Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:354

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
07-04-2021
Datum publicatie
23-04-2021
Zaaknummer
20/01343
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1026
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Rijnvarende in dienst van Luxemburgs uitzendbureau werkt voor Nederlandse scheepsexploitant en is verzekerd in Nederland, maar zijn werkgever heeft ten onrechte premies in Luxemburg betaald; Svb weigert een uitzonderingsprocedure ex art. 16 Vo. (EG) 883/2004 met Luxemburg. Is dat een appellabele beschikking? Gaat de Hoge Raad over zo’n weigering, gegeven de beperkte cassatiecontrole (art. 6 jo. 53 AOW)?

Feiten: De belanghebbende werkte van 1 januari 2010 t/m 31 oktober 2014 aan boord van een rijnvaartschip, dat volgens hem in Luxemburg werd geëxploiteerd. In Luxemburg zijn toen sociale-verzekeringspremies voor hem betaald. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) acht hem echter in Nederland verzekerd omdat de exploitant volgens de Svb in Nederland is gevestigd, waardoor ook premies zijn geheven in Nederland. De belanghebbende heeft de Svb verzocht om, zo nodig op basis van de uitzonderingsprocedure van (art. 13 RVV of) Verordening (EG) 883/2004, te bepalen dat hij uitsluitend sociaal verzekerd was in Luxemburg en geen premies verschuldigd was in Nederland. De Svb heeft de verzoeken voor 2010 en 2011 opgevat als een verzoek om herziening van eerdere Svb-besluiten omtrent de verzekeringsplicht en heeft die afgewezen omdat geen nieuwe feiten bleken en die eerder besluiten evenmin onjuist waren. Het verzoek om een uitzonderingsprocedure is (ook) voor de overige jaren afgewezen. De daartegen gerichte bezwaren zijn ongegrond verklaard.

Geschil: naast diverse klachten waarop de conclusie niet ingaat: heeft de Svb de verzoeken om een uitzonderingsprocedure met Luxemburg terecht afgewezen?

De Rechtbank Rotterdam meent dat de Svb de (herzienings)verzoeken over tijdvakken na 1 mei 2010 (inwerkingtreding Vo. (EG) 883/2004), had moeten doorzenden naar Luxemburg. De belanghebbende wilde immers toepassing van de Luxemburgse wetgeving; de Svb was derhalve niet bevoegd het verzoek in behandeling te nemen.

De Centrale Raad van Beroep daarentegen stelde de Svb in het gelijk.

De belanghebbende stelt acht cassatiemiddelen voor. A-G Wattel gaat alleen in op de klachten wordt over de afwijzing door Svb van het verzoek om op basis van art. 16 Vo. (EG) 883/2004 een uitzonderingsprocedure met Luxemburg te openen over de sociale-verzekeringsplicht. Voor de overige klachten verwijst hij naar de acht conclusies met gemeenschappelijke bijlage van 7 mei 2020 voor de acht arresten van de Hoge Raad van 10 juli 2020 (HR BNB 2020/142 enz.).

A-G Wattel meent dat de cassatiebepalingen in de artt. 53 AOW, 66 Anw, 31 AKW en 10.3.2 WLZ de Hoge Raad geen rechtsmacht geven om te oordelen over (i) de vraag of een weigering om een uitzonderingsprocedure met een andere Rijnoeverstaat in te leiden een appellabel besluit is, noch over (ii) CRvB-uitspraken over een weigering van de Svb om op basis van art. 16 Vo. (EG) 883/2004 een uitzonderingsprocedure met een andere Staat te starten ten behoeve van een Rijnvarende, nu dat geen besluit is over het al dan niet bestaan van Nederlandse verzekeringsplicht volgens de door de rechter te interpreteren aanwijsregels. Vast staat dat de op basis van art. 16 Vo. 883/2004 gesloten Rijnvarendenovereenkomst (RVO) Nederland aanwijst als exclusief bevoegd. De wetsgeschiedenis noch de rechtspraak van de Hoge Raad over de betekenis van internationale regelingen voor de verzekeringsplicht nopen tot cassatiemogelijkheden, nu (i) geen risico bestaat van tegenstrijdige uitspraken van de sociale-verzekeringsrechter en de belastingrechter en (ii) geen dispuut bestaat over de uitleg van de rechtsregels die de verzekeringsplicht ex de RVO bepalen. Belanghebbende wenst dat voor hem een uitzondering wordt gemaakt op de dwingende aanwijsregels van de RVO. De vraag of dat opportuun is, is volgens A-G Wattel een politieke of diplomatieke beleidsaangelegenheid en geen vraag over de uitleg of toepassing van een van de in de cassatiebepalingen genoemde artikelen over het bestaan van verzekeringsplicht ex de nationale wet of de RVO, over de uitleg waarvan in casu geen dispuut bestaat.

Voor zover de belanghebbende behoort tot de groep Rijnvarenden waarvoor de Minister van SZW en de staatssecretaris van Financiën een unilaterale premie-ontdubbelingsregeling hebben getroffen, lijkt het cassatieberoep de A-G op dit punt ook om die reden niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang.

Bij de conclusie is een bijlage gevoegd die ook gaat bij de zaak 20/01343 (over het regime ná 1 mei 2010) en waarin de gemeenschappelijke aspecten van de zaken worden behandeld: (i) het ‘besluit’-begrip; (ii) de uitzonderingsprocedure onder het oude regime van het Rijnvarendenverdrag en onder het nieuwe regime van Vo. (EG) 883/2004; (iii) de beperkte cassatienogelijkheden in sociale-verzekeringszsken en (iv) de rechtspraak van de Afdeling BRvS over verzoeken van belastingplichtigen om opening van een mutual agreement procedure onder belastingverdragen.

Conclusie: cassatieberoep niet-ontvankelijk voor zover ziende op de afwijzingen van de Svb om met Luxemburg een uitzondering overeen te komen en voor het overige ongegrond, onder verwijzing naar de arresten van 10 juli 2020, HR BNB 2020/142, en/of art. 81 Wet RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 23-04-2021
FutD 2021-1319
NTFR 2021/1465 met annotatie van mr.dr. B.M.M. Didden
V-N Vandaag 2021/1118
V-N 2021/22.7 met annotatie van Redactie
NLF 2021/1094 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/01343

Datum 7 april 2021

Belastingkamer B

Onderwerp/tijdvak Verzekeringsplicht onder de Algemene ouderdomswet (AOW) – 1 januari 2010 t/m 31 oktober 2014

Nr. Centrale Raad van Beroep 18/1611;18/1612;18/1613;18/1788;18/1789

Nr. Rechtbank 17/3142, 17/3207 en 17/3208

CONCLUSIE

P.J. Wattel

in de zaak van

[X]

tegen

De Sociale Verzekeringsbank

1 Overzicht

1.1

De belanghebbende werkte van 1 januari 2010 t/m 31 oktober 2014 aan boord van een rijnvaartschip, dat volgens hem in Luxemburg werd geëxploiteerd. In Luxemburg zijn toen sociale-verzekeringspremies voor hem afgedragen. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) acht hem echter in Nederland verzekerd omdat de exploitant volgens de Svb in Nederland is gevestigd. Daarom zijn over dezelfde periode ook premies geheven in Nederland.

1.2

De belanghebbende heeft de Svb verzocht om, voor zoveel nodig met toepassing van art. 13 Rijnvarendenverdrag1 (RVV) (of art. 16 Vo. 833/2004, neem ik aan, voor zover het gaat om de perioden ná 1 mei 2010), te bepalen dat hij van 1 januari 2010 t/m 31 oktober 2014 uitsluitend sociaal verzekerd was in Luxemburg en geen premies verschuldigd was in Nederland. Voor 2010 en 2011 heeft de Svb dat verzoek opgevat als een verzoek om herziening van eerdere Svb-besluiten omtrent de verzekeringsplicht en heeft hij het afgewezen omdat geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die niet bekend waren toen die eerdere besluiten werden genomen, terwijl die besluiten evenmin onjuist zijn gebleken. Het verzoek om een overlegprocedure te starten is (ook) voor de overige jaren afgewezen.

1.3

De Svb heeft de tegen de afwijzingen gerichte bezwaren ongegrond verklaard, voor 2012 en 2014 omdat het schip in Nederland werd geëxploiteerd en voor 2013 omdat daarover een procedure bij de belastingrechter liep en de Svb de beleidsruimte heeft om niet in te gaan op verzoeken om overleg zolang de beslissing van de Belastingdienst niet rechtens onaantastbaar is en het dus nog helemaal niet duidelijk is of overleg zin heeft.Belanghebbendes beroepen zijn gedeeltelijk gegrond verklaard en diens hogere beroep op de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is ongegrond verklaard.

1.4

De belanghebbende stelt acht cassatiemiddelen voor, maar ik ga alleen in op de middelen (iii) en (iv), en alleen voor zover daarin geklaagd wordt over de afwijzing door Svb van het verzoek om op basis van art. 16 Vo. (EG) 883/2004 overleg met Luxemburg te openen over zijn sociale-verzekeringsplicht. Voor de overige klachten verwijs ik naar de acht conclusies met gemeenschappelijke bijlage van 7 mei 2020 voor uw acht arresten van 10 juli 2020 (HR BNB 2020/142 enz.2).

1.5

Bij deze conclusie hoort een bijlage die ook gaat bij zaak 20/00987 waarin ik vandaag eveneens concludeer. Die zaak 20/00987 speelt zich af onder het oude regime van (art. 13 van) het Rijnvarendenverdrag (tot 1 mei 2010) en de onderhavige zaak onder het nieuwe regime van de op basis van art. 16 Vo. 883/2004 gesloten Rijnvarendenovereenkomst (RVO) (vanaf 1 mei 2010). In die bijlage behandel ik de voor beide zaken relevante gezichtspunten (Beschikking? Appellabel? Vatbaar voor cassatie? En vergelijking met twee uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over de weigering van een mutual agreement procedure onder een belastingverdrag met die andere Staat).

1.6

Ik concludeer dat de cassatiebepalingen in de artt. 53 AOW, 66 Anw, 31 AKW en 10.3.2 WLZ u geen rechtsmacht geven om te oordelen over (i) de vraag of een weigering om een uitzonderingsprocedure met een andere Rijnoeverstaat in te leiden een appellabel besluit is, noch over (ii) CRvB-uitspraken over een weigering van de Svb om op basis van art. 16 Vo. (EG) 883/2004 een uitzonderingsprocedure met een andere Staat te starten ten behoeve van een Rijnvarende omdat dat geen besluit is over het al dan niet bestaan van Nederlandse verzekeringsplicht volgens de door de rechter te interpreteren aanwijsregels, nu vaststaat dat de RVO exclusief Nederland aanwijst als bevoegd. De wetsgeschiedenis noch uw rechtspraak over de betekenis van internationale regelingen voor de verzekeringsplicht nopen tot cassatiemogelijkheden, nu (i) geen risico bestaat van tegenstrijdige uitspraken van de sociale-verzekeringsrechter en de belastingrechter en (ii) geen dispuut bestaat over de uitleg van de rechtsregels die de verzekeringsplicht ex de RVO bepalen. Belanghebbende wenst dat te zijnen behoeve een uitzondering wordt gemaakt op de dwingende aanwijsregels van de RVO. Dat is mijns inziens een politieke of diplomatieke beleidsaangelegenheid en geen vraag over de uitleg of toepassing van een van de in de cassatiebepalingen genoemde artikelen over het bestaan van verzekeringsplicht ex de nationale wet of de RVO, over de uitleg waarvan in casu geen dispuut bestaat.

1.7

Ik meen daarom dat belanghebbendes cassatieberoep op het punt van de weigering van een uitzonderingsprocedure niet-ontvankelijk verklaard moet worden.

1.8

Voor zover de belanghebbende behoort tot de groep Rijnvarenden waarvoor de Minister van SZW en de staatssecretaris van Financiën een unilaterale premie-ontdubbelingsregeling hebben getroffen, lijkt mij zijn cassatieberoep op dit punt ook om die reden niet-ontvankelijk.

1.9

Ik geef u in overweging om belanghebbendes cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren voor zover ziende op de afwijzingen van de Svb om met Luxemburg in overleg te treden en voor het overige ongegrond te verklaren onder verwijzing naar uw arresten van 10 juli 2020, HR BNB 2020/1423 en/of art. 81 Wet RO.

2 De feiten en het geding in feitelijke instanties

De feiten

2.1

Ik ga in deze conclusie alleen in op de vraag of u gaat over uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) over beslissingen van de Svb om al dan niet in te gaan op een verzoek tot overleg met een andere Rijnoeverstaat over de vraag in welke Staat Rijnvarenden sociaal zijn verzekerd. Ik geef hier dan ook alleen de feiten weer die daarvoor van belang zijn. De andere vragen in deze procedure zijn mijns inziens reeds beantwoord in (de conclusies voorafgaand aan) uw arresten van 10 juli 2020 (HR BNB 2020/1424 enz.), althans stellen geen punten aan de orde waarop u uit een oogpunt van rechtsontwikkeling of rechtseenheid zou moeten ingaan.

2.2

De belanghebbende werkte van 1 januari 2010 t/m 31 oktober 2014 aan boord van het Rijnvaartschip ‘ [D] ’. Volgens hem werd [D] toen door vennootschappen in Luxemburg geëxploiteerd. In Luxemburg zijn in die periode premies volksverzekeringen voor hem afgedragen. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) acht hem echter in Nederland verzekerd omdat de exploitant volgens de Svb in Nederland is gevestigd. Van de belanghebbende zijn daarom over dezelfde periode ook premies geheven in Nederland.

2.3

Bij brief van 1 juli 2016 heeft de belanghebbende de Svb verzocht om, voor zoveel nodig met toepassing van art. 13 Rijnvarendenverdrag5 (RVV) (c.q. art. 16 Vo. 833/2004, voor over het gaat om periodend ná 1 mei 2010, neem ik aan), te bepalen dat de belanghebbende van 1 januari 2010 t/m 31 oktober 2014 uitsluitend sociaal verzekerd was in Luxemburg en geen sociale verzekeringspremies verschuldigd was in Nederland. Voor 2010 en 2011 heeft de Svb dat verzoek opgevat als een verzoek om herziening van eerdere Svb-besluiten omtrent de verzekeringsplicht en heeft hij het afgewezen omdat geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die niet bekend waren toen die eerdere besluiten werden genomen, terwijl evenmin is gebleken dat die besluiten onjuist waren. Het verzoek om een overlegprocedure te starten is (ook) voor de overige jaren afgewezen.

2.4

De Svb heeft de bezwaren tegen de afwijzingen ongegrond verklaard, voor 2012 en 2014 omdat [D] toen eigendom was van de in Nederland gevestigde [E] , die het schip ook exploiteerde; voor 20136 omdat de belanghebbende bezwaar en beroep had ingesteld tegen de vaststelling van zijn verzekerings- en premieplicht door de Belastingdienst en de Svb de beleidsruimte heeft om niet in te gaan op verzoeken om onderling overleg zolang de beslissing van de Belastingdienst niet rechtens onaantastbaar is en dus nog helemaal niet duidelijk is of overleg een voorwerp heeft.

Uitspraken Rechtbank Rotterdam

2.5

Over de herzieningsverzoeken heeft de Rechtbank Rotterdam7 geoordeeld dat een verzoek om een uitzondering op de toewijzingsregels van artt. 11 t/m 15 van Verordening (EG) 883/2004 (Vo. 883/2004) moet worden ingediend bij de bevoegde autoriteit of lidstaat waarvan de toepassing van socialezekerheidswetgeving wordt verzocht. Nu de belanghebbende toepassing van de Luxemburgse wetgeving wil, was de Svb niet bevoegd hat verzoek in behandeling te nemen; de Svb had het verzoek, voor zover ziende op de periode na 1 mei 2010 (toen Vo 883/2004 in werking trad), moeten doorzenden aan de Luxemburgse autoriteiten. Voor zover het beroep ziet op de periode na 1 mei 2010 is het dus gegrond. Voor wat betreft de tijdvakken vóór 1 mei 2010 heeft de Svb zich volgens de Rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat zich geen nieuwe feiten of omstandigheden voordeden die herziening zouden rechtvaardigen. Belanghebbendes herzieningsverzoek voor de tijdvakken vóór 1 mei 2010 is op goede gronden afgewezen.

2.6

Ook ter zake van de afwijzing van het verzoek om overleg met Luxemburg over 2012 te initiëren achtte de Rechtbank Rotterdam8 belanghebbendes beroep gegrond omdat de Svb het verzoek haars inziens had moeten doorzenden aan de Luxemburgse autoriteiten. Zij overwoog:

“5. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte heeft geweigerd om een regularisatieovereenkomst te sluiten.

5.1.

De rechtbank stelt ambtshalve vast dat op 1 mei 2010 Verordening (EG) nr. 883/2004 in werking is getreden, ter vervanging van Verordening (EG) nr. 1408/71. Artikel 16 van deze Verordening biedt lidstaten de mogelijkheid om – kort gezegd – uitzonderingen op de artikelen 11 tot en met 15 van de Verordening vast te stellen in het belang van bepaalde groepen of personen. De op 23 december 2010 tussen de autoriteiten van België, Frankrijk, Luxemburg, Nederland en Duitsland vastgestelde “Overeenkomst krachtens artikel 16, eerste lid, van de Verordening (EG) 883/2004 betreffende de vaststelling van de op de Rijnvarenden toepasselijke wetgeving 883/2004” (de Rijnvarendenovereenkomst) bepaalt dat op de Rijnvarende de wetgeving van toepassing is van de Ondertekenende Staat op het grondgebied waarvan zich de zetel bevindt van de onderneming waartoe het schip behoort waarvan deze Rijnvarende zijn beroepsactiviteit verricht (artikel 1, aanhef, en onder c in samenhang met artikel 4, tweede lid, van de Rijnvarendenovereenkomst).

5.2.

Artikel 18 van Toepassingsverordening (EG) nr. 987/2009 bepaalt dat een verzoek van de werkgever of een betrokkene om een uitzondering te maken op de artikelen 11 tot en met 15 van Verordening 883/2004 wordt ingediend bij de bevoegde autoriteit of lidstaat waarvan de toepassing van de sociale zekerheidswetgeving wordt verzocht.

5.3.

Gelet op de exclusieve aanwijsregels in de Rijnvarendenovereenkomst en de omstandigheden in het geval van eiser moet in de perioden hier in geding de Nederlandse wetgeving worden beschouwd als de wetgeving waarmee de beroepsactiviteit van eiser het nauwst is verbonden. Nu eiser evenwel toepassing vraagt van de Luxemburgse wetgeving had verweerder het regularisatie-verzoek moeten doorzenden aan de Luxemburgse autoriteiten, gelet op het bepaalde in artikel 16, eerste lid, van Verordening 883/2004 en artikel 18 van de Toepassingsverordening. Verweerder was niet bevoegd om zelf dit verzoek in behandeling te nemen. Dat verweerder, gelet op de lopende procedure in de fiscale kolom, nog geen inhoudelijke beslissing heeft genomen op het verzoek van eiser maakt dat niet anders.

Verweerder stelt zich nog op het standpunt dat het in het voordeel van eiser is dat het verzoek, voor zover dat ziet op de periode vanaf 1 mei 2010, al door haar inhoudelijk is beoordeeld, nu een regularisatieverzoek aan de Luxemburgse autoriteit uiteindelijk in het kader van overleg over een eventueel te sluiten overeenkomst door verweerder aan dezelfde beleidsuitgangspunten zal worden getoetst. Hiermee miskent verweerder dat hij niet bevoegd is om een beslissing te nemen op het verzoek van eiser. De rechtbank ziet dan ook geen mogelijkheid om met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht dit gebrek te passeren.

2.7 5.4.

5.4. Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder wordt opgedragen om het verzoek van eiser door te zenden aan de bevoegde Luxemburgse autoriteit.”De Rechtbank9 heeft ook het beroep inzake het verzoek om een overlegprocedure voor 2013 en 2014 gegrond verklaard, op dezelfde gronden als het beroep over 2012 (zie 2.6).

De Centrale Raad van Beroep 10

2.8

Ter zake van het herzieningsverzoek heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) verwezen naar vaste rechtspraak inhoudende dat als een bestuursorgaan art. 4:6(2) Awb (herhaalde aanvraag) toepast, de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich zorgvuldig voorbereid, deugdelijk gemotiveerd en terecht op het standpunt heeft gesteld dat zich geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden voordoen. Maar ook als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter op basis van de beroepsgronden oordelen dat afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk is.11 De CRvB stelt vast dat de belanghebbende geen rechtsmiddelen heeft gebruikt tegen de besluiten ter zake waarvan hij herziening vraagt, hoewel hij dat had kunnen doen. De Svb heeft volgens de CRvB het herzieningsverzoek daarom op goede gronden afgewezen.

2.9

Ter zake van het verzoek om voor andere jaren dan 2010 en 2011 een uitzonderings-procedure met Luxemburg te starten (de CRvB heeft het over een verzoek om een “regularisatieovereenkomst”), onderkent de CRvB dat zo’n verzoek voor tijdvakken na 1 mei 2010 in Luxemburg moet worden ingediend (art. 18 Vo. (EG) 987/2009). Dit wil volgens de CRvB echter niet zeggen dat alleen de Luxemburgse autoriteiten bevoegd zijn om op het verzoek te beslissen. Aangezien het verzoek strekt tot het sluiten van een overeenkomst, moet ook de Nederlandse bevoegde autoriteit besluiten al dan niet mee te werken aan het verzoek. Zo’n besluit is op rechtsgevolg gericht, zodat de Rechtbank de desbetreffende Svb-besluiten ten onrechte wegens onbevoegdheid van de Svb heeft vernietigd. De CRvB vat de Svb-besluiten op als weigering om mee te werken aan een regularisatieovereenkomst, ook als het verzoek door de Luxemburgse autoriteiten in behandeling wordt genomen. Deze besluiten kunnen en zullen dus inhoudelijk worden getoetst.

2.10

Bij die inhoudelijke toetsing heeft de CRvB belanghebbendes stelling verworpen dat de Svb ten onrechte de procedure van artt. 16 en 73 Vo. 987/2009 niet heeft nageleefd: belanghebbendes verzoek strekt immers tot een overeenkomst over al verstreken tijdvakken en is daarom niet aan te merken als een verzoek de toepasselijke wetgeving vast te stellen zoals voorzien in art. 16 Vo 987/2009.

2.11

Op de periode 1 januari 2012 t/m 31 oktober 2014 is de Rijnvarendenovereenkomst12 (RVO) van toepassing. Art. 4 RVO bepaalt dat op Rijnvarenden niet (gelijktijdig) de sociale-zekerheidswetgeving van meer dan één Staat van toepassing is. Verder is op grond van de in die bepaling opgenomen aanwijsregels de sociale-zekerheidswetgeving van toepassing van de Staat waar volgens de Rijnvaartverklaring de exploitant van het schip gevestigd is waarop de Rijnvarende arbeid verricht. Ingevolge art. 16(1) Vo 883/2004 kunnen de bevoegde autoriteiten van twee of meer lidstaten al dan niet op verzoek een overlegprocedure starten die erin kan uitmonden dat ten behoeve van bepaalde Rijnvarenden uitzonderingen worden gemaakt op de aanwijsregels in de RVO. Dat is een discretionaire bevoegdheid, waarin de bevoegdheid om een verzoek daartoe af te wijzen besloten moet worden geacht.

2.12

Over 2013 overwoog de CRvB dat de fiscale procedure over dat jaar ten tijde van de afwijzing het overlegverzoek nog niet was afgerond en dat de Svb in vaste praktijk afwijzend beslist op verzoeken om overleg te starten met het oog op een regularisatie-overeenkomst als bij de belastingrechter nog een procedure loopt over de toepasselijke wetgeving. De CRvB acht dit beleid niet onredelijk.13 In dit geding is niet gebleken van omstandigheden om in voor de belanghebbende gunstige zin af te wijken van het door de Svb gehanteerde beleid.

2.13

Voor wat betreft 2012 en de periode tussen 1 januari 2014 en 31 oktober 2014, constateert de CRvB dat de Svb de hem in art. 16 Vo. 883/2004 gegeven discretionaire bevoegdheid alleen pleegt te gebruiken als blijkt van bijzondere omstandigheden, waarbij niet omvattend is gedefinieerd wat daar onder moet worden verstaan. Duidelijk is wel dat de Svb bijzondere betekenis hecht aan de vraag vanaf welk moment de betrokkene op grond van besluiten of andere correspondentie van de Belastingdienst of de Svb er “meer dan voorheen” rekening mee moest houden dat hij in Nederland verzekerd zou worden geacht voor de sociale-zekerheidswetgeving. Ook dit beleid acht de CRvB niet onredelijk.14

2.14

Wat de Svb heeft aangevoerd, biedt volgens de CRvB geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de belanghebbende in 2012 er rekening mee had moeten houden dat hij in Nederland verzekerd was. Het ligt dan in de rede dat de Svb alsnog de Luxemburgse autoriteiten benadert met een verzoek om medewerking aan een “regularisatieovereenkomst” over 2012. Dit kan echter anders worden als de Svb aannemelijk maakt dat er over dit tijdvak bijzondere omstandigheden zijn die reden zijn om van “regularisatie” af te zien. Voor de overige jaren moest de belanghebbende uit een in 2013 door hem ontvangen afwijzing van “regularisatie” voor 2010 opmaken dat hij aangemerkt zou worden als in Nederland verzekerd.

3 Het geding in cassatie

3.1

De belanghebbende heeft tijdig en regelmatig beroep in cassatie ingesteld. De Raad van bestuur van de Svb heeft geen verweerschrift ingediend.

3.2

De belanghebbende stelt acht middelen voor die alle ook klagen over schending van art. 8:77 Awb (motiveringsgebreken). Het Hof heeft volgens de belanghebbende ten onrechte en/of onvoldoende gemotiveerd geoordeeld dat:

(i) afwijzing van het herzieningsverzoek (besluit 1) niet evident onredelijk is;

(ii) de belanghebbende zich niet kan beroepen op de artt. 16 en 73 Vo. 987/2009: hij verzoekt wel degelijk vaststelling van het toepasselijke sociaal verzekeringsrecht ex art. 16 Vo 987/2009; bovendien is die vaststelling niet afhankelijk van enig verzoek. De Svb had in 2010 een beslissing moeten nemen omdat de belanghebbende zich had gemeld bij het Luxemburgse zusterorgaan van de Svb, dat ex art. 81 Vo. 883/2004 dit verzoek had moeten doorzenden: dat de lidstaten de procedureregels niet naleven mag hem niet worden tegengeworpen (HvJ EU Sante Pasquini, ECLI:EU:C:2003:366);

(iii) toepassing van art. 16(1) Vo 883/2004 discretionair zou zijn.

(vi) het niet onredelijk zou zijn dat de Svb “regularisatieverzoeken” afwijst als bij de belastingrechter nog een procedure loopt over de vraag welke wetgeving geldt. Uit ECLI:NL:HR:2018:1752 volgt immers dat de fiscale kolom de sociale zekerheidskolom volgt.

(v) geen betekenis zou toekomen aan de Luxemburgse E106-verklaring.

(vi) het niet onredelijk zou zijn dat – voor wat betreft de periode 1 januari 2014 t/m 31 oktober 2014 de Svb een “regularisatieverzoek” afwijst als de belanghebbende op grond van correspondentie van de Nederlandse Belastingdienst of de Svb er rekening mee moest houden dat hij verzekerd en premieplichtig zou worden geacht in Nederland en niet blijkt van bijzondere omstandigheden die anders nopen;

(vii) de Svb kon oordelen dat er voor 2014 geen bijzondere omstandigheid is gebleken die tot regularisatie noopt.

(viii) nieuw beleid niet met terugwerkende kracht wordt toegepast bij het al dan niet meewerken aan “regularisatie.”

4 Beoordeling

4.1

Net als de zaak met nr. 20/00987 waarin ik vandaag eveneens concludeer, is deze zaak alleen voor conclusie geselecteerd in verband met de klachten over de afwijzing door de Svb van het verzoek om met Luxemburg een uitzondering overeen te komen op basis van art. 16 Vo. (EG) 883/2004 (respectievelijk art. 13 Rijnvarendenverdrag). De zaak met nr. 20/00987 speelt zich af onder het oude regime van het Rijnvarendenverdrag (tot 1 mei 2010) en de onderhavige onder het nieuwe regime van art. 16 Vo. 883/2004 juncto de Rijnvarendenovereenkomst (vanaf 1 mei 2010). Ik ga om die reden alleen in op de middelen (iii) en (iv), en alleen voor zover daarin geklaagd wordt over de afwijzing van het verzoek om overleg met Luxemburg te openen over een uitzondering op de reguliere aanwijsregels. Voor de overige klachten verwijs ik naar de acht conclusies met gemeenschappelijke bijlage van 7 mei 2020 voor uw acht arresten van 10 juli 2020 (HR BNB 2020/14215).

4.2

Het ‘besluit’-begrip zoals omschreven in art. 1:3 Awb (zie onderdelen 2.2 en 2.3 van de bijlage) bepaalt de toegang tot de bestuursrechtelijke bezwaar- en beroepsprocedures. Verkeerde uitleg van art. 1:3 Awb wordt niet genoemd als voor cassatieberoep vatbaar in de cassatiebepalingen in de sociale-zekerheidswetten (artt. 53 AOW, 66 Anw, 31 AKW en 10.3.2 WLZ; zie onderdeel 4.1 van de bijlage). De vraag of de CRvB terecht de weigering van de Svb om overleg met Luxemburg te openen als besluit heeft aangemerkt en zo ja, of dat besluit dan appellabel is, staat daarom mijns inziens niet te uwer beoordeling.

4.3

Mocht u menen daar wél over te gaan, dan dient zich een rechtseenheidprobleem aan, nu de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) eisen stelt aan een ‘besluit’-bevoegdheid op grond van inter- of supranationaal recht die de CRvB niet stelt, nl. dat de desbetreffende bepaling rechtstreeks werkt in de zin va art. 93 en 94 Grondwet (zie onderdeel 5 van de bijlage). Het is duidelijk dat art. 13 RVV en art. 16 Vo. 883/2004 niet “onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig (…) (zijn) om zonder meer als objectief recht in de nationale rechtsorde door de rechter te worden toegepast”, dus niet rechtstreeks werken, en daarom niet de door de Afdeling geëiste publiekrechtelijke bevoegdheidsgrondslag bieden om een appellabel ‘besluit’ te zien in de weigering om een uitzonderingsprocedure te beginnen, hoewel de CRvB die weigering wél ziet als appellabel. Ik zie niet meteen dat het op uw weg zou liggen dit rechtseenheidsprobleem op te lossen in een procedure zoals de onderhavige op basis van art. 53 AOW c.a.

4.4

Bovendien staat mijns inziens op basis van de genoemde artt. 53 AOW, 66 Anw, 31 AKW en 10.3.2 WLZ geen cassatieberoep open tegen het oordeel van de CRvB over de afwijzing door de Svb van belanghebbendes verzoek om een uitzonderingsprocedure met Luxemburg.

4.5

Uit de wetsgeschiedenis (zie onderdelen 4.3-4.6 van de bijlage) volgt dat die cassatiebepalingen in de sociale-verzekeringswetten bedoeld zijn om tegenstrijdige rechtspraak van rechterlijke instanties over dezelfde begrippen te voorkomen en aldus een rechtseenheidsrisico te beperken. Dat zich in casu zo’n rechtseenheidsrisico zou kunnen voordoen, ligt niet voor de hand: de beslissing over het al dan niet openen van overleg met andere Rijnoeverstaten over een uitzondering op de dwingende aanwijsregel van de RVO voor (bepaalde groepen van) werknemers ligt bij de Svb en in beroep bij de sociale-verzekeringsrechter en niet bij de belastingrechter. Het valt dan niet in te zien dat tegenstrijdige rechtspraak zou kunnen ontstaan tussen de belastingrechter en de sociale- verzekeringsrechter over de beslissing om al dan niet overleg met andere Rijnoeverstaten te beginnen over uitzonderingen op de exclusieve aanwijzing ex de RVO van (bepaalde groepen van) werknemers.

4.6

Uw rechtspraak opgenomen in de onderdelen 4.7-4.14 van de bijlage biedt mijns inziens evenmin steun aan de opvatting dat cassatieberoep zou (moeten) openstaan tegen uitspraken van de CRvB over zo’n weigering van interstatelijk overleg. Het gaat in casu immers, anders dan in die rechtspraak, niet om de uitleg van bepalingen van hoger dan nationaal recht die de verzekeringsplicht naar nationaal recht aanvullen of wijzigen. De RVO wijst immers precies even krachtig naar exclusieve verzekeringsplicht in Nederland als de Nederlandse nationale wetgeving doet. Er bestaat (ook) op basis van hoger recht geen twijfel over dat Rijnvarenden zijn verzekerd in de Staat van vestiging van de exploitant van het binnenvaartschip waarop zij werken, en dat is in casu kennelijk Nederland, al lijkt de CRvB, anders dan de Rechtbank, die vraag merkwaardigerwijs, althans voor 2012, niet expliciet te beantwoorden.

4.7

Cassatieberoep moet open staan voorzover uiteenlopende rechtspraak kan ontstaan tussen de sociale-verzekeringsrechter en de belastingrechter over met name het al dan niet bestaan van verzekerings- en daarmee premieplicht in Nederland, ook als dat bestaan mede bepaald wordt door inter- of supranationaal recht. Beslissend voor de vraag of cassatieberoep open staat is dus of het al dan niet starten van een uitzonderingsprocedure door de Svb met de autoriteiten van een andere EU-lidstaat invloed heeft op de uitleg van art. 6 AOW c.a. of van de stelselaanwijsregels in Vo. 1408/71, Vo. 883/2004, het RVV of de RVO. Ik meen dat dat niet het geval is, nu een uitzonderingsprocedure pas aan de orde komt nadat die aanwijsregels zijn uitgelegd en toegepast, en dus al vaststaat welke lidstaat exclusief bevoegd is, maar de betrokken lidstaten op die reguliere, uiteindelijk door de rechter te beslechten aanwijzing om beleidsmatige redenen wensen af te wijken. Wel kunt u ingrijpen als twee Staten een uitzondering zouden maken tegen de wil van de verzekerde(n) en deze stelt/stellen dat die uitzondering leidt tot een resultaat dat niet verenigbaar is met de genoemde inter- en supranationale rechtsregels, met name niet met rechtstreeks werkende grondrechtelijke bepalingen.

4.8

Hoe dan ook is de uitzonderingsbevoegdheid niet bedoeld om regulier in lidstaat A verzekerden te helpen shoppen naar een verzekeringsstelsel in enige lidstaat B dat hen om welke reden dan ook beter uitkomt dan het door de wet en EU-recht voor hen aangewezen stelsel.

4.9

Dat is echter wel wat de belanghebbende wil: hij wenst interstatelijk overleg omdat hij een uitzondering ex art. 16 Vo. 883/2004 wenst op de dwingende uitzondering die de Rijnvarendenovereenkomst zelf al is (ex art. 16) op de aanwijsregels van Vo. 883/2004. De vraag of twee Rijnoeverstaten het opportuun achten om een dergelijke uitzondering op de uitzondering overeen te komen, lijkt mij een diplomatieke, althans politieke vraag, althans geen door de rechter te beslissen rechtskundige vraag. Het is mijns inziens geen vraag van uitleg, toepassing of EU- of volkenrechtelijke overriding van een van de in de cassatiebepalingen genoemde nationaalrechtelijke wetsartikelen die de verzekeringsplicht bepalen. Alle rechtsregels, ook de inter- en supranationale, wijzen immers naar Nederland.

4.10

Ik meen daarom dat ook als de feitenrechter het weigeringsbesluit als appellabel kon aanmerken en op onredelijkheid en willekeur kon toetsen, de cassatierechter er niet over gaat, gezien de beperkingen van art. 53 AOW c.a. Hoe dan ook kan de rechter – ook de feitenrechter – niets rechtskundigs zeggen over de voorwaarden of (wenselijke) uitkomst van overleg over een uitzonderingsprocedure, met name niet over de (wenselijke) bereidheid of de inhoudelijke mérites van de standpunten van de andere Staat.

4.11

Het cassatieberoep van de belanghebbende moet mijns inziens daarom op dit punt niet-ontvankelijk worden verklaard. De genoemde cassatiebepalingen geven u mijns inziens geen rechtsmacht om te oordelen over de (oordelen van de CRvB over de) opportuniteit van beslissingen van de Svb om al dan niet in te gaan op de wens van een of meer Rijnvarenden om in een andere Staat verzekerd te zijn dan de dwingend en exclusief door art. 16 Vo 883/2204 juncto de Rijnvarendenovereenkomst aangewezen Staat.

4.12

Dit zou anders kunnen zijn als tussen twee of meer Rijnoeverstaten onenigheid zou bestaan over de vraag of – in termen van mutual agreement procedures - wel in accordance with de Rijnvarendenovereenkomst is gehandeld. Zouden twee of meer Staten menen dat de door de Rijnvaartverklaring aangewezen scheepsexploitant in hun jurisdictie is gevestigd, dan wordt de reguliere verzekeringsplicht ex de RVO wél (mede) bepaald door (de uitkomst van) een overlegprocedure daarover en zou tegen een uitspraak over een besluit over die overlegprocedure wellicht wel cassatie open moeten staan. Maar dan gaat het niet om een discretionaire uitzondering op de RVO, maar om de vraag welke Staat dwingend regulier door de RVO wordt aangewezen (dat kan men wél ‘regularisatie’ noemen). U gaat er echter van uit16 dat een dergelijk twijfelpunt niet kan bestaan omdat de RVO steeds eenduidig naar één Staat - die van de scheepsexploitant - wijst en niet voorziet in een onderling-overlegprocedure, maar wellicht is het toch denkbaar dat ten onrechte twee Rijnvaartverklaringen zijn afgegeven, of géén Rijnvaartverklaring, althans niet één waarop de (vestigingsplaats van de) exploitant vermeld wordt.

4.13

Wat daarvan zij: in casu bestaat geen geschil tussen Nederland en Luxemburg over de vraag waar de scheepsexploitant is gevestigd en dus evenmin over de plaats van de verzekeringsplicht. Beide Staten menen dat Nederland wordt aangewezen door de RVO. Het werkelijke probleem is dat de belanghebbendes of zijn toenmalige werkgever hem ten onrechte in Luxemburg in plaats van in Nederland als verzekerd heeft aangemeld en ten onrechte in Luxemburg in plaats van in Nederland premies heeft betaald. Dat is geen probleem van uitleg van rechtsregels die de verzekeringsplicht bepalen. De belanghebbende wil in wezen dat de bevoegde Staat zich aanpast aan het wellicht bewust onjuiste gedrag van zijn toenmalige werkgever of diens adviseurs in de onbevoegde Staat, die kennelijk niet zat op te letten of er geen belang bij had om op te letten bij aanmelding als sociaal verzekerd van wat toch een opvallend groot aantal niet-ingezeten Rijnvarenden moet zijn geweest.

4.14

Voor zover de belanghebbende behoort tot de groep Rijnvarenden waarvoor de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de staatssecretaris van Financiën een unilaterale premie-ontdubbelingsregeling hebben getroffen (zie onderdeel 3.20 van de bijlage), lijkt mij zijn cassatieberoep op dit punt om die reden al niet-ontvankelijk bij gebrek aan belang.

5 Conclusie

Ik geef u in overweging om belanghebbendes cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren voor zover ziende op de afwijzingen van de Svb om met Luxemburg in overleg te treden en voor het overige ongegrond te verklaren onder verwijzing naar uw arresten van 10 juli 2020, HR BNB2020/142 en/of art. 81 Wet RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

Advocaat-Generaal

1 Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden van 27 juli 1950, Trb. 1953, 76, voor Nederland in werking op 1 juni 1953. Bij het Rijnvarendenverdrag waren partij: Nederland, Duitsland, Frankrijk, België, Luxemburg en Zwitserland. Het Rijnvarendenverdrag is herzien op 30 november 1979 bij het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden (herzien), Genève, 30 november 1979, Trb. 2009, 42.

2 HR 10 juli 2020, nr. 19/04564, na conclusie Wattel, ECLI:NL:HR:2020:1150, FutD 2020-2044 met noot, V-N 2020/34.7 met noot, NTFR 2020/2177, noot Van Schendel , NLF 2020/1706, noot Van de Ven, BNB 2020/142 met noot Kavelaars, HR 10 juli 2020, nr. 19/04609, na conclusie Wattel (ECLI:NL:PHR:2020:235), ECLI:NL:HR:2020:1151, FutD 2020-2044 met noot, V-N 2020/34.6 met noot, NTFR 2020/2179, NLF 2020/1705, noot Van de Ven, BNB 2020/144 met noot Kavelaars, FED 2020/128, noot Kramer; HR 10 juli 2020, nr. 19/02988, na conclusie Wattel (ECLI:NL:PHR:2020:446), ECLI:NL:HR:2020:1235, FutD 2020-2044 met noot, NTFR 2020/2177, noot Van Schendel; HR 10 juli 2020, nr. 19/04566, na conclusie Wattel (ECLI:NL:PHR:2020:238), ECLI:NL:HR:2020:1236, FutD 2020-2044 met noot, NTFR 2020/2178; HR 10 juli 2020, nr. 19/04565, na conclusie Wattel (ECLI:NL:PHR:2020:511), ECLI:NL:HR:2020:1237, FutD 2020-2044 met noot, NTFR 2020/2178, NLF 2020/1704, noot Van de Ven, BNB 2020/143 met noot Kavelaars; HR 10 juli 2020, nr. 19/04567, na conclusie Wattel (ECLI:NL:PHR:2020:239), ECLI:NL:HR:2020:1238, FutD 2020-2044 met noot, V-N 2020/34.35.20, NTFR 2020/2177 met noot Van Schendel, FED 2020/127, noot Kramer; HR 10 juli 2020, nr. 19/04698, na conclusie Wattel (ECLI:NL:PHR:2020:244), ECLI:NL:HR:2020:1242, FutD 2020-2044 met noot, V-N 2020/34.35.21, NTFR 2020/2177, noot Van Schendel; HR 10 juli 2020, nr. 19/04835, na conclusie Wattel (ECLI:NL:PHR:2020:237), ECLI:NL:HR:2020:1244, FutD 2020-2044 met noot, NTFR 2020/2177, noot Van Schendel.

3 HR 10 juli 2020, nr. 19/04564, ECLI:NL:HR:2020:1150, FutD 2020-2044 met noot Fiscaal up to Date, V-N 2020/34.7 met noot van de redactie, NTFR 2020/2177 met noot Van Schendel , NLF 2020/1706 met noot Van de Ven, BNB 2020/142 met noot Kavelaars.

4 HR 10 juli 2020, nr. 19/04564, ECLI:NL:HR:2020:1150, FutD 2020-2044 met noot Fiscaal up to Date, V-N 2020/34.7 met noot van de redactie, NTFR 2020/2177 met noot Van Schendel , NLF 2020/1706 met noot Van de Ven, BNB 2020/142 met noot Kavelaars.

5 Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden van 27 juli 1950, Trb. 1953, 76, voor Nederland in werking op 1 juni 1953. Bij het Rijnvarendenverdrag waren partij: Nederland, Duitsland, Frankrijk, België, Luxemburg en Zwitserland. Het Rijnvarendenverdrag is herzien op 30 november 1979 bij het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden (herzien), Genève, 30 november 1979, Trb. 2009, 42.

6 Aanvankelijk stelde de Svb zich voor 2014 op hetzelfde standpunt als voor 2013, maar tijdens de procedure bij de rechtbank stelde de Svb nader dat voor 2014 de motivering voor 2012 geldt omdat voor 2014 niet is gebleken van een procedure bij de Belastingdienst.

7 Rechtbank Rotterdam 20 februari 2018, nr. ROT 17/3142, ECLI:NL:RBROT:2018:1202.

8 Rechtbank Rotterdam 20 februari 2018, nr. ROT 17/3207, ECLI:NL:RBROT:2018:1198. Op 5 maart 2018 heeft de Rechtbank de uitspraak van 20 februari 2018 gerectificeerd (ECLI:NL:RBROT:2018:2934) “omdat de rechtbank is gebleken dat die uitspraak een ruimere bespreking van de beroepsgronden bevat dan strikt noodzakelijk.” Het hier opgenomen citaat is vernummerd, maar voor het overige onveranderd.

9 Rechtbank Rotterdam 20 februari 2018,nr. ROT 17/3208, ECLI:NL:RBROT:2018:1200.

10 CRvB 12 maart 2020, nrs. 18/1611 AOW, 18/1612 AOW, 18/1613 AOW, 18/1788 AOW en 18/1789 AOW, ECLI:NL:CRVB:2020:654.

11 De CRvB verwijst in dit verband naar zijn uitspraken van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872 en 23 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1449.

12 Overeenkomst krachtens artikel 16, eerste lid, van verordening (EG) 883/2004 betreffende de vaststelling van de op rijnvarenden toepasselijke wetgeving 883/2004, Stb. 2011, 3397.

13 De CRvB verwijst in dit verband naar zijn uitspraken van 9 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3578 en ECLI:NL:CRVB:2016:3556, herhaald in zijn uitspraak van 28 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2634.

14 De CRvB verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 22 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3820.

15 HR 10 juli 2020, nr. 19/04564, ECLI:NL:HR:2020:1150, FutD 2020-2044 met noot Fiscaal up to Date, V-N 2020/34.7 met noot van de redactie, NTFR 2020/2177 met noot Van Schendel , NLF 2020/1706 met noot Van de Ven, BNB 2020/142 met noot Kavelaars.

16 HR 10 juli 2020, nr. 19/04564, ECLI:NL:HR:2020:1150, FutD 2020-2044, V-N 2020/34.7, NTFR 2020/2177, noot Van Schendel , NLF 2020/1706, noot Van de Ven, BNB 2020/142 noot Kavelaars, r.o. 4.3.4-4.3.6.