Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:361

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
09-04-2021
Datum publicatie
03-05-2021
Zaaknummer
20/01029
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:969, Gevolgd
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. IPR. Rechtsmacht. Regresvordering bestuurder rechtspersoon op erfgenamen medebestuurder ter zake van bestuurdersaansprakelijkheid. Beroep op art. 1 lid 2, aanhef en onder f, Verordening Brussel I-bis (erfrechtelijk geschil).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/01029

Zitting 9 april 2021

CONCLUSIE

P. Vlas

In de zaak

1. [eiseres 1] ,

2. [eiser 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] , Polen

(hierna gezamenlijk: [eisers] )

tegen

[verweerster] , wonende te [woonplaats]

(hierna te noemen: [verweerster] )

In deze procedure gaat het om de vraag of de Nederlandse rechter op grond van de Verordening Brussel I-bis1 bevoegd is kennis te nemen van een regresvordering die een in Nederland woonachtige eiser op de voet van art. 6:10 BW heeft ingesteld tegen twee in Polen woonachtige erfgenamen van een in Polen overleden erflater. De vordering vloeit voort uit een hoofdelijke betalingsverplichting voor achterstallige loonheffingen. In cassatie is de vraag aan de orde of het hof terecht heeft geoordeeld dat dit geschil niet een geschil inzake ‘testamenten en erfenissen’ betreft dat in art. 1 lid 2, onder f, Verordening Brussel I-bis is uitgesloten van het materiële toepassingsgebied van die verordening. Ook rijst de vraag of het hof terecht heeft geoordeeld dat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter kan worden gebaseerd op de bijzondere bevoegdheidsregel inzake verbintenissen uit onrechtmatige daad van art. 7 punt 2 Verordening Brussel I-bis.

1. Feiten en procesverloop2

1.1 In cassatie kan, kort samengevat, van het volgende worden uitgegaan. [verweerster] was enig aandeelhouder van [A] BV. [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) was enig aandeelhouder van [B] BV. Samen met aanvankelijk [C] BV en later met [D] BV waren [A] BV en [B] BV de bestuurders van de in 2005 opgerichte vennootschap [E] BV. De activiteiten van [E] bestonden uit het te werk stellen van Poolse arbeiders bij opdrachtgevers in Nederland.

1.2 Op 1 juli 2008 heeft de Belastingdienst de bestuurders van [E] op grond van art. 36 Invorderingswet hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de onbetaald gebleven naheffingsaanslagen loonheffing van [E] over het jaar 2006 voor een bedrag van € 508.627,00, inclusief invorderingsrente en kosten. Hiertegen hebben de bestuurders van [E] beroep ingesteld.

1.3 [E] is op 28 april 2009 failliet verklaard. Bij vonnissen van 23 juni 2010 heeft (de belastingkamer van) de rechtbank Breda de door de afzonderlijke bestuurders ingestelde beroepen ongegrond verklaard. In het vonnis dat betrekking heeft op [betrokkene 1] , heeft de rechtbank overwogen dat [betrokkene 1] aansprakelijk is en dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat het niet aan hem is te wijten dat de (tijdige) melding van de betalingsonmacht is uitgebleven en dat hij niet kan worden toegelaten tot de weerlegging van het vermoeden dat de niet-betaling niet aan hem te wijten is (ofwel dat er bij hem geen sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur).

1.4 [betrokkene 1] is op 1 juli 2014 in zijn woonplaats in Polen overleden. Zijn erfgenamen zijn zijn weduwe, [eiseres 1] , en zijn minderjarige zoon, [eiser 2] (hierna gezamenlijk: [eisers] ). Bij beschikking van de Poolse rechter van 8 januari 2015 is bepaald dat aan ieder van hen de helft van de nalatenschap is toegedeeld, hetgeen door hen is aanvaard.

1.5 De Belastingdienst heeft bij brief van 15 februari 2017 aan [verweerster] bericht dat na haar betaling van € 106.555,67, de aansprakelijkstelling van de drie bestuurders van [E] is komen te vervallen.

1.6 [verweerster] heeft tegen [eisers] bij de rechtbank Gelderland een vordering ingesteld tot betaling van € 56.033,74. Dit bedrag betreft een derde deel van de kosten die [verweerster] stelt te hebben gemaakt, bestaande uit de aflossing van de gezamenlijke belastingschuld, de kosten voor het afsluiten van een lening om de belastingschuld af te kunnen lossen en de kosten voor juridische bijstand in de procedure bij de rechtbank Breda. Volgens [verweerster] zijn [eisers] op grond van art. 6:10 BW gehouden een derde deel van de totale kosten te voldoen.

1.7 [eisers] hebben zich beroepen op de onbevoegdheid van de Nederlandse rechter. Bij vonnis van 11 april 2018 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard. Volgens de rechtbank is geen sprake van een erfrechtelijk geschil in de zin van art. 1 lid 2, onder f, Verordening Brussel I-bis. Op grond van art. 4 lid 1 Verordening Brussel I-bis is de Poolse rechter bevoegd (rov. 2.10-2.12). De bijzondere bevoegdheidsregel inzake onrechtmatige daad van art. 7 punt 2 Verordening Brussel I-bis is niet van toepassing, omdat het niet gaat om een vordering uit onrechtmatige daad, maar om een regresvordering (rov. 2.13).

1.8 [verweerster] heeft hoger beroep ingesteld bij het hof Arnhem-Leeuwarden. Bij arrest van 17 december 2019 heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd en de Nederlandse rechter bevoegd verklaard. Daartoe heeft het hof, kort weergegeven en voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen. Het geschil valt onder het begrip ‘burgerlijke en handelszaken’ en daarmee onder het bereik van art. 1 lid 1 Verordening Brussel I-bis (rov. 5.2). De uitzondering van art. 1 lid 2, onder f, Verordening Brussel I-bis voor ‘testamenten en erfenissen’ geldt slechts indien zij het hoofdonderwerp van het geschil uitmaakt (rov. 5.3). Er is geen sprake van een erfrechtelijk geschil, maar van een vordering die [verweerster] als crediteur (op grond van haar regresrecht) heeft ingesteld tegen de gezamenlijke erfgenamen van [betrokkene 1] (rov. 5.3). Op grond van art. 4 lid 1 Verordening Brussel I-bis is de Poolse rechter bevoegd, omdat [eisers] hun woonplaats in Polen hebben (rov. 5.5). Het is vaste rechtspraak van het HvJEU dat het begrip ‘verbintenissen uit onrechtmatige daad’ in de zin van art. 7 punt 2 Verordening Brussel I-bis elke vordering omvat die ertoe strekt een verweerder aansprakelijk te stellen en die geen verband houdt met een ‘verbintenis uit overeenkomst’ in de zin van artikel 7 punt 1, onder a, Verordening Brussel I-bis (rov. 5.9).

1.9 Het hof knoopt voor het antwoord op de vraag of de regresvordering valt onder het begrip ‘verbintenissen uit onrechtmatige daad’ aan bij het arrest van het HvJEU van 15 juni 2017 (ECLI:EU:C:2017:472), zodat als de hoofdvordering een verbintenis uit onrechtmatige daad betreft ook de regresvordering als zodanig moet worden gekwalificeerd (rov. 5.10 en 5.11). Nu de hoofdvordering van de ontvanger is gebaseerd op bestuurdersaansprakelijkheid, valt de vordering van [verweerster] onder het begrip ‘verbintenissen uit onrechtmatige daad’ in de zin van artikel 7 punt 2 Verordening Brussel I-bis (rov. 5.14). In Nederland ligt niet alleen de plaats waar de schade is ingetreden, maar ook de plaats van de schadeveroorzakende gebeurtenis. [E] handelde in Nederland en de bestuursleden oefenden in Nederland hun bestuurstaken uit. Er zijn daarmee voldoende bijzondere omstandigheden van de zaak die er toe bijdragen dat bevoegdheid kan worden toegekend aan de Nederlandse rechter, ondanks het feit dat in dit geval slechts zuiver financiële schade is ingetreden (rov. 5.16). Op grond van art. 7 punt 2 Verordening Brussel I-bis is de Nederlandse rechter bevoegd om van het onderhavige geschil kennis te nemen (rov. 5.17).

1.10 [eisers] hebben (tijdig) beroep in cassatie ingesteld. [verweerster] heeft verweer gevoerd. Vervolgens hebben partijen hun standpunten schriftelijk toegelicht, gevolgd door re- en dupliek.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel bestaat uit drie onderdelen.

2.2

Onderdeel 1 richt een aantal klachten tegen het oordeel van het hof in rov. 5.3, waarin het hof heeft overwogen dat geen sprake is van een erfrechtelijk geschil, maar van een regresvordering van [verweerster] tegen de gezamenlijke erfgenamen. Het onderdeel betoogt in de kern dat dit oordeel onbegrijpelijk en onjuist is, omdat wel sprake zou zijn van een erfrechtelijk geschil.

2.3

Hierover merk ik het volgende op. Art. 1 Verordening Brussel I-bis bepaalt het materiële toepassingsgebied. De Verordening Brussel I-bis is van toepassing in burgerlijke en handelszaken en geldt niet in fiscale zaken, in administratiefrechtelijke zaken en in zaken waarin de aansprakelijkheid van de staat voor handelingen of nalaten in de uitoefening van openbaar gezag aan de orde komt. Het tweede lid van art. 1 sluit verder een aantal nader omschreven onderwerpen uitdrukkelijk van het toepassingsgebied uit. Art. 1 lid 2, onder f, zondert uit ‘testamenten en erfenissen, met inbegrip van onderhoudsverplichtingen die ontstaan als gevolg van overlijden’. Ook in de voorgangers van de Verordening Brussel I-bis was het onderwerp van ‘testamenten en erfenissen’ uitgezonderd van het materiële toepassingsgebied.3 In de Verordening Brussel I-bis is aan deze uitzondering toegevoegd de zinsnede ‘met inbegrip van onderhoudsverplichtingen die ontstaan als gevolg van overlijden’. Deze toevoeging heeft kennelijk plaatsgevonden om ieder conflict met de Erfrechtverordening4 te vermijden.5 De strekking van deze uitzondering is echter gelijk gebleven, namelijk dat de Verordening Brussel I-bis (net zoals haar voorgangers) niet van toepassing is op erfrechtelijke geschillen.

2.4

De Erfrechtverordening is op 17 augustus 2015 van toepassing geworden en geldt krachtens art. 83 voor nalatenschappen die op of na 17 augustus 2015 zijn opengevallen. Tussen partijen is in deze zaak niet in geschil dat de Erfrechtverordening in ieder geval niet van toepassing is, omdat de erflater ( [betrokkene 1] ) is overleden op 1 juli 2014.

2.5

De onderwerpen die van het materiële toepassingsgebied van de Verordening Brussel I-bis zijn uitgesloten, vallen alleen daarbuiten wanneer zij hoofdonderwerp van het geschil zijn. Rijst bijvoorbeeld een kwestie van erfrecht als voorvraag in een geschil over een andere kwestie (de hoofdvraag) die zelf niet van het materiële toepassingsgebied van de Verordening Brussel I-bis is uitgezonderd, dan zal de rechter zich over de (erfrechtelijke) voorvraag moeten uitlaten.6 Het is vaste rechtspraak van het HvJEU dat het begrip ‘burgerlijke en handelszaken’ autonoom moet worden uitgelegd. Daartoe moeten ofwel de rechtsbetrekking tussen de procespartijen en het voorwerp van het geschil worden vastgesteld ofwel de grondslag van de vordering en de wijze waarop die wordt ingesteld.7

2.6

Het hof heeft in rov. 5.2 overwogen dat geen sprake is van een fiscale zaak en dat het gaat om een geding inzake een regresvordering van de ene burger op (de gezamenlijke erfgenamen van) de andere burger wegens het voldoen van het deel van een schuld waarvoor beiden hoofdelijk aansprakelijk zijn. Daarom is sprake van een ‘burgerlijke en handelszaak’ in de zin van art. 1 lid 1 Verordening Brussel I-bis. Aansluitend heeft het hof in rov. 5.3 terecht overwogen dat het hof met de rechtbank van oordeel is dat geen sprake is van een erfrechtelijk geschil. Dat de vordering wordt ingesteld tegen de erfgenamen heeft het hof terecht onvoldoende geoordeeld om de vordering tot de uitgesloten onderwerpen te rekenen.8 Het hof is daarmee uitgegaan van een juiste rechtsopvatting, zodat onderdeel 1 geheel faalt.

2.7

Onderdeel 2 richt een aantal klachten tegen het oordeel van het hof in rov. 5.10 en 5.16. In rov. 5.10 heeft het hof overwogen dat de regresvordering valt onder het begrip ‘verbintenissen uit onrechtmatige daad’ in de zin van art. 7 punt 2 Verordening Brussel I-bis. In rov. 5.16 heeft het hof geoordeeld dat niet alleen de plaats waar de schade is ingetreden in Nederland is gelegen, maar ook de plaats van de schadeveroorzakende gebeurtenis. Het onderdeel (onder nr. 10 en 11) betoogt dat het hof heeft miskend dat de vordering is ontstaan krachtens erfopvolging onder Pools erfrecht en dat het hof daarom niet aan de toepassing van art. 7 punt 2 Verordening Brussel I-bis kon toekomen, terwijl het ook slechts zuiver financiële schade betreft. Het onderdeel (onder nr. 12) klaagt dat het hof heeft miskend dat, gelet op het feit dat het hier een kwestie van erfopvolging naar Pools recht betreft, er geen bijzonder nauw verband bestaat tussen de vordering en Nederland.

2.8

Met het betoog dat sprake is van een erfrechtelijk geschil, bouwt het onderdeel voort op het voorgaande onderdeel en faalt het om dezelfde reden. Voor zover het onderdeel klaagt dat het hof in rov. 5.10 ten onrechte de regresvordering als een vordering uit onrechtmatige daad in de zin van art. 7 punt 2 Verordening Brussel I-bis heeft aangemerkt, gaat het onderdeel eraan voorbij dat het hof de regresvordering heeft aangemerkt als de hoofdvordering, en dat die vordering zelf door de erfopvolging niet is veranderd. Dat de erfopvolging tot gevolg had dat de schuld van [betrokkene 1] voor die vordering op zijn erfgenamen is overgegaan, betekent niet dat er een geheel nieuwe vordering is ontstaan. De klacht faalt daarom.

2.9

Ook klaagt het onderdeel (onder nr. 10) dat de vergelijking die het hof heeft gemaakt met het Kareda-arrest9 van het HvJEU niet opgaat, omdat het in die zaak niet ging om een regresvordering wegens het voldoen van een hoofdelijke belastingschuld en ook niet om een schuld die op grond van erfrecht is overgegaan op de erfgenamen.

2.10

In het Kareda-arrest was de vraag aan de orde of een regresvordering tussen hoofdelijke medeschuldenaren van een kredietovereenkomst onder het begrip ‘verbintenis uit overeenkomst’ in de zin van art. 7 punt 1 Verordening Brussel I-bis viel. Het HvJEU heeft onder meer overwogen dat dit het geval is, omdat de verbintenis uit hoofde van de regresvordering zijn bestaansrecht heeft in de kredietovereenkomst die als verbintenis uit overeenkomst kwalificeert.

2.11

In de zaak die in cassatie aan de orde is, gaat het volgens het hof om een regresvordering die haar grondslag vindt in een verbintenis uit onrechtmatige daad. Het middel keert zich daartegen uitsluitend met het betoog dat de regresvordering haar grondslag vindt in het (van de toepassing van de Verordening Brussel I-bis uitgesloten) erfrecht.10 Zoals bij de bespreking van onderdeel 1 aan de orde is gekomen, is in dit geval geen sprake van een kwestie van erfrecht. Bij deze stand van zaken valt niet in te zien dat de regel die het hof heeft ontleend aan het Kareda-arrest niet toegepast had mogen worden. Dat de vordering op grond van erfrecht is overgegaan op de erfgenamen speelt voor de kwalificatie van de regresvordering zelf geen rol. Het hof heeft erop gewezen dat de kwalificatie als onrechtmatige daad in de zin van art. 7 punt 2 Verordening Brussel I-bis strookt met art. 20 Verordening Rome II11 waarin is bepaald dat in het geval een schuldeiser een vordering heeft op verscheidene voor dezelfde vordering aansprakelijke schuldenaren, van wie er één de schuld reeds geheel of gedeeltelijk heeft voldaan, de regresvordering van deze schuldenaar op de andere schuldenaren wordt beheerst door het recht dat van toepassing is op de (niet-contractuele) verbintenis van deze schuldenaar jegens de schuldeiser. Weliswaar geldt dat de door de wetgever van de Europese Unie wenselijk geachte samenhang tussen de Verordening Rome II en de Verordening Brussel I-bis niet ertoe kan strekken dat aan een bepaling van Unierecht een uitleg wordt gegeven die niet strookt met het stelsel en de doelstellingen van de verordening waarin die bepaling is opgenomen12, maar niet is gebleken dat het hof dit heeft miskend. Het oordeel van het hof getuigt dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting.

2.12

Het onderdeel (onder nr. 11) klaagt nog dat, gelet op de hoge mate van voorspelbaarheid van de bevoegdheidsregels, art. 7 punt 2 Verordening Brussel I-bis niet toegepast had mogen worden, omdat in dergelijke situaties art. 4 (woonplaats verweerder) dient te gelden. Voor de erfgenamen zou niet redelijkerwijs voorzienbaar zijn geweest dat zij bij aanvaarding van een nalatenschap kunnen worden opgeroepen voor het gerecht van een andere lidstaat, aldus de klacht.

2.13

De bevoegdheidsregels van art. 7 Verordening Brussel I-bis zijn uitzonderingen op de algemene bevoegdheidsregel van art. 4, waarin het fundamentele beginsel is neergelegd dat bevoegdheid wordt verleend aan de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de verweerder zijn woonplaats heeft.13 Het is vaste rechtspraak van het HvJEU dat aan die bijzondere bevoegdheidsregels een autonome en strikte uitleg moet worden gegeven14, die niet verder gaat dan de door de verordening uitdrukkelijk voorziene gevallen.15 Het bestaan van een nauwe band moet zorgen voor rechtszekerheid en de mogelijkheid vermijden dat de verweerder wordt opgeroepen voor een gerecht van een lidstaat dat voor hem redelijkerwijs niet voorzienbaar was.16 Het hof heeft in rov. 5.16 onderzocht of sprake is van een nauwe band tussen de hoofdvordering en het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan. Het hof is van oordeel dat in dit geval sprake is van zo’n nauw verband tussen de regresvordering (en de daaraan ten grondslag liggende vordering uit bestuurdersaansprakelijkheid) en Nederland. De klacht faalt daarom.

2.14

Het onderdeel (onder 11) betoogt dat het in dit geval slechts om zuiver financiële schade gaat. Kennelijk wil het onderdeel hiermee betogen dat het hof heeft miskend dat de bevoegdheid niet op art. 7 punt 2 Verordening Brussel I-bis kan worden gebaseerd.

2.15

Het onderdeel gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting. De vraag of zuiver financiële schade een aanknopingspunt is voor de bevoegdheid in de zin van art. 7 punt 2 Verordening Brussel I-bis kan aan de orde komen in het geval dat sprake is van een onrechtmatige daad waarbij de plaats van handeling (‘Handlungsort’) en de plaats van de schadelijke gevolgen (‘Erfolgsort’) in verschillende lidstaten zijn gelegen.17 Kan in zo’n geval zuiver financiële schade geleden in een andere lidstaat dan de lidstaat waar de onrechtmatige handeling is gepleegd, bevoegdheid scheppen? Deze situatie doet zich in deze zaak niet voor, omdat in Nederland zowel het ‘Handlungsort’ als het ‘Erfolgsort’ is gelegen, zoals het hof in rov. 5.16 terecht heeft overwogen. De vennootschap [E] heeft in Nederland gehandeld en de bestuursleden hebben in Nederland hun bestuursactiviteiten uitgeoefend. Door deze activiteiten zijn de bestuurders van [E] hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de door de Nederlandse fiscus opgelegde naheffingsaanslagen loonheffing, die de bestuurders niet hebben betaald. Van een uiteenvallen van ‘Handlungsort’ en ‘Erfolgsort’ is dus geen sprake. De klacht faalt daarom.

2.16

Onderdeel 3 bevat slechts een veegklacht die voortbouwt op onderdelen 1 en 2. Het onderdeel behoeft verder geen bespreking.

2.17

Ik geef de Hoge Raad in overweging het beroep te verwerpen met toepassing van art. 81 lid 1 RO.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), PbEU 2012, L 351/1 (hierna: Verordening Brussel I-bis, ook wel afgekort als EEX-Vo II).

2 Zie rov. 3.1-3.6 van het bestreden arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden, ECLI:NL:GHARL:2019:10869. Zie ook JBPR 2020/3, m.nt. C.G. van der Plas en JOR 2020/168, m.nt. J. van Bekkum.

3 Zie art. 1 lid 2, onder a, EEX-Verdrag (Verdrag van 27 september 1968, nadien aangepast) en art. 1 lid 2, onder a, Verordening Brussel I (nr. 44/2001).

4 Verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring, PbEU 2012, L 201/207 (met rectificaties in PbEU 2012, L 344/3, PbEU 2013, L 60/140 en PbEU 2015, L 43/33).

5 Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 1 Brussel I-bis, aant. 25 (P. Vlas)

6 Zie o.a. Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 1 Brussel I-bis, aant. 12 (P. Vlas); F. Ibili, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 1 Brussel I-bis, aant. 1. Zie over de voorvraag ook L. Strikwerda & S.J. Schaafsma, Inleiding tot het Nederlandse privaatrecht, 2019/125 e.v.

7 Zie o.a. HvJEU 25 maart 2021, zaak C-307/19, ECLI:EU:C:2021:236 (Obala), punt 62; HvJEU 22 oktober 2015, zaak C-523/14, ECLI:EU:C:2015:722 (Aannemingsbedrijf Aertssen en Aertssen Terrassements), punt 30; HvJEU 23 oktober 2014, zaak C-302/13, ECLI:EU:C:2014:2319, NJ 2015/284, m.nt. L. Strikwerda (flyLAL-Lithuanian Airlines), punt 26.

8 Zie ook Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 1 Brussel I-bis, aant. 25 (P. Vlas); Kropholler/Von Hein, Europäisches Zivilprozessrecht, 2011, Art. 1 EuGVO, nr. 28 (p. 102). Zie reeds onder het EEX-Verdrag 1968: J.P. Verheul, Rechtsmacht, deel 1, 1982, par. II 17 (p. 20).

9 HvJ EU 15 juni 2017, zaak C-249/16, ECLI:EU:C:2017:472, RvdW 2017/855 (Kareda).

10 Vgl. J. van Bekkum, JBPR 2020/3 (onder nr. 7) en C.G. van der Plas, JOR 2020/168 (onder nr. 8) die in hun annotaties van het bestreden arrest kritisch zijn over de kwalificatie van de vordering uit hoofde van de bestuurdersaansprakelijkheid voor de belastingschuld als een verbintenis uit onrechtmatige daad.

11 Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen, PbEU 2008, L 177/6 (Verordening Rome II).

12 Zie HvJEU 16 januari 2014, zaak C-45/13, ECLI:EU:C:2014:7, NJ 2014/365, m.nt. L. Strikwerda (Kainz/Pantherwerke), punten 19 en 20.

13 Zie HvJEU 16 mei 2013, zaak C-228/11, ECLI:EU:C:2013:305, NJ 2013/520, m.nt. L. Strikwerda (Melzer), punt 23.

14 Zie o.a. HvJEU 16 juni 2016, zaak C-12/15, ECLI:EU:C:2016:449, NJ 2018/38, m.nt L. Strikwerda (Universal Music International Holding), punt 25.

15 Zie HvJEU 5 juni 2014, zaak C-360/12, ECLI:EU:C:2014:1318, NJ 2015/67, m.nt. L. Strikwerda (Coty Germany), punten 43–45.

16 Zie ook punt 16 van de preambule van de Verordening Brussel I-bis.

17 Zie HvJEU 16 juni 2016 (Universal Music International Holding), reeds aangehaald, punt 35.