding van het nieuwe erfrecht.17In haar pleitnota heeft de Gemeente betoogd dat [eiser] , gelet op de mogelijkheden die de Gemeente in een procedure die strekt tot vervallenverklaring van het legaat zou hebben, met zijn vordering op ongeoorloofde wijze op de zaken vooruitloopt.18 Dat de last vandaag de dag anders uitgelegd moet worden en [eiser] daarom geen belang heeft bij de verklaring voor recht, moet tegen die achtergrond worden gelezen. Het onderdeel gaat dan ook uit van een onjuiste lezing van het arrest en faalt daarom.

2.39

Onderdeel 2.1 onder c klaagt dat rov. 29 ook onbegrijpelijk is in het licht van de vaststelling door de Hoge Raad in zijn beschikking van 16 maart 1990 dat de last sindsdien luidt dat alle onder het legaat begrepen schilderijen en kunstvoorwerpen van de [erflater] -collectie ‘blijvend’ worden geëxposeerd in het pand aan de [b-straat 1] te Den Haag. Hieruit zou immers volgen dat de collectie voor het publiek geëxposeerd moet blijven ('devront rester exposés'), zonder onderbreking wegens uitleen en zonder de kunstvoorwerpen in een (intern of extern) depot op te slaan.

2.40

Op verzoek van de Gemeente heeft de Hoge Raad in zijn beschikking van 16 maart 1990 beslist op grond van de (destijds geldende) Museumwet dat de aan het legaat verbonden last wordt herzien in die zin dat de gelegateerde collectie blijvend wordt geëxposeerd in het pand aan de [b-straat 1] of in een ander pand in Den Haag dat tenminste gelijkwaardig is aan het oorspronkelijke [het museum] . Achtergrond van dit verzoek was de gewenste verhuizing van [het museum] van de [a-straat] naar de [b-straat] . De vraag of uitleen van werken onder de aan het legaat verbonden last mogelijk was, lag niet ter beoordeling voor. Aan de beslissing van de Hoge Raad dat de last aldus wordt gewijzigd dat de collectie voortaan blijvend geëxposeerd moet worden in het pand aan de [b-straat] , kunnen dan ook geen conclusies getrokken worden ten aanzien van de vraag over de uitleen van werken. De klacht faalt daarom.

2.41

Voor zover de klacht ook ter discussie wil stellen de vraag of de last inhoudt dat de kunstwerken altijd tentoongesteld moeten blijven en dus ook niet in het interne depot van [het museum] mogen worden bewaard, faalt ook deze klacht, omdat in cassatie onbestreden is het oordeel van het hof dat het geen aanknopingspunt ziet voor een verbod om de gelegateerde kunstvoorwerpen niet tentoon te stellen (vordering 2.1 sub D). Voor zover de klacht nog betoogt dat het hof niet tot wijziging c.q. opheffing van de last kon overgaan, mist de klacht feitelijke grondslag, omdat van een wijziging of opheffing van de last geen sprake is.

2.42

Onderdeel 2.1 onder d is gericht tegen rov. 27, waarin het hof [eiser] niet-ontvankelijk heeft verklaard in de gevorderde verklaringen voor recht dat de aan het legaat verbonden last verbiedt om de gelegateerde kunstvoorwerpen in bruikleen te geven aan een derde, zoals de Stichting, zonder de beperkingen tevens aan die derde op te leggen (vordering 2.1 onder A) en de gelegateerde kunstvoorwerpen uit te lenen aan derden of anderszins te verplaatsen buiten [het museum] (vordering 2.1 onder B). Volgens het onderdeel is het oordeel van het hof onbegrijpelijk, omdat [eiser] ondanks het intrekken van de toestemming van de Gemeente aan de Stichting, erbij belang heeft om in de toekomst te voorkomen dat kunstvoorwerpen in strijd met de aan het legaat verbonden last aan derden in bruikleen worden gegeven of uitgeleend.

2.43

Het hof heeft, in navolging van de rechtbank, gelet op de brief waarmee de Gemeente de toestemming aan de Stichting tot uitleen van kunstwerken heeft ingetrokken, geoordeeld dat [eiser] geen belang meer heeft bij zijn vorderingen. Die intrekking heeft naar het oordeel van het hof tot gevolg dat die kunstwerken dus niet meer worden uitgeleend en dus in het museum blijven (zie rov. 28). Gelet hierop is niet onbegrijpelijk dat het hof overweegt dat [eiser] geen belang meer heeft bij de gevorderde verboden. De klacht faalt daarom.

2.44

Zie ik het goed, dan klaagt het onderdeel nog dat het hof in rov. 28 een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven dat de gevorderde verklaring voor recht (vordering 2.2) – die inhoudt dat sprake is geweest van een (voortdurende) schending van de last door het met instemming van de Gemeente aan derden uitlenen van kunstvoorwerpen – moet worden afgewezen, omdat de kunstwerken niet meer worden uitgeleend en dus in het museum blijven.

2.45

Deze klacht berust op een onjuiste lezing van het arrest. Het hof heeft in rov. 28 de genoemde vordering afgewezen op grond van rechtsverwerking. Alleen voor zover deze vordering betrekking heeft op een verklaring voor recht dat nog steeds sprake was van een voortdurende schending (en dus niet ten aanzien van eventuele schendingen in het verleden), heeft het hof nog overwogen dat uit de brief van de Gemeente volgt dat hiervan geen sprake meer is nu de kunstwerken niet meer worden uitgeleend en dus in het museum blijven. Dit oordeel van het hof is overigens niet onbegrijpelijk.

2.46

Onderdeel 2.2. is gericht tegen rov. 28, waarin het hof heeft geoordeeld dat [eiser] en [betrokkene 1] met betrekking tot de aan het legaat verbonden last hun rechten hebben verwerkt.

2.47

Het hof heeft de afwijzing van de gevorderde verklaring voor recht dat de Gemeente de opgelegde last steeds heeft geschonden en nog steeds schendt (de vordering 2.2) op twee zelfstandig dragende gronden gebaseerd. In de eerste plaats op rechtsverwerking (rov. 28) en in de tweede plaats op uitleg van de last (rov. 29). Nu de klachten tegen rov. 29 niet slagen (zie onderdeel 2.1 onder b), bestaat geen belang bij de klachten van onderdeel 2.2, zodat dit onderdeel geen bespreking behoeft.

2.48

Onderdeel 3 valt in twee subonderdelen uiteen en heeft betrekking op de beoordeling door het hof van de vordering van [eiser] tot afgifte van hem in eigendom toebehorende (kunst)voorwerpen (zoals weergegeven in door hem overgelegde lijsten). [eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat die kunstvoorwerpen tot de privécollectie van [eiser] toebehoorden, aan de Gemeente in bruikleen zijn gegeven en nooit zijn teruggegeven. Het hof heeft de vordering afgewezen en daarbij onderscheid gemaakt tussen kunstvoorwerpen waarvan de Gemeente erkent dat deze tot de oorspronkelijke [eiser] -collectie behoren en destijds via een schriftelijke bruikleenovereenkomst aan haar in bruikleen zijn gegeven, en kunstvoorwerpen waarvoor dit niet geldt. Ten aanzien van de eerstgenoemde kunstvoorwerpen heeft het hof overwogen dat de Gemeente voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de bruikleen is afgewikkeld. Ten aanzien van de andere kunstvoorwerpen heeft het hof overwogen dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij eigenaar is van de voorwerpen waarvan hij teruggave vordert en daarmee niet heeft voldaan aan de op hem rustende stelplicht.19

2.49

Onderdeel 3.1 onder a richt zich tegen het oordeel van het hof in rov. 34 dat de stelplicht en de bewijslast ten aanzien van de eigendom van de kunstvoorwerpen die in de door [eiser] overgelegde lijsten zijn genoemd, overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv op [eiser] rusten. Het onderdeel klaagt dat het hof bij dit oordeel onvoldoende gewicht eraan heeft toegekend dat op de Gemeente de stelplicht en de bewijslast rusten ten aanzien van haar (bevrijdend) verweer dat de bruiklenen die op schrift zijn gesteld volledig zijn afgewikkeld. Volgens het onderdeel had het hof meer gewicht moeten toekennen aan de omstandigheid dat relevante stukken en bescheiden ten bewijze van de eigendom van [eiser] zich in het domein van de Gemeente bevonden, omdat op de Gemeente een museale plicht rust een deugdelijke museumadministratie en inventarisatie bij te houden van de eigendom en herkomst van elk kunstvoorwerp uit de [erflater] collectie. Ook klaagt het onderdeel dat het hof heeft miskend dat het aan de betwisting van de Gemeente verzwaarde eisen kon of moest stellen, omdat een voldoende gemotiveerde betwisting van de Gemeente verwacht mocht worden. Volgens het onderdeel kon [eiser] zijn stellingen alleen onderbouwen met stukken van de Gemeente. Op grond van art. 21 Rv mocht van de Gemeente als bewaarder van de in bruikleen gegeven kunstvoorwerpen worden verwacht dat voldoende feitelijke gegevens werden aangeleverd die [eiser] aanknopingspunten moesten bieden voor bewijslevering en dat uit de Wob-beschikking volgt dat de Gemeente over relevante gegevens beschikt, aldus het onderdeel.

2.50

Het hof heeft een onderscheid maakt tussen kunstvoorwerpen waarvan de Gemeente erkent dat deze tot de oorspronkelijke [eiser] -collectie behoorden en destijds via een schriftelijke bruikleenovereenkomst aan haar in bruikleen zijn gegeven, en kunstvoorwerpen waarvoor dit niet geldt. Ten aanzien van de eerstgenoemde categorie geldt dat de Gemeente zich op het standpunt heeft gesteld dat de bruiklenen zijn afgewikkeld. Aangezien hier sprake is van een bevrijdend verweer, heeft het hof terecht aangenomen dat ten aanzien van die stelling op de Gemeente de stelplicht en de bewijslast rusten. Het hof is echter van oordeel dat [eiser] , tegenover de onderbouwing van de Gemeente, onvoldoende gemotiveerd heeft bestreden dat de Gemeente de bruiklenen heeft teruggegeven (rov. 43). De vraag naar de eigendomssituatie ten aanzien van die kunstwerken is hierdoor niet meer van belang, nu de Gemeente erkent dat de kunstvoorwerpen tot de [eiser] -collectie behoorden. Bij gebreke aan een voldoende gemotiveerde betwisting moet worden aangenomen dat de kunstvoorwerpen die aan de Gemeente in bruikleen waren gegeven, zijn teruggegeven.

2.51

Wat de overige kunstvoorwerpen betreft, speelt het bevrijdende verweer van de Gemeente geen rol. Reeds om die reden kan het bevrijdende verweer bij die kunstvoorwerpen dus ook geen rol spelen bij de vraag of het hof diende uit te gaan van de hoofdregel dat op [eiser] de bewijslast rust ten aanzien van de eigendom. Kennelijk wil het onderdeel betogen dat het hof een correctie had moeten toepassen op de hoofdregel dat de bewijslast van de eigendom op [eiser] rust door een zuivere omkering van de bewijslast dan wel een verzwaarde informatieplicht aan te nemen. Voor een dergelijke correctie is plaats wanneer sprake is van een zodanig ernstige verstoring van het processuele evenwicht, dat de realisering van het materiële recht zonder ingrijpen te veel in gevaar komt.20Uit het oordeel van het hof volgt echter dat van zo’n situatie geen sprake is, omdat het hof in rov. 42 heeft overwogen dat het juist [eiser] is geweest die niet alle bescheiden die een licht kunnen werpen op de verblijfplaats van bepaalde kunstvoorwerpen en de eigendomspretenties van (de rechtsvoorgangers van) [eiser] in het geding heeft gebracht.21 Het valt niet in te zien dat sprake is van een situatie die noopt tot omkering van de bewijslast dan wel tot een verzwaarde informatieplicht. De klacht stuit op het voorgaande af.

2.52

Onderdeel 3.1 onder b is gericht tegen rov. 50, waarin het hof heeft geoordeeld dat [eiser] bij grief 8 geen belang heeft, omdat het voor de beoordeling van de vorderingen niet relevant zou zijn of en aan welke norm van administratie de Gemeente is gebonden. De klacht bouwt voort op de klacht van onderdeel 3.1 onder a en op de onderdelen 1 en 2. De klacht behoeft geen afzonderlijke bespreking en deelt het lot van de voorafgaande onderdelen.

2.53

Onderdeel 3.2 richt zich tegen het oordeel van het hof in rov. 54-58, waarin de incidentele vordering tot afgifte van documenten (die ook via een Wob-verzoek niet zijn verstrekt) is afgewezen.

2.54

Uit rov. 58 volgt dat het hof zijn afwijzing heeft gebaseerd op drie zelfstandig dragende gronden. De eerste grond houdt in dat [eiser] geen rechtmatig belang heeft ter zake van de gevorderde stukken, omdat hij onvoldoende duidelijk heeft gemaakt in welk opzicht deze stukken een bijdrage kunnen leveren aan de beantwoording van de kernvragen in het onderhavige geschil. De tweede grond houdt in dat de Gemeente een gewichtige reden in de zin van artikel 843a lid 4 Rv heeft om de desbetreffende stukken niet af te geven, omdat zij dan inzage zou moeten geven in haar interne correspondentie. De derde grond houdt in dat de incidentele vordering te laat is ingesteld en daarmee in strijd is met de eisen van de goede procesorde.

2.55

Voor zover met onderdeel 3.2 onder a is bedoeld de eerste zelfstandige grond te bestrijden, kan de klacht niet slagen. Het onderdeel klaagt dat het hof heeft miskend dat afwijzing van een Wob-verzoek geen belemmering mag vormen voor de beoordeling van een verzoek als bedoeld in art. 843a Rv. Uit de laatste zin van rov. 57, waar het hof zelf vooropstelt dat afwijzing van een Wob-verzoek niet aan een verzoek op grond van het bepaalde in artikel 843a Rv in de weg staat, volgt dat het hof dit niet heeft miskend. De klacht faalt daarom.

2.56

Het middel richt geen klacht tegen het oordeel dat [eiser] geen rechtmatig belang heeft bij zijn vordering op grond van art. 843a Rv, omdat hij onvoldoende duidelijk heeft gemaakt in welk opzicht de gevraagde bescheiden een bijdrage kunnen leveren aan de beantwoording van de kernvragen in het onderhavige geschil. Het onderdeel bestrijdt de tweede en de derde zelfstandig dragende gronden in de onderdelen 3.2 onder b en onder c. Nu de klacht tegen de eerste zelfstandig dragende grond faalt, kunnen de overige klachten bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. Deze klachten behoeven daarom geen bespreking.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 HR 16 maart 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1057, NJ 1991/575, m.nt. J.C. Schultsz.

2 Zie rov. 1.1-1.61 van het arrest van het hof Den Haag van 25 februari 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:352.

3 In de akte wordt per abuis gesproken van ‘ [A] ’ in plaats van ‘ [het huis] ’. In het navolgende geef ik de passages uit het testament weer met inbegrip van de daarin voorkomende verschrijvingen.

4 Zie rov. 1.20 en 1.21 van het bestreden arrest.

5 Het eerste rapport van [betrokkene 5] betreft een in opdracht van de rechtbank, na tussenkomst van het Internationaal Juridisch Instituut, opgesteld juridisch advies over het toepasselijke Monegaskische recht (zie rov. 9 en 10). Het tweede rapport van [betrokkene 5] is in opdracht van [eiser] opgesteld zonder de Gemeente hierin te betrekken. Daarin wordt ingegaan op de betekenis van de bewoordingen van het legaat (zie rov. 12).

6 Voor zover in de procesinleiding klachten worden gericht tegen het oordeel dat het hof het tweede rapport niet alleen onbesproken heeft gelaten, maar ook buiten beschouwing heeft gelaten, mist de klacht feitelijke grondslag.

7 Zie de verwijzingen in voetnoot 7 van de procesinleiding.

8 In voetnoot 11 van de procesinleiding wordt als vindplaats van het aanbod genoemd de memorie van grieven p. 162 en 166. Het aanbod op p. 166 ziet niet zozeer op het legaat zelf, maar op de daaraan verbonden last.

9 Het enkel overleggen van stukken is niet voldoende. Voor de rechter en de wederpartij moet duidelijk moet zijn wat ter beoordeling wordt voorgelegd. Zie HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:404, NJ 2017/147; Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/188 met verdere verwijzingen.

10 Zie de verwijzingen in de voetnoten 7, 10 en 12 van de procesinleiding.

11 Zie de conclusie van A-G Strikwerda (ECLI:NL:PHR:1989:AD0680) vóór HR 17 maart 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0680, NJ 1990/427, m.nt. J.C. Schultsz.

12 Zie voetnoot 19 van de procesinleiding.

13 Memorie van grieven onder 151 en 228 tot en met 237 en memorie van antwoord onder 10.5 tot en met 10.11.

14 Zie memorie van grieven onder 228 tot en met 235 en de producties 20 en 176a t/m h.

15 Pleitnota van mr. Russell van 2 december 2019, p. 6.

16 Schriftelijke toelichting onder 3.2.10.

17 Memorie van antwoord onder 12.29-12.30.

18 Pleitnota in hoger beroep namens de Gemeente onder 3.13 en 3.14.

19 Voor zover [eiser] meent op basis van zijn uitleg van het legaat aanspraak te kunnen maken op kunstvoorwerpen die zich ten tijde van het overlijden van [erflater] in het depot van [het museum] bevonden, heeft het hof dit betoog in rov. 31 verworpen.

20 Zie o.a. Asser Procesrecht/Asser 3, 2017/307.

21 In rov. 44 kwalificeert het hof dit als ‘het feit dat [eiser] niet bereid is gebleken om bij te dragen aan het overleggen van relevante stukken die hij onder zich heeft’.