Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:422

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
01-06-2021
Datum publicatie
01-06-2021
Zaaknummer
20/02773
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1130
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Middel klaagt dat hof het hoger beroep van de verdachte ten onrechte heeft aangemerkt als een beperkt ingesteld hoger beroep. Parketnummer gevoegde zaak ontbreekt op akte instellen hoger beroep. De conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/02773

Zitting 1 juni 2021

CONCLUSIE

A.E. Harteveld

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,

hierna: de verdachte.

1 Inleiding

1.1.

Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 29 juli 2020 de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 5 september 2019. In dat vonnis heeft de politierechter de verdachte wegens in de zaak met parketnummer 96-137916-19 onder 1. “overtreding van artikel 9, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994” en 2. “overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (855 ug/l)” en in de zaak met parketnummer 96-133218-19 onder 1. “overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (825 ug/l)” en onder 2. “overtreding van artikel 9, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken. Verder heeft de politierechter drie vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerder voorwaardelijk opgelegde straffen afgewezen.

1.2.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. M.R. Mantz, advocaat te 's-Gravenhage, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2 Het middel

2.1.

Het middel klaagt dat het hof het door de verdachte ingestelde hoger beroep ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft aangemerkt als een beperkt ingesteld hoger beroep dat niet was gericht tegen de beslissingen in de zaak met parketnummer 96-133218-19.

2.2.

De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

(i) Bij inleidende dagvaarding in de zaak met parketnummer 96-137916-19 zijn aan de verdachte twee feiten ten laste gelegd, namelijk overtreding van art. 9 lid 2 WVW 1994 en overtreding van art. 8 lid 2 WVW 1994, begaan op 9 juni 2019. Aan deze zaak zijn twee vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerder voorwaardelijk opgelegde straffen verbonden, welke vorderingen zijn voorzien van de parketnummers 09-222629-17 en 22-004320-16.

(ii) Bij inleidende dagvaarding in de zaak met parketnummer 96-133218-19 zijn aan de verdachte twee feiten ten laste gelegd, namelijk overtreding van art. 8 lid 2 WVW 1994 en overtreding van art. 9 lid 2 WVW 1994, begaan op 12 mei 2019. Aan deze zaak is een vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf verbonden, welke vordering is voorzien van parketnummer 09-287458-14.

(iii) Op de terechtzitting in eerste aanleg van 5 september 2019 heeft de politierechter de voeging van de dagvaarding met parketnummer 96-137916-19 met de dagvaarding met parketnummer 96-133218-19 bevolen.

(iv) Vervolgens heeft de politierechter de verdachte wegens in de zaak met parketnummer 96-137916-19 onder 1. “overtreding van artikel 9, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994” en 2. “overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (855 ug/l)” en in de zaak met parketnummer 96-133218-19 onder 1. “overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (825 ug/l)” en onder 2. “overtreding van artikel 9, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken. Verder heeft de politierechter de drie vorderingen tot tenuitvoerlegging afgewezen.

(v) Op diezelfde dag heeft de verdachte hoger beroep ingesteld. De Akte instellen hoger beroep houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“Parketnummer 96-137916-19; 09-222629-17 (tul); 22-004320-16 (tul)

Op 05 september 2019 kwam ter griffie van deze rechtbank,

[verdachte] ,

(…)

die verklaarde:

hoger beroep in te stellen tegen het eindvonnis, door de politierechter in deze rechtbank, locatie

‘s-Gravenhage, op 05 september 2019 gewezen.”

(vi) Het hoger beroep is op 29 juli 2020 behandeld door de enkelvoudige kamer van het gerechtshof Den Haag. Het proces-verbaal van de terechtzitting vermeldt in de aanhef als parketnummers: “96-137916-19, 09-222629-17 (TUL) en 22-004320-16 (TUL)” en houdt verder, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“De verdachte, gedagvaard als:

[verdachte] ,

(…)

is niet ter terechtzitting verschenen.

Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. M.R.. Mantz, advocaat te 's-Gravenhage, die desgevraagd door de voorzitter mededeelt door de verdachte niet uitdrukkelijk te zijn gemachtigd de verdediging te voeren.

(…)

Het gerechtshof verleent verstek tegen de niet-verschenen verdachte.

(…)

De advocaat-generaal vordert dat de verdachte, nu er geen schriftuur houdende grieven door de verdachte is ingediend, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep.

Na sluiting van het onderzoek door de voorzitter doet het gerechtshof terstond uitspraak.

Aantekening mondeling arrest

als bedoeld in artikel 425, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van 5 september 2019, gegeven naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg, alsmede, naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van heden.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte heeft geen schriftuur met grieven tegen het vonnis ingediend. Evenmin heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Het hof ziet ambtshalve geen redenen voor een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep. Daarom zal de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.”

2.3.

In de toelichting op het middel wordt onder meer aangevoerd dat het hof ten onrechte heeft nagelaten te onderzoeken of het wel de bedoeling was dat alleen hoger beroep was ingesteld tegen de beslissing in de zaak met parketnummer 96-137916-19 of dat het ook de bedoeling was van de verdachte om tegen de beslissing in de zaak met parketnummer 96-133218-19 hoger beroep in te stellen. Verder wordt aangevoerd dat uit niets blijkt dat de verdachte zijn hoger beroep heeft willen beperken tot slechts één zaak.

2.4.

Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. In geval van gevoegde zaken als bedoeld in art. 407 lid 2 Sv kunnen de verdachte en het openbaar ministerie de omvang van hetgeen aan het oordeel van het hof is onderworpen zelf beperken, maar uitsluitend – binnen de door de wet getrokken grenzen – door middel van de in de door de griffier op te maken akte verwerkte verklaring onderscheidenlijk de verklaring als bedoeld in art. 451a Sv waarmee het rechtsmiddel wordt ingesteld. Daarnaast bestaat tot de aanvang van de behandeling van het hoger beroep de mogelijkheid het hoger beroep geheel of gedeeltelijk in te trekken op de wijze die in de art. 453 en 454 Sv is voorzien. Indien het hoger beroep niet op deze wijze is beperkt, is het gehele in eerste aanleg gewezen vonnis aan het oordeel van de rechter in hoger beroep onderworpen.1 De appelakte is aldus van beslissende betekenis voor de omvang van hetgeen in hoger beroep aan het oordeel van de rechter onderworpen is.2 De uitleg van de appelakte, een stuk van feitelijke aard, is voorbehouden aan de feitenrechter en kan in cassatie alleen op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.

2.5.

In dit geval heeft het hof blijkens het vermelden van alleen de parketnummers “96-137916-19, 09-222629-17 (TUL) en 22-004320-16 (TUL)” kennelijk uit het ontbreken van de parketnummers van de gevoegde zaak en de daarbij horende vordering tot tenuitvoerlegging op de Akte instellen hoger beroep afgeleid dat het hoger beroep niet mede was gericht tegen de beslissingen van de rechtbank in de zaak met parketnummer 96-133218-19, met inbegrip van de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 09-287458-14.

2.6.

Op zich bestond de mogelijkheid voor de verdachte om het hoger beroep te beperken tot zijn veroordeling in de zaak met parketnummer 96-1397916-19 en de beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging met de parketnummers 09-222629-17 en 22-004320-16. De vraag is echter of het hof uit het enkele ontbreken van de parketnummers van de gevoegde zaak en de bijbehorende vordering tot tenuitvoerlegging op de Akte instellen hoger beroep heeft kunnen afleiden dat het hoger beroep door de verdachte daadwerkelijk is beperkt. Daarbij neem ik mede in aanmerking dat de akte ook inhoudt dat hoger beroep wordt ingesteld tegen “het eindvonnis, door de politierechter in deze rechtbank, locatie ‘s-Gravenhage, op 05 september 2019 gewezen”.

2.7.

In dat kader is HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:710, relevant. In die zaak waren in eerste aanleg twee zaken gevoegd. De verdachte was voor beide zaken veroordeeld door de rechtbank, maar het hoger beroep werd door het hof opgevat als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling voor één van de zaken. In cassatie werd geklaagd over het oordeel van het hof met betrekking tot de omvang van het hoger beroep. De Hoge Raad overwoog, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende:

“Uit de appelakte, die inhoudt dat beroep wordt ingesteld tegen "het eindvonnis d.d. 22 september 2010", kan bezwaarlijk anders volgen dan dat het hoger beroep onbeperkt is ingesteld. Het Hof heeft derhalve ten onrechte het appel opgevat "als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder parketnummer 03-530392-09 is ten laste gelegd", en heeft voorts ten onrechte "overeenkomstig het bepaalde in artikel 423, lid 4, van het Wetboek van Strafvordering, de straf voor het niet aan zijn oordeel onderworpen, door de rechtbank onder parketnummer 03-700185-10 bewezenverklaarde" bepaald. Het middel klaagt daarover terecht.”

2.8.

Opgemerkt moet worden dat de kwestie in de zojuist aangehaalde zaak iets ingewikkelder lag dan in de onderhavige zaak, aangezien de Hoge Raad cassatie achterwege liet:

“De gegrondheid van het middel leidt nochtans niet tot cassatie nu namens de verdachte bij de behandeling van de zaak door het Hof tot tweemaal toe is medegedeeld dat het beroep moet worden begrepen "als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder parketnummer 03-530392-09 is ten laste gelegd", waaruit moet worden afgeleid dat hij zich kennelijk niet geschaad heeft gevoeld door 's Hofs beperkte uitleg van het appel.”

2.9.

Niettemin meen ik dat uit dit arrest kan worden afgeleid dat de enkele vermelding van slechts één parketnummer in de appelakte, als het gaat om een met een ander parketnummer gevoegde zaak, een ontoereikende grondslag biedt om het hoger beroep als te zijn beperkt tot dat ene parketnummer op te vatten als tegelijkertijd in de appelakte is vermeld dat het hoger beroep zich richt ‘tegen het eindvonnis’. Dat ‘eindvonnis’ heeft immers per definitie betrekking op alle gevoegde zaken.

2.10.

Tegen deze achtergrond komt het kennelijke oordeel van het hof dat het hoger beroep van de verdachte niet mede was gericht tegen de beslissingen van de rechtbank in de zaak met parketnummer 96-133218-19, met inbegrip van de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 09-287458-14, mij niet begrijpelijk voor. De enkele omstandigheid dat de parketnummers van de gevoegde zaak en de bijbehorende vordering tot tenuitvoerlegging ontbreken op de Akte instellen hoger beroep is daartoe gelet op het voorgaande namelijk onvoldoende.

2.11.

Ik heb mij afgevraagd of het voorgaande tot cassatie dient te leiden. Dat het oordeel van het hof dat de verdachte het hoger beroep heeft beperkt onbegrijpelijk is, doet namelijk niet af aan de vaststelling van het hof dat de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven. Ook indien het had geoordeeld dat de verdachte onbeperkt hoger beroep had ingesteld, had het hof daarom op grond van art. 416 lid 2 Sv het door de verdachte ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk kunnen verklaren. Dat roept de vraag op in hoeverre de verdachte belang heeft bij zijn klacht. Ik stel echter vast dat het hof bij de beslissing om het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren ook heeft betrokken dat het ambtshalve geen redenen ziet voor een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep. Bij deze ambtshalve beoordeling van de zaak heeft het hof door het hoger beroep op te vatten als een beperkt hoger beroep echter geen acht kunnen slaan op de beslissingen van de rechtbank in de zaak met parketnummer 96-133218-19, met inbegrip van de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 09-287458-14. In het licht daarvan meen ik dat niet kan worden gezegd dat de verdachte onvoldoende belang heeft bij de klacht.

2.12.

Het middel slaagt.

3 Conclusie

3.1.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

3.2.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag , teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2709, NJ 2013/531, m.nt. Mevis, rov. 2.4.4. Zie ook M. Rasterhoff & D. Bektesevic, ‘Over de omvang van het hoger beroep. De uitleg van de tenlastelegging en de beperking van het hoger beroep nader beschouwd’, NTR 2020/78, afl. 4, p. 251-261.

2 Vgl. HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2709, NJ 2013/531, m.nt. Mevis, rov. 2.4.2.