Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:434

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
18-05-2021
Datum publicatie
18-05-2021
Zaaknummer
20/00673
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Falende klacht dat het bestreden arrest is gewezen door een raadsheer die niet aan het ottz heeft deelgenomen. N.a.v. bij het hof ingewonnen inlichtingen kan de HR het pv ttz met verbetering van misslagen lezen. Falende klacht over de verwerping door het hof van het alternatief scenario van de verdachte. Strekt tot verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/00673

Zitting 18 mei 2021

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 21 februari 2020 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens, in de zaak met parketnummer 08-730271-16, “medeplegen van poging tot zware mishandeling” en, in de zaak met parketnummer 08-730622-15, “zware mishandeling” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en aftrek van voorarrest overeenkomstig art. 27 Sr. Verder heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij en de verdachte de schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals omschreven in het arrest. Ten slotte heeft het hof het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.

  2. Namens de verdachte heeft mr. S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat te Arnhem, twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel klaagt dat het eindarrest van 21 februari 2020 mede is gewezen door een raadsheer die niet heeft deelgenomen aan het onderzoek ter terechtzitting op basis waarvan dat arrest is gewezen.

  4. Uit de aan de Hoge Raad verzonden processtukken in deze zaak blijkt, voor zover relevant voor de beoordeling van het middel, het volgende (vetgedrukt in het origineel):

(i) Het tussenarrest van het hof van 6 maart 2019 vermeldt:

“Tussenarrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel van 15 september 2016 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 08-730271-16 en 08-730622-15, tegen

[verdachte]

(…)

Schorst het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd.

(…)

Aldus gewezen door

mr. A.J. Smit, voorzitter,

mr. H. Heins en mr. B.J.J. Melssen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. W.B. Kok, griffier, en op 6 maart 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.”

(ii) Het oorspronkelijke proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 7 februari 2020 vermeldt:

“Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, meervoudige kamer voor strafzaken, op 7 februari 2020.

Tegenwoordig:

mr. A.J. Smit, voorzitter,

mr. H. Heins en mr. K.J.C. Geeve, raadsheren,

mr. J. de Paauw - de Jong, griffier.

(...)

Het hof is anders samengesteld. Op voorstel van het hof en met instemming van de advocaat- generaal en de raadsman hervat het hof het onderzoek in de stand waarin het zich op het tijdstip van de laatste schorsing op 6 maart 2019 bevond."

(iii) Het arrest van het hof van 21 februari 2020 vermeldt:

"Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 1 november 2017, 20 april 2018, 20 februari 2019, 7 februari 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

(...)

Aldus gewezen door mr. A.J. Smit, voorzitter, mr. B.J.J. Melssen en mr. H. Heins, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. J. de Paauw - de Jong, griffier, en op 21 februari 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken."

5. Bij brief van 31 maart 2021 heb ik mij in verband met deze conclusie gewend tot mr. A.J. Smit en mr. J. de Paauw-de Jong met het verzoek tot het verstrekken van inlichtingen omtrent de vraag of het arrest daadwerkelijk is gewezen door – kort gezegd – een kamer die anders was samengesteld dan de kamer die blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal de zaak ter terechtzitting van 7 februari 2020 heeft behandeld, en zo nee, of hetzij het arrest hetzij het proces-verbaal van de terechtzitting onjuist is.

6. Naar aanleiding hiervan heeft mr. A.J. Smit (voorzitter in deze zaak) bij brief van 13 april 2021 het volgende bericht (onderstreping in het origineel):

“(…)

Het arrest is niet gewezen door een kamer die anders was samengesteld dan de kamer die de zaak op 7 februari 2020 ter terechtzitting heeft behandeld (vraag i). Per abuis is de naam van raadsheer K.J.C. Geeve opgenomen in het proces-verbaal terwijl raadsheer B.J.J. Melssen de zaak ter terechtzitting heeft behandeld, het proces-verbaal van de zitting is derhalve onjuist (vraag ii).

De zittingscombinatie die de strafzaak tegen de verdachte [verdachte] heeft behandeld op 7 februari 2020 bestond uit mr. A.J. Smit (voorzitter), mr. B.J.J. Melssen en mr. R. Heins. Niet mr. Geeve maar mr. Melssen heeft de zaak op 7 februari 2020 ter terechtzitting behandeld, deelgenomen aan het raadkameroverleg en op 21 februari 2020 het arrest gewezen. Aan de samenstelling van het hof van de overige zaken die op 7 februari 2020 zijn behandeld heeft mr. K.J.C. Geeve deelgenomen. Hierdoor is de naam van mr. Geeve in ons administratiesysteem voor alle zaken vermeld, waardoor bij het aanmaken van het proces-verbaal van de zitting haar naam uit het systeem ‘gerold’ is. Ik heb dit als voorzitter over het hoofd gezien en derhalve ten onrechte niet aangepast.

Op uw verzoek treft u als bijlage bij deze brief een herstelproces-verbaal aan waarin de naam van mr. K.J.C. Geeve vervangen is door de naam van mr. B.J.J. Melssen. Het herstelproces-verbaal stemt derhalve overeen met de werkelijkheid.”1

7. De raadsman van de verdachte is bij brief van 15 april 2021 door de griffier van de Hoge Raad op de hoogte gesteld van de door mij opgevraagde en door de voorzitter van de strafkamer van het hof verstrekte inlichtingen. Daarbij is medegedeeld dat in overleg met de rolraadsheer in deze zaak een nadere termijn is verleend om de raadsman in de gelegenheid te stellen – met betrekking tot deze stukken – de eerder ingediende schriftuur te wijzigen, aan te vullen dan wel een of meer middelen in te trekken. Binnen deze termijn heeft de raadsman een schriftuur met een aanvulling op de toelichting van het eerste middel ingediend. Deze aanvulling houdt – kort gezegd – in dat de klacht zoals vervat in het eerste middel gehandhaafd wordt, omdat de redenen van wetenschap van de voorzitter van de strafkamer van het hof omtrent de inhoud van zijn brief niet zijn gebleken en het inmiddels opgemaakte herstel-proces-verbaal van de terechtzitting van 7 februari 2020 (nog steeds) de opmerking bevat dat het hof anders is samengesteld dan op 6 maart 2019, waardoor dit proces-verbaal in strijd is met de inhoud van het tussenarrest van 6 maart 2019.

8. Op grond van de inhoud van de onder randnummer 6 vermelde brief moet het er voor worden gehouden dat het onder randnummer 4 onder (ii) genoemde proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 7 februari 2020 twee misslagen bevat, te weten dat het incorrect is dat de naam van de raadsheer mr. K.J.C. Geeve daar is weergegeven, omdat dit B.J.J. Melssen dient te zijn, en dat ten onrechte wordt vermeld dat het hof op de terechtzitting van 7 februari 2020 anders was samengesteld dan bij het wijzen van het tussenarrest van 6 maart 2019. De Hoge Raad kan dit proces-verbaal met verbetering van deze misslagen lezen, waardoor het middel feitelijke grondslag mist en het niet tot cassatie kan leiden.2

9. Het middel faalt.

10. Het tweede middel klaagt dat het hof het bewijsverweer van de verdediging – inhoudende een door de verdediging geschetst alternatief scenario – op onbegrijpelijke dan wel ontoereikende wijze heeft verworpen.

11. Ten laste van de verdachte is ten aanzien van de zaak met parketnummer 08-730622-15 (gevoegd) bewezenverklaard dat:

“primair

hij op 4 oktober 2015, in de gemeente Enschede, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten snijwonden en/of steekwonden in het gezicht en/of de hals en/althans het hoofd met zichtbaar blijvende littekens heeft toegebracht door die [slachtoffer] eenmaal met al dan niet een stukgeslagen glas in/tegen het gezicht en/of hals en/althans het hoofd te slaan en/of te steken”.

12. Deze bewezenverklaring berust op de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de aanvulling op het verkorte arrest.

13. Het bestreden arrest bevat onder meer de volgende bewijsoverweging:

“Het hof stelt vast dat de aangifte van [slachtoffer] steun vindt in de verklaringen van de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en in de verklaring die door [betrokkene 3] tegenover de raadsheer-commissaris is afgelegd. De verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2], die relatief kort na het gebeuren bij de politie zijn afgelegd, zijn consistent – ook over het daderschap van verdachte - ondersteunen elkaar en komen op van belang zijnde punten overeen met hetgeen door aangever is verklaard. Het bij aangever [slachtoffer] geconstateerde letsel past bovendien bij de door de genoemde getuigen geschetste toedracht.”

14. Het bestreden arrest bevat met betrekking tot de verwerping van het alternatieve scenario van de verdachte voorts de volgende overweging:

Alternatief scenario

Verdachte heeft van begin af aan ontkend dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van aangever [slachtoffer] en zich -kort gezegd- op het standpunt gesteld dat niet hij maar een tot dusver onbekend gebleven persoon verantwoordelijk is voor het door [slachtoffer] opgelopen letsel. In dit verband heeft hij ter terechtzitting van het hof van 7 februari 2020 voor het eerst de mogelijkheid geopperd dat bepaalde getuigen -hij noemt [betrokkene 1] en [betrokkene 3] in het bijzonder- uitvoerig met elkaar hebben gesproken voordat zij een voor hem, verdachte, belastende verklaring hebben afgelegd.

Kort samengevat komen zijn bij de politie, bij de rechtbank en bij het hof afgelegde verklaringen er op neer, dat hij omstreeks het moment dat het incident met aangever [slachtoffer] plaatsvond niet eens een glas in zijn handen had en bovendien zelf ineens van achteren een klap in zijn nek/op zijn achterhoofd kreeg waardoor hij op de grond is gevallen.

Vervolgens werd er met glazen gegooid in Moodz en heeft hij het geluid van brekend glas gehoord. Daarmee is volgens hem verklaard dat hij gewond is geraakt en bloed aan zijn hand had.

Het was volgens verdachte vervolgens een chaos in Moodz en hij is toen naar boven gelopen naar de portier. Hierna kwam een groepje jongens dreigend in zijn richting lopen en dat was voor hem de reden om naar de Shotjesbar van zijn broer te rennen en daar naar binnen te gaan.

Het hof stelt vast dat voor dit alternatieve scenario uitsluitend steun kan worden gevonden in de verklaringen van de op verzoek van de verdediging te terechtzitting van de rechtbank gehoorde getuigen [betrokkene 4] (ex-vriendin van verdachte) en [betrokkene 5].

Het hof vindt die verklaringen echter ongeloofwaardig zoals het hof ook geen enkel geloof hecht aan de -overigens ook in hoger beroep telkens wisselende- verklaringen van verdachte met betrekking tot de toedracht van het incident in Moodz.

Met betrekking tot de door [betrokkene 4] als getuige afgelegde verklaring overweegt het hof dat niet te begrijpen is dat zij bij de rechtbank een tamelijk gedetailleerde verklaring aflegt, die in grote lijnen overeenkomt met de verklaring van verdachte, terwijl zij op 4 oktober 2015, kort na het incident -expliciet daarnaar gevraagd- tegen de politie heeft gezegd “dat zij niets had gezien en ook niet wist wat er was gebeurd".

[betrokkene 4] was destijds de vriendin van verdachte en dit was voor haar de uitgelezen mogelijkheid om aan de politie te vertellen over wat haar zojuist aangehouden vriend (verdachte) was overkomen en hem eventueel vrij te pleiten.

Het hof stelt echter vast dat zij op dat moment tegen de politie zegt dat zij geen getuige is geweest van het incident. Om die reden hecht het hof geen geloof aan haar verklaring als getuige afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank.

Voor de door [betrokkene 5] als getuige afgelegde verklaring geldt eveneens dat deze het door verdachte geschetste alternatieve scenario in grote lijnen ondersteunt ook al is haar verklaring opvallend genoeg veel minder gedetailleerd en minder specifiek dan de verklaring van [betrokkene 4].

Opvallend is ook -en dat is meteen de belangrijkste reden waarom het hof ook aan haar verklaring voorbij gaat- dat voor de aanwezigheid van deze getuige in Moodz die avond/nacht geen spoor van bewijs te vinden is in het dossier, zelfs geen begin van aannemelijkheid.

Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat het door verdachte als alternatief geschetste scenario op geen enkele wijze aannemelijk is geworden.

Het hof is derhalve van oordeel dat de door verdachte bepleite vrijspraak wordt weersproken door de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling -mogelijk uitgebreider- zullen worden opgenomen."

15. Het middel klaagt dat het hof het door de verdediging naar voren gebrachte alternatieve scenario onbegrijpelijk, dan wel ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen. Daartoe heeft de steller van het middel in het bijzonder aangevoerd dat de overwegingen die het hof wijdt aan het oordeel dat de getuigenverklaring van [betrokkene 5] ongeloofwaardig is, onbegrijpelijk zijn.

16. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld. Als uitgangspunt heeft te gelden dat ingeval een verdachte het hem tenlastegelegde bestrijdt met een alternatieve lezing van de gebeurtenissen, die niet met een bewezenverklaring zou stroken, de rechter — indien hij tot een bewezenverklaring komt — die aangedragen alternatieve gang van zaken zal moeten weerleggen. Dat kan geschieden door opneming van bewijsmiddelen of vermelding, al dan niet in een nadere bewijsoverweging, van aan wettige bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden die de alternatieve lezing van de verdachte uitsluiten. Een dergelijke weerlegging is echter niet steeds vereist. In voorkomende gevallen zal de rechter ter weerlegging kunnen oordelen dat de door de verdachte gestelde alternatieve toedracht niet aannemelijk is geworden dan wel dat de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld. Ten slotte kunnen zich gevallen voordoen waarin de lezing van de verdachte zo onwaarschijnlijk is, dat zij geen uitdrukkelijke weerlegging behoeft.3

17. Het hof heeft geoordeeld dat het door de verdachte geschetste alternatieve scenario op geen enkele manier aannemelijk is geworden. Voor dit alternatieve scenario kan naar het oordeel van het hof op hoofdlijnen steun worden gevonden in de verklaring van de op verzoek van de verdediging ter terechtzittting van de rechtbank gehoorde getuige [betrokkene 5], maar het hof acht deze verklaring ongeloofwaardig. De belangrijkste reden daarvoor is dat voor de aanwezigheid van de getuige [betrokkene 5] in Moodz die avond/nacht geen spoor van bewijs is te vinden in het dossier, zelfs geen begin van aannemelijkheid. Hierbij is logischerwijs geen acht geslagen op de verklaring van [betrokkene 5] zelf, die het hof immers als ongeloofwaardig bestempelt.

18. Het oordeel van het hof, dat de verklaring van [betrokkene 5] ongeloofwaardig is en het door de verdachte geschetste alternatieve scenario niet aannemelijk is geworden, is niet onbegrijpelijk, temeer wanneer dit oordeel wordt beschouwd in de context van de rest van de bewijsvoering van het hof. Het hof heeft overwogen dat de aangifte van [slachtoffer] wordt ondersteund door de verklaringen van de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2], die kort na het incident hebben verklaard, en door de verklaring die door de getuige [betrokkene 3] tegenover de raadsheer-commissaris is afgelegd, terwijl deze verklaringen op essentiële punten overeenkomen. Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat in al deze verklaringen de verdachte als dader van het delict wordt aangewezen. Het hof heeft dan ook – niet-onbegrijpelijk – geoordeeld dat de door de verdachte aan de hand van het alternatieve scenario bepleite vrijspraak wordt weersproken door de inhoud van de voor het bewijs gebezigde bewijsmiddelen.

19. Gelet op het voorgaande, concludeer ik dat de verwerping door het hof van het door de verdediging en de verdachte geschetste alternatieve scenario niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd is.

20. Het middel faalt.

21. Het eerste middel en het tweede middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

22. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

23. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Als bijlage bij de brief is een herstelproces-verbaal terechtzitting gevoegd waaruit volgt dat bij het onderzoek ter terechtzitting van 7 februari 2020 tegenwoordig waren: mrs. A.J. Smit, B.J.J. Melssen en H. Heins.

2 Vgl. HR 15 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1582 en HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:31.

3 HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3359, NJ 2010/314 m.nt. Y. Buruma, r.o. 2.5.