Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:364

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
09-04-2021
Datum publicatie
30-04-2021
Zaaknummer
21/00349
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1143, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Wvggz. Zorgmachtiging. Medische verklaring niet ondertekend door onafhankelijke psychiater en niet door deze geactualiseerd; mocht rechtbank toch zorgmachtiging verlenen voor slechts één van de verzochte vormen van zorg?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 21/00349

Zitting 9 april 2021

CONCLUSIE

F.F. Langemeijer

In de zaak van

[betrokkene]

tegen

Officier van Justitie Rotterdam

In deze Wvggz-zaak heeft de rechtbank overwogen dat aan de overgelegde medische verklaring gebreken kleven. De rechtbank heeft niettemin een zorgmachtiging verleend voor het ‘toedienen van medicatie’ en ten aanzien van de overige voorgestelde vormen van verplichte zorg bepaald dat de behandelaar een actuele medische verklaring dient over te leggen en iedere verdere beslissing aangehouden. Het cassatiemiddel keert zich tegen deze gang van zaken. Het middel heeft verder betrekking op een overschrijding door de officier van justitie van de in art. 5:16 lid 1 Wvggz genoemde termijn van vier weken.

1 Feiten en procesverloop

1.1

Bij verzoekschrift, bij de rechtbank Rotterdam ingekomen op 15 oktober 2020, heeft de officier van justitie verzocht een zorgmachtiging te verlenen ten aanzien van verzoekster tot cassatie (geb. 1958, hierna: betrokkene) voor de volgende vormen van verplichte zorg:

a. toedienen van vocht, voeding en medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening, voor de duur van 6 maanden (met als toelichting de door de psychiater in detail voorgeschreven medicatielijst).

b. beperken van de bewegingsvrijheid voor 6 maanden (met als toelichting: “Op momenten dat ingeschat wordt dat betrokkene een gevaar voor zichzelf kan zijn”);

c. insluiten voor 6 maanden (met als toelichting: “Op momenten dat ingeschat wordt dat betrokkene een gevaar voor zichzelf kan zijn”);

d. uitoefenen van toezicht op betrokkene voor 6 maanden (met als toelichting: “Op momenten dat ingeschat wordt dat betrokkene een gevaar voor zichzelf kan zijn”);

e. aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen, voor de duur van zes maanden (met als toelichting: “Nakomen van ambulante afspraken”); en

f. opnemen in een accommodatie voor 6 maanden (met als toelichting: “Ingeval van suïcidaliteit moet betrokkene worden opgenomen om te voorkomen dat zij wederom een tentamen suïcide zal doen”).

1.2

Bij het verzoekschrift was onder meer een medische verklaring van 7 september 2020 overgelegd.1 In deze verklaring staat dat betrokkene is onderzocht door de niet bij de behandeling betrokken psychiater [betrokkene 1] . De medische verklaring is “voor deze” ondertekend door de geneesheer-directeur [betrokkene 2] . In rubriek 4.e is de diagnose beschreven. Deze is in rubriek 4.f gerubriceerd onder: “Bipolaire-stemmingsstoornissen”.

1.3

De rechtbank heeft het verzoek mondeling behandeld op 30 oktober 2020. De rechtbank heeft betrokkene, haar advocaat en een maatschappelijk werkster van Parnassia telefonisch gehoord omdat het houden van een fysieke zitting vanwege de maatregelen ter bescherming tegen besmetting met het virus COVID-19 niet mogelijk was.2

1.4

De advocaat van betrokkene heeft ter zitting de volgende verweren gevoerd:3

- De officier van justitie is in zijn verzoek niet-ontvankelijk omdat sprake is van een termijnoverschrijding. Op grond van art. 5:16 Wvggz moet de officier van justitie binnen vier weken na de schriftelijke mededeling aan betrokkene zoals bedoeld in art. 5:4 lid 2, onder a, Wvggz een verzoekschrift indienen bij de rechtbank. Deze termijn is met tien weken overschreden, hetgeen bij betrokkene spanning heeft opgeleverd;

- De medische verklaring is ten onrechte niet ondertekend door de onafhankelijke psychiater die de verklaring heeft opgesteld, maar door de geneesheer-directeur. De geneesheer-directeur heeft, op een vraag van de officier van justitie, in een e-mail van 15 oktober 2020 verklaard dat de medische verklaring nog relevant is, doch dit had moeten worden verklaard door de onafhankelijk psychiater.4

1.5

Op 30 oktober 2020 heeft de rechtbank een mondelinge beschikking gegeven, die op 3 november 2020 schriftelijk is uitgewerkt. In deze beschikking heeft de rechtbank het volgende geoordeeld met betrekking tot de namens betrokkene gevoerde verweren:

“2.2 De rechtbank overweegt dat de wetgever geen sancties verbindt aan de termijnoverschrijding. Betrokkene heeft echter wel in onzekerheid verkeerd. Door de forse termijnoverschrijding was het onduidelijk of er nog een verzoekschrift zou komen. De formaliteiten wat betreft de medische verklaring zijn niet in orde. De onafhankelijke psychiater moet de medische verklaring ondertekenen en is ook degene die deze na verloop van tijd nog relevant heeft kunnen verklaren.

2.3

Nu betrokkene er belang bij heeft dat er nu geen machtiging wordt afgegeven, omdat zij wil laten zien dat zij het ook zonder machtiging redt, is zij in haar belangen geschaad als deze formaliteiten niet behoeven te worden hersteld. Nog daargelaten dat de medische verklaring niet is ondertekend door een onafhankelijk psychiater, geldt bovendien dat de geneesheer-directeur heeft medegedeeld dat de medische verklaring nog relevant is. Dat had, zeker gelet op de reeds verstreken termijn, de onafhankelijk psychiater zelf moeten zijn. Nu er voor betrokkene veel op het spel staat (met name een eventuele opname waar betrokkene zich tegen verzet), dient aan het verzoek een medische verklaring ten grondslag te liggen die aan de formele vereisten voldoet. Dit geldt te meer nu ten aanzien van de aangevraagde vormen van verplichte zorg – met uitzondering van het innemen van medicatie – geen sprake is van direct ernstig nadeel. Om die reden geeft de rechtbank de behandelaar zeven dagen [d]e tijd een nieuwe medische verklaring aan te leveren.”

1.6

De rechtbank heeft vastgesteld dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis en dat deze stoornis leidt tot ernstig nadeel (rov. 2.5 – 2.6). De rechtbank heeft vervolgens beoordeeld of voldaan is aan de criteria voor en de doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. Zij stelde vast dat dit het geval is (rov. 2.4bis).5

1.7

In het dictum heeft de rechtbank ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend voor het tijdvak tot en met 30 april 2021. Zij heeft bepaald dat bij wijze van verplichte zorg de maatregelen kunnen worden getroffen zoals opgenomen in rov. 2.4. Hiermee is kennelijk bedoeld: het “toedienen van medicatie ter behandeling van een psychische stoornis”. 6 De rechtbank heeft overwogen dat deze vorm van verplichte zorg noodzakelijk is om het ernstig nadeel af te wenden (rov. 2.8). De rechtbank overwoog vervolgens:

“De overige door de officier verzochte vormen van verplichte zorg, te weten het uitoefenen van toezicht, aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, zoals het nakomen van ambulante behandelcontracten en het opnemen in de accommodatie ingeval van suïcidaliteit worden door de rechtbank op dit moment niet dusdanig noodzakelijk geacht, dat zij op basis van de huidige medische verklaring en gezien de ontbrekende formaliteiten, toegewezen moeten worden. Tijdens de nieuwe mondelinge of schriftelijke behandeling zal hierover beslist worden.”

1.8

De rechtbank heeft in het dictum verder bepaald dat de behandelaar tot en met 11 november 2020 een nieuwe medische verklaring kan aanleveren, waarna [het verzoek betreffende] de overige vormen van verplichte zorg behandeld zal worden.

1.9

De mondelinge behandeling is voortgezet op 2 december 2020. Bij mondelinge beschikking van die datum, schriftelijk uitgewerkt op 8 december 2020, heeft de rechtbank het verzoek van de officier van justitie met betrekking tot de overige vormen van verplichte zorg afgewezen.7 De rechtbank overwoog daartoe:

“2.2 Hoewel de rechtbank geen sancties verbindt aan de termijnoverschrijding, stelt de rechtbank vast dat betrokkene door het overschrijden van de termijn van de artikelen 5:16 en 6:2, lid 1, sub a van de Wvggz in haar belangen is geschaad omdat zij gedurende die periode in onzekerheid heeft verkeerd. Dit heeft de nodige spanning bij haar teweeg [heeft] gebracht. Verder heeft de rechtbank de behandelaar de mogelijkheid gegeven om een formeel gebrek in de medische verklaring te herstellen door tijdens de mondelinge behandeling van 30 november 2020 de behandelaar in de gelegenheid te stellen om tot en met 11 november 2020 een nieuwe medische verklaring aan te leveren. De behandelaar heeft echter niet binnen deze termijn een nieuwe medische verklaring aangeleverd die voldoet aan de formele eisen van de wet, waardoor ook op dit punt de termijn is overschreden. De medische verklaring van 2 november 2020 kan niet gelden als een nieuwe medische verklaring omdat ten opzichte van de eerdere medische verklaring van 7 september 2020 alleen de opmerking is bijgevoegd dat de situatie ongewijzigd is, zonder dat betrokkene opnieuw is onderzocht of gesproken door een onafhankelijke psychiater.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat tijdens de mondelinge behandeling gebleken dat betrokkene gedurende vijf maanden haar medicatie inneemt, zodat niet is aangetoond dat de noodzaak bestaat om de vormen van verplichte zorg die zien op een opname toe te wijzen.

2.3.

Gelet op het bovenstaande wijst de rechtbank de overige vormen van verplichte zorg af.”

1.10

Namens betrokkene is − tijdig8 − beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van 30 oktober 2020. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

De klacht onder a is gericht tegen de op 30 oktober 2020 genomen beslissing dat een zorgmachtiging wordt verleend voor het ‘toedienen van medicatie ter behandeling van een psychische stoornis’. De klacht houdt in dat het oordeel van de rechtbank dat zij deze machtiging kon verlenen rechtens onjuist is, althans onvoldoende begrijpelijk. Volgens de toelichting op deze klacht is de medische verklaring één van de essentiële stukken die nodig zijn om een zorgmachtiging te kunnen geven (zie art. 5:17 lid 3, onder a, Wvggz in verbinding met art. 5 lid 1, aanhef en onder e, EVRM). Indien aan de door de officier van justitie overgelegde medische verklaring gebreken kleven, kan deze verklaring niet worden gebruikt als basis voor een zorgmachtiging met als verplichte zorg ‘het toedienen van medicatie’. Volgens het middelonderdeel is onbegrijpelijk waarom de rechtbank voor de overige door de officier van justitie verzochte vormen van verplichte zorg wel een nieuwe medische verklaring heeft verlangd, alvorens hierover te beslissen, maar niet voor een zorgmachtiging voor verplichte zorg in de vorm van het toedienen van medicatie.

2.2

De toelichting op deze klacht in het cassatierekest onder 1.1 gaat ervan uit dat de rechtbank van oordeel is dat de formaliteiten wat betreft de in het geding gebrachte medische verklaring in twee opzichten niet aan de wettelijke vereisten voldoen. Ten eerste had de onafhankelijke psychiater die de op 7 september 2020 afgegeven medische verklaring heeft opgemaakt, deze zelf moeten ondertekenen. Ten tweede heeft de rechtbank, gelet op de reeds verstreken tijd, een actuele medische verklaring noodzakelijk geacht. Slechts de onafhankelijke psychiater kon verklaren of haar medische verklaring ten tijde van de rechterlijke beslissing op 30 oktober 2020 nog relevant was: de e-mail van 15 oktober 2020 is daarvoor niet voldoende. In de toelichting onder 1.2 wordt hieraan toegevoegd dat, indien een toewijzende beslissing wordt genomen op basis van een medische verklaring die niet aan de wettelijke eisen voldoet, die beslissing in strijd is met art. 5 lid 1, aanhef en onder e, EVRM. Tot zover de klacht.

2.3

Wat betreft de ondertekening van de geneeskundige verklaring: onder de vroegere Wet Bopz was voor een voorlopige machtiging tot opneming in een psychiatrisch ziekenhuis een ondertekende geneeskundige verklaring nodig van een psychiater die de betrokkene met het oog op de aan te vragen machtiging kort tevoren had onderzocht. In beginsel ondertekende de psychiater zelf de verklaring. Echter, indien de desbetreffende persoon reeds in een psychiatrisch ziekenhuis was opgenomen,9 was onder de Wet Bopz een door de geneesheer-directeur ondertekende verklaring nodig. Voor een machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis schreef art. 16 (oud) Wet Bopz voor dat de officier van justitie een door de geneesheer-directeur ondertekende verklaring aan de rechtbank overlegt. Dit vormvoorschrift heeft geleid tot betrekkelijk veel rechtspraak. Volgens deze rechtspraak vereiste art. 16 (oud) Wet Bopz dat de geneeskundige verklaring door de geneesheer-directeur is ondertekend, zodat blijkt van zijn instemming met en aanvaarding van zijn verantwoordelijkheid voor de inhoud van de desbetreffende verklaring.10 Het was niet nodig dat de geneeskundige verklaring met betrekking tot een patiënt die reeds in een psychiatrisch ziekenhuis verbleef mede wordt ondertekend door de psychiater die de betrokkene met het oog op de te verzoeken machtiging had onderzocht.11

2.4

In de praktijk komt voor dat de arts die het onderzoek verricht bepaalde onderzoekshandelingen overlaat aan een assistent-arts. In de zaak die heeft geleid tot HR 21 februari 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AF3450)12 ging het om een geneeskundige verklaring, opgesteld en ondertekend door een arts-assistent. Die verklaring was zonder toelichting mede ondertekend door een psychiater. Ter zitting had de arts-assistent medegedeeld dat hij de verklaring onder supervisie van de psychiater had opgemaakt, dat de psychiater betrokkene een week voordat de verklaring is opgemaakt had gezien en dat de psychiater betrokkene niet heeft gesproken maar wel had geobserveerd. Volgens de rechtbank was daarmee sprake van een verklaring ‘van een psychiater die de betrokkene met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht maar niet bij diens behandeling betrokken was’. In cassatie stond ter discussie of de geneeskundige verklaring daarmee voldeed aan de wettelijke eisen. De Hoge Raad overwoog onder meer dat het de psychiater vrijstaat, een arts-assistent in te schakelen bij zijn onderzoek. Maar juist ook dan, zo vervolgde de Hoge Raad, dient uit de door de psychiater te ondertekenen verklaring te blijken op grond waarvan kan worden gezegd dat betrokkene door hem is onderzocht in de zin van art. 5 lid 1 (oud) Wet Bopz (rov. 3.6).

2.5

In punt 1 van zijn NJ-noot onder de uitspraak van 21 februari 2003 geeft De Boer het volgende overzicht van de regels onder de Wet Bopz:

“(…)

a. Moet de psychiater persoonlijk betrokkene hebben onderzocht? Het antwoord is − anders dan geldt voor de geneesheer-directeur (…) bevestigend. (…) Wel staat het de psychiater vrij een arts-assistent in te schakelen bij zijn onderzoek, maar juist ook dan dient uit de door de psychiater te ondertekenen verklaring te blijken op grond waarvan kan worden gezegd dat betrokkene door de psychiater is onderzocht in de zin van art. 5 lid 1 Bopz (…).

b. Moet de psychiater zelf de verklaring hebben opgesteld? Neen. Dit kan m.i. worden overgelaten aan de arts-assistent. (…) Er is geen bezwaar tegen dat deze arts-assistent de verklaring van de psychiater mede ondertekent, zoals in casu was geschied.

c. Moet de psychiater zelf de verklaring geven? Er is geen twijfel aan dat mandatering is uitgesloten. Zelfs de geneesheer-directeur kan niet mandateren (NJ 2000, 191) (…).

d. Moet de psychiater de door hem gegeven verklaring ook zelf hebben ondertekend? Ook hier is het antwoord bevestigend (verg. de onderhavige uitspraak, rov. 3.6 en voor de geneesheer-directeur NJ 1994, 715 e.v. en NJ 2000, 191). Een gestempelde handtekening van de psychiater kan evenmin door de beugel (…), maar − zo mag men aannemen − wel een ‘elektronische handtekening’ (…). Medeondertekening − naast de ondertekening van de arts-assistent − is voldoende (zie hiervóór onder b).

e. Kan met persoonlijke ondertekening van de verklaring door de psychiater gelijkgesteld worden de persoonlijke ondertekening door hem van een begeleidend geschrift dat ernaar verwijst? Hier moet het antwoord neen zijn (verg. voor de geneesheer-directeur NJ 1994, 715 e.v.).”13

2.6

Op 1 januari 2020 is de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg in werking getreden. Art. 5:8 Wvggz bepaalt dat de geneesheer-directeur zorgt voor een medische verklaring van een psychiater over de actuele gezondheidstoestand van betrokkene en over de vraag of uit het gedrag van betrokkene als gevolg van zijn psychische stoornis ernstig nadeel voortvloeit. De eisen waaraan de psychiater moet voldoen zijn te vinden in art. 5:7 Wvggz. In HR 2 oktober 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1545, rov. 3.1.5)14 is, kort samengevat, beslist dat een geneesheer-directeur die tevens psychiater is een medische verklaring mag opstellen als bedoeld in art. 5:8 Wvggz, mits aan de voorwaarden van art. 5:7 Wvggz wordt voldaan. Art. 5:11 lid 1 Wvggz bepaalt dat de geneesheer-directeur de medische verklaring aan de officier van justitie verstrekt. Art. 5:17, lid 3 onder a, Wvggz bepaalt dat de officier van justitie de medische verklaring bij zijn verzoekschrift voegt. Daaruit, en uit het feit dat art. 5:10 Wvggz spreekt over “het opstellen van de medische verklaring”, valt op te maken dat de aangewezen psychiater een schriftelijke verklaring opstelt; enkel een (eventueel telefonisch overgebracht) mondeling verslag van het onderzoek door de psychiater is dus niet voldoende.

2.7

In de Wvggz en de daarbij behorende uitvoeringsregelingen15 is niet uitdrukkelijk bepaald dat de medische verklaring moet zijn voorzien van de handtekening van de onafhankelijke psychiater die de verklaring heeft opgesteld. Het is opmerkelijk dat in de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel Wvggz hierover weinig of niets te vinden is, terwijl in de vrijwel gelijktijdig tot stand gekomen Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten de eis dat de medische verklaring is ondertekend, uitdrukkelijk is opgenomen in art. 27 lid 2 Wzd.16 Mogelijk is hiervan de reden dat bij ministeriële regeling een model voor een medische verklaring kan worden vastgesteld17. Dat is tot dusver niet gebeurd. De desbetreffende beroepsorganisaties hebben modelverklaringen opgesteld, die in de praktijk worden gehanteerd. In de daarbij behorende “Gebruiksinstructie voor de Medische Verklaring Zorgmachtiging”18 staat vermeld dat het onderzoek en de ondertekening dienen te geschieden door een psychiater die onafhankelijk is ten aanzien van de behandeling die betrokkene krijgt. Dit alles duidt erop dat de (BIG-geregistreerde) onafhankelijke psychiater die het onderzoek heeft verricht ook degene is die de af te geven verklaring moet ondertekenen.

2.8

In Rb. Oost-Brabant 26 oktober 2020 (ECLI:NL:RBOBR:2020:5992) werd geoordeeld dat moet kunnen worden vastgesteld dat de opgemaakte medische verklaring van deze psychiater afkomstig is. In de zaak die tot deze uitspraak heeft geleid was de overgelegde medische verklaring niet ondertekend. Omdat de rechtbank ook overigens niet kon vaststellen dat de medische verklaring afkomstig was van de onafhankelijk psychiater wiens naam in de verklaring stond, werd het verzoek tot afgifte van een zorgmachtiging afgewezen.

2.9

In de onderhavige zaak staat de naam van de psychiater [betrokkene 1] getypt onder de verklaring als de onafhankelijke psychiater die betrokkene heeft onderzocht. De geneesheer-directeur [betrokkene 2] heeft de in cassatie overgelegde medische verklaring “voor deze” ondertekend. De aanduiding “voor deze” is gangbaar bij een afdoenings- of ondertekeningsmandaat (zie resp. art. 10:1 en art. 10:11 Awb). De rechtbank is op dit punt enigszins wisselvallig: enerzijds overweegt zij: “nog daargelaten dat de medische verklaring niet is ondertekend door een onafhankelijk psychiater” (rov. 2.3), anderzijds spreekt zij in rov. 2.8 over ontbrekende formaliteiten en vraagt zij om een nieuwe medische verklaring. Hieruit maak ik, met de steller van het middel, op dat volgens de rechtbank de door de officier van justitie overgelegde medische verklaring niet toereikend was. Inderdaad verzet de aard van de bevoegdheid (onderzoek met het oog op een mogelijke vrijheidsbeneming) zich tegen mandatering aan een ander van het door de onafhankelijke psychiater zelf te verrichten onderzoek en het opstellen van de medische verklaring daaromtrent. Van een ondertekeningsmandaat, waarbij de onafhankelijke psychiater zelf de verklaring opstelt en zij een andere arts (hier: de geneesheer-directeur) uitsluitend heeft gemachtigd om namens haar de medische verklaring te ondertekenen, blijkt uit de stukken en het verhandelde ter zitting niet, zodat voor de rechtbank moeilijk te controleren was wie degene is die in feite de medische verklaring heeft opgesteld. De rechtbank heeft in deze zin geoordeeld. Het oordeel van de rechtbank dat de onafhankelijke psychiater zelf de medische verklaring had behoren te ondertekenen, strookt ook het meest met de – verwante – regel in art. 27 lid 2 Wzd. Verder dient in cassatie tot uitgangspunt het onbestreden oordeel dat de onafhankelijke psychiater − niet de geneesheer-directeur – degene is die, mede gelet op de termijn die na het opmaken van de medische verklaring was verstreken, na nader onderzoek had kunnen verklaren dat de medische verklaring “nog relevant is”.19

2.10

Met de steller van het middel ben ik van mening dat hetzij sprake is van een schending van het recht, hetzij onbegrijpelijk is waarom de rechtbank, uitgaande van de door de rechtbank vastgestelde tekortkomingen in de medische verklaring (t.a.v. ondertekening en actualiteit) op basis van de overgelegde medische verklaring van 7 september 2020 toch op 30 oktober 2020 een zorgmachtiging heeft verleend voor het toedienen van medicatie. De klacht onder a slaagt, zodat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven.

2.11

De klacht onder b komt op tegen de verwerping van het verweer dat de officier van justitie in zijn verzoek niet-ontvankelijk is omdat sprake is van een termijnoverschrijding. De klacht houdt in dat de rechtbank heeft miskend dat de vastgestelde overschrijding van de termijn in art. 5:16 Wvggz (in samenhang met art. 5:17 in verbinding met art. 5:4 lid 2, onder a, Wvggz) had moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in zijn verzoek, althans dat de redengeving van de rechtbank onbegrijpelijk is althans onvoldoende gemotiveerd. De klacht wordt in het cassatierekest nader toegelicht onder 1.3 (“Termijnen in de wet”) en onder 1.4 (“Overwegingen ten aanzien van belang van verzoekster”).

2.12

De klacht stuit af op hetgeen is overwogen in HR 5 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:23. In die zaak werd geklaagd dat de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk had moeten verklaren wegens overschrijding van de termijn als bedoeld in art. 5:16 lid 1 Wvggz. In die zaak werd aangevoerd: “Als die termijn niet wordt gehaald, betekent dit dat de betrokkene ervan mag uitgaan dat de procedure niet wordt voortgezet”. De Hoge Raad verwierp die klacht, na het volgende te hebben overwogen:

“3.2 Art. 5:16 lid 1, eerste volzin, Wvggz bepaalt dat na de schriftelijke mededeling bedoeld in art. 5:4 lid 2, onder a, Wvggz – inhoudende dat een verzoek voor een zorgmachtiging wordt voorbereid – de officier van justitie zijn schriftelijke en gemotiveerde beslissing of voldaan is aan de criteria voor verplichte zorg zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken, meedeelt aan de betrokkene, de vertegenwoordiger, de advocaat, de geneesheer-directeur, de zorgaanbieder en de zorgverantwoordelijke, alsmede in voorkomend geval aan de aanvrager, bedoeld in art. 5:3 Wvggz. Hiermee wordt beoogd dat de officier van justitie binnen een redelijke termijn aan de in art. 5:16 lid 1, eerste volzin, Wvggz genoemde belanghebbenden duidelijkheid verschaft of hij de rechter om een zorgmachtiging ten aanzien van de betrokkene zal verzoeken.

3.3

In de Wvggz wordt aan de niet-naleving van de in art. 5:16 lid 1 Wvggz genoemde termijn van vier weken niet het rechtsgevolg verbonden van niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in het verzoek voor een zorgmachtiging, dan wel van afwijzing van dat verzoek. Hoewel het onderdeel terecht aanvoert dat van de officier van justitie mag worden verwacht dat hij zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen vier weken zijn beslissing meedeelt of is voldaan aan de criteria voor verplichte zorg, strookt het niet met de bij het verkrijgen van een zorgmachtiging betrokken belangen om op de grond dat sprake is van overschrijding van deze termijn, de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek voor een zorgmachtiging, dan wel dat verzoek af te wijzen.

In geval van een termijnoverschrijding waardoor de betrokkene nadeel heeft ondervonden, kan op grond van art. 10:12 lid 3 Wvggz schadevergoeding worden toegekend.”

2.13

Wanneer de zo-even geciteerde maatstaf wordt toegepast op het thans voorliggende geval, moet de slotsom zijn dat de klacht onder b geen doel treft.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 30 oktober 2020 en tot terugwijzing naar die rechtbank.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

plv.

1 De medische verklaring is overgelegd als prod. 7 bij het cassatierekest.

2 Zie de bestreden beschikking onder 1.2.

3 Zie rov. 2.1 van de bestreden beschikking alsmede de aan het proces-verbaal van de mondelinge behandeling gehechte pleitnota.

4 De e-mail is overgelegd als prod. 10 bij het cassatierekest.

5 In de bestreden beschikking zijn fouten geslopen in de nummering van de alinea’s: rov. 2.4 breekt plotseling af en na rov. 2.8 volgen de rov. 2.3 en 2.4 (bis).

6 De rechtbank verwijst in het dictum (onder 3.4) naar rov. 2.4. Bedoeld zal zijn: rov. 2.8.

7 De beschikking van 2 december 2020 is overgelegd als prod. 17 bij het cassatierekest.

8 De cassatietermijn verstreek op zaterdag 30 januari 2021. Ingevolge art. 1 lid 1 van de Algemene termijnenwet werd de termijn verlengd tot en met maandag 1 februari 2021. Op die dag is het cassatierekest ter griffie ingekomen.

9 Bijvoorbeeld indien een vrijwillig opgenomen patiënt, tegen medisch advies in, het ziekenhuis wil verlaten en de behandelaar dit onverantwoord vindt; zie art. 2 lid 4 (oud) Wet Bopz.

10 Zie onder meer: HR 1 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3536, NJ 2007/311 en HR 15 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2533.

11 HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:635, NJ 2019/191.

12 NJ 2003/484 m.nt. J. de Boer.

13 De vraag naar de toelaatbaarheid van de elektronische handtekening zou later worden beantwoord in HR 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:957, NJ 2021/14 m.nt. A.I.M. van Mierlo, JGz 2019/28 m.nt. J.J. de Jong.

14 Ook gepubliceerd in NJ 2020/371 en JGz 2021/1 m.nt. W.J.A.M. Dijkers.

15 Besluit verplichte geestelijke gezondheidszorg (Stb. 2019, 198); Regeling verplichte geestelijke gezondheidszorg (Stcrt. 2019, 60909).

16 De vakliteratuur over de medische verklaring gaat niet specifiek in op het punt van de ondertekening: vgl. SDU Commentaar Gedwongen zorg ten aanzien van art. 5:7 e.v. Wvggz (J.E. Biesma); R.B.M. Keurentjes, De Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg. Handleiding voor de praktijk, Den Haag: SDU 2021, blz. 53 – 56.

17 Vgl. de MvT, Kamerstukken II 2009/10, 32 399, nr. 3, blz. 64 (t.a.v. destijds nog art. 5:6).

18 Te raadplegen via dwangindezorg.nl/uitvoering/documenten.

19 Het gaat in dit geval om een medische beoordeling, niet om het aan de medische verklaring toevoegen van nieuwe informatie van feitelijke aard aan de rechter. Zie over dit onderscheid ook de op 26 maart 2021 genomen conclusie in de zaak 20/03983 (alinea 2.10 e.v.).