Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:374

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-03-2021
Datum publicatie
13-04-2021
Zaaknummer
19/02989
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:562
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Hennepteelt in de uitoefening van beroep of bedrijf (art. 3.B jo. art. 11.3 Opiumwet), medeplegen van diefstal d.m.v. verbreking (art. 311.1.5 Sr) en voorhanden hebben van wapens en munitie (artt. 26.1 en 13.1 WWM). Middelen over 1. verwerping verweer strekkende tot bewijsuitsluiting, 2. strafmotivering, 3. oordeel hof dat verdachte heeft gehandeld in uitoefening beroep of bedrijf en 4. verwerping preliminair verweer strekkende tot nietigverklaring inleidende dagvaarding bij rechtbank. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 19/02993.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/02989

Zitting 2 maart 2021 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

D.J.C. Aben

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957,

hierna: de verdachte.

1. De verdachte is bij arrest van 17 juni 2019 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens (1.) “in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod”, (2.) “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking”, (3.) “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd”, en (4.) “handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek als bedoeld in artikel 27 Sr. Daarnaast heeft het hof een in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, verbeurd verklaard en van een aantal in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, de onttrekking aan het verkeer bevolen, een en ander zoals nader in het arrest omschreven.

2. Er bestaat samenhang met de zaak 19/02993. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.

3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. R.A.J. Verploegh, advocaat te 's-Gravenhage, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.

4. Ik geef de voorkeur aan een afwijkende volgorde bij de bespreking van de middelen en begin bij het vierde middel, dat klaagt over de verwerping van een preliminair verweer strekkende tot nietigverklaring van de inleidende dagvaarding bij de rechtbank.

5. Vooropgesteld moet worden dat in cassatie niet met vrucht kan worden geklaagd over de wijze waarop de inleidende dagvaarding is betekend indien de verdachte of zijn raadsman in de gelegenheid is geweest de desbetreffende klacht aan de feitenrechter voor te leggen en hij van die gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt. Nu het vonnis in eerste aanleg bij verstek is gewezen en de raadsman van de verdachte in hoger beroep heeft geklaagd over de betekening in eerste aanleg, kan de verdachte in zijn klacht worden ontvangen.1

6. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering van belang:


Artikel 588 (oud)2

1. De uitreiking geschiedt:
a. aan hem wie in Nederland in verband met de strafzaak waarop de uit te reiken gerechtelijke mededeling betrekking heeft rechtens zijn vrijheid is ontnomen en aan hem wie in Nederland in andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen rechtens zijn vrijheid is ontnomen: in persoon;
b. aan alle anderen: in persoon of indien betekening in persoon niet is voorgeschreven en de mededeling in Nederland wordt aangeboden:
1°. aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, dan wel,
2°. indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, aan de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde, dan wel,
3°. indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend is, aan de griffier van de rechtbank van het arrondissement waar de zaak zal dienen of laatstelijk heeft gediend.

2. (…).

3. Indien in het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 1° of 2°,

a. de geadresseerde niet wordt aangetroffen, geschiedt de uitreiking aan degene die zich op dat adres bevindt en die zich bereid verklaart het stuk onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen;
b. niemand wordt aangetroffen, geschiedt de uitreiking aan de geadresseerde of aan een door deze gemachtigde op de plaats die vermeld wordt in een schriftelijk bericht dat op het in de mededeling vermelde adres wordt achtergelaten. Uitreiking aan een door de geadresseerde schriftelijk gemachtigde geldt als betekening in persoon;
c. geen uitreiking heeft kunnen geschieden, wordt de mededeling teruggezonden aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan. Indien blijkt dat de geadresseerde op de dag van aanbieding en tenminste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisregistratie personen was ingeschreven op het in de mededeling vermelde adres, wordt de mededeling vervolgens uitgereikt aan de griffier van de rechtbank van het arrondissement waar de zaak zal dienen of laatstelijk heeft gediend. Het openbaar ministerie zendt alsdan een afschrift van de mededeling onverwijld toe aan dat adres, van welk feit aantekening wordt gedaan op de akte van uitreiking, bedoeld in artikel 589.

4. (…).

7. Bij de aan de Hoge Raad op de voet van artikel 434 lid 1 Sv toegezonden stukken bevinden zich:

- een akte van uitreiking, gehecht aan het dubbel van de dagvaarding van de verdachte om te verschijnen ter terechtzitting in eerste aanleg van 21 juli 2017, waaruit blijkt dat de (post)bezorger op 15 juni 2017 de brief (dagvaarding) heeft uitgereikt op het adres [a-straat 1] , [postcode] te [plaats 1] , aan [betrokkene 1] /een huisgenoot die zich op dat adres bevond en die zich bereid verklaarde de brief in ontvangst te nemen en onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen;

- een kopie van een uitdraai ID-staat SKDB van 21 juni 2017 waaruit blijkt dat de verdachte niet is gedetineerd en dat de verdachte vanaf 27 maart 2017 stond ingeschreven op het adres [a-straat 1] , [postcode] te [plaats 1] ;

- een kopie van een uitdraai ID-staat SKDB van 18 maart 2019 waaruit blijkt dat de verdachte niet is gedetineerd en dat de verdachte vanaf 13 juli 2017 niet langer op een adres in Nederland stond ingeschreven.

8. Het hof heeft de zaak inhoudelijk behandeld op 3 juni 2019. De aan het proces-verbaal van die zitting gehechte pleitnotities houden – voor zover hier van belang – het volgende in:

PRIMAIR VERWEER

Ten aanzien van de dagvaarding en de oproep in 1e aanleg en de ongeldige betekening daarvan

De dagvaarding 1e aanleg en de oproep van de ontnemingsvordering zijn beiden gedateerd op 1 juni 2017.

Zowel de dagvaarding in de hoofdzaak als de oproep in de ontnemingsvordering hebben mijn cliënt echter niet bereikt omdat in de dagvaarding en de oproep een fout adres is vermeld, namelijk het adres [a-straat 1] te [plaats 1] , NIET zijnde het GBA (BRP) adres van mijn cliënt. Ook in de akte van betekening staat dit onjuiste adres.

Verwezen wordt naar bijgaande stukken (prod. 1) waaruit blijkt dat mijn cliënt sinds 1 mei 2017 (in feite al vanaf 27 april 2017) niet meer op voormeld adres woont. Hij heeft zich per die datum bij de gemeente [plaats 1] laten uitschrijven.

Omdat de dagvaarding en de oproep mijn cliënt niet hebben bereikt heeft hij in 1e aanleg niet de kans gekregen om zowel in de hoofdzaak als in het kader van de ontnemingsvordering verweer te voeren.

Hem is aldus het recht op een eerlijk proces ontnomen en hij is daardoor in ernstige mate in zijn verdediging geschaad.

Bovendien heeft één en ander voor cliënt ook de nodige andere negatieve gevolgen gehad, waarop ik later zal terugkomen.

Ook de verstekuitspraken alsmede de vordering lijfsdwang hebben mijn cliënt in eerste instantie niet bereikt, omdat deze eveneens zijn gezonden naar voormeld onjuist adres. Ook dit heeft de nodige negatieve gevolgen voor mijn cliënt gehad. Ook hierop zal ik nog terugkomen.

Overigens wordt in het Pv het adres [b-straat 1] te [plaats 2] als GBA adres vermeld. Ik verwijs u naar pagina 35 van het Pv. Deze vermelding is dus ook niet juist. Dit adres was wel het adres waar cliënt feitelijk heeft gewoond of verbleven en waar de feiten waarvan cliënt wordt verdacht zouden zijn gepleegd.

Gezien het voorgaande is in dezen sprake geweest van een ongeldige betekening van de dagvaarding. Dat zelfde geldt voor de oproep in de ontnemingszaak.

Rechtsgevolgen ongeldige betekening van de dagvaarding en de oproep

In dezen zijn de betekeningsvoorschriften van de artikelen 585 t/m 589 Sv niet nageleefd door het OM en de rechtbank heeft hier kennelijk ten onrechte geen consequenties aan verbonden.

De niet-naleving van de betekeningsvoorschriften had voor de rechtbank immers aanleiding moeten hebben gegeven om de dagvaarding nietig te verklaren, immers mijn cliënt als verdachte is niet ter zitting verschenen noch heeft hij zich ter zitting door een raadsman laten vertegenwoordigen.

Hetgeen voor de dagvaarding geldt, is ook van toepassing voor de oproep voor de behandeling van de ontnemingsvordering.

Gezien het voorgaande verzoekt de verdediging uw Hof in appel om zowel de dagvaarding in 1e aanleg als de oproep in de ontnemingszaak alsnog nietig te verklaren en om de behandeling van zowel de hoofdzaak als de ontnemingszaak terug te verwijzen naar de rechtbank Oost-Brabant.”

9. Het proces-verbaal van de zitting van 3 juni 2019 houdt – voor zover hier van belang – het volgende in:

“De raadsman voert een preliminair verweer. De raadsman verzoekt het hof om de inleidende dagvaarding alsnog nietig te verklaren en de zaak terug te verwijzen naar de rechtbank. De raadsman motiveert het verzoek zoals dat is weergegeven onder “primair verweer” van de overgelegde pleitnota, welke aan dit proces-verbaal is gehecht en als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.

De voorzitter deelt het volgende mede.

In de akte van uitreiking staat vermeld dat de inleidende dagvaarding op 15 juni 2017 is uitgereikt aan [betrokkene 1] die zich op het adres [a-straat 1] te [plaats 1] bevond en die zich bereid verklaarde de brief in ontvangst te nemen en onverwijld aan de verdachte te doen toekomen. Blijkens de informatiestaat SKDB-persoon d.d. 21 juni 2017 was voormeld adres het destijds vigerende BRP-adres van de verdachte.

De verdachte deelt het volgende mede.

[betrokkene 1] woonde indertijd op voormeld adres. Daar heb ik ook gewoond, maar vanaf 20 april 2017 woon ik daar niet meer. Daarvan heb ik ook bewijs [het hof begrijpt: productie 1 bij de overgelegde pleitnota]. Dat geschrift is op 1 mei 2017 opgemaakt.

De oudste raadsheer deelt mede dat een Aangifte van Vertrek nog niet automatisch met zich brengt dat de verdachte is uitgeschreven en dat bovendien betekend moet worden aan [het] de laatst bekende woon- of verblijfplaats en dat is in dit geval gebeurd.

De verdachte deelt mede dat hij de wijziging aan de gemeente [plaats 1] heeft doorgegeven en dat de gebreken in de computervoorzieningen hem, de verdachte, niet mogen worden tegengeworpen.

De voorzitter merkt op dat het haar opvalt dat [betrokkene 1] niet heeft medegedeeld dat de verdachte niet meer op het adres woonachtig is.

De verdachte deelt mede dat [betrokkene 1] 15 of 16 jaar oud is.

De oudste raadsheer legt aan de verdachte uit dat de verdachte pas wordt uitgeschreven nadat de gemeente een onderzoek heeft verricht en dat deze uitschrijving – blijkens de informatiestaat SKDB-persoon d.d. 18 maart 2019 – pas op 13 juli 2017 is geschied.

De verdachte deelt het volgende mede.

Ik had een conflict met de eigenaar van het huis dus ik moest uit de woning. Ik heb geen nieuw adres opgegeven. Ik kan er weinig aan veranderen dat de gemeente zo’n lange doorlooptijd heeft gehanteerd.

De advocaat-generaal wordt in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek van de verdediging en zij deelt het volgende mede.

Ik merk dat ik niet over alle stukken beschik. Desalniettemin concludeer ik dat de betekening van de inleidende dagvaarding conform de wettelijke regels heeft plaatsgevonden. Het overgelegde stuk [het hof begrijpt: productie 1 bij de overgelegde pleitnota] maakt niet dat ik twijfel aan het moment van het uitreiken van de inleidende dagvaarding. Formeel gezien zie ik geen probleem.

De raadsman wijst erop dat productie 1 niet alleen de Aangifte van Vertrek bevat, maar ook een e-mailbericht d.d. 29 juni 2017 van de verdachte, waarin hij onder andere refereert naar de aangifte en te kennen geeft dat hij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.

Na een onderbreking voor beraad in raadkamer deelt de voorzitter de beslissing van het hof mede dat het verzoek van de verdediging wordt afgewezen. De voorzitter deelt daarnaast het volgende mede.

Blijkens de informatiestaat SKDB-persoon d.d. 21 juni 2017 was het BRP-adres [a-straat 1] te [plaats 1] en op dat adres is de inleidende dagvaarding uitgereikt. Bovendien is dat adres het laatst bekende woon- of verblijfadres en bevat het dossier een griffiebetekening, omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is. De inleidende dagvaarding is rechtsgeldig uitgereikt.

10. De aan de pleitnotities gehechte ‘productie 1’ bestaat uit twee pagina’s en omvat achtereenvolgens: (1) een e-mail van de verdachte en (2) een formulier “Aangifte van Vertrek ten behoeve van een Onderzoek Verblijfplaats”:

“Van: [verdachte] < [e-mailadres] >

Verzonden: donderdag 29 juni 2017 12:01
Aan: [betrokkene 2]
Onderwerp: Re: onderzoek

Geachte [betrokkene 2] .

ONJUIST

Ik heb mij UITGESCHREVEN van adres [a-straat 1] in [plaats 1] per 20 april 2017.
Hiervan heb ik uw schriftelijke door gemeente [plaats 1] gestempelde en getekende verklaring.

Ik heb geen vaste woon-en of verblijfplaats.

Voorts verwijs ik u naar eerdere email.

Pas als ik een vaste woon en verblijfplaats heb, kan ik dat bij de betreffende gemeente melden.

NU HEB IK GEEN WOONPLAATS

Evt Post kunt u retour afzender sturen

Mvg [verdachte] .

zonder vaste woon- of verblijfsplaats.

Wilt u de ontvangst van deze email bevestigen, opdat ik bevestiging heb dat u voor de 3e maal geïnformeerd bent dat ik niet woonachtig ben op [a-straat 1] in uw gemeente.

(…)

Aangifte van Vertrek ten behoeve van een Onderzoek Verblijfplaats

Aangever/aangeefster

Naam en voornamen: [verdachte] (M)

Geboortedatum en plaats: [geboortedatum] 1957 te [geboorteplaats]

Verklaart dat hij niet meer woonachtig is op

Adres: [a-straat 1] (Woonadres)

Postcode en woonplaats: [postcode] [plaats 1]

De volgende personen niet meer woonachtig zijn

(doorgehaald en niets ingevuld)

Het nieuwe adres van de vroegere bewoner(s) is

(doorgehaald en niets ingevuld)

Datum van vertrek: 1-5-2017 (20 april 2017)

Datum aangifte: 1-5-2017

Handtekening aangever: (handtekening)

Let op! Van de personen die dit formulier ondertekenen dient een kopie van het legitimatiebewijs te worden bijgevoegd.

(stempel van de gemeente en paraaf)”

11. Het hof heeft het preliminaire verweer van de verdediging verworpen en geoordeeld dat de inleidende dagvaarding geldig is betekend. Het hof overweegt daartoe het volgende:

(1) de inleidende dagvaarding is op 15 juni 2017 op het toenmalige BRP-adres van de verdachte, [a-straat 1] te [plaats 1] , uitgereikt;

(2) het adres [a-straat 1] te [plaats 1] is tevens het laatst bekende woon- of verblijfadres van de verdachte;

(3) het dossier bevat een griffiebetekening, omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is.3

12. Ik acht dit oordeel van het hof niet onbegrijpelijk, ook niet in het licht van de in hoger beroep door de verdediging aangeleverde stukken. Daaruit blijkt immers niet meer dan dat de verdachte op 1 mei 2017 bij de gemeente [plaats 1] een aangifte van vertrek heeft ingevuld en op 29 juni 2017 per mail op vragen van de gemeente geantwoord heeft dat hij (nog altijd) geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en dat eventuele post “retour afzender gestuurd kan worden”.

13. Hieruit leid ik af dat de gemeente [plaats 1] rond 29 juni 2017 nog bezig was met het onderzoek naar aanleiding van de aangifte vertrek van 1 mei 2017. Bij dat onderzoek is de verdachte – zo begrijp ik uit zijn eigen antwoord in de mail – gevraagd wat zijn nieuwe adres was, althans waar hij poststukken wenste te ontvangen. Dit onderzoek is geheel in lijn met de wettelijke verplichting van de burger om van zijn adres en van wijziging daarvan mededeling te doen aan het gemeentebestuur.4 Heeft een ingezetene geen woonadres (meer), dan dient hij bij die gelegenheid immers een briefadres te kiezen.5 Nu de verdachte ter gelegenheid van zijn aangifte van vertrek op 1 mei 2017 geen briefadres heeft opgegeven, is het logische gevolg daarvan dat de gemeente vervolgens nader onderzoek heeft gedaan (heeft moeten doen), teneinde te achterhalen waar de verdachte voor poststukken te bereiken was.6

14. Uiteindelijk is de feitelijke uitschrijving pas op 13 juli 2017 geschied, zo constateer ik met het hof. Een fout van de gemeente kan ik in deze gang van zaken niet bespeuren.7 Het is de verdachte zelf geweest die in gebreke is gebleven door geen briefadres op te geven teneinde zich op die manier bereikbaar te houden voor poststukken (vanuit de overheid), waaronder een eventuele, en – naar ook de verdachte moest begrijpen – geenszins ondenkbare dagvaarding om voor de rechter te verschijnen teneinde zich te verantwoorden voor de strafbare feiten waarvan hij werd verdacht.

15. De betekeningsregeling is immers ingericht op een evenwichtige risicoverdeling tussen de burger en de overheid. De gevolgen van het niet (juist) opgeven van het adres aan het gemeentebestuur komen voor rekening van de burger, zij het dat deze worden gematigd doordat in het geval door of namens de verdachte een afwijkend adres is opgegeven, dan wel daarvan anderszins blijkt, een afschrift van de dagvaarding of oproeping naar dat afwijkende adres moet worden gezonden, c.q. het onderzoek ter terechtzitting moet worden geschorst teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen bij het onderzoek aanwezig te zijn.8 Tegen de achtergrond van de hierboven geschetste gang van zaken, was mijns inziens van een dergelijke matigingsplicht in de onderhavige zaak geen sprake.

16. Bovendien, en wellicht ten overvloede, merk ik op dat de verdachte ook overigens geenszins in zijn belang is geschaad. Immers, na zijn vertrek van het adres [a-straat 1] te [plaats 1] had hij geen nieuwe woon- of verblijfadres waarop hij te bereiken was.9 Ook indien de uitschrijving bij de gemeente wel voor 15 juni 2017 was gerealiseerd, dan nog had de dagvaardingsprocedure in eerste aanleg alleen maar kunnen uitlopen op een griffiersbetekening zonder afschrift.

17. Voor zover het middel nog beoogt te klagen over de geldigheid van de betekening in eerste aanleg op de grond dat de dagvaarding is uitgereikt aan een minderjarige, vindt dat onderdeel van de klacht zijn weerlegging in vaste jurisprudentie waaruit volgt dat van een kind van 13 à 14 jaar (reeds) mag worden verwacht dat het het belang van een gerechtelijk schrijven begrijpt.10 Of degene die zich daartoe bereid heeft verklaard het stuk daadwerkelijk aan de geadresseerde heeft doen toekomen hoeft in rechte niet te blijken.11 Los daarvan staat in cassatie overigens niet vast of de betrokken minderjarige inderdaad verzuimd heeft (het bericht over) de dagvaarding aan de verdachte te doen toekomen.12

18. Het middel faalt.

19. Het eerste middel klaagt over de verwerping van het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting op grond van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv.

20. Het middel komt op tegen het oordeel dat het verplaatsen van een geldkistje en het oppakken en openmaken van een achter dat geldkistje gelegen tas, is te kwalificeren als een zoekend rondkijken in de zin van artikel 9 van de Opiumwet en niet als een doorzoeking. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en onvoldoende is gemotiveerd. In het licht van de verdenking op grond van de Opiumwet en het doel waarvoor zoekend mag worden rondgekeken, laat zich het handelen van de verbalisant niet zonder meer verklaren, nu het zoekend rondkijken zich niet heeft beperkt tot het met de ogen kijken, aldus begrijp ik de steller van het middel.

21. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“1. hij in de periode van 7 oktober 2015 tot en met 14 oktober 2015 te [plaats 2] , in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld in een aan de [b-straat 1] gelegen pand, 388 hennepplanten en 300 hennepstekken, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2. hij in de periode van 1 mei 2015 tot en met 14 oktober 2015 te [plaats 2] tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, toebehorende aan Enexis B.V., waarbij verdachte en zijn mededader die weg te nemen elektriciteit onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking;

3. hij op 14 oktober 2015 te [plaats 2]

- een wapen van categorie III, van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool (merk Zastava, model M88, kaliber 9mm parabellum) en

- munitie van categorie III, van de Wet wapens en munitie, te weten:

* 8 volmantel centraalvuur kogelpatronen (kaliber 9mm Luger);

* 40 centraalvuur kogelpatronen (kaliber 9mm Luger);

* 10 centraalvuur kogelpatronen (kaliber 7x64);

* 12 centraalvuur hagelpatronen (kaliber 12);

voorhanden heeft gehad;

4. hij op 14 oktober 2015 te [plaats 2] een wapen van categorie I onder 7°, van de Wet wapens en munitie, te weten een C02 gasdrukwapen, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en/of afmeting een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen (pistool Walther CP 88) voorhanden heeft gehad.”

22. De bewezenverklaring steunt op de volgende, in het arrest opgenomen, bewijsmiddelen:13

1. Een proces-verbaal relaas onderzoek d.d. 18 april 2016, voor zover inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :

(pag. 14)

Op het adres [b-straat 1] te [plaats 2] staat de volgende persoon ingeschreven:

Achternaam: [verdachte]

Voornamen: [verdachte]

Geboren: [geboortedatum] 1957

Geboorteplaats: [geboorteplaats]

(pag. 15)

Op 14 oktober 2015 werd voornoemde woning binnengetreden.

Het bleek dat op genoemd adres een hennepkwekerij met planten aanwezig was. In de woning werd op de eerste etage en op de zolderverdieping kweekruimtes aangetroffen.

Kweekruimte 1

In totaal stonden er 100 hennepplanten en lagen er 300 hennepstekken.

In totaal hingen er in de kweekruimte 7 assimilatielampen.

In de kweekruimte bevond zich 1 koolstoffilter.

De luchtverversing en luchtafvoer werd geregeld door een aan- en afzuiginstallatie.

Kweekruimte 2

In totaal stonden er 116 hennepplanten.

In totaal hingen er in de kweekruimte 14 assimilatielampen.

In de kweekruimte bevonden zich 3 koolstoffilters.

De luchtverversing en luchtafvoer werd geregeld door een aan- en afzuiginstallatie.

Kweekruimte 3

In totaal stonden er 79 hennepplanten.

In totaal hingen er in de kweekruimte 10 assimilatielampen.

In de kweekruimte bevonden zich 3 koolstoffilters.

De luchtverversing en luchtafvoer werd geregeld door een aan- en afzuiginstallatie.

Kweekruimte 4

In totaal stonden er 26 hennepplanten.

In totaal hingen er in de kweekruimte 4 assimilatielampen.

(pag. 16)

Kweekruimte 5

In totaal stonden er 67 hennepplanten.

In totaal hingen er in de kweekruimte 9 assimilatielampen.

In de kweekruimte bevond zich 1 koolstoffilter.

De luchtverversing en luchtafvoer werd geregeld door een aan- en afzuiginstallatie.

Vaststelling hennep

Wij, verbalisanten, constateerden op grond van onze kennis en ervaring dat het hennepplanten [het hof begrijpt: hennepplanten en -stekken] waren. Wij, verbalisanten, hebben dit geconstateerd, gezien de waargenomen uiterlijke kenmerken, kleur en vorm, en daarnaast de herkenbare geur.

De stroomvoorziening van de hennepkwekerij is onderzocht en hierbij werd geconstateerd dat dit illegaal werd afgenomen.

2. Een geschrift d.d. 30 december 2015, te weten een aangifte van Enexis B.V., voor zover inhoudende de verklaring van [betrokkene 3] namens Enexis B.V.:

(pag. 44)

Enexis B.V. heeft met een persoon/bedrijf genaamd [verdachte] een overeenkomst betreffende aansluiting en transport van elektriciteit naar de [b-straat 1] te [plaats 2] .

De fraude-inspecteur constateerde op 14 oktober 2015 verboden handelingen aan de elektriciteitsinstallatie en trof het volgende aan.

(pag. 45)

De fraude-inspecteur zag dat de hoofdbeveiliging ten behoeve van de elektrische installatie verzwaard was. Contractueel hoort er 3 x 25A in te zitten. Hij zag dat er nu een illegale aansluiting aan de onderzijde van de zekeringshouders was geplaatst. Door vorenstaande werd schade en hinder veroorzaakt aan Enexis B.V. omdat de juiste tarievenregeling niet kon worden toegepast. Voorts was het gelijktijdige af te nemen vermogen van de getransporteerde elektriciteit niet meer in overeenstemming met de installatie.

Door de manipulatie werd afgenomen elektriciteit ten behoeve van de hennepplantage niet correct via de elektriciteitsmeter geregistreerd.

3. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 oktober 2015, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 1] :

(pag. 96)

Op 14 oktober 2015 ben ik, verbalisant [verbalisant 1] , de woning gelegen aan de [b-straat 1] te [plaats 2] binnengetreden. In diverse ruimtes in de woning is een inwerking zijnde hennepkwekerij aangetroffen.

Ik zag in één van de slaapkamers een zwart tasje. Ik, verbalisant [verbalisant 1] , merkte bij het vastpakken van het tasje dat er iets zwaars in zat. Ik voelde dat er in het tasje een voorwerp zat in de vorm van een handvuurwapen. Ik heb dit tasje hierop geopend en bekeken. In het tasje bleek een vuurwapen, patroonhouder met patronen en een los doosje patronen te zitten.

(...)

Zonder de verdachte op de hoogte te stellen van het aantreffen van het vuurwapen is de verdachte nogmaals de cautie medegedeeld. Door mij, verbalisant [verbalisant 1] , is aan verdachte gevraagd of hij wapens in zijn woning aanwezig had. Ik hoorde de verdachte zeggen dat hij een vuurwapen in zijn slaapkamer had liggen. (...) De verdachte gaf mij de locatie aan alwaar door mij het tasje is aangetroffen met daarin het vuurwapen.

(pag. 97)

In de slaapkamer van de verdachte [verdachte] zijn de navolgende goederen aangetroffen en in beslag genomen:

* 1 x patronen (Clever Mirage)

* 11 x patronen (Eley Alphamax)

* 10 x patronen (kaliber 7x64)

* gasdrukwapen (Walther) inclusief cilinders, capsule en projectielen.

4. Een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming, voor zover inhoudende:

(pag. 2)

Inbeslagneming

Plaats : [b-straat 1] te [plaats 2]

Datum : 14 oktober 2015

Omstandigheden : (vuur)wapens en munitie zijn inde woning aangetroffen gelegen aan de [b-straat 1] [plaats 2]

Beslagene : [verdachte]

(pag. 3)

Volgnummer 3

Object : munitie

Aantal/eenheid : 11 patronen

Merk/type : Eley Alphamax

Sin-nummer : AAIJ7242NL

Kaliber : 12

Bijzonderheden : 11 hagelpatronen

Volgnummer 4

Object : munitie

Aantal/eenheid : 1 patroon

Merk/type : Clever Mirage

Sin-nummer : AAIJ7243NL

Kaliber : 12

Bijzonderheden : 1 patroon, hagel

Volgnummer 5

Object : munitie

Aantal/eenheid : 10 patronen

Merk/type : diversen 7x64

Sin-nummer : AAIJ7244NL

Kaliber : 7x64

(pag. 4)

Volgnummer 6

Object : vuurwapen (pistool)

Aantal/eenheid : 1 pistool in de woning aangetroffen te [plaats 2]

Merk/type : Zastava

Sin-nummer : AAIJ7245NL

Kaliber : 9mm para [het hof begrijpt hier en hierna: parabellum]

Bijzonderheden : (vuurwapen zat in een zwarte tas)

Volgnummer 7

Object : magazijn/houder

Sin-nummer : AAIJ7246NL

Bijzonderheden : magazijn met 8 patronen 9mm para (in zwarte tas bij vuurwapen)

Volgnummer 8

Object : munitie

Aantal/eenheid : 40 patronen

Merk/type : diversen 9mm Luger

Sin-nummer : AAIJ7247NL

Kaliber : 9mm Luger

(pag. 5)

Volgnummer 10

Object : vuurwapen (imitatie)

Merk/type : Walther CP88

Sin-nummer : AAIJ7248NL

Bijzonderheden : gasdrukwapen met 1 C02 patroon.

5. Een proces-verbaal onderzoek wapen d.d. 3 november 2015, voor zover inhoudende als het relaas van verbalisant [verbalisant 3] :

(pag. 153)

Pistool (sin AAIJ7245NL)

Ik zag dat dit voorwerp een centraalvuur pistool was van het merk Zastava, model M88, kaliber 9 millimeter parabellum

(pag. 154)

Kogelpatronen (sin AAIJ7246NL)

Ik zag dat bij dit pistool 8 volmantel centraalvuur kogelpatronen van het kaliber 9 millimeter Luger aanwezig waren, afkomstig uit bovengenoemd patroonmagazijn. Deze munitie is geschikt om te worden verschoten met boven omschreven pistool Zastava M88.

6. Een proces-verbaal onderzoek wapen d.d. 4 november 2015, voor zover inhoudende als het relaas van verbalisant [verbalisant 3] :

(pag. 162)

Kogelpatronen (sin AAIJ7247NL)

Ik zag dat dit 40 centraalvuur kogelpatronen waren van het kaliber 9 millimeter Luger.

Deze munitie is geschikt om te worden verschoten met een pistool Zastava M88.

Kogelpatronen (sin AAIJ7244NL)

Ik zag dat dit 10 centraalvuur kogelpatronen waren van het kaliber 7x64 millimeter.

(pag. 163)

Hagelpatronen (sin AAIJ7242NL-AAIJ7243NL)

Ik zag dat dit 12 centraalvuur hagelpatronen waren van het kaliber 12.

7. Een proces-verbaal onderzoek wapen d.d. 3 november 2015, voor zover inhoudende als het relaas van verbalisant [verbalisant 3] :

(pag. 171)

Gasdrukpistool (sin AAIJ7248NL)

Ik zag dat dit voorwerp een C02 gasdrukwapen was in de vorm van een pistool, merk Walther, type CP88.

(pag. 172)

Ik zag dat dit pistool zodanig op een vuurwapen leek dat het voor bedreiging of afdreiging geschikt was.

Ik zag dat dit pistool voor wat betreft vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een bestaand vuurwapen, namelijk een pistool van het merk Walther, model P88 Compact [het hof begrijpt: model CP88].

8. Een proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte d.d. 14 oktober 2015, voor zover inhoudende als de verklaring van de medeverdachte [betrokkene 4] :

(pag. 113)

U vraagt mij of ik weet dat het hebben van een hennepkwekerij verboden is.

[verdachte] [het hof begrijpt: verdachte [verdachte] ] is degene die alles regelt.

9. Een proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte d.d. 14 oktober 2015, voor zover inhoudende als de verklaring van de verdachte [verdachte] :

(pag. 98)

Ik woon op het adres [b-straat 1] te [plaats 2] .

(pag. 99)

U vraagt mij wat ik kan vertellen over de kwekerij welke bij mij is aangetroffen.

Ik heb ruimtes met planten, zowel op de eerste verdieping als op zolder.

U vraagt mij waar ik de lampen heb gekocht.

Ik heb deze lampen (...) gekocht.

(...)

Ik heb voor iedere plant (...) betaald.

U vraagt mij wie de stroomvoorzieningen heeft opgebouwd. Dat is via de growshop geregeld. Zij hebben vanuit die zaak iemand gestuurd. Ik was op de hoogte dat het illegaal was aangelegd.

10. Een proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte d.d. 15 oktober 2015, voor zover inhoudende als de verklaring van de verdachte [verdachte] :

(pag. 100)

U vraagt mij of ik in het bezit ben van wapens. Ik kan u vertellen dat ik in het bezit ben van een 9mm pistool. Dit pistool bewaar ik op mijn slaapkamer. Daarnaast ben ik ook in bezit van munitie voor dit 9mm pistool.

(pag. 101)

Daarnaast heb ik nog twee luchtdrukpistolen.

11. Een proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte d.d. 15 oktober 2015, voor zover inhoudende als een weergave van het verhoor van de verdachte [verdachte] :

(pag. 102)

V=vraag verbalisanten

A=antwoord verdachte

(pag. 104)

V: wie is de eigenaar van de hennepkwekerij?

A: dat ben ik zelf.

V: wie heeft de hennepkwekerij ingericht?

A: dat ben ik zelf gedaan.

V: wie heeft de hennepkwekerij aangelegd?

A: dat heb ik zelf gedaan.

(...)

Y: hoe ben jij aan de plantjes gekomen?

A: deze heb ik gekocht.

(pag. 105)

V: waar zijn de benodigde goederen (assimilatielampen, pompen, kweekbakken, koolstoffilters) gekocht?

A: die zijn bij een soort van growshop gekocht.

V: wie heeft de benodigde goederen voor de hennepkwekerij gekocht?

A: dat ben ik zelf geweest.

V: wie verzorgde de hennepplanten?

A: dat ben ik zelf geweest.

V: wat zou u met de oogst van de hennepkwekerij doen?

A: deze zou ik verkopen.

(pag. 106)

V: wie zou zorg dragen voor het oogsten?

A: dat zou ik zelf doen

V: wie heeft elektriciteit voor de hennepkwekerij aangelegd?

A: in eerste instantie heb ik het op de legale stroominstallatie aangesloten. Vervolgens ben ik door iemand ingelicht dat ik het beter voor de meter kan aansluiten. Hiermee bedoel ik een illegale aansluiting op de meterkast aanleggen.

V: hoe werd de elektriciteit aangelegd?

A: de leverancier van de hennepplanten heeft hier iemand voor gestuurd.

(pag. 107)

V: bent u op de hoogte van het feit dat de elektriciteit, ten behoeve van de hennepkwekerij, is aangesloten voor de meter en bent u zich ervan bewust dat u hierdoor diefstal van elektriciteit pleegt?

A: ja dat ben ik.

V: waarom heeft u dit toch gedaan?

A: omdat het net zo illegaal is als het houden van een hennepkwekerij.

(pag. 108)

V: hoe ben je in het bezit gekomen van de 9mm munitie die bij dit 9mm pistool is aangetroffen?

A: dit heb ik samen met het pistool gekocht.

(...)

V: in uw woning zijn diverse munitie aangetroffen. Wat kunt u hierover verklaren?

A: dit is oude munitie die ik in het verleden gebruikte toen ik nog lid was van de schietvereniging. (...) deze munitie had ik thuis opgeslagen.

Het waren munitie voor de 300 meterbaan, dit betreffen de smallere munitie. De dikkere munitie betrof hagelmunitie.

V: was het u bekend dat het strafbaar is om munitie thuis te hebben?

A: ja het is mij bekend.”

23. Het hof heeft ten aanzien van de bewijsvoering het volgende overwogen:

“De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Op gronden nader verwoord in haar pleitnota heeft de verdediging daartoe – kort weergegeven – het volgende aangevoerd. De verbalisanten zijn onrechtmatig de woning binnengetreden, want zij hebben de grenzen van het zoekend rondkijken overschreden, hetgeen een onherstelbaar vormverzuim oplevert in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Deze schending dient te leiden tot bewijsuitsluiting van al hetgeen in de woning is aangetroffen en bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs dient de verdachte van alle ten laste gelegde feiten te worden vrijgesproken.

Daarnaast kan het onder 1 ten laste gelegde feit niet worden bewezen, omdat de verdachte niet van 7 oktober 2013 tot en met 14 oktober 2015 hennepplanten en -stekken heeft geteeld, maar van 15 mei 2015 tot en met 14 oktober 2015. Ook is niet vastgesteld dat de planten en -stekken hennep was, zijn de ten laste gelegde aantallen hennepplanten en -stekken niet juist, noch is er sprake van grootschalige hennepteelt.

Voorts kan het onder 2 ten laste gelegde feit niet worden bewezen, omdat de juistheid van de aangifte en de rapportage van Enexis B.V. wordt betwist waardoor bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs vrijspraak van dit feit dient te volgen, aldus de verdediging.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Vormverzuim

Allereerst ziet het hof zich voor de vraag gesteld of er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.

In dat verband is het belangrijk dat er een onderscheid wordt gemaakt tussen het binnentreden van de woning van de verdachte en het doorzoeken van de woning. Het pleidooi van de verdediging miskent dit onderscheid. De verdediging heeft namelijk haar argumenten voor het onrechtmatig doorzoeken van de woning verbonden aan de conclusie dat de woning van de onrechtmatig is binnengetreden.

Naar het oordeel van het hof heeft de verdediging onvoldoende duidelijk en gemotiveerd aangegeven waarom er sprake zou zijn van een onrechtmatige binnentreding van de woning. Ook uit het onderzoek zijn geen aanwijzingen verkregen dat de verbalisanten onrechtmatig de woning zijn binnengetreden. Het hof verwerpt derhalve dit onderdeel van het verweer.

Daarnaast stelt de verdediging dat de woning is doorzocht, terwijl pas achteraf om toestemming is gevraagd en daarbij is niet voldaan aan het vereiste van “informed consent”. In dat kader is met name het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 1] van belang. Het hof ziet geen aanleiding om aan de inhoud van dat proces-verbaal te twijfelen en stelt (met name) op basis van dat proces-verbaal het volgende vast.

In de woning van de verdachte is zoekend rondgekeken op de grond van de Opiumwet. In diverse ruimtes is in de woning een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen.

Verbalisant [verbalisant 1] heeft in een slaapkamer een – direct voor het oog zichtbare – geldkistje aangetroffen. Hij heeft dit kistje inbeslaggenomen en zag vervolgens een zwarte tas achter het geldkistje liggen. Ook deze tas is inbeslaggenomen om te kijken of er geld in zat.

Verbalisant [verbalisant 1] heeft bij het vastpakken van de tas gemerkt dat er iets zwaars in zat met de vorm van een vuurwapen. Hierop heeft hij de tas geopend en een handvuurwapen, een patroonhouder met patronen en een los doosje patronen aangetroffen.

Naar het oordeel van het hof zijn voormelde handelingen niet aan te merken als een doorzoeking, maar als zoekend rondkijken waartoe verbalisant [verbalisant 1] gerechtigd was op basis van artikel 9 van de Opiumwet. Na het oppakken van de tas ontstond een verdenking op grond van de Wet Wapens en Munitie en mocht de verbalisant de tas openen om [de] te kijken of zijn vermoeden gegrond was. Na de vondst van het vuurwapen, en zelfs nadat de verdachte zonder van deze vondst op de hoogte te zijn gebracht na het geven van de cautie had verklaard dat hij een vuurwapen in zijn slaapkamer had liggen, heeft de verdachte vrijwillig mondeling zijn toestemming gegeven voor de doorzoeking, die eerst daarna is gestart. Daarnaast heeft verdachte ter plekke een formulier vrijwillige toestemming doorzoeking ondertekend (pag. 95). Het verweer van de verdediging mist daarom feitelijke grondslag en wordt dan ook verworpen. Bovendien was de doorzoeking, indien de toestemming buiten beschouwing wordt gelaten, ook rechtmatig op grond van artikel 49 van de Wet wapens en munitie.

Het hof verwerpt de verweren met betrekking tot de vormverzuimen.

Feit 1

De verweren van de verdediging met betrekking tot feit 1 worden weerlegd door de gebruikte bewijsmiddelen. Het hof ziet geen aanleiding om aan de inhoud van de processen-verbaal te twijfelen; dus ook niet over de aantallen en de vaststelling van hennep. Voor zover de verdediging bedoeld heeft te stellen dat zonder rapportage van een onafhankelijke deskundige niet bewezen kan worden verklaard dat de aangetroffen planten hennepplanten zijn mist deze stelling steun in het recht. De vaststelling door de verbalisanten op grond van hun kennis en ervaring opgedaan bij eerdere ontmantelingen van hennepkwekerijen (pag. 16) is daartoe voldoende. Voorts heeft de verdachte zelf bij de politie en in hoger beroep verklaard dat de hennepkwekerij van hem was. Ten slotte stelt het hof vast dat de periode 7 oktober 2015 tot en met 14 oktober 2015 ten laste is gelegd en bewezen is verklaard en niet de periode van 7 oktober 2013 af, zoals de verdediging ten onrechte stelt.

Het hof verwerpt de verweren van de verdediging met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde feit.

Feit 2

In hetgeen de verdediging heeft aangedragen ziet het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud van [het] de voor het bewijs gebruikte aangifte en het rapport van Enexis B.V. Het hof merkt daarnaast op dat ook de verdachte heeft verklaard dat hij (op advies) een illegale aansluiting van elektriciteit heeft laten aanleggen.

Daarnaast wil het hof de verdediging ten overvloede erop wijzen dat de al dan niet onveiligheid van de illegale aansluiting van elektriciteit, niet relevant is voor de vraag of er sprake was van diefstal. Ook doet het feit dat er ten gevolge van de illegale afname ook civielrechtelijk een vordering van Enexis op de verdachte is ontstaan, niet af aan de strafbaarheid – en daarmee de laakbaarheid – van het handelen van de verdachte. Veel strafbare feiten leveren tegelijkertijd een civielrechtelijke claim op (onrechtmatige daad), die het slachtoffer ook in het strafrecht als benadeelde partij kan indienen. De (extra) civielrechtelijke vordering van Enexis is overigens ook pas kunnen ontstaan omdat en nadat de illegale afname is ontdekt.

Het verweer met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde feit wordt verworpen.

Resumé

Het hof verwerpt de verweren van de verdediging op al haar onderdelen.”

24. De aan het proces-verbaal van de inhoudelijke zitting van 3 juni 2019 gehechte pleitnotities houden – voor zover hier van belang – het volgende in:

“VORMVERZUIMEN

Volgens de verdediging is in dezen dan allereerst sprake van een vormverzuim. Met name heeft de verdediging op- en bemerkingen met betrekking tot het binnentreden van de politie in de woning.

Ten aanzien van de (on)rechtmatigheid van het binnentreden in de woning

Voor het binnentreden van een woning gelden bijzondere regels die zijn neergelegd in de Algemene wet op het binnentreden (Awbi).

In casu is dan nog tevens van belang hetgeen ter zake is opgenomen aan bepalingen in de Opiumwet en in de Wet Wapens en Munitie.

Deze regels moeten strikt worden nageleefd.

Getoetst aan deze regels en de jurisprudentie is de verdediging van mening dat het politieoptreden in dezen onrechtmatig is geweest.

Daartoe wordt het volgende overwogen.

Binnentreden op grond van Opiumwet

Als het gaat om binnentreden in geval van Opiumwet-zaken is met name artikel 9 van de Opiumwet van belang.

Deze bepaling moet dan in samenhang worden toegepast met de regeling in de Algemene wet op het binnentreden.

De Opiumwet geeft de politie op zich wel ruime bevoegdheid plaatsen te betreden waarvan (dat is wel een uitdrukkelijke voorwaarde) men redelijkerwijs kan vermoeden dat daar een overtreding van de Opiumwet plaatsvindt.

De politie is tevens bevoegd tot inbeslagname van voorwerpen waarmee men vermoedt dat de Opiumwet wordt overtreden.

Alleen zoekend rondkijken is toegestaan

Overigens mag de politie na binnentreden alleen zoekend rondkijken om te bezien wat hij in beslag wil nemen.

Voor een daadwerkelijke doorzoeking, waarbij in kasten wordt gekeken, gelden zwaardere eisen.

De verdediging is van mening dat met name aan die zwaardere eisen in casu niet is voldaan.

Zoals uit de zich in het Pv bevindende kopieën van foto's (zie met name pag. 181 van het PV) van de in de woning aangetroffen spullen is te zien is de woning door de politie helemaal overhoop gehaald en heeft de politie zich na binnentreden derhalve allesbehalve beperkt tot zoekend rondkijken.

De politie is bij het overhoop halen van de woning overigens uiteindelijk zeer selectief te werk gegaan en heeft van alle papieren die op de foto's zijn te zien slechts één bewijsstuk meegenomen wat in het Pv wordt aangeduid met werkschema uit 2013.

Hetgeen is gesteld met betrekking tot de relevante wetsbepalingen als het gaat om overtreding van de Opiumwet geldt ook met betrekking tot de geconstateerde overtreding van de Wet Wapens en Munitie, derhalve de regeling zoals opgenomen in de Algemene wet op het binnentreden en artikel 49 van de Wet Wapens en munitie.

Er kan alleen huiszoeking worden gedaan op plaatsen waar redelijkerwijs kan worden vermoed dat wapens en munitie op die plaats aanwezig zijn.

Deze situatie deed zich in dezen niet voor.

Het gevonden pistool met patronen lag absoluut niet zichtbaar in de woning: het pistool en de munitie bevond zich in een kastje in een afgesloten tasje waaraan van de buitenkant helemaal niet was te zien dat deze een vuurwapen bevatte.

Bij het zoekend rondkijken kan de politie het pistool met munitie dus onmogelijk kunnen hebben gezien.

Er was dan ook geen sprake van een redelijk vermoeden van overtreding van de Wet Wapens en munitie.

Mijnheer is pas achteraf tijdens het politieverhoor met de vraag geconfronteerd of in de woning een vuurwapen was.

Mijnheer heeft toen eerlijk bekend dat hij inderdaad over een vuurwapen beschikte en heeft ook aangegeven waar dat vuurwapen was te vinden, maar de politie had dat vuurwapen al eerder (na binnentreden van de woning) gevonden!

In dezen is sprake van een verzochte toestemming achteraf!

In casu is ook sprake van schending van artikel 8 van het ERM. Met name wordt niet voldaan aan het vereiste van "informed consent". De politie had mijn cliënt er namelijk ook (en dan ook vooraf) op moeten wijzen dat hij niet gehouden is toestemming te verlenen. Ook dat is niet gebeurd.

Er is derhalve sprake van ernstige inbreuk op het huisrecht.

Gevolgen onrechtmatige binnentreding

De verdediging bepleit op grond van al het voorgaande bewijsuitsluiting ex artikel 359a Wetboek van Strafvordering.

Dit geldt met name voor het bewijsstuk dat overigens ten onrechte is aangemerkt als werkschema 2013 en tevens al datgene dat in de woning is aangetroffen en dan met name wat aan bewijs in beslag is genomen.

Dit geldt dus ook voor het vuurwapen en het gasdrukpistool.

PRIMAIR wordt dan ook op grond van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs door de verdediging vrijspraak bepleit van hetgeen in de dagvaarding ten laste is gelegd.

SUBSIDIAIR wordt in elk geval strafvermindering bepleit indien en voor zover in dezen althans kan worden gekomen tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.”

25. Als ik het goed begrijp werpt het middel twee vragen op. De eerste vraag is of de handelingen van de betrokken opsporingsambtenaar die de zwarte tas met daarin het pistool en de munitie heeft gevonden, verder zijn gegaan dan ‘zoekend rondkijken’ en derhalve moeten worden aangemerkt als een ‘doorzoeking’. Zo ja, was de betrokken opsporingsambtenaar (op een andere grond) bevoegd tot doorzoeking? Alleen wanneer die vraag ontkennend moet worden beantwoord, kan het middel ergens toe leiden.

26. Artikel 9 lid 1, aanhef en onder b, Opiumwet verschaft opsporingsambtenaren de bevoegdheid om zich doorgang en toegang te verschaffen tot de plaats waar een overtreding van de Opiumwet wordt gepleegd of waar redelijkerwijze vermoed kan worden dat zodanige overtreding wordt gepleegd. Zij mogen – volgens vaste jurisprudentie – ‘zoekend rondkijken’ en bij die gelegenheid – op de voet van artikel 9 lid 3 Opiumwet – voorwerpen die voor de hand liggen in beslag nemen. In beslag genomen voorwerpen kunnen vervolgens aan een stelselmatig onderzoek worden onderworpen. Artikel 9 van de Opiumwet geeft echter niet de bevoegdheid tot doorzoeking, dat wil zeggen tot een stelselmatig en gericht onderzoek op de aanwezigheid van in beslag te nemen voorwerpen.14

27. Voor de beantwoording van de eerste vraag van het middel is derhalve relevant waar de grens ligt tussen ‘zoekend rondkijken’ en ‘doorzoeken’. Aan Corstens ontleen ik hierover:

“Waar ligt nu precies de grens tussen zoekend rondkijken en doorzoeken? De Commissie Moons, die deze tweedeling als uitgangspunt van het huidige wettelijke systeem heeft geïntroduceerd, geeft een aantal voorbeelden van doorzoeken: ‘het openen van kasten, laden,

klokken alsmede iedere verbreking’. De opsporingsambtenaar die is binnengetreden, mag daarentegen ‘alleen voor de hand liggende voorwerpen’ in beslag nemen. Bij het zoekend rondkijken mag hij voorwerpen in beslag nemen ‘die hij met het blote oog kan waarnemen’, mits ‘daarvoor geen additionele opsporingshandeling, zoals het openen van kasten of het verbreken van deuren, noodzakelijk is.’ Kortom: zoekend rondkijken betekent ‘handen op de rug’. In de wetsgeschiedenis van de wet herziening gerechtelijk vooronderzoek wordt deze uitleg van het zoekend rondkijken overgenomen: ‘De voor inbeslagneming vatbare voorwerpen moeten met het oog zijn waar te nemen.’

Deze op zich heldere toelichting op het onderscheid tussen zoekend rondkijken en doorzoeken neemt overigens niet weg dat de precieze grens door de rechtspraak zal moeten worden bepaald aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden. Het openmaken van een kast terwijl de opsporingsambtenaar tevoren was verteld dat in die kast verdovende middelen lagen, is – terecht – aangemerkt als een handeling die niet kan worden gelegitimeerd op basis van zoekend rondkijken.” 15

28. Het onderscheidend criterium is derhalve of de ‘zoekend rondkijkende’ opsporingsambtenaar een voorwerp al dan niet met het blote oog kan waarnemen, zonder dat hij daarvoor bijvoorbeeld een kast moet openen of een deur moet verbreken.

29. Welnu, uit de bewijsvoering van het hof blijkt het volgende:

- de verbalisanten zijn rechtmatig de woning binnengetreden;

- vervolgens hebben zij daar zoekend rondgekeken op grond van (ik begrijp: artikel 9 van) de Opiumwet;

- daarbij werd in diverse ruimtes in de woning een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen;

- verbalisant [verbalisant 1] heeft in een slaapkamer een – direct voor het oog zichtbaar – geldkistje aangetroffen;

- verbalisant [verbalisant 1] heeft dit geldkistje in beslag genomen;

- hij zag vervolgens achter het geldkistje een zwarte tas liggen;

- hij heeft ook deze tas in beslag genomen om te kijken of er geld in zat;

- bij het vastpakken van deze tas heeft de verbalisant gemerkt dat er een zwaar voorwerp in zat met de vorm van een vuurwapen;

- daarop ontstond bij de verbalisant een (nieuwe) verdenking op grond van de Wet Wapens en Munitie;

- de verbalisant heeft de tas vervolgens geopend en een handvuurwapen, een patroonhouder met patronen en een los doosje patronen aangetroffen.

30. Door de steller van het middel worden bovenstaande vaststellingen niet bestreden, zodat in cassatie hiervan kan worden uitgegaan.

31. Dat het hof in casu heeft geoordeeld dat (1) het aantreffen en (2) het in beslag nemen van zowel het geldkistje als de daarachter liggende zwarte tas met inhoud valt onder het ‘zoekend rondkijken’ van de betrokken verbalisant getuigt mijns inziens niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Het geldkistje was – zo overweegt het hof uitdrukkelijk – voor de verbalisant direct voor het oog zichtbaar en kon dus worden opgepakt en in beslag worden genomen. Vervolgens werd de zwarte tas eveneens voor het oog zichtbaar, zo begrijp ik de overwegingen van het hof. Derhalve kon ook deze tas worden opgepakt en in beslag worden genomen. De verbalisant heeft bij dit alles geen kast hoeven openen of een deur hoeven verbreken. Van een doorzoeking was op dat moment dus geen sprake.

32. Onbegrijpelijk is evenmin dat de tas vervolgens is geopend om – zoals het hof eveneens uitdrukkelijk overweegt – te zien of er geld in de tas zat. Onder de vastgestelde omstandigheden, te weten dat er in de woning sprake was van een in werking zijnde hennepplantage, is het in beslag nemen van de tas met het doel om te onderzoeken of er geld in zat logisch te verklaren, zeker nu de tas direct achter het geldkistje lag.16 Dat de verbalisant vervolgens geen geld, maar een pistool en munitie aantrof, doet aan de bovenomschreven bevoegdheid op grond van de Opiumwet niet af. Kortom, ook zonder een verdere verdenking op grond van de Wet wapens en munitie erbij te betrekken, kon het hof hier oordelen dat er geen sprake was van een (onrechtmatige) doorzoeking. Met andere woorden, de eerste vraag kan ontkennend worden beantwoord.

33. Aan de tweede vraag komen we dan ook niet toe. Desalniettemin heeft het hof – en voor de goede verstaander dus ten overvloede – uitdrukkelijk overwogen dat een verdenking op grond van de Wet wapens en munitie ontstond op het moment dat de verbalisant de tas oppakte ter inbeslagneming. Daarmee kwam de doorzoekingsbevoegdheid op grond van artikel 49 Wet wapens en munitie in beeld en bestond er dus, zo interpreteer ik deze overweging van het hof, een tweede bevoegdheidsgrondslag om de tas te openen teneinde een onderzoek in te stellen naar de inhoud ervan.17

34. Al met al schiet het hof hier geenszins tekort in zijn motivering van de rechtmatigheid van het handelen van de betrokken verbalisant, noch zijn de overwegingen van het hof in strijd met vigerende rechtspraak. Het verweer van de verdediging is met een toereikende motivering verworpen.

35. Het middel faalt.

36. Het derde middel klaagt dat het oordeel van het hof dat de verdachte heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf als bedoeld in artikel 11 lid 3 Opiumwet, onvoldoende is gemotiveerd. Hiertoe wordt aangevoerd:

(1) uit de bewijsmiddelen kan niet zonder meer blijken dat het feit gepleegd is in de uitoefening van een beroep of een bedrijf, mede omdat sprake was van een hennepkwekerij die was aangetroffen op de zolderverdieping van de door de verdachte bewoonde woning;

(2) het hof heeft geen nadere motivering gegeven voor dit onderdeel van de bewezenverklaring.

37. De tenlastelegging van het eerste feit is toegesneden op artikel 11 lid 3 Opiumwet. Daarom moet de in de tenlastelegging voorkomende uitdrukking ‘in de uitoefening van een beroep of bedrijf’ geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in dat artikel. Mede met het oog op het strafverhogende effect van dit bestanddeel – een verdrievoudiging van het strafmaximum van de op te leggen vrijheidsstraf – moeten aan de vaststelling daarvan bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter in voorkomende gevallen daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven.18

38. Uit de bewijsmiddelen heeft het hof het volgende afgeleid:

- de verdachte heeft in zijn woning opzettelijk een aanzienlijke hoeveelheid, te weten 388 hennepplanten en 300 hennepstekken, geteeld (bewijsmiddel 1);

- het teeltproces vond plaats in vijf afzonderlijk daarvoor ingerichte ruimtes, verdeeld over de eerste etage en de zolder van de woning (bewijsmiddel 1);

- de kweekruimtes waren voorzien van de nodige technische middelen, zoals assimilatielampen, pompen, kweekbakken, koolstoffilters alsmede aan- en afzuiginstallaties (bewijsmiddel 1);

- de stroomvoorziening van de hennepkwekerij werd illegaal afgenomen (bewijsmiddelen 1 en 2);

- de verdachte heeft (aanzienlijke) investeringen gedaan om de kwekerij te realiseren: het aankopen via een growshop van de benodigde technische middelen en planten alsmede het via de growshop laten aanleggen en opbouwen van de illegale stroomvoorzieningen (bewijsmiddelen 9 en 11);

- de verdachte was voornemens de oogst van de hennepkwekerij te verkopen (bewijsmiddel 11).

39. De nadere bewijsoverwegingen van het hof houden – voor zover hier van belang – het volgende in:

“De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Op gronden nader verwoord in haar pleitnota heeft de verdediging daartoe - kort weergegeven - het volgende aangevoerd.

(…)

Daarnaast kan het onder 1 ten laste gelegde feit niet worden bewezen, omdat (…). Ook is niet vastgesteld dat de planten en -stekken hennep was, zijn de ten laste gelegde aantallen hennepplanten en -stekken niet juist, noch is er sprake van grootschalige hennepteelt.

(…)

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

(…)

Feit 1

De verweren van de verdediging met betrekking tot feit 1 worden weerlegd door de gebruikte bewijsmiddelen. Het hof ziet geen aanleiding om aan de inhoud van de processenverbaal te twijfelen; dus ook niet over de aantallen en de vaststelling van hennep. (…) Ten slotte stelt het hof vast dat de periode 7 oktober 2015 tot en met 14 oktober 2015 ten laste is gelegd en bewezen is verklaard (…).

Het hof verwerpt de verweren van de verdediging met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde feit.

(…)

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.”

40. Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat het hof in zijn nadere bewijsoverwegingen niet met zoveel woorden nog eens tot uitdrukking heeft gebracht dat het hier ging om een professioneel opgezette hennepkwekerij, waarvoor de verdachte niet alleen aanzienlijke investeringen heeft moeten doen, maar waarvoor hij ook de (professionele) diensten van een growshop heeft ingezet, de opbrengsten van de kwekerij bestemd waren voor de verkoop en de capaciteit van de kwekerij niet gering was.

41. De vraag is of het ontbreken van een dergelijke nadere overweging in deze zaak tot cassatie moet leiden. Ik meen van niet. Uit de bewijsmiddelen kan immers zonder meer worden afgeleid dat de teelt zodanig grootschalig en professioneel was dat sprake was van handelen ‘in de uitvoering van een beroep of bedrijf’ in de betekenis die daaraan toekomt in artikel 11 lid 3 Opiumwet. Dat de hennepkwekerij vroegtijdig is ontdekt en daarom een relatief korte periode heeft plaatsgehad hoeft hieraan niet af te doen.19 Bovendien heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep zelf verklaard dat hij de hennepkwekerij in mei 2015 is gestart als “een handvat om faillissement te voorkomen” en spreekt hij over twee kweekcycli.20 Tot slot is het verweer van de verdediging, inhoudende dat de tenlastegelegde aantallen hennepplanten en -stekken niet juist zijn, door het hof onder verwijzing naar de bewijsmiddelen op een begrijpelijke manier verworpen.

42. Het middel faalt.

43. Het tweede middel klaagt dat het hof in strijd met artikel 359 lid 6 Sv in zijn uitspraak niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die hebben geleid tot het opleggen van een geheel onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf.

44. In de toelichting wordt aangevoerd dat de strafoplegging om de volgende reden verbazing wekt. De rechtbank heeft, naar achteraf is gebleken, ten onrechte rekening houdend met eerdere onherroepelijke veroordelingen voor soortgelijke strafbare feiten, acht maanden gevangenisstraf opgelegd, waarvan vier maanden voorwaardelijk. Het hof heeft daarentegen, en zonder nadere toelichting, acht maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd, onder de (juiste) vaststelling dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

45. Die nadere toelichting kan volgens de steller van het middel niet worden gevonden in de volgende overwegingen van het hof:

- de verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het grootschalig, beroeps- of bedrijfsmatig en op professionele wijze telen van hennepplanten en -stekken;

- de verdachte bewaarde het vuurwapen en de munitie bij elkaar op zijn slaapkamer in de woning waar zich ook een grote hennepkwekerij bevindt;

- de strafbare feiten worden ‘gekleurd’ door omstandigheden waaronder de verdachte de strafbare feiten heeft gepleegd, waaronder het aantreffen van een stiletto, twee boksbeugels, een aanzienlijke hoeveelheid zegels, zegelbedrading en twee druk zegeltangen;

- het hof ziet geen aanleiding in onder meer de houding van de verdachte om een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen.

46. Het bestreden arrest houdt als motivering van de straf het volgende in:

“Op te leggen sanctie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal bevestigen inclusief de opgelegde gevangenisstraf van 8 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De verdediging heeft primair verzocht dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van maximaal 100 uren. Subsidiair heeft de verdediging verzocht dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van hoogstens 100 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met aftrek van voorarrest met een proeftijd van 2 jaren. Op gronden nader verwoord in haar pleitnota heeft de verdediging daartoe – kort weergegeven – het volgende aangevoerd. De verdachte heeft een hennepkwekerij gestart om faillissement van zijn bedrijf te voorkomen. De verdachte had het wapen en munitie uit veiligheidsoverwegingen aangeschaft, omdat hij eerder door leden van een motorclub met de dood was bedreigd. Hij had geen enkel kwaad in de zin. De verdachte is door de onderhavige zaak zijn bedrijf en netwerk kwijtgeraakt. De hennepkwekerij heeft hem geen winst opgeleverd doch alleen maar nadeel. Hij heeft geen inkomsten en zijn schulden lopen op. De rechtbank heeft zich laten leiden door fouten in het uittreksel Justitiële Documentatie. Die gemaakte fouten zijn eerder redenen tot strafmatiging dan strafverzwaring, aldus de verdediging.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het grootschalig, beroeps- of bedrijfsmatig en op professionele wijze telen van hennepplanten en -stekken, waarbij tevens een hoeveelheid elektriciteit is gestolen. De bijdrage van de verdachte aan de productie van softdrugs houdt de illegale handel in softdrugs in stand en veroorzaakt bovendien allerlei maatschappelijk ongewenste effecten. Daarnaast is wetenschappelijk aangetoond dat het frequent gebruik van softdrugs de volksgezondheid kan schaden, met name waar het geestelijke aandoeningen betreft. De verdachte heeft zich daar onvoldoende rekenschap van gegeven en heeft met zijn strafbare handelen, uitsluitend met het oog op persoonlijk financieel gewin, de instandhouding van het criminele drugscircuit bevorderd.

Daarnaast heeft de verdachte een vuurwapen en munitie voorhanden gehad. Het ongecontroleerde bezit van een dergelijk wapen en munitie brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en leidt niet zelden tot het plegen van ernstige geweldsdelicten. Ter voorkoming daarvan moet streng worden opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben daarvan. Daar komt nog bij dat de verdachte dit vuurwapen en de daarvoor geschikte munitie bij elkaar bewaarde op zijn slaapkamer in een woning waarin zich een grote hennepkwekerij bevond. Het hof rekent dit hem zwaar aan. Ook had de verdachte een op een vuurwapen gelijkend voorwerp (verboden wapen in de zin van de Wet wapens en munitie) voorhanden; doordat deze voorwerpen een sprekende gelijkenis vertonen met echte vuurwapens, zijn deze voorwerpen geschikt voor bedreiging of afdreiging. Tegen het bezit van dergelijke wapens dient derhalve ook streng te worden opgetreden.

Naast de 388 hennepplanten, de 300 hennepstekken, de illegale aansluiting op de elektriciteitsinstallatie, het vuurwapen, de verschillende soorten munitie en het imitatiewapen, zijn er nog een stiletto, twee boksbeugels, een aanzienlijke hoeveelheid zegels, zegelbedrading en twee druk zegeltangen aangetroffen. Het hof oordeelt dat deze bijkomende feiten de omstandigheden kleuren waaronder de verdachte de strafbare feiten heeft gepleegd en weegt dit mee ten nadele van verdachte.

Bij de op te leggen straf heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 18 maart 2019, betrekking hebbende op het justitieel verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder onherroepelijk voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek van voorarrest waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis zal bevestigen en heeft dus impliciet dezelfde straf gevorderd. Het hof is met de rechtbank en advocaat- generaal van oordeel dat zowel de strafmodaliteit (gevangenisstraf) als de duur (8 maanden) passend en geboden is. Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal, ziet het hof in de ernst van de feiten en de houding van de verdachte geen aanleiding te bepalen dat een deel van die gevangenisstraf voorwaardelijk zal worden opgelegd.

Alles overziend, zal het hof de verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek van voorarrest.

In beslag genomen voorwerpen

Onder de verdachte is een werkschema aangetroffen. Dit werkschema lag (deels) ten grondslag aan het opstarten van de hennepkwekerij zoals is bewezen verklaard onder het eerste ten laste gelegde feit. Ten tijde van het begaan van dat feit, behoorde dit werkschema toe aan verdachte. Het hof is daarom van oordeel dat het voorwerp vatbaar is voor verbeurdverklaring en zal het voorwerp verbeurd verklaren.

Voorts zijn er nog een aantal voorwerpen (wapens en munitie) onder de verdachte in beslag genomen. Het hof is van oordeel dat de goederen onder de nummers 3 tot en met 8 en 10 op de lijst van in beslag genomen voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, omdat dit voorwerpen zijn met betrekking tot welke de feiten zijn begaan en van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang. De onder de nummers 1 en 2 op de lijst van in beslag genomen voorwerpen zijn eveneens vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, omdat dit voorwerpen zijn die kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke feiten en van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

Het hof zal de teruggave aan de verdachte gelasten van het onder nummer 9 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen vermelde luchtdrukwapen. Naar oordeel van het hof verzet het belang van strafvordering zich niet meer tegen de teruggave daarvan.”

47. Vooropgesteld dient te worden dat de feitenrechter vrij is in de bepaling van de straf en de waardering van de factoren die hij daartoe van belang acht. In cassatie kan niet worden onderzocht of de juiste straf is opgelegd en evenmin of de straf beantwoordt aan alle daarvoor in aanmerking komende factoren, zoals de ernst van het feit of de persoon van de verdachte. In cassatie kan de strafmotivering slechts op haar begrijpelijkheid worden getoetst.

48. Ingevolge artikel 359 lid 6 Sv dient de rechter het opleggen van een vrijheidsstraf nader te motiveren. Dit vereist dat de rechter in de strafmotivering uiteenzet dat hij een straf of maatregel oplegt die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Bovendien dient hij op te geven om welke redenen niet kan worden volstaan met een andere dan een vrijheidsbenemende sanctie.21

49. Anders dan de steller van het middel naar voren brengt, schiet het hof geenszins tekort in zijn strafmotivering, ook niet in het licht van de nadere motiveringseis van artikel 359 lid 6 Sv. Het hof heeft overwogen waarom hij zowel de strafmodaliteit (gevangenisstraf) als de duur ervan (acht maanden onvoorwaardelijk) passend en geboden acht en daartoe in zijn motivering uiteengezet waarom het hof de feiten, en met name de combinatie ervan, de verdachte zwaar aanrekent. In die overwegingen heeft het hof geen omstandigheden meegewogen die hij niet had mogen meewegen. Noch wekt de opgelegde straf verbazing.22

50. Zo mocht het hof de ernst van de bewezenverklaarde feiten inkleuren door mee te wegen dat de bewezen verklaarde feiten zijn gepleegd gelijktijdig met niet ten laste gelegde strafbare feiten. In dit geval betreft dat het verboden bezit van de overige onder de verdachte aangetroffen wapens (stiletto, boksbeugels), alsmede het illegaal verbreken van de verzegeling van de stoppenkast en het daartoe voorhanden hebben van materiaal om na verbreking nieuwe verzegeling aan te brengen.23 Ook mocht het hof de houding van de verdachte laten meewegen in de bepaling van de straf. Uit het verhandelde ter terechtzitting op 3 juni 2019 heeft het hof kunnen afleiden dat de verdachte geen berouw heeft getoond, noch het laakbare van zijn handelen heeft willen inzien.24

51. Voor zover in het middel wordt aangevoerd dat het hof de straf niet mede had mogen baseren op de overweging dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het grootschalig, beroeps- of bedrijfsmatig en op professionele wijze telen van hennepplanten en -stekken omdat zulks niet uit de bewijsmiddelen blijkt, mist het feitelijke grondslag. Ik verwijs daartoe naar mijn bespreking van het derde middel.

52. Met alle andere middelen moet ook dit middel falen. Het eerste en het tweede middel lenen zich voor afdoening met de aan artikel 81 RO ontleende motivering.

53. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

54. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317, rov. 3.29 en rov. 3.41.

2 Geldend vanaf 6 januari 2014. Dit artikel is op 1 januari 2020 vervangen door artikel 36e Sv, bij Wet van 22 februari 2017, houdende wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met een herziening van de wettelijke regeling van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen (Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen), Stb. 2017, 82, laatstelijk gewijzigd bij Wet van 24 juni 2020 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering en enkele andere wetten in verband met het doorvoeren van enkele noodzakelijke reparaties en andere kleine wijzigingen (Spoedreparatiewet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen), Stb. 2020, 225.

3 Ik begrijp hier dat het hof doelt op de/een griffiersbetekening in hoger beroep. Onderzoek in het dossier van de rechtbank wijst uit dat zich bij de stukken in eerste aanleg slechts de betekeningsstukken ziende op de uitreiking aan de huisgenoot [betrokkene 1] op het adres [a-straat 1] te [plaats 1] bevinden.

4 Art. 2.38 – 2.52 Wet basisregistratie personen, hierna: Wbrp.

5 Art. 2.39 lid 3 Wbrp.

6 Vgl. art. 2.47 Wbrp dat luidt: “Degene ten aanzien van wie het college van burgemeester en wethouders het redelijke vermoeden heeft dat hij in gebreke is met het doen van een aangifte als bedoeld in de artikelen 2.38 tot en met 2.43, verstrekt op verzoek van het college van burgemeester en wethouders, desgevraagd in persoon, binnen een door het college in het verzoek te noemen termijn, ter zake de inlichtingen en legt de geschriften over die noodzakelijk zijn voor de bijhouding met betrekking tot hem van de basisregistratie.”

7 Fouten van de gemeente worden toegerekend aan het OM, zie C.M. Pelser in: T&C Strafvordering, Deventer: Kluwer 2019, art. 588 (oud) Sv, aant. 4 onder d, en de aldaar genoemde verwijzingen naar jurisprudentie, waaronder met name HR 7 november 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC8206, NJ 1990/295.

8 Zie M.M. Dolman in: Melai/Groenhuijsen (red.), Het Wetboek van Strafvordering, Deventer: Kluwer, art. 588, aant. 3, 5.2 en 6.1 – 6.3 (online, actueel t/m 18 november 2014).

9 De SKDB-staat van 2 juli 2020, die zich bij de cassatiestukken bevindt, wijst uit de verdachte pas op 4 juni 2019 weer stond ingeschreven, dit maal in de gemeente Den Haag op het adres Binckhorstlaan 1191, 2516 BA (het adres van het Daklozenloket van de gemeente Den Haag). Sinds 10 januari 2020 staat de verdachte ingeschreven op de [c-straat 1] , [postcode] te [plaats 3] . Op dit laatste adres is de aanzegging in cassatie op 7 juli 2020 in persoon uitgereikt.

10 Zie C.M. Pelser in: T&C Strafvordering, Deventer: Kluwer 2019, art. 588 (oud) Sv, aant. 8 onder c. Vgl ook HR 5 januari 1988, ECLI:NL:HR:1988:AB8995, NJ 1989/377.

11 Zie C.M. Pelser in: T&C Strafvordering, Deventer: Kluwer 2019, art. 588 (oud) Sv, aant. 8 onder a. Zie ook M.M. Dolman in: Melai/Groenhuijsen (red.), Het Wetboek van Strafvordering, art. 588, aant. 10.2 (online, actueel t/m 18 november 2014).

12 Zie het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep van 3 juni 2019, p. 2, waar de voorzitter opmerkt dat het haar opvalt dat (de huisgenoot) [betrokkene 1] niet heeft medegedeeld dat de verdachte niet meer op het adres woonachtig is. Mijns inziens is deze opmerking van de voorzitter illustratief voor het geloof dat het hof heeft gehecht aan het verhaal van de verdachte dat hij daadwerkelijk na 20 april, c.q. 1 mei 2017 niet meer op [a-straat 1] te [plaats 1] kwam of verbleef, of – zo leid ik af uit het verweer dat de verdachte (bericht over) de dagvaarding nooit heeft ontvangen – nog enig contact had met de bewoners, waaronder [betrokkene 1] .

13 Hier overgenomen zonder de voetnoten van het hof.

14 Zie ook de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Machielse onder punt 3.7 vóór HR 4 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM6673, NJ 2012/145, m.nt. Borgers (PHR:2011:6673). Vgl. HR 25 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO6419, en HR 22 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5848, NJ 2004/453. Voor wat betreft het aan een onderzoek onderwerpen van in beslag genomen voorwerpen ten behoeve van de waarheidsvinding: HR 29 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:AD2076, NJ 1994/577, m.nt. Schalken. Zie verder nog HR 18 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL6238, NJ 2007/8; HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AH9998, NJ 2007/9, m.nt. Mevis; HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004: NJ 2004/376, m.nt. Buruma (onbevoegdelijk lostrekken van een afvoerpijp).

15 G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 568-569. Hier overgenomen zonder de voetnoten.

16 Vgl. HR 22 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5848, NJ 2004/453.

17 Op grond van artikel 49 WWM is de opsporingsambtenaar bevoegd om te allen tijde ter inbeslagneming een doorzoeking te verrichten op plaatsen waarvan hij redelijkerwijs kan vermoeden dat daar wapens of munitie aanwezig zijn. Zie HR 30 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR1993, NJ 2006/355, m.nt. Alkema; G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 568, noot 606, en F. Vellinga-Schootstra, in: Handboek strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer, paragraaf 14.3.3 (online, actueel t/m 1 oktober 2014).

18 Zie HR 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2756, NJ 2014/431, rov. 2.4, en HR 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:3485, rov. 2.4.

19 Zie het uiteindelijke oordeel van de Hoge Raad in HR 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2756, NJ 2014/431, nadat mijn ambtgenoot Spronken in haar conclusie voor die zaak eerder van mening was dat de omstandigheid dat de aangetroffen hennepplanten de eerste oogst betroffen, met zich bracht dat op het moment van ontdekking niet reeds sprake was van ‘een zeker duurzaamheid en stelselmatigheid’. Als ik het arrest van 23 september 2014 goed begrijp, is van doorslaggevend belang niet de tenlastegelegde periode of het aantal gerealiseerde oogsten, maar veeleer de geschiktheid/grootschaligheid/capaciteit en de doelstelling (winstbejag, ingericht voor kweken van meerdere grote oogsten gedurende langere tijd) van een professioneel opgezette hennepkwekerij. Van belang is mijns inziens ook de omstandigheid dat de bewezenverklaring van feit 2 (de diefstal van elektriciteit) uitwijst dat de illegale afname van stroom heeft plaatsgevonden in de periode 1 mei 2015 tot en met 14 oktober 2015. Dat wijst erop dat de kwekerij voor een langere duur operationeel is geweest. In de pleitnotities in hogere beroep erkent de verdediging op p. 6 (en p. 9-10) dat de ‘feitelijke kweekperiode’ liep van 15 mei 2015 tot en met 14 oktober 2015. Over de bewezenverklaring van feit 2 wordt in cassatie niet geklaagd.

20 Zie p. 3-5 van het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 3 juni 2019.

21 HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2191, NJ 2016/437, rov. 4.3.3, en A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 264-270. Zie verder nog de conclusie van mijn ambtgenoot Hofstee voor HR 1 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1346 (PHR:2020:516), en zijn verwijzingen naar: HR 14 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:35; HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2495; HR 6 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:2138; HR 20 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2196; HR 4 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:842.

22 Zie G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 915-927.

23 G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 916-917. De desbetreffende overweging is daarom een nadere uitwerking van de door het hof in aanmerking genomen en uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep gebleken omstandigheden waaronder de verdachte zich aan het bewezenverklaarde heeft schuldig gemaakt. Zie onder meer HR 22 september 2009, ECLI:NL: HR:2009:BI5668, NJ 2009/465 en HR 17 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6553.

24 G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 918.