Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:397

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
16-04-2021
Datum publicatie
17-05-2021
Zaaknummer
20/02618
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1095, Gevolgd
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Huwelijksvermogensrecht. Afwikkeling vermogen in kader van echtscheiding met door Iraans recht beheerst huwelijksvermogensregime. Veroordeling betaling bruidsschat en medewerking ontslag hypothecaire geldlening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/02618

Zitting 16 april 2021

CONCLUSIE

P. Vlas

In de zaak

[de man]
(hierna: de man)

tegen

[de vrouw]
(hierna: de vrouw)

Deze zaak gaat over de vraag of het hof de man terecht heeft veroordeeld tot betaling van een bruidsschat overeenkomstig de naar Iraans recht overeengekomen huwelijkse voorwaarden. Ook komt de vraag aan de orde of het hof de man terecht heeft veroordeeld te bewerkstelligen dat de vrouw door de bank wordt ontslagen uit de hoofdelijkheid op grond van een gezamenlijke hypotheekschuld.

1 Feiten en procesverloop

1.1.

In cassatie kan kort samengevat van het volgende worden uitgegaan.1 Partijen zijn gehuwd op 3 oktober 2000 in Kashan, Iran. Zij hebben de Nederlandse en Iraanse nationaliteit. Het huwelijk is op 16 juli 2018 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 4 april 2018 in de registers van de burgerlijke stand.

1.2.

Partijen hebben ten tijde van het huwelijk huwelijkse voorwaarden, een zogenaamd Marriage Certificate, gesloten. In de Engelse vertaling daarvan staat onder meer het volgende:

‘(...)

Marriage Portion: A volume of Glorious Koran valued 30,000 rials, inclusive of 314 Bahar Azadi Gold coins, which should be submitted to the wife upon her demand by husband,

(...)

Conditions provided in or by a collateral binding contract:

a. The wife has stipulated a condition that the in case the divorce is not petitioned by

her and when the divorce petition has not been filed due to wife's failure or matrimonial obligations or her misconduct as judged by the court, the husband shall have to transfer to the wife, free of consideration, half of the property he has acquired during the course of their married life or equivalent of that at the court discretion.

b. The husband has irrevocably empowered the wife the right of substitution to file a petition of divorce with court in the following cases so as to obtain an authorization (...) to cause herself to be divorced and to accept any bestowal should this be made by the husband.

(…).’

1.3.

De man heeft in 1998 een woning in [plaats] in eigendom verkregen. Op 4 mei 2001 hebben partijen een hypothecaire lening gesloten waarbij een recht van hypotheek is verleend op onder andere deze woning tot een bedrag van totaal fl. 51.800,-. Op de woning rustte toen al een eerste hypotheek, oorspronkelijk in hoofdsom groot fl. 192.000.-.

1.4.

De vrouw heeft op 16 november 2016 de Rechtbank Noord-Holland verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Bij beschikking van 4 april 2018 heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken. Bij beschikking van 21 november 2018 heeft de rechtbank beslist dat de man aan de vrouw in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden een bedrag van € 74.000,- zal voldoen, alsmede de waarde van ‘314 Bahar Azadi Gold Coins’.

1.5.

De man is van de beschikkingen in hoger beroep gekomen bij het hof Amsterdam. De vrouw heeft een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend. De man heeft het hof verzocht te bepalen dat hij geen vermogensbestanddelen aan de vrouw is verschuldigd en, na eisvermeerdering, terugbetaling verzocht van al hetgeen hij op grond van de bestreden beschikkingen aan de vrouw heeft betaald. De vrouw heeft daartegen verweer gevoerd en in incidenteel hoger beroep verzocht de waarde van de bruidsschat te bepalen op € 99.000,-, dan wel op een bedrag dat het hof juist acht. Voorts heeft de vrouw verzocht te bepalen dat de man haar moet laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de gezamenlijke hypotheek, uiterlijk binnen drie maanden na de datum van de uitspraak, op straffe van een dwangsom.

1.6.

Bij beschikking van 26 mei 2020 heeft het hof de beschikking van de rechtbank van 21 november 2018 vernietigd. Voor zover thans in cassatie van belang heeft het hof bepaald dat (i) de man aan de vrouw in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden uit hoofde van de bruidsschat een bedrag van € 99.000,- is verschuldigd, en (ii) de man jegens de vrouw gehouden is te bewerkstelligen dat de bank haar zal ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de gezamenlijke hypothecaire lening.

1.7.

Daartoe heeft het hof, kort weergegeven, het volgende overwogen. In hoger beroep staat niet langer ter discussie dat op het tussen partijen geldende huwelijksvermogensregime Iraans recht van toepassing is. Het Iraanse huwelijksvermogensrecht kent geen huwelijksgoederengemeenschap (rov. 5.1). Het hof bespreekt de grieven 1-3 van de man die betrekking hebben op de overweging van de rechtbank dat de bepaling onder a van het Marriage Certificate (zie hierboven onder 1.2) discriminerend is jegens de vrouw, omdat – nu zij het verzoek tot echtscheiding heeft ingediend – zij op grond van die bepaling geen recht heeft op de helft van het vermogen dat de man tijdens het huwelijk heeft opgebouwd, terwijl een daarmee overeenkomstige bepaling niet van toepassing is op de man. Het hof heeft overwogen dat de desbetreffende bepaling niet discriminerend is, zodat de grieven 1-3 van de man slagen (rov. 5.3.1-5.3.3).

1.8.

Grief 6 van de man en grief I van de vrouw hebben betrekking op de overweging van de rechtbank dat de man aan de vrouw ter afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden zal voldoen de waarde van ‘314 Bahar Azadi Gold Coins’. Na een weergave van de stellingen van de man (rov. 5.4.1) en van die van de vrouw (rov. 5.4.2), heeft het hof in rov. 5.4.3 de stellingen van de man beoordeeld en overwogen dat uit de Engelse vertaling van de tekst van het Marriage Certificate blijkt dat de bruidsschat bestaat uit 30.000 rials, waaronder 314 ‘Bahar Azadi Gold Coins’. Uit de tekst van deze bepaling blijkt niet dat, zoals de man stelt, het recht op de bruidsschat ervan afhankelijk is wie de echtscheiding heeft verzocht en wat de reden van dat verzoek is, in tegenstelling tot de ‘conditions provided in or by a collateral binding contract’. In rov. 5.4.4 heeft het hof overwogen dat beide partijen ervan uitgaan dat indien de vrouw de bruidsschat toekomt, de man aan de vrouw de waarde van de ‘314 Bahar Azadi Gold Coins’ in euro’s dient te betalen. Het hof heeft het redelijk geacht dat de man daarvan de actuele waarde vergoedt, althans tegen het door de vrouw gestelde peilmoment. Nu de man de door de vrouw gestelde berekening als zodanig niet heeft betwist, heeft het hof bepaald dat de man aan de vrouw het door de vrouw verzochte bedrag van € 99.000,- moet voldoen.

1.9.

In incidenteel hoger beroep heeft het hof in rov. 5.5 geoordeeld over grief II van de vrouw, waarin zij heeft betoogd dat, nu de man de woning zal willen houden, zij ontslagen dient te worden uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Ter mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de man aangegeven in principe bereid te zijn daaraan mee te werken. Het hof heeft het verzoek van de vrouw toegewezen, omdat zij niet meedeelt in de (waarde van de) woning, ook overigens op geen enkele wijze financieel profiteert van de echtelijke woning en de man ook de hypotheeklasten betaalt en altijd heeft betaald. Het hof heeft gezien de bereidheid van de man tot medewerking geen dwangsom opgelegd.

1.10.

Tegen deze beschikking heeft de man (tijdig) cassatieberoep ingesteld. De vrouw heeft een verweerschrift ingediend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1.

Het middel bestaat uit twee klachten.

2.2.

De eerste klacht is gericht tegen rov. 5.4.3 en valt uiteen in twee onderdelen (A en B). Volgens de klacht (onderdeel A) heeft het hof in strijd met art. 10:2 BW de toe te passen normen naar Iraans recht rondom bruidsschatten niet vooropgesteld en de onderhavige casus niet ambtshalve aan de hand van de door de man gestelde regels van Iraans recht getoetst. Voorts wordt geklaagd (onderdeel B) dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk, dan wel onvoldoende gemotiveerd is. In dat kader wordt geklaagd dat het hof voorbij is gegaan aan diverse stellingen van de man.

2.3.

De toelichting op de eerste klacht (onder 1.10 en 1.11) verwijst naar diverse stellingen van de man, overigens zonder vermelding van de vindplaats waar de man zich op deze stellingen in hoger beroep heeft beroepen. De stellingen komen overeen met de stellingen zoals het hof in rov. 5.4.1 heeft weergegeven. Het hof heeft op deze stellingen gerespondeerd in rov. 5.4.3. Het hof heeft overwogen dat die stellingen onvoldoende waren bij gebrek aan nadere onderbouwing en/of toelichting en voor het hof geen aanleiding om het Iraanse recht toe te passen. De klacht stuit hierop af.

2.4.

De man betoogt in zijn toelichting (onder 1.13) dat zonder nadere toelichting niet valt te begrijpen dat, zoals het hof kennelijk heeft gemeend, partijen de door de man genoemde regel van Iraans recht (dat een recht op opeising van een bruidsschat niet of niet meer bestaat na echtscheiding) in het Marriage Certificate opzij hebben gezet en naar Iraans recht opzij hebben kunnen zetten.

2.5.

De man heeft ter onderbouwing van zijn stelling niet gewezen op enige rechtsregel van Iraans recht, maar zich uitsluitend gebaseerd op hetgeen uit de tekst van het Marriage Certificate zou volgen. Bij deze stand van zaken is het niet onjuist of onbegrijpelijk dat het hof heeft overwogen dat uit de tekst van het Marriage Certificate niet blijkt wat de man stelt. De uiteenzetting van de man dat het toepasselijk recht op het Marriage Certificate Iraans recht is, doet evenmin af aan de feitelijke constatering van het hof over wat uit de letterlijke tekst van het Certificate volgt. De klacht faalt daarom.

2.6.

De man betoogt ook in zijn toelichting (onder 1.14-1.15) dat het hof ten onrechte ervan is uitgegaan dat op de man de stelplicht rust hoe het Iraanse recht luidt, omdat de rechter op grond van art. 25 Rv en art. 10:2 BW het buitenlandse recht ambtshalve moet toepassen.2 Het hof is ten onrechte ervan uitgegaan dat de door de man gestelde achtergrond van de bruidsschat (om de seksuele diensten van de vrouw veilig te stellen en dat de vrouw deze alleen gedurende het huwelijk kan opeisen) uit de tekst van de bepaling zou moeten (kunnen) blijken en op de man een stelplicht rust, aldus de man.

2.7.

Deze klacht berust op een verkeerde lezing van rov. 5.4.3. Het hof is ingegaan op de stelling van de man dat op grond van het Marriage Certificate het recht op de bruidsschat is komen te vervallen vanwege de echtscheiding en vanwege het feit dat de man niet meer met de vrouw is getrouwd. Het hof heeft te dien aanzien slechts overwogen dat dit niet uit de tekst van het Marriage Certificate blijkt. De vraag wat op dit punt uit het Iraanse recht volgt, behoefde het hof ook niet te beantwoorden, omdat de man zich alleen heeft gebaseerd op de tekst van het Marriage Certificate. De klacht faalt dus.

2.8.

De man klaagt in zijn toelichting (onder 1.16) dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, omdat het hof in rov. 5.4.3 (in de zin ‘Dat de bruidsgave louter dient om de seksuele diensten van de vrouw veilig te stellen’) het begrip ‘bruidsgave’ heeft genoemd, terwijl de man had gesteld dat de bruidsschat ertoe dient om de seksuele diensten van de vrouw veilig te stellen. Een bruidsgave is iets heel anders dan een bruidsschat, aldus de man.

2.9.

Ook deze klacht faalt. Het noemen van bruidsgave in plaats van bruidsschat is duidelijk een verschrijving. Dit blijkt uit de omschrijving van de stellingen van de man in rov. 5.4.1, waarin het hof in de desbetreffende passage heeft gesproken van bruidsschat. Van een onbegrijpelijk oordeel is dan ook geen sprake.

2.10.

De man klaagt in zijn toelichting (onder 1.17-1.19) nog dat onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is het oordeel van het hof dat de man voor zijn beroep op de redelijkheid en billijkheid onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangedragen en dat onvoldoende wordt geacht de door de man gestelde omstandigheid dat hij het bedrag dat de vrouw verzoekt niet bezit en ook nooit heeft bezeten.

2.11.

De toelichting maakt niet duidelijk hoe deze klachten die betrekking hebben op de toepassing van de redelijkheid en billijkheid van het Nederlandse recht, zich verhouden tot de eerste klacht dat het hof ten onrechte Iraans recht niet heeft toegepast. Het hof heeft de stelling van de man dat hij de waarde van de bruidsschat nooit zal kunnen uitkeren, in rov. 5.4.3 besproken en onvoldoende geacht. Ook voor het beroep op redelijkheid en billijkheid heeft de man volgens het hof onvoldoende feiten en omstandigheden aangedragen. Dit oordeel is in het licht van de overwegingen ten aanzien van de rechtsgrond van betaling van de bruidsschat niet onjuist of onbegrijpelijk, zodat de klacht faalt.

2.12.

De man klaagt in zijn toelichting (onder 1.20) dat het hof ten onrechte voorbij is gegaan aan de stelling van de man dat de vrouw op grond van Iraans recht dient aan te tonen dat de bruidsschat, die slechts een symbolisch karakter heeft, bij scheiding uitbetaald dient te worden.

2.13.

Deze klacht berust op een verkeerde lezing. De vrouw heeft haar vordering gebaseerd op het Marriage Certificate, waaruit volgt dat zij aanspraak kan maken op betaling van de bruidsschat. Op de stelling van de man dat de bruidsschat louter symbolisch is en niet opeisbaar zou zijn, is het hof aan het slot van rov. 5.4.3 ingegaan. Dit oordeel is, nu de man niet ingaat op de afspraak tussen partijen, niet onjuist of onbegrijpelijk.

2.14.

De slotsom is dat de eerste klacht in al zijn onderdelen faalt.

2.15.

De tweede klacht is gericht tegen rov. 5.5 en klaagt dat het hof ten onrechte, althans op onbegrijpelijke of onvoldoende gemotiveerde wijze, ervan is uitgegaan dat de man het in zijn macht heeft te bewerkstelligen dat de vrouw uit de hoofdelijkheid wordt ontslagen. De klacht betoogt dat alleen de bank dit in haar macht heeft en dat uit niets van wat het hof heeft overwogen blijkt dat de man de bank kan dwingen de vrouw uit de hoofdelijkheid te ontslaan. De man heeft verwezen naar het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof, waarin de advocaat van de vrouw heeft toegelicht dat wordt verzocht dat de man zijn medewerking verleent aan het ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid en dat de vrouw bevestigt dat het uiteindelijk de bank is die haar uit de hoofdelijkheid dient te ontslaan. Ook heeft de man verwezen naar de tekst van grief II van de vrouw, waarin zij heeft verzocht te bepalen dat zij wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Volgens de man heeft het hof deze grief onbegrijpelijk geïnterpreteerd. Tot slot heeft de man nog verwezen naar hetgeen hij in zijn verweerschrift in incidenteel appel heeft aangevoerd dat de bank geen partij is in dit geding en derhalve ontslag uit de hoofdelijkheid niet aan de orde kan komen en aan toewijzing van het verzoek van de vrouw in de weg staat.

2.16.

Deze klacht berust op een verkeerde lezing van de bestreden overweging. In rov. 5.5 omschrijft het hof allereerst de strekking van grief II (de vrouw verzoekt het hof dat zij wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid). Onder verwijzing naar de mondelinge behandeling heeft het hof overwogen dat de man bereid is daaraan mee te werken. Vervolgens heeft het hof de omstandigheden geschetst op basis waarvan het hof het verzoek zal toewijzen. Het hof heeft terecht de toewijzing genuanceerd, waarbij wordt verwezen naar de (ook door de man in cassatie aangehaalde) mededeling van de vrouw bij de mondelinge behandeling. In het licht van die mededeling heeft het hof de man slechts veroordeeld te bewerkstelligen dat de bank de vrouw zal ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Het hof heeft de man derhalve – terecht – niet veroordeeld om de vrouw te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Het gaat hier om een inspanningsverplichting van de man om zijn medewerking te verlenen aan het te bewerkstelligen ontslag van de vrouw uit haar hoofdelijkheid. Nu de man heeft toegezegd dat hij zal meewerken, heeft het hof geen dwangsom opgelegd. Het oordeel van het hof is dus niet onjuist of onbegrijpelijk, zodat de klacht faalt.

2.17.

Ik geef de Hoge Raad in overweging het cassatieberoep te verwerpen met toepassing van art. 81 lid 1 RO.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie rov. 3.1-3.5 van de bestreden beschikking van het hof Amsterdam van 26 mei 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1687.

2 De toelichting op de klacht verwijst naar nr. 3.32 van mijn conclusie van 26 juni 2020, ECLI:NL:PHR:2020:649, vóór HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2103.