Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:407

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-04-2021
Datum publicatie
23-04-2021
Zaaknummer
20/00669
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2020:1093
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:936
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Verstekverlening, aanwezigheidsrecht. Beslissing om tegen verdachte verstek te verlenen en het onderzoek t.tz. voort te zetten achteraf bezien onjuist? Uit de aan de schriftuur gehecht stukken kan worden afgeleid dat er op de dag van de zitting een groot verkeersongeluk heeft plaatsgevonden, met als gevolg een grote urenlange verkeersopstopping. Aannemelijk dat verdachte werd opgehouden in het verkeer en om die reden niet op de zitting aanwezig kon zijn. Gelet op het grote belang van verdachte om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn dient hij de mogelijkheid te krijgen om zijn zaak alsnog in h.b. in zijn tegenwoordigheid te doen behandelen. De conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/00669

Zitting 20 april 2021

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,

hierna: de verdachte.

1 Het cassatieberoep

1.1.

Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 13 februari 2020 bij verstek wegens (primair) “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.

1.2.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. H.M.W. Daamen, advocaat te Maastricht, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte de zaak buiten aanwezigheid van de verdachte heeft afgedaan. Het tweede en derde middel zien op de bewezenverklaring.

2 Het eerste middel

2.1.

Het eerste middel richt zich tegen de beslissing van het hof om de zaak buiten aanwezigheid van de verdachte te behandelen en de hiermee verbonden impliciete beslissing dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Gesteld wordt dat achteraf is gebleken dat de verdachte onderweg naar de zitting in hoger beroep is komen vast te staan in het verkeer, zodat het aanwezigheidsrecht dat volgt uit art. 6 EVRM is geschonden.

2.2.

Uit de stukken van het geding kan het volgende worden opgemaakt:

(i) De inhoudelijke behandeling van de strafzaak bij de politierechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Badhoevedorp, heeft op 19 maart 2019 plaatsgevonden. De verdachte was bij de behandeling aanwezig. De politierechter heeft de verdachte integraal vrijgesproken.

(ii) De officier van justitie heeft op 1 april 2019 hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.

(iii) De dagvaarding van de verdachte om te verschijnen ter terechtzitting in hoger beroep van 30 januari 2020 te 9.50 uur is op 20 december 2019 aan de verdachte in persoon betekend.

(iv) Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 januari 2020 houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“De verdachte (…) is niet verschenen.

Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. J.L. Scheltens, advocaat te Haarlem, die mededeelt dat de verdachte op de hoogte is van de zitting, dat hij gisteren nog met de verdachte heeft gebeld, dat hij toen nog het aanvangstijdstip van de zitting aan de verdachte heeft bevestigd en dat hij niet weet waarom de verdachte vandaag niet aanwezig is. Voorts deelt hij mede dat hij uitdrukkelijk is gemachtigd als raadsman de verdachte te verdedigen en dat met de behandeling van de zaak vandaag kan worden voortgegaan.

De voorzitter merkt op dat geen bericht van verhindering of verlate aanwezigheid is binnen gekomen van de zijde van de verdachte.”

2.3.

In cassatie wordt gesteld dat de verdachte op de hoogte was van de zitting en deze ook wilde bijwonen, maar dat hij door overmacht verhinderd was bij de zitting aanwezig te zijn. Deze overmacht werd veroorzaakt door de omstandigheid dat de verdachte onderweg naar de zitting vast is komen te zitten in een grootschalige verkeersopstopping vanwege een groot ongeluk met een cementwagen. De verdachte heeft geprobeerd zijn raadsman te bellen om hem hierover te informeren maar kon deze pas na de zitting bereiken. Aan de cassatieschriftuur zijn bijlagen gehecht met nieuwsberichten uit de media over dit ongeluk en een schermafdruk van Google maps met daarop weergegeven de autoroute van het woonadres van de verdachte in Groningen naar het hof in Amsterdam.

2.4.

De steller van het middel betoogt dat de beslissing van het hof om de zaak buiten aanwezigheid van de verdachte te behandelen - op basis van hetgeen het hof toen bekend was - wellicht juist was omdat het hof een gerechtvaardigd vermoeden kon hebben dat de verdachte vrijwillig afstand had gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Achteraf bezien is deze beslissing echter onjuist omdat geen sprake blijkt te zijn van onwil, maar van onmacht om op de zitting te verschijnen. Daarom dient het arrest van het hof te worden vernietigd.

2.5.

Zoals de steller van het middel ook erkent, geldt in zijn algemeenheid het uitgangspunt dat indien de dagvaarding van een verdachte die is ingeschreven in de BRP rechtsgeldig is betekend, de verdachte niet op de terechtzitting is verschenen en de ter terechtzitting aanwezige, door de verdachte uitdrukkelijk gevolmachtigde raadsman niet verzoekt de behandeling van de zaak aan te houden met het oog op de uitoefening van het aanwezigheidsrecht door de verdachte, de rechter – behoudens duidelijke aanwijzingen van het tegendeel – kan uitgaan van het vermoeden dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. De mogelijkheid bestaat echter dat achteraf moet worden vastgesteld dat aan het recht van de verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, is tekortgedaan. Dit kan zich voordoen indien achteraf blijkt dat de verdachte, tegen zijn wil, verhinderd werd om naar de zitting te komen vanwege een omstandigheid die zich op de dag van de zitting heeft voorgedaan en waar de verdachte noch zijn raadsman, noch de zittingsrechter tijdig over heeft kunnen informeren.

2.6.

In de schriftuur wordt een beroep gedaan op twee arresten van de Hoge Raad die betrekking hebben op een met onderhavige zaak vergelijkbare casus.

2.7.

In het eerste arrest HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1128, ging het om een zaak waarbij de verdachte - achteraf bezien - verhinderd was om gebruik te maken van het aanwezigheidsrecht omdat hij op weg naar de zitting door de politie werd aangehouden en ten tijde van de zitting was ingesloten op het politiebureau. De Hoge Raad overwoog als volgt:

“2.3 Uitgangspunt is dat indien de dagvaarding van een verdachte die is ingeschreven in de basisregistratie personen, rechtsgeldig is betekend, de verdachte niet op de terechtzitting is verschenen en de ter terechtzitting aanwezige, door de verdachte uitdrukkelijk gevolmachtigde raadsvrouwe niet verzoekt de behandeling van de zaak aan te houden met het oog op de uitoefening van het aanwezigheidsrecht door de verdachte, de rechter – behoudens duidelijke aanwijzingen van het tegendeel – kan uitgaan van het vermoeden dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. Nochtans bestaat de mogelijkheid dat achteraf moet worden vastgesteld dat aan het recht van de verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, is tekortgedaan. Dit kan zich voordoen indien de verdachte ten tijde van de behandeling van zijn zaak rechtens van zijn vrijheid was beroofd zonder dat dit de rechter bekend was.

2.4 Uit het hiervoor onder 2.2.2 vermelde stuk1 - aan de herkomst en betrouwbaarheid waarvan in redelijkheid niet behoeft te worden getwijfeld - moet worden afgeleid dat de verdachte zeer kort voor de aanvang van die terechtzitting door de politie is "meegenomen" en vervolgens is ingesloten op het politiebureau, welke insluiting voortduurde ten tijde van de behandeling van de zaak door het Hof, terwijl de verdachte aan de politie heeft meegedeeld "dat hij om 11.40 uur een zitting had". Dit brengt met zich dat achteraf moet worden vastgesteld dat aan het recht van de verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, is tekortgedaan. Gelet op het grote belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn brengt het vorenoverwogene mee dat de verdachte de mogelijkheid dient te hebben om zijn zaak alsnog in hoger beroep in zijn tegenwoordigheid te doen behandelen. Dit leidt ertoe dat het bestreden arrest moet worden vernietigd en dat de zaak moet worden teruggewezen opdat deze opnieuw wordt berecht en afgedaan.”

2.8.

Het tweede arrest waarnaar wordt verwezen is HR 20 januari 2015, ECLI:NL:2015:89, NJ 2015/75. In dat arrest ging het om een verdachte die ten tijde van de behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep in het ziekenhuis verbleef en om die reden verhinderd was op de terechtzitting in hoger beroep te verschijnen, zodat de beslissing van het hof om tegen de verdachte verstek te verlenen en het onderzoek ter terechtzitting voort te zetten, achteraf bezien, onjuist was. Gelet op het grote belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn casseerde de Hoge Raad het arrest van het hof en wees de zaak terug.

2.9.

Ik meen, met de steller van het middel, dat zich in onderhavige zaak een vergelijkbaar scenario heeft afgespeeld als in de zaken die hebben geleid tot voornoemde arresten.2

2.10.

Aan de herkomst en betrouwbaarheid van de bij de schriftuur overgelegde documenten over de verkeershinder, hoeft in redelijkheid niet te worden getwijfeld. Daaruit blijkt dat de A7 op 30 januari 2020, de dag van de zitting, tussen Drachten en Groningen bij Hoogkerk in beide richtingen afgesloten was vanwege een groot ongeluk met een cementwagen. Dat ongeluk vond ’s-ochtends kort na 6 uur plaats. Daardoor ontstond een grote verkeersopstopping, ook op de omleidingsroutes. Dit leidde tot uren vertraging. De route die de verdachte diende af te leggen om het hof in Amsterdam te bereiken ligt in het gebied waar de verkeersopstopping zich voordeed.

2.11.

Waar het in deze zaak echter om draait, en daarin verschilt deze van die in de aangehaalde arresten, is, of achteraf bezien voldoende aannemelijk is gemaakt dat de verdachte zich daadwerkelijk in deze verkeersopstopping bevond. In de hiervoor vermelde arresten kon in cassatie een bewijsstuk worden overgelegd waaruit bleek dat de verdachte tijdens de zitting op het politiebureau was ingesloten respectievelijk in het ziekenhuis was opgenomen. In de onderhavige zaak staat weliswaar vast dat de raadsman ter zitting heeft verklaard dat hij de verdachte de dag voor de zitting nog heeft gesproken over het aanvangstijdstip van de zitting om 9:50 uur en dat hij ook niet wist waarom de verdachte er niet was, maar is dat voldoende om aan te nemen dat de verdachte die ochtend op weg van Groningen naar Amsterdam terecht is gekomen in de verkeersopstopping en om die reden niet ter zitting aanwezig kon zijn?

Ik ben geneigd de verdachte hierin het voordeel van de twijfel te geven en van mening dat gelet op het grote belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn, hij de mogelijkheid dient te krijgen om zijn zaak alsnog in hoger beroep in zijn tegenwoordigheid te doen behandelen.

2.12.

Daarbij speelt voor mij ook mee dat de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken en door het hof, bij verstek, tot 12 maanden gevangenisstraf is veroordeeld. Naar mijn mening verwijst de steller van het middel in dit verband terecht op de uitspraken van het EHRM in de zaken Botten, Danila; Gómez Olmeda.3 Daarin benadrukt het EHRM dat de appelrechter, indien deze na een vrijspraak in eerste aanleg tot een veroordeling komt, positieve maatregelen moet treffen om de verdachte de gelegenheid te geven om op de zitting te worden gehoord en daartoe alles in het werk dient te stellen wat van de appelrechter redelijkerwijs kan worden verlangd.

2.13.

De enkele omstandigheid dat de tot de verdediging gemachtigde raadsman geen aanhoudingsverzoek heeft gedaan brengt niet met zich mee dat hierover anders moet worden gedacht.

2.14.

Alles bij elkaar genomen ben ik van mening dat de beslissing van het hof om de zaak buiten aanwezigheid van de verdachte te behandelen omdat het hof een gerechtvaardigd vermoeden kon hebben dat de verdachte vrijwillig afstand had gedaan van zijn aanwezigheidsrecht, achteraf bezien onjuist is.

2.15.

Het middel slaagt.

2.16.

Voor het geval de Hoge Raad hierover anders oordeelt, zal ik ook de overige middelen die zien op de bewezenverklaring bespreken. Daarvoor geef ik eerst de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen van het hof weer.

3 De bewezenverklaring, de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen

3.1.

Ten laste van de verdachte is (primair) bewezen verklaard dat:

“hij op 3 februari 2019 te Schiphol tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 1.059 gram van een materiaal bevattende cocaïne”

3.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een proces-verbaal van bevindingen van 7 februari 2019 (…). Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in als relaas van de verbalisant(en):

Op zondag, 3 februari 2019 bevonden wij ons op de luchthaven Schiphol, in Aankomsthal 4. Omstreeks 10:30 uur zagen wij een man, die later [verdachte] bleek te zijn en die ons eerder die ochtend al was opgevallen doordat hij zoekend aan het rondkijken was. Omdat [verdachte] zich al lange tijd ophield in Aankomsthal 4 en constant op zijn telefoon bezig was, hebben wij besloten [verdachte] te observeren. Tijdens deze observatie zagen wij dat [verdachte] afhalersgedrag vertoonde door heen en weer te lopen naar Aankomsthal 3, daar door de ruiten te kijken naar de bagageband, zichtbaar op zoek naar iemand, en weer terug [te gaan] naar Aankomsthal 4.
Vervolgens ging [verdachte] weg en liep hij richting [Schiphol] Plaza en naar de parkeerautomaat bij de walk-away. Wij zagen [verdachte] betalen bij de parkeerautomaat en richting het World Trade Centre lopen. Voor de ingang van het World Trade Centre stond [verdachte] plotseling stil bij de uitgang naar PI. Wij zagen [verdachte] onrustig om zich heen kijken. Over de porto (het hof: portofoon) hoorden wij op dat moment dat twee personen waren aangehouden bij de G-Pier, die vermoedelijk verdovende middelen in hun lichaam hadden.
Tijdens de staandehouding (het hof: van [verdachte] ) zag ik, [verbalisant 1] , dat [verdachte] WhatsApp-berichten aan het verwijderen was van zijn telefoon. Wij hoorden [verdachte] zeggen dat hij een ticket wilde kopen bij de KLM-balie, maar dat ze geen ticket meer hadden voor Curaçao en dat hij toen weer weg is gegaan. Wij wisten dat [verdachte] zich meerdere uren had opgehouden in Aankomsthal 4. [verdachte] heeft zijn rijbewijs uit zijn voertuig gehaald. Wij zijn om 12:30 uur overgegaan tot aanhouding (het hof: van [verdachte] ). Na de aanhouding heb ik, [verbalisant 2] , [verdachte] gefouilleerd en zijn telefoon in beslag genomen. [verdachte] wilde zijn telefoon niet afgeven en wilde hier niet aan meewerken. Toen ik, [verbalisant 1] , de telefoon onder mij hield, reageerde [verdachte] agressief en geagiteerd.

2. Een proces-verbaal van bevinding en aanhouding van verdachte [betrokkene 1] van 3 februari 2019 (…). Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer

in als relaas van de verbalisant(en):

Naar aanleiding van de grote toevoer van verdovende middelen op de luchthaven Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, vanuit diverse risicolanden werd op 3 februari 2019 omstreeks 11:05 uur door de Douane, Unit Fysieke Toezicht Passagiers, een verscherpte controle uitgevoerd op vlucht KL0736, vanuit Curaçao. Deze verscherpte controle vond plaats in Aankomsthal 4 van de luchthaven Schiphol, ter hoogte van bagageband 22. Hier werd een passagier genaamd [betrokkene 1] geselecteerd. [betrokkene 1] werd, met zijn reisbescheiden en handbagage, voor verdere controle overgebracht naar een visitatieruimte.

Ik, verbalisant [verbalisant 3] , heb op 3 februari 2019 om 11:30 uur [betrokkene 1] aangehouden als verdachte van vermoedelijke overtreding van artikel 2 van de Opiumwet.

3. Een proces-verbaal van onderzoek paspoort en reisbescheiden van verdachte [betrokkene 1] van 3 februari 2019 (…). Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in als relaas van de verbalisant:

Ten tijde van zijn aanhouding was verdachte [betrokkene 1] in het bezit van de hieronder genoemde reisbescheiden:

■ Een vliegticket met nummer […] , afgegeven ten name van [betrokkene 1] .

Dit vliegticket was geldig voor de volgende routes:

- Amsterdam naar Curaçao op 15-1-2019 met vlucht […] ;

- Curaçao naar Amsterdam op 2-2-2019 met vlucht […] .

■ Een KLM-instapkaart, afgegeven ten name van [betrokkene 1] voor vlucht […] . Deze instapkaart was geldig voor de route Curaçao-Amsterdam op 2-2-2019.

4. Een proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen inzake [betrokkene 1] van 6 februari 2019 (…) Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer

in als relaas van de verbalisant(en):

Op woensdag 6 februari 2019 omstreeks 07:00 uur bevonden wij ons in de uitpakruimte voor verdovende middelen op Schiphol. Wij hebben toen de zogenaamde slikkersbollen uitgepakt van verdachte [betrokkene 1] . Bij hem werden in het totaal 122 slikkersbollen aangetroffen die wij nader hebben onderzocht. Wij zagen dat niet alle slikkersbollen qua grootte identiek aan elkaar waren, derhalve hebben wij de slikkersbollen onderverdeeld in categorieën A en D (het hof begrijpt: A tot en met D).

Het nettogewicht van de aangetroffen stof bedroeg in totaal circa 1059,2 gram.

Ik, [verbalisant 4] , nam vier representatieve monsters van de aangetroffen stof, om ter analyse te worden overgebracht naar het Douanelaboratorium te Amsterdam. Bij het District Koninklijke Marechaussee Schiphol te Schiphol zijn de monsters vastgelegd door middel van sporen identificatienummers (SIN):

SIN A: AAMD1986NL

SIN B: AAMD1985NL

SIN C: AAMD1984NL

SIN D: AAMD1982NL

5. Een rapport van het Douane Laboratorium met nummer 1602X19 van 8 februari 2019, opgesteld door de wetenschappelijk medewerker [betrokkene 2] (…). Dit rapport houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Op 7-02-2019 ontving ik een verzegelde plastic zak met daarin:

AAMD1986NL) een verzegeld plastic zakje met wit korrelig materiaal

AAMD1985NL) een verzegeld plastic zakje met wit korrelig materiaal

AAMD1984NL) een verzegeld plastic zakje met wit korrelig materiaal

ÄAMD1982NL) een verzegeld .plastic zakje met wit. korrelig materiaal

Het materiaal werd onderzocht met behulp van microchemische reacties en met behulp van

gaschromatografie met massaselectieve detectie. Hierbij werd vastgesteld dat het materiaal van alle bovenvermelde SIN-nummers cocaïne bevatte.

6. Een proces-verbaal analyse telecom [betrokkene 1] van 3 maart 2019 (…). Dit proces-verbaal

houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in als relaas van de verbalisant:


Op zondag 3 februari 2019 werd [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1976 op [geboorteplaats] , aangehouden ter zake van vermoedelijke overtreding van de Opiumwet. Onder [betrokkene 1] zijn onderstaande telecommunicatiemiddelen in beslag genomen:


Samsung, SM-A300FU, zwart van kleur

Telefoonnummer: [telefoonnummer 1]

Simkaart in toestel

Simkaartnummer: […]


De inbeslaggenomen telefoon van [betrokkene 1] is geanalyseerd. Bij deze analyse kwam naar voren dat Whats-App-gesprekken plaatsvonden in de periode van 18 december 2018 tot en met 2 februari 2019 tussen [betrokkene 1] en “ [verdachte] ” in de Papiamento taal. De WhatsApp-gesprekken zijn vertaald. Hier kwam naar voren dat:


- [betrokkene 1] vraagt: “Papito, week is begonnen. Hoe gaat het? laat me weten ofje dat ene ding doe";

- [verdachte] antwoordt: “200 gulden heb je nodig of euro?”

- [betrokkene 1] antwoordt: “stuur het maar voor me, de 200 euro”;

- [betrokkene 1] een afbeelding stuurt van de personalia-pagina van zijn paspoort;

- [betrokkene 1] een afbeelding met zijn gegevens van zijn ABN-bankpas stuurt;

- [verdachte] een afbeelding stuurt van een geldtransactie van 200 euro via Western Union;

- op de afbeelding van deze transactie te zien is dat de afzender [verdachte] is;

- [verdachte] een afbeelding van een krantenartikel stuurt met als kop dat Schiphol veel 100%-controIes laat lopen i.v.m. personeelstekort;

- [betrokkene 1] vraagt: “kan ik er gewoon op eten”;

- [verdachte] hierop antwoordt: “ja” “brood” “droge rijst” “alleen droge dingen”;

- [betrokkene 1] vraagt: “kan ik wel een bier drinken op ding?”;

- [verdachte] hierop antwoordt: “beter van niet” “het opent je”;

- [betrokkene 1] vraagt: “Waar? Haal het aan de kant";

- [betrokkene 1] zegt: “alleen 6 brood heb ik net gekocht”;

- [verdachte] antwoordt: “helemaal, nik meer zeggen. Doe je best Papito”;

- [verdachte] zegt: “nu gaat het ding omhoog”;

- [betrokkene 1] antwoordt: “zo direct om 8 uur stijgt het”

7. Een proces-verbaal vaststellen telefoonnummer [verdachte] , [verdachte] van 3 maart 2019 (…).

Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in als relaas van de

verbalisant:

[verdachte] heeft in 2015 opgegeven gebruiker te zijn van telefoonnummer

[telefoonnummer 2] . [verdachte] gebruikt bijnamen, waaronder “ [verdachte] ”, “ [verdachte] ” en “ [verdachte] ”. In de in beslag genomen telefoon van de op 3 februari 2019 aangehouden [betrokkene 1] werd een WhatsApp-gesprek aangetroffen tussen (het hof: het nummer van) [betrokkene 1] en “ [verdachte] ” met telefoonnummer [telefoonnummer 2] .

8. Een proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] van 5 maart 2019 (…).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover, van belang en zakelijk weergegeven, als de

vragen (V) en opmerkingen (O) van de verbalisanten en, in antwoord (A) daarop als de verklaring van verdachte [verdachte] :

O: Op 3 februari 2019, de dag dat u op Schiphol was, is [betrokkene 1] aangehouden voor het invoeren van verdovende middelen. In zijn inbeslaggenomen telefoon zijn WhatsApp-gesprekken gevonden waarin hij contact heeft met telefoonnummer [telefoonnummer 2] . Kent u dat nummer?

A: Ja van mij (...). Oke ik ken [betrokkene 1] (het hof begrijpt: [betrokkene 1] ) wel, ik moest hem ophalen. Hij had me geappt om hem op te halen en (hij) zou mij iets geven.

W: Wist u met elke vlucht hij aankwam?

A: Ja, met KLM.

V: Terugkomende op de WhatsApp-gesprekken met [betrokkene 1] . Er is een WhatsApp-gesprek aangetroffen tussen [betrokkene 1] en u. Hierin wordt gevraagd door [betrokkene 1] : “Kan ik gewoon op eten?”, waar u op antwoordt: "ja brood" "droge rijst" "alleen droge dingen". Wat bedoelt u hiermee?

A: [betrokkene 1] zijn probleem.

V: Wij tonen u afbeelding 2 (het hof begrijpt: de hiervoor in bewijsmiddel 6 genoemde afbeelding van een geldtransactie van 200 euro via Western Union). Wat ziet u?

A: [betrokkene 1] heeft mij gevraagd om 200 euro.”

3.3.

Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring het volgende overwogen:

“Op grond van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen neemt het hof het volgende als vaststaand aan. Op 3 februari 2019 bevond de verdachte zich op Schiphol om [betrokkene 1] op te halen. [betrokkene 1] was vanaf Curaçao naar Amsterdam gevlogen en had ruim 1 kilogram aan bolletjes met cocaïne geslikt.

Op de telefoon van [betrokkene 1] zijn WhatsApp-gesprekken van hem met een contactpersoon, genaamd “ [verdachte] ”, aangetroffen die naar het oordeel van het hof duiden op (overleg over) de voorbereiding van de invoer van de cocaïne in Nederland. In verband met die voorbereidingen stuurde “ [verdachte] ” 200 euro naar [betrokkene 1] , alsmede de afbeelding van een krantenartikel over de 100%-controles op Schiphol, spraken zij over wat [betrokkene 1] kon eten en drinken - naar het hof aanneemt: nadat [betrokkene 1] de bolletjes had geslikt- en adviseerde “ [verdachte] ” hem “imodem” (naar het hof begrijpt: imodium, een middel dat ontlasting vertraagt) bij de apotheek te halen. Het “ding” dat “omhoog” / “stijgt”, waaraan in de WhatsApp-gesprekken wordt gerefereerd, duidt volgens het hof op het vliegtuig waarmee [betrokkene 1] naar Nederland vloog.
Voorts kan naar het oordeel van het hof worden geconcludeerd dat de verdachte de “ [verdachte] ” is die deze WhatsApp-gesprekken met [betrokkene 1] heeft gevoerd: de verdachte gebruikt op “ [verdachte] ” gelijkende bijnamen (“ [verdachte] ”, “ [verdachte] ” en “ [verdachte] ), op de aan [betrokkene 1] door “ [verdachte] ” verzonden afbeelding van een geldtransactie van 200 euro via Western Union staat de verdachte als afzender vermeld, de verdachte heeft, toen hij werd geconfronteerd met delen van de WhatsApp-gesprekken, niet te kennen gegeven dat hij niet de gesprekspartner van [betrokkene 1] was en hij heeft, nadat hem voormelde afbeelding was getoond, verklaard dat [betrokkene 1] hem om 200 euro had gevraagd.Uit het voorgaande leidt het hof af dat - anders dan de raadsman heeft betoogd en in tegenstelling tot de politierechter - de verdachte wist dat [betrokkene 1] 'slikkersbollen met cocaïne naar Nederland vervoerde en dat hij daarbij zo nauw en bewust heeft samengewerkt met [betrokkene 1] , dat sprake is van medeplegen. Het hof acht dan ook het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.”

4 Het tweede middel

4.1.

Het tweede middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring, in het bijzonder de invoer van 1.059 gram cocaïne op 3 februari 2019 te Schiphol, niet zonder meer uit de bewijsmiddelen volgt. Volgens de steller van het middel kan hieruit niet worden afgeleid dat de hoeveelheden cocaïnebevattend materiaal als bedoeld in de bewijsmiddelen 4 en 5 door [betrokkene 1] werden meegevoerd op diens vlucht van Curaçao naar Amsterdam (zoals bedoeld in bewijsmiddel 3). Van de slikkersbollen benoemd in bewijsmiddel 4 (opgemaakt op 6 februari 2019, dus drie dagen na de beweerdelijke pleegdatum) is niet nader aangeduid waar en wanneer deze zijn aangetroffen, aldus de steller van het middel.

4.2.

Uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen komt het volgende naar voren. Blijkens bewijsmiddel 2 is [betrokkene 1] - als passagier van de vlucht […] van Curaçao naar Amsterdam - in het kader van een verscherpte (drugs) controle op Schiphol op 3 februari 2019 geselecteerd en voor verdere controle naar de visitatieruimte gebracht. Aldaar is hij aangehouden als verdachte van overtreding van de Opiumwet. Uit bewijsmiddel 3 komt naar voren dat [betrokkene 1] in het bezit was van een vliegticket en bijbehorende instapkaart voor voornoemde vlucht. In bewijsmiddel 4 staat opgenomen dat er bij [betrokkene 1] 122 zogenoemde slikkersbollen zijn aangetroffen. Er zijn vier monsters genomen van deze slikkersbollen. Uit bewijsmiddel 5 blijkt dat deze monsters zijn onderzocht en dat er materiaal is aangetroffen met daarin cocaïne.

4.3.

In de toelichting op het middel wordt met juistheid gesteld dat uit de door het hof aangehaalde bewijsmiddelen niet naar voren komt wat er is gebeurd tussen het moment dat [betrokkene 1] is aangehouden als verdachte van een overtreding van de Opiumwet (bewijsmiddel 2) en het moment waarop drie dagen later de zogenoemde slikkersbollen die bij [betrokkene 1] zijn aangetroffen worden onderzocht (bewijsmiddel 4). In die zin ontbreekt er een schakel in de bewijsketen. Ik ben echter van mening dat dit niet tot cassatie hoeft te leiden.

4.4.

Bij de aanhouding van [betrokkene 1] zijn reisbescheiden aangetroffen. Kennelijk zijn er op dat moment geen drugs bij [betrokkene 1] gevonden. Het feit dat [betrokkene 1] wel is aangehouden op verdenking van een overtreding van de Opiumwet duidt erop dat het vermoeden bestond dat [betrokkene 1] bolletjes cocaïne had geslikt. Ook de andere bewijsmiddelen wijzen in die richting. Dat zou kunnen verklaren waarom pas enkele dagen na de aanhouding onderzoek wordt gedaan naar de bij de verdachte aangetroffen slikkersbollen. Een blik over de papieren muur bevestigt deze aanname. In het proces-verbaal van bevindingen en aanhouding4 van [betrokkene 1] staat vermeld dat desbetreffende verbalisant naar aanleiding van zogenoemde slikkerscriteria5 en op grond van zijn kennis en ervaring het vermoeden kreeg dat [betrokkene 1] mogelijk inwendig verdovende middelen vervoerde. De verdachte is op 3 februari 2019 in verzekering gesteld in verband met nader onderzoek.6 Verder zit er in het dossier een ‘kennisgeving van inbeslaggeneming (art. 94 Sv)’7 waarin staat opgenomen dat op 6 februari 2019 onder de verdachte verpakkingsmateriaal en cocaïne in beslag is genomen, aangetroffen in 122 zogenoemde slikkersbollen. Ik heb uit de stukken niet kunnen achterhalen of de inverzekeringstelling van [betrokkene 1] tot en met 6 februari 2019 heeft voortgeduurd, maar het lijkt me aannemelijk dat dat wel het geval is geweest en dat het niet anders kan, dan dat hij deze bolletjes inwendig voorhanden heeft gehad op 3 februari 2019.

4.5.

In het licht van het voorgaande acht ik het oordeel van het hof dat [betrokkene 1] op 3 februari 2019 te Schiphol 1059 gram cocaïne (in zogenoemde slikkersbollen) binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht niet onbegrijpelijk. Het middel faalt.

5 Het derde middel

5.1.

Het derde middel richt zich het bewezenverklaarde medeplegen. Gesteld wordt dat niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.

5.2.

Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat voor de kwalificatie ‘medeplegen’ is vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn of haar mededader(s). Deze kwalificatie is bovendien slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bestaat het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan en/of helpen bij de vlucht, dan rust op de rechter die niettemin oordeelt dat sprake is van een zodanig bewuste en nauwe samenwerking dat van medeplegen kan worden gesproken, de taak in de bewijsvoering nauwkeurig te motiveren waarin het medeplegen heeft bestaan. In zijn beoordeling kan de rechter onder meer acht slaan op de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.8

5.3.

Voorts overwoog de Hoge Raad in het arrest van 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395, m.nt. Mevis:

"De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Ook is niet uitgesloten dat de bijdrage in hoofdzaak vóór het strafbare feit is geleverd (vgl. bijvoorbeeld HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9972). Zeker in dergelijke, in zekere zin afwijkende of bijzondere, situaties dient in de bewijsvoering aandacht te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. Dat geldt in nog sterkere mate indien het hoofdzakelijk gaat om gedragingen die na het strafbare feit zijn verricht. (Vgl. HR 9 april 2013 ECLI:NL:HR:2013:BZ6505). Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke uitzonderlijke gevallen wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding."

5.4.

Uit de tekst van art. 2, aanhef en onder A, van de Opiumwet in verbinding met art. 1 lid 4 van de Opiumwet volgt dat als strafbare vormen van het invoeren van verdovende middelen niet alleen het binnen het grondgebied van Nederland brengen van verdovende middelen zelf wordt begrepen, maar ook het verrichten van handelingen die zijn gericht op het verdere vervoer, de opslag, de aflevering, de ontvangst of de overdracht van verdovende middelen na de feitelijke invoer. In dit verband pleegt te worden gesproken van de ‘verlengde invoer’ van verdovende middelen.

5.5.

Als het gaat om het medeplegen van de (verlengde) invoer van cocaïne legt de Hoge Raad het accent sterk op de feitelijke bijdrage van de verdachte en de beoordelingsfactoren zoals reeds genoemd onder 5.2.9

5.6.

Wat de concrete rol van de verdachte bij de tenlastegelegde invoer van cocaïne betreft, leidt het hof uit de feiten en omstandigheden af dat deze bestaat uit de voorbereiding van het delict, waaronder het sturen van geld aan de medeverdachte, het informeren over drugscontroles op Schiphol en het geven van adviezen over hetgeen de medeverdachte – met het oog op de ingeslikte bolletjes – al dan niet kan eten en drinken en welke medicijn (een middel dat de ontlasting kan vertragen) de medeverdachte in dat verband bij de apotheek zou kunnen halen. Verder komt uit de bewijsmiddelen naar voren dat de verdachte naar Schiphol is gegaan om de medeverdachte op te halen. Dat het hof aan deze actieve betrokkenheid, die door het hof is omschreven als instruerende en ondersteunende, de gevolgtrekking verbindt dat de verdachte wist dat de medeverdachte slikkersbollen met cocaïne naar Nederland vervoerde en dat sprake is van zo nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachte dat sprake is van medeplegen van de invoer van de cocaïne, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.10

5.7.

Het middel faalt.

6 Conclusie

6.1.

Het eerste middel slaagt. Het tweede en derde middel falen en kunnen als de Hoge Raad daaraan toekomt met een aan art. 81 RO ontleende motivering worden afgedaan.

6.2.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

6.3.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing naar het gerechtshof Amsterdam teneinde de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 In 2.2.2. staat vermeld dat het om mutatie rapport van de politie van het Basisteam Arnhem-Noord gaat.

2 Zie voor een vrijwel gelijke casus en uitkomst HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1149.

3 EHRM 19 februari 1996, Botten v. Noorwegen,no. 16206/90, § 52- 53; EHRM 8 maart 2007, Danila v. Roemenie, no. 53897/00, § 41-42; EHRM 29 juni 2016. Gómez Olmeda v. Spanje, no. 61112/12, § 32.

4 Dossierpagina 77-79.

5 Te weten bepaalde uiterlijke kenmerken, in dit geval: gebarsten lippen en wit uitgeslagen tong, adem ruikt naar ontlasting en gelig oogwit.

6 Dossierpagina 81.

7 Dossierpagina 71-72.

8 Zie HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, m.nt. Mevis; HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395, m.nt. Mevis en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411, m.nt. Rozemond.

9 HR 11 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1302, NJ 2017/459, m.nt. Rozemond en HR 17 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2640, NJ 2017/460, m.nt. Rozemond.

10 Vgl. ook HR 14 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:725 en HR 26 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1791 waarin de Hoge Raad de klacht over het medeplegen bij verlengde invoer heeft afgedaan met de aan art. 81, lid 1, RO ontleende overweging en de (niet gepubliceerde) conclusie van mijn ambtgenoot Aben 18 februari 2020, 19/00527, voorafgaand aan het (niet gepubliceerde) arrest HR 7 april 2020.