Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:388

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-04-2021
Datum publicatie
23-04-2021
Zaaknummer
20/01822
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHDHA:2020:1086
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:930
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Niet-ontvankelijkheid in het ingestelde hoger beroep. Levert in deze zaak het uitzitten van een deel van de aan verdachte (in eerste aanleg) door politierechter bij verstek opgelegde gevangenisstraf een omstandigheid op waaruit voortvloeit dat de einduitspraak van politierechter de verdachte bekend was (art. 408 lid 2 Sv), terwijl de verdediging had gesteld dat de verdachte toen ook de vervangende hechtenis van een aantal geldboetes uitzat? De conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/01822

Zitting 20 april 2021

CONCLUSIE

E.J. Hofstee

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,

hierna: de verdachte.

Inleiding

  1. Het gerechtshof Den Haag heeft de verdachte bij arrest van 10 juni 2020 niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep tegen het (verstek)vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 28 mei 2019, waarbij de verdachte wegens 1 primair “poging tot zware mishandeling” en 2 “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.

  2. Namens de verdachte heeft mr. L. Tricoli, advocaat te Alphen aan den Rijn, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

3. Het middel komt op tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het ingestelde hoger beroep. Geklaagd wordt over het oordeel van het hof dat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak van de rechtbank de verdachte bekend is, als bedoeld in art. 408, tweede lid, Sv.

4. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 10 juni 2020 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“De verdachte […]

is niet ter terechtzitting verschenen.

Als raadsman van de verdachte, is ter terechtzitting aanwezig mr. L. Tricoli, advocaat te Alphen aan den Rijn, die mededeelt dat hij door de verdachte uitdrukkelijk is gemachtigd de verdediging te voeren.
[…]

De voorzitter stelt aan de orde de vraag of de verdachte ontvankelijk is in het hoger beroep, nu uit de stukken blijkt dat de verdachte een gedeelte van de hem in deze zaak in eerste aanleg opgelegde gevangenisstraf heeft ondergaan in de Penitentiaire Inrichting te Alphen aan den Rijn in de periode van 8 augustus 2019 tot en met 30 augustus 2019. Dit zou inhouden dat de verdachte in elk geval op 8 augustus 2019 van het bij verstek gewezen vonnis van 28 mei 2019 op de hoogte was, terwijl pas op 28 augustus 2019 namens de verdachte hoger beroep is ingesteld.
De raadsman deelt daarop mede:

Mijn cliënt was in die periode inderdaad gedetineerd, maar ik weet niet voor welke zaak hij toen vastzat. Nadat hij mij had gebeld, ben ik bij hem langs gegaan in de P.I. en toen heb ik vervolgens op zijn verzoek in de onderhavige zaak hoger beroep ingesteld. Naar mijn oordeel heb ik binnen de termijn hoger beroep ingesteld, nu mijn cliënt een paar dagen vóór 28 augustus 2019 van de uitspraak in de onderhavige zaak op de hoogte is gesteld.

De advocaat-generaal concludeert dat de verdachte niet-ontvankelijk is in het hoger beroep, nu de verdachte op 8 augustus 2019 van het bij verstek gewezen vonnis van 28 mei 2019 op de hoogte was en pas op 28 augustus 2019 namens de verdachte hoger beroep is ingesteld.

De advocaat-generaal vordert dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep en legt de op schrift gestelde vordering aan het gerechtshof over.

De raadsman deelt mede dat zijn cliënt in augustus 2019 de vervangende hechtenis van een aantal geldboetes heeft uitgezeten en dat de detentie van de onderhavige zaak op een ander tijdstip is ingegaan. Desgevraagd deelt de raadsman mede dat hij dit niet met stukken kan onderbouwen.

De advocaat-generaal deelt mede dat anders dan de raadsman heeft gesteld, de verdachte pas na zijn detentie in de onderhavige zaak de vervangende hechtenis van een aantal geldboetes heeft uitgezeten.”

5. Na onderbreking van het onderzoek voor beraad en na de raadsman in de gelegenheid te hebben gesteld het laatst te spreken, is het onderzoek gesloten en heeft het hof terstond uitspraak gedaan. De bestreden uitspraak houdt onder meer het volgende in:

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is in deze zaak op 28 mei 2019 bij verstek veroordeeld. Op 27 juni 2019 is de Mededeling uitspraak niet in persoon uitgereikt.

Of en wanneer deze mededeling hem heeft bereikt is onduidelijk.

De verdachte heeft echter (een gedeelte van) de hem in eerste aanleg opgelegde gevangenisstraf ondergaan in de Penitentiaire Inrichting te Alphen aan den Rijn in de periode van 8 augustus 2019 tot en met 30 augustus 2019. Naar het oordeel van het hof was de verdachte, gelet op het voorgaande, dus in elk geval op 8 augustus 2019 van het bij verstek gewezen vonnis van 28 mei 2019 op de hoogte.

De verdachte had daarom binnen veertien dagen na 8 augustus 2019 in hoger beroep moeten komen. Namens de verdachte is echter pas op 28 augustus 2019 hoger beroep ingesteld, zodat hij daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.”

6. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld.

7. De wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dat kan geschieden. Deze termijnen zijn van openbare orde. Een overschrijding van de daarvoor gestelde termijn betekent in de regel dat de verdachte niet in het hoger beroep kan worden ontvangen. Het hof heeft kennelijk aangenomen dat geen sprake is van een omstandigheid, vermeld in art. 408, eerste lid, Sv. Ingevolge art. 408, tweede lid, Sv kan de verdachte in dat geval hoger beroep instellen tegen het vonnis van de rechtbank binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid voordoet waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is. Vaste rechtspraak is dat van een “omstandigheid waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is”, sprake is als de verdachte op de hoogte wordt gesteld van datgene wat voor hem van belang is voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep.1

8. Daartoe behoren in elk geval de aard en/of zwaarte van de bij het vonnis opgelegde straf(fen) en/of maatregel(en).2 Voldoende is dus niet de wetenschap dát een vonnis is gewezen3 en evenmin dat dit vonnis in het “nadeel” van de verdachte is uitgevallen.4 Niet vereist is dat de verdachte mededeling is gedaan van álle gegevens die een mededeling uitspraak als bedoeld in art. 366 Sv op grond van het derde lid van die bepaling behoort te bevatten.5 Ook is niet nodig dat de verdachte ervan op de hoogte is dat tegen de hem bekend geworden uitspraak nog een rechtsmiddel kan worden aangewend.6 Zijn de voor een weloverwogen keuze al dan niet een rechtsmiddel aan te wenden benodigde gegevens op cruciale onderdelen onjuist of onvolledig, dan zal van een omstandigheid waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is (uiteraard) geen sprake zijn.7

9. Aangezien de constatering dat zich een omstandigheid heeft voorgedaan in de zin van art. 408, tweede lid, Sv bepalend is voor de aanvang van de wettelijke beroepstermijn, worden aan de vaststelling dat zich een zodanige omstandigheid heeft voorgedaan de nodige eisen gesteld. De rechter zal voldoende concreet moeten vaststellen dat de gegevens waarmee de verdachte bekend is geworden, (de) gegevens betreffen die voor hem van belang waren voor zijn besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep.8 Het is bovendien niet voldoende dat zich een omstandigheid voordoet waardoor de verdachte mogelijk met de uitspraak bekend is of met de uitspraak bekend kon zijn. De enkele vermelding op een in persoon uitgereikte mededeling uitspraak van het parketnummer van de zaak met de mededeling dat de griffie van het gerecht nadere inlichtingen kan verschaffen, levert dan ook niet een zodanige omstandigheid op. Oordelen dat onder die omstandigheden van de verdachte mocht worden verwacht dat hij in contact trad met de in de mededeling vermelde griffie, hielden in cassatie geen stand, omdat zij blijk gaven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de inhoud van art. 408, tweede lid, Sv.9 Het gaat er immers om dat de verstrekte gegevens reeds van dien aard zijn dat zij de verdachte in voldoende mate op de hoogte stellen van wat voor zijn besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep van belang is.10 De omstandigheid dat de verdachte na de dag van de terechtzitting in eerste aanleg heeft kennisgenomen van de inleidende dagvaarding om op die terechtzitting te verschijnen, levert om diezelfde reden evenmin een omstandigheid als bedoeld in art. 408, tweede lid, Sv op.11 Daarbij heeft de Hoge Raad nog aangetekend dat de in dat verband door het hof gestelde eis dat de verdachte na de kennisneming van die dagvaarding “had moeten informeren naar de einduitspraak”, geen steun vindt in het recht.12 In dezelfde lijn ligt de zaak waarin het hof blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de inhoud van art. 408, tweede lid, Sv door te oordelen dat de raadsman had verzuimd onderzoek te doen naar het verloop dan wel de afloop van een zaak en de verdachte daarom geacht kon worden bekend te zijn met het oordeel van de rechter in eerste aanleg.13

10. In de onderhavige zaak heeft het hof ter terechtzitting aan de orde gesteld dat “uit de stukken” blijkt dat de verdachte een gedeelte van de hem in de onderhavige zaak in eerste aanleg opgelegde gevangenisstraf heeft ondergaan in de periode van 8 augustus 2019 tot en met 30 augustus 2019. Welk stuk of welke stukken het hof daarbij op het oog had heeft gehad, kan uit het proces-verbaal van de terechtzitting niet worden afgeleid. Ook na een blik achter de papieren muur is mij niet duidelijk (geworden) op welke stukken het hof doelde. De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep erkend dat de verdachte in de door het hof genoemde periode was gedetineerd. Betwist is evenwel dat hij toen uitsluitend een gedeelte van de in de onderhavige zaak in eerste aanleg opgelegde straf uitzat. De verdediging heeft gesteld dat de verdachte destijds de vervangende hechtenis van een aantal geldboetes heeft uitgezeten en dat de detentie in de onderhavige zaak op een ander tijdstip dan op 8 augustus 2019 is ingegaan. Betoogd is dat niet blijkt van een omstandigheid waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend was.

11. Het hof heeft in de bestreden uitspraak vastgesteld dat de mededeling uitspraak niet in persoon is uitgereikt. Voorts heeft het hof overwogen dat de verdachte (een gedeelte van) de hem in eerste aanleg opgelegde gevangenisstraf heeft ondergaan in de periode van 8 augustus 2019 tot en met 30 augustus 2019. Maar vanaf welke datum precies, blijkt niet uit het bestreden arrest; het had ook in het licht van de mededeling van de raadsman dat zijn cliënt een paar dagen voor 28 augustus 2019 van de onderliggende uitspraak van de politierechter op de hoogte was gesteld, op de weg van het hof gelegen daarover een nadere vaststelling te doen. In dat verband merk ik op dat het hof evenmin in het bestreden arrest duidelijk heeft gemaakt uit welk stuk of welke stukken het hof heeft afgeleid dat de verdachte in de periode van 8 augustus 2019 tot en met 30 augustus 2019 (een gedeelte van) de hem in eerste aanleg opgelegde gevangenisstraf heeft ondergaan. Die feitelijke vaststelling kan in elk geval niet worden gedragen door de enkele aantekening in het proces-verbaal van de terechtzitting dat de raadsman desgevraagd heeft medegedeeld de stelling dat de verdachte op een andere titel was gedetineerd niet met stukken te kunnen onderbouwen en ook niet door de blote opmerking van de advocaat-generaal dat de verdachte pas na zijn detentie in de onderhavige zaak de vervangende hechtenis van een aantal geldboetes heeft uitgezeten.

12. Maar zelfs indien van de juistheid van de feitelijke vaststelling van het hof moet worden uitgegaan, is het oordeel van het hof dat zich een omstandigheid heeft voorgedaan als bedoeld in art. 408, tweede lid, Sv mijns inziens in cassatie niet houdbaar. Het hof heeft kennelijk geredeneerd dat het enkele aanvangen van het ondergaan van een gedeelte van de bij de uitspraak in eerste aanleg opgelegde gevangenisstraf (in de door het hof genoemde periode) een omstandigheid oplevert waaruit voortvloeit dat de verdachte met die uitspraak bekend is. Het komt mij voor dat deze rechtsopvatting niet juist is.

13. Daarbij teken ik aan dat een soortgelijke redenering in cassatie aan de orde is geweest op het materieelstrafrechtelijke terrein van ‘het rijden terwijl de verdachte “weet” dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard’ als bedoeld in art. 9, tweede lid, WVW 1994. Evenals aan de bekendheid van art. 408, tweede lid, Sv stelt de Hoge Raad aan die wetenschap van de verdachte omtrent de ongeldigheid van zijn rijbewijs hoge eisen.14 In cassatie heeft de vraag voorgelegen of uit de omstandigheid dat de verdachte voor hetzelfde feit sinds de ongeldigverklaring eerder is veroordeeld en de ter zake opgelegde straf heeft ondergaan, kan worden afgeleid dat de verdachte wetenschap draagt van de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs. Mijn toenmalig ambtgenoot Vellinga heeft in de zaak die leidde tot HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3703 in dat verband het standpunt ingenomen dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat iemand met een strafblad van twaalf bladzijden die een straf ondergaat, op de hoogte is van de feiten waarvoor die straf is opgelegd. Dat vergt immers een geordend leven en goed overzicht over veroordelingen en ten uitvoer gelegde straffen. Over een dergelijk geordend leven en overzicht plegen veroordeelden bepaald niet steeds te beschikken. Mogelijk deelt de Hoge Raad die opvatting, want hij oordeelde dat het tegen de redenering van het hof gerichte middel slaagde op de gronden vermeld in de conclusie van Vellinga. Ook uit latere arresten van de Hoge Raad over deze thematiek blijkt dat de enkele omstandigheid dat iemand een straf heeft ondergaan niet zonder meer kan worden afgeleid dat hij op de hoogte is van de ongeldigverklaring van het rijbewijs die aan die ondergane straf ten grondslag lag.15

14. Ik meen dat de in de onderhavige zaak door het hof gevolgde redenering de cassatietoets om soortgelijke redenen niet doorstaat. Uit de enkele omstandigheid dat de verdachte in de periode van 8 augustus 2019 tot en met 30 augustus 2019 (een gedeelte van) een gevangenisstraf is beginnen te ondergaan, vloeit nog niet voort dat hij bekend is met de titel waarop hij in detentie verblijft en met de duur van de opgelegde straf.16 Het hof heeft niet voldoende concreet vastgesteld dat de gegevens waarvan de verdachte op 8 augustus 2019 (en uiterlijk op 15 augustus 2019) op de hoogte raakte reeds van dien aard waren dat zij de verdachte in voldoende mate op de hoogte stelden van wat voor zijn besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep van belang was.

15. Voor zover het middel daarover klaagt, is het terecht voorgesteld.

Slotsom

16. Het middel slaagt.

17. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

18. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie o.a. HR 3 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9722, NJ 1994/578, m.nt. Van Veen; HR 11 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3055, NJ 2008/22; HR 8 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7028, NJ 2009/429; HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1940, NJ 2013/131; HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3353, NJ 2016/11; HR 22 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:746, NJ 2018/264; HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2011.

2 Vgl. HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1940, NJ 2013/131 en HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2011. Zie over de voorwaarden om een verantwoorde keuze te kunnen maken tussen berusten in de uitspraak dan wel daartegen een rechtsmiddel aan te wenden: J. de Hullu, Over rechtsmiddelen in strafzaken (diss. Groningen), Arnhem: Gouda Quint 1989, p. 333 e.v.

3 HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3353, NJ 2016/11.

4 HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1940, NJ 2013/131.

5 Vgl. HR 25 maart 1952, ECLI:NL:HR:1952:145, NJ 1953/109 en HR 10 december 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC8910, NJ 1992/341.

6 Dat volgt uit o.a. HR 11 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3055, NJ 2008/22 en HR 2 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1821, NJ 2018/404.

7 Vgl. bijv. HR 10 juni 1969, ECLI:NL:HR:1969:AB4364, NJ 1970/33; HR 3 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9722, NJ 1994/578, m.nt. Van Veen en HR 24 maart 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0984, NJ 1998/482.

8 HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1940, NJ 2013/131.

9 Zie HR 7 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3278 en HR 22 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:746, NJ 2018/264.

10 Aldus HR 7 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3278.

11 HR 20 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7689, NJ 2010/247 en HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6010, NJ 2011/326.

12 HR 20 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7689, NJ 2010/247.

13 HR 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2780.

14 Zie daarover in algemene zin HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1146, NJ 2019/454, m.nt. Vellinga (rov. 2.4.4) .

15 Zie: HR 13 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:259; HR 26 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:991; HR 26 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:995.

16 Ook dat vergt een geordend leven waarover een verdachte en veroordeelde bepaald niet altijd plegen te beschikken.