Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:343

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-04-2021
Datum publicatie
12-04-2021
Zaaknummer
19/05773
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:899
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Medeplegen van hennepteelt, art. 3.B Opiumwet. Bewijsklacht t.a.v. het medeplegen. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. Samenhang met 19/05611, 19/05598, 19/05600 P, 19/05498, 19/05617, 19/05687, 19/05738, 19/05777, 19/05732, 19/05967 en 19/05685.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/05773

Zitting 6 april 2021

CONCLUSIE

F.W. Bleichrodt

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,

hierna: de verdachte.

Het cassatieberoep

1. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 5 december 2019 het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 september 2017 bevestigd, met aanpassing van de bewijsmotivering en met aanvulling van de strafmotivering. Bij dat vonnis is de verdachte wegens “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder B, van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot een taakstraf van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr, en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand, met een proeftijd van twee jaren.

2. De zaak hangt samen met de zaken tegen medeverdachten, met zaaknummers 19/05611 ([medeverdachte 1]), 19/05598 ([medeverdachte 2]), 19/05600 P ([medeverdachte 2]), 19/05498 ([medeverdachte 11]), 19/05617 ([medeverdachte 3]), 19/05687 ([medeverdachte 4]), 19/05738 ([medeverdachte 5]), 19/05777 ([medeverdachte 6]), 19/05732 ([medeverdachte 7]), 19/05967 ([medeverdachte 8]) en 19/05685 ([medeverdachte 10]).1 In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. K.R. Verkaart, advocaat te Breda, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

De zaak

4. Deze zaak maakt onderdeel uit van het onderzoek Kapel, waarin in totaal 28 personen als verdachten zijn aangemerkt. Het hof heeft het volgende vastgesteld.

5. Tussen diverse verdachten was sprake van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband dat het plegen van misdrijven tot oogmerk had. Met uitzondering van [betrokkene 1], kenden alle deelnemers elkaar uit de Tilburgse Turkse gemeenschap. Zij zijn vrienden en/of familie van elkaar. Volgens het hof had de organisatie (ten minste) vier prominente leden, te weten [betrokkene 1], [medeverdachte 11], [betrokkene 2] en (in het bijzonder in relatie tot het aan te wenden geweld) [medeverdachte 1]. Verder had de organisatie leden die vooral uitvoerend bezig waren: [betrokkene 3], [medeverdachte 4], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6].

6. Het hof heeft vastgesteld dat de organisatie gedurende een lange periode met name in softdrugs heeft gehandeld. In verband met het onderzoek zijn op diverse plaatsen in werking zijnde hennepkwekerijen aangetroffen. Verder hield de organisatie zich bezig met het exporteren van harddrugs. Het gebruik van geweld werd niet geschuwd.

7. De verdachte wordt verweten dat hij samen met [medeverdachte 2] hennep heeft geteeld in een door die [medeverdachte 2] gehuurd pand in [plaats]. In dat pand zijn 323 volgroeide hennepplanten aangetroffen.

Het middel

8. Het middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde medeplegen van het opzettelijk telen van 323 hennepplanten is gekomen.

9. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij:

“in de periode van 1 augustus 2013 tot en met 12 september 2013 te [plaats], tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [e-straat 1] een hoeveelheid van in totaal 323 hennepplanten zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.”

10. De bewijsmiddelen waarop die bewezenverklaring steunt, zijn opgenomen in de bijlage bij het door het hof in zoverre bevestigde vonnis van de rechtbank. Het hof heeft die bewijsvoering slechts verbeterd voor zover daarin het proces-verbaal een verhoor van de verdachte is opgenomen. Het hof stelt de passages uit dat verhoor die het niet redengevend acht voor het bewijs terzijde. In verbeterde vorm komt de bewezenverklaring aldus mede te berusten op:

Het proces-verbaal van verhoor van [verdachte] - verdachte - d.d. 5 december 2013 (map 5, pagina's 1836 tot en met 1840), voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt:

Ik wilde [medeverdachte 2] helpen en zijn vader. Vervolgens heb ik contact gekregen met een vrouw in België zijnde [betrokkene 22]. Dit ging via [medeverdachte 2].

Begin juli 2013 hoorde ik voor het eerst van de hennepkwekerij.

De spullen hebben we daar naar toe gebracht met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 7]. Met spullen bedoel ik materiaal waarmee je een hennepkwekerij kon beginnen. Dat zijn lampen, filters, luchtpijpen.

Ik heb daar ook mee geholpen om die spullen naar binnen te dragen en vanuit Tilburg naar [plaats] in België te brengen. De eigenaar van die spullen was [medeverdachte 7] en die heeft alles gegeven aan [medeverdachte 2].

[medeverdachte 11] heeft de kwekerij opgebouwd. Dat is de zwager van [medeverdachte 2]. [medeverdachte 2] zou wel iemand regelen voor stroom.

Ik heb veel op en neer gereden van Tilburg naar [plaats] België om [medeverdachte 11] op te halen. Ik zou geld krijgen voor de benzine.

Ik wilde nogmaals alleen [betrokkene 22] uit dat huis halen omdat ik dacht dat zij onder druk van de Turkse maffia stond.

Ik heb gezien dat er hennepplanten stonden.

Ik heb samen met [betrokkene 23] iets gekocht tegen luis. [betrokkene 23] heeft later dit op de plantjes gespoten.

In het telefoongesprek wat jij mij net voorlas zou ik 20 procent krijgen.

Tien procent hebben ze gezegd. Volgens mij bedoelen ze procent van de opbrengst.

[medeverdachte 7] heeft spullen geregeld.”

11. Het in zoverre bevestigde vonnis van de rechtbank bevat de volgende bewijsoverwegingen:

“Op 12 september 2013 is er in de woning aan de [e-straat 1] te [plaats] een hennepkwekerij aangetroffen verdeeld over twee ruimtes met in totaal 323 volgroeide hennepplanten. Gelet op het feit dat hennepplanten gemiddeld tien weken nodig hebben om te volgroeien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat deze hennepkwekerij in ieder geval in voornoemde woning aanwezig is geweest sinds 1 augustus 2013.

Eigenaar hennepkwekerij

Voornoemde woning werd gehuurd door [betrokkene 22]. In voornoemde woning is het paspoort van [medeverdachte 2] aangetroffen. Op 11 september 2013 is tijdens een observatie waargenomen dat [medeverdachte 2] samen met NN2 om 21.40 uur bij de woning aankomt en om 21.43 uur de woning via de voordeur binnen gaat. Om 21.57 uur komt hij samen met NN2 de woning weer uit en vertrekt.

Uit de telefoongesprekken tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 7], gevoerd in de periode kort voor de inval in de woning door de politie blijkt dat onder andere door [medeverdachte 7] aan [medeverdachte 2] wordt doorgegeven dat [verdachte] heeft gezegd dat de plek schoongemaakt en/of afgemaakt kan worden. [medeverdachte 7] zegt verder dat [verdachte] heeft gezegd dat de tien weken zijn verstreken en dat er beestjes/spinnen zijn die de kopjes opvreten. Als er langer gewacht wordt dat ze dan verlies gaan lijden. [verdachte] heeft volgens [medeverdachte 7] voorgesteld beide kanten af te maken en met elkaar te mengen. [medeverdachte 7] zegt ook tegen [medeverdachte 2] dat hij tegen [verdachte] heeft gezegd dat hij baby’tjes moet gaan bestellen. [medeverdachte 2] spreekt in een van deze gesprekken over knippen en wegen.

De rechtbank constateert dat in deze tapgesprekken niet letterlijk over hennep of over de hennepkwekerij aan de [e-straat 1] te [plaats] wordt gesproken. Zij stelt echter, gelet op de inhoud van deze gesprekken en de personen die deze voeren, de tijdstippen waarop gesproken wordt over bepaalde zaken in combinatie met de aangetroffen hennepkwekerij en de verklaring van [verdachte], vast dat deze gesprekken daarop zien. De tapgesprekken worden voorts voldoende ondersteund door andere bewijsmiddelen, zodat het verweer van de verdediging op dit punt wordt verworpen.

Uit de telefoongesprekken tussen [medeverdachte 2] en [betrokkene 24] en [betrokkene 25] die na de inval van de politie in de woning hebben plaatsgevonden volgt dat [medeverdachte 2] heeft gezegd dat hij [verdachte] zijn plek liet doen en dat [verdachte] op zijn plek aan het letten was. Ook zegt hij in een gesprek met een Nnman op de dag van de inval in de woning, dat ze vandaag zijn dinges van honderd duizend lira hebben gestolen en dat het vandaag zijn keerpunt zou worden.

[verdachte] heeft verklaard dat de huur van de woning aan de [e-straat 1] te [plaats] door [medeverdachte 2] werd betaald en dat het ook zijn hennepkwekerij was.

Op grond van het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte 2] als eigenaar van de kwekerij kan worden aangemerkt. De verklaring van [verdachte] wordt op dit punt ondersteund door tapgesprekken, waarin met [medeverdachte 2] overleg is gevoerd over de te nemen stappen in de hennepkwekerij waarin hij beslissingen neemt en zelf spreekt over “zijn plek”. Daarnaast is [medeverdachte 2] de dag voor de inval ter plaatse gezien en is zijn paspoort in de woning aangetroffen.

Rol [verdachte]

Met betrekking tot de rol van [verdachte] voegt de rechtbank nog het volgende toe.

In één van de telefoongesprekken tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 7] wordt besproken waarom [verdachte] vroegtijdig zou willen knippen omdat hij zelf ook twintig procent verdient.

[verdachte] heeft verklaard dat hij geholpen heeft met het naar binnen brengen van de benodigdheden voor de hennepkwekerij en dat hij de persoon die de hennepkwekerij heeft gebouwd heeft opgehaald en weggebracht. Hij zou tien procent van de opbrengst ontvangen. Volgens hem lijkt het erop dat hij als oppasser is gebruikt.

Op grond van het voorgaande in onderlinge samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] betrokken is geweest bij de hennepkwekerij in de woning aan de [e-straat 1] te [plaats]. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat [verdachte] geholpen heeft bij het naar en in de woning brengen van de benodigde spullen voor de hennepkwekerij en het vervolgens zorg dragen voor die hennepkwekerij. Daarmee heeft [verdachte] een substantiële bijdrage aan de kwekerij geleverd. Zonder zijn bijdrage zou de kwekerij immers niet hebben kunnen functioneren. Deze rol in combinatie met het feit dat hij daarvoor een bepaald percentage van de opbrengst zou ontvangen, maakt dat de rechtbank [verdachte] hem als medepleger van de kwekerij aanmerkt. Zij acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen met anderen van hennepteelt aan de [e-straat 1] te [plaats].”

12. Volgens de steller van het middel wordt door het hof ten onrechte aangenomen dat de hulp die is geboden bij het naar de woning brengen van spullen voor de op te zetten hennepkwekerij bijdraagt aan het bewijs voor het medeplegen van telen van hennep. Ik kan de steller van het middel daarin niet volgen. Het hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk de omstandigheid dat de verdachte heeft geholpen met het naar binnen brengen van de benodigdheden voor de hennepkwekerij en dat hij de persoon die de hennepkwekerij heeft gebouwd heeft opgehaald en weggebracht redengevend geacht voor het bewijs dat de verdachte en anderen in het kader van de hennepkwekerij bewust en nauw hebben samengewerkt.

13. Het middel bevat voorts de klacht dat niet zonder meer uit de bewijsmiddelen kan worden opgemaakt dat de verdachte voor de hennepkwekerij heeft zorggedragen. De verklaring van [medeverdachte 2] dat de verdachte “op zijn plek aan het letten [was]” zou daartoe niet voldoende zijn, temeer omdat deze verklaring geen steun vindt in de overige bewijsmiddelen en door de verdachte wordt bestreden.

14. Ook deze klacht faalt. In verschillende tot het bewijs gebezigde OVC-gesprekken noemt [medeverdachte 2] de verdachte als degene door wie hij ‘die plek’ liet ‘doen’ en die op die plek lette, waarbij hij kennelijk doelde op de woning aan De [e-straat 1] in [plaats] waarvoor hij de huur betaalde en waar zich de kwekerij bevond.2 De verdachte hield zich “ermee bezig” en dat was volgens [medeverdachte 2] ook zijn taak.3 Daarnaast blijkt uit het telefoongesprek tussen [medeverdachte 7] en [medeverdachte 2] van 11 september 2013 dat de verdachte heeft gewaarschuwd dat er “beestjes” waren “die de kopjes opvreten” en die een bedreiging vormden voor de winst.4 Met een ander heeft hij een bestrijdingsmiddel gekocht tegen de luizen in de kwekerij en hij heeft voorstellen gedaan hoe de kweek te finaliseren.5 In dat verband heeft hij het knippen van de hennepplanten geïnitieerd en zich bekommerd om de verzorging van de planten toen luizen een bedreiging voor de winst leken te gaan vormen. Voorts blijkt uit de vaststellingen van het hof dat de verdachte zou meedingen in de winst die zou worden gemaakt met de verkoop van de oogst. Gesproken wordt in dit verband van tien dan wel twintig procent van de opbrengst.6

15. Het hof heeft uit de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, die uit de inhoud van de bewijsmiddelen blijken, kunnen afleiden dat sprake is geweest van een gezamenlijke uitvoering van de hennepteelt en dat de verdachte daaraan een dusdanige bijdrage heeft geleverd, dat hij als medepleger kan worden aangemerkt.7 In het licht van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, is het bewijs dat de verdachte zich in de periode van 1 augustus 2013 tot en met 12 september 2013 schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van het telen van hennep naar de eis van de wet voldoende met redenen omkleed.

16. Het middel faalt.

Slotsom

17. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.

18. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

19. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 In de eveneens met deze zaak samenhangende zaken 19/05606 ([betrokkene 2]), 19/05662 ([betrokkene 3]) en 19/05525 ([betrokkene 1]) is het cassatieberoep ingetrokken.

2 Zie de bijlage met bewijsmiddelen zaak 15 bij het vonnis van de rechtbank, p 5.

3 Zie de bijlage met bewijsmiddelen zaak 15 bij het vonnis van de rechtbank, p 3.

4 Zie de bijlage met bewijsmiddelen zaak 15 bij het vonnis van de rechtbank, p 4.

5 Zie het bestreden arrest, p. 2.

6 Vgl. HR 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1794 en HR 18 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:719.

7 Vgl. mijn conclusie voorafgaand aan HR 18 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:719.